De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus

Part 16

Chapter 163,671 wordsPublic domain

Toen riep hij den heer Verstand tot zich, den ouden burgemeester, die dadelijk uit zijn ambt was ontzet toen Diábolus de stad innam. Hij herstelde hem nu in zijn ambt en wel voor zijn leven. Hij verzocht hem ook een paleis voor zich te bouwen vlak bij de Oogpoort, en dan moest het een sterk paleis zijn op de manier van een toren ter verdediging. Hij verzocht hem daarbij de boeken der openbaring en uitlegging der mysteriën al zijne levensdagen ijverig na te lezen, opdat hij zijn ambt waardiglijk mocht bekleeden.

Hij maakte ook den heer Kennis tot secretaris of griffier,[31] niet om den ouden edelman Geweten te verstooten, maar omdat hij voor dezen een beter ambt had, dat hij hem later zou opdragen.

[31] ~Kennis~ wordt griffier, terwijl het Geweten een hoogeren post bekomt. Kennis is het geheugen de herinnering der ziel. Jezus zegt: „Dit is het eeuwige leven, dat zij u kennen, den eeuwigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.” Joh. 17 : 3.

Toen beval hij dat het beeld van Diábolus zou weggenomen worden van de plaats waar het opgesteld was, en dat zij het volkomen moesten vernielen, het tot puin vergruizen en dan naar alle winden verstrooien buiten de muren der stad. Maar het beeld van El-Schaddaï zijn vader moest weder worden opgericht en nevens het zijne op de poort van het kasteel geplaatst. Het moest sierlijker gemaakt worden dan ooit tevoren aangezien zijn vader en hij thans in meerdere genade dan eertijds tot de stad Menschziel gekomen waren. Hij wilde ook dat zijne naam duidelijk zou worden gegraveerd op de buitenmuur der stad, en wel in het fijnste goud ter eere van Menschziel. [Openb. 22 : 4.]

Nadat dit alles geschied was gaf Immanuel last, dat die drie groote Diábolusmannen gevat zouden worden, welke zooveel ellende hadden aangericht; te weten de twee burgemeesters Ongeloof en Zinnelijke Lust met den secretaris Goedvergeter. Benevens hen waren er nog enkelen, die Diábolus tot edellieden en eereburgers in Menschziel gemaakt had, die door de hand van den nu zeer ijverigen en getrouwen heer Vastewil werden gevat.

Hier zijn hunne namen: Jonkheer Godverzaker, jonkheer Hardhart en Jonkheer Valsche Vrede. De eereburgers waren de heeren Zonder Waarheid, Zonder Medelijden, en Hoogmoed. Deze werden in de gevangenis gezet en de naam van den cipier was Waarachtig. Deze Waarachtig was een dergenen, die Immanuel mede gebracht had van zijns vaders hof, toen hij den oorlog tegen Menschziel aanving.

Hierna gaf de Prins bevel, dat de drie sterkten, die op aanstoken van Diábolus door zijne mannen in Menschziel gebouwd waren, moesten worden afgebroken en geheel vernield. Van deze sterkten, hare namen en gouverneurs hebt gij reeds tevoren gelezen. Maar dit werk ging langzaam wegens de grootte dier vestingen en de steenen, het ijzer en lood, dat er aan was. Het duurde lang eer al dat puin was opgeruimd.

HOOFDSTUK VII.

EENEN MEESTER DIENEN.

Toen dit alles geschied was gaf de Prins bevel, dat de Burgemeester en de raadsleden van Menschziel een gerechtshof zouden samenroepen om de Diábolusmannen, welke in preventieve gevangenis zaten onder bewaring van den cipier Waarachtig te vonnissen.[32]

[32] ~Het gericht en de terechtstelling der Diábolus-mannen~. Het onderscheid moet nooit uit het oog worden verloren tusschen de ingeborenen der stad en degenen, die Diábolus medebracht bij zijnen intocht. De eersten kunnen worden vernieuwd en wedergeboren; de laatsten moeten worden gedood en uitgedreven.

Toen nu de tijd daar was en het gerechtshof gezeten, werd aan den cipier Waarachtig bevel gegeven de gevangenen voor de balie te brengen, hetgeen ook geschiedde. Volgens de gewoonten van Menschziel werden zij voorgebracht met ketenen beladen. Daar zaten de Burgemeester, de Griffier en de gansche achtbare vergadering. Eerst werd de jurie gekozen en daarna werden de getuigen bezworen. De namen der jurieleden waren deze: de heeren Geloof, Waarachtig hart, Oprecht, Kwaadhater, Godlief, Goede werken, IJveraar voor God en Ootmoedig.

De namen der getuigen waren: de heeren Allesweter, Waarheidspreker, Leugenhater en de heer Vastewil met zijne mannen, als er nog meer noodig mochten zijn.[33]

[33] ~De drie getuigen~ Allesweter, Waarheidspreker en Leugenhater slaan terug op onzen vorm van getuigenis afleggen: 1e de waarheid -- 2e de volle waarheid -- 3e niets dan de waarheid.

Zoo werden dan de gevangenen voor de balie gebracht en sprak de heer Doe-recht (want hij was de stadsklerk): „Brengt Godverzaker vóor, cipier!” Godverzaker trad vooruit. Toen zeide hij tot hem: „Hef uwe hand op. Gij staat hier bekend onder den naam van Godverzaker, een indringer in de stad Menschziel, omdat gij boosaardig en onbeschaamd hebt gezegd en staande gehouden, dat er geen God is, en dat diensvolgens ook alle godsdienst overbodig is. Dit hebt gij gedaan tegen de eer en heerlijkheid van den koning en tegen den vrede en de veiligheid der stad Menschziel. Wat hebt gij hiertegen in te brengen? Zijt gij schuldig aan hetgeen u ten laste gelegd is of niet?”

Godverzaker: „Niet schuldig.”

De klerk: „Roep de getuigen, de heeren Allesweter, Waarheidspreker en Leugenhater binnen.”

[Afbeelding: HET VERHOOR VAN HARDHART.]

En ze kwamen binnen.

Toen zeide de klerk: „Gij getuigen voor den koning, ziet dezen gevangene, die hier voor de rechtbank staat, aan, kent gij hem?”

Daarop antwoordde heer Allesweter: „Ja, heer, wij kennen hem. Zijn naam is Godverzaker; hij is jarenlang een zeer gevaarlijk en verleidelijk persoon geweest in de stad Menschziel.”

De klerk. „Zijt gij er wel zeker van, dat gij hem kent?”

Allesweter. „Hem kennen! Ja, mijnheer. Ik ben vroeger maar al te dikwerf in zijn gezelschap geweest dan dat ik hem nu niet kennen zou. Hij is een Diábolusman en de zoon van een Diábolusman. Ik ken beiden, zijn vader en zijn grootvader.”

De klerk. „Zeer wel; hij is aangeklaagd onder dezen naam en wordt beschuldigd te hebben gezegd en staande gehouden, dat er geen God is, en dat men dus ook met godsdienst zich niet moet bezighouden. Wat zegt nu gij, getuigen des konings, is hij schuldig of niet?”

Allesweter. „Mijnheer, hij en ik waren eens in de Ondeugdstraat bij elkaêr en hij sprak toen zeer openlijk over allerlei meeningen en gevoelens. Daar hoorde ik hem toen zeggen, dat hij, wat hem betreft, volstrekt niet gelooft dat er een God is. „Maar,” voegde hij er bij, „daarom kan ik mij toch wel houden of ik het geloof en, al naar het gezelschap, waarin ik mij bevind, mij meer of minder godsdienstig aanstellen.””

De klerk. „Gij zijt er toch wel zeker van dat hij dat gezegd heeft?”

Allesweter. „Op den eed, dien ik gezworen heb, hij heeft dat gesproken.”

Toen zeide klerk: „Gij, mijnheer Waarheidspreker, wat hebt gij als ’s konings getuige hierbij te voegen?”

Waarheidspreker. „Mijnheer, ik was eertijds een groot vriend en metgezel van hem, hetgeen mij thans meer spijt dan ik zeggen kan, en ik heb hem zeer dikwijls met grooten ophef hooren zeggen dat er geen God is, noch engel, noch geest.”

Klerk. „Waar hoordet gij hem dat zeggen?”

Waarheidspreker. „In de Zwartmondstraat en in de Godslasteraarsgang, en o, op nog zooveel andere plaatsen!”

De klerk. „Weet gij nog meer van hem?”

Waarheidspreker. „Ik ken hem als een Diábolusman en als de zoon van een Diábolusman, die verschrikkelijk was in zijne ontkenning der Godheid. Zijns vaders naam was Nimmergoed, die ook nog meer kinderen had dan dezen Godverzaker. Meer heb ik niet te zeggen.”

De klerk. „Mijnheer Leugenhater, zie gij den gevangene aan. Kent hij hem?”

Leugenhater. „O, ja, mijnheer, deze Godverzaker is een van de snoodste boeven, die ik ooit ontmoet heb. Ik heb hem hooren zeggen, dat er geen God is; ik heb hem ook hooren zeggen, dat er geene toekomende wereld is, noch zonde, noch strafoefening hiernamaals. Bovendien heb ik hem de uitdrukking hooren doen, dat het even goed is een huis der ontucht te bezoeken als eene preek te gaan hooren.”

De klerk. „Waar hoordet gij hem deze dingen zeggen?”

Leugenhater. „In de Dronkaardstraat, juist naast het Ratelsteegje, in het huis van meester Goddeloosheid.”

De klerk. „Zet hem weer vast, cipier, en laat Zinnelijke Lust voor het gerecht verschijnen.” -- En zich tot dien persoon wendende ging hij voort: „Zinnelijke Lust, gij zijt hier onder dezen naam aangeklaagd, als een indringer in de stad Menschziel, omdat gij op een duivelsche en verraderlijke wijze door uwe vuile handelingen en vuile woorden anderen geleerd hebt, dat het voor een mensch geoorloofd en zelfs nuttig is aan zijne vleeschelijke lusten toe te geven, en dat gij, wat u aangaat, uzelven, noch uw zondig vermaak ooit hebt verloochend en dat ook nooit doen zoudt zoolang uw naam Zinnelijke Lust is. Wat zegt gij daarop? Zijt gij schuldig of onschuldig?”

Toen antwoordde Zinnelijke Lust: „Mijnheer, ik ben een man van hooge afkomst en ben gewoon aan vermaak en weelde. Ik ben niet gewoon mij in mijne handelingen te laten dwingen of regeeren, maar volg steeds mijn wil als eene wet. Het komt mij zelfs vreemd voor, dat ik heden ter verantwoording word geroepen voor datgene wat niet alleen ik, maar verreweg de meeste menschen doen, en ’t zij in het openbaar of in het verborgen meestal wordt toegestemd en goedgekeurd.”

De klerk. „Heerschap, aan uw hooge afkomst is ons niets gelegen, ofschoon dit tegen u pleit, want hoe hooger hoe beter gij hadt moeten zijn; maar wat ons nu bezig houdt is de beschuldiging tegen u ingebracht. Wat zegt gij daarvan? Zijt gij schuldig of niet?”

[Afbeelding: VALSCHE-VREDE, ZIJN VADER, MOEDER EN BETREKKINGEN.]

„Niet schuldig!” zeide hij.

De klerk. „Roep dan nu weer de getuigen opdat zij hunne getuigenis afleggen. Gij, getuigen des konings, wat hebt gij in te brengen tegen dezen mensch? Eerst gij, Allesweter, kent gij hem?”

Allesweter. „Ja, mijnheer, ik ken hem. Zijn naam is Begeerlijkheid. Hij was de zoon van zekeren Dierlijk of Beestachtig, en zijne moeder baarde hem in de Vleeschstraat, zij was de dochter van zekeren Boozelust. Ik ken zijn gansche geslacht.”

De klerk. „Goed. Gij hebt zijne aanklacht gehoord. Wat zegt gij daarvan? Is hij schuldig aan hetgeen hem te laste wordt gelegd?”

Allesweter. „Mijnheer, hij is inderdaad een groot man zooals hij gezegd heeft en duizendmaal grooter in goddeloosheid dan van afkomst.”

De klerk. „Maar wat weet gij van zijne bijzondere daden en handelingen?”

Allesweter. „Ik weet, dat hij een leugenaar is, een vloeker, een sabbatschender, een echtbreker en een onkuische. Ik ken hem als schuldig aan eene menigte ongerechtigheden. Hij is een zeer snood mensch.”

De klerk. „Maar waar was hij gewoon zijne ongerechtigheden te bedrijven? In een of anderen verborgen hoek of openbaar en met schaamteloosheid?”

Allesweter. „Door de gansche stad, mijnheer.”

De klerk. „Kom, mijnheer Waarheidspreker, wat hebt gij voor onzen koning te zeggen tegen dezen gevangene?”

Waarheidspreker. „Al wat de eerste getuige gezegd heeft weet ik waar te zijn en nog veel meer daarbij.”

De klerk. „Meester Begeerlijkheid, hoort gij wat deze heeren zeggen?”

Zinnelijke Lust. „Ik was altijd van oordeel, dat het gelukkigste leven, hetwelk een mensch leiden kon op deze aarde, was zich in niets te bedwingen wat de begeerte van zijn hart hem opgeeft. Ik ben nooit aan deze mijne opinie ontrouw geweest, maar heb daarin al mijne dagen geleefd. Daarbij was ik nooit zoo hardvochtig, dat wat ik voor mijzelven zoet vond, ik dit anderen zou hebben verboden.”

Toen zeide het hof: „Er is genoeg uit zijn eigen mond om hem te veroordeelen. Men brenge hem weg, cipier, en brenge Ongeloof voor.”

Ongeloof werd voor de rechters gesteld.

„Meester Ongeloof,” zeide de klerk, „gij zijt hier bij dien naam aangeklaagd als een indringer in de stad Menschziel, omdat gij goddelooslijk, toen gij overste in deze stad waart, u tegen den koning El-Schaddaï hebt verzet als hij kwam om de stad op te eischen, ten einde die weder in zijn bezit te krijgen. Ja, gij hebt u tegen den naam, de legermacht en de zaak des konings gesteld, en handeldet eveneens als Diábolus, uw hoofdman; gij hebt de stad oproerig gemaakt en u met alle macht tegen den koning verweerd. Wat zegt gij op deze beschuldiging? Zijt gij schuldig of niet?”

Toen zeide Ongeloof: „Ik ken El-Schaddaï niet; ik heb mijn ouden vorst lief; ik rekende het mijn plicht getrouw te wezen in het mij toevertrouwde werk, en te doen al wat in mijn vermogen was om den geest der mannen van Menschziel op te zetten tegen vreemdelingen en gelukzoekers, tegen wie ik gevochten heb voor mijnen heer. Ook ben ik daarin nog niets veranderd en zal ook niet veranderen uit vrees of onrust omdat gij op dit oogenblik bezit genomen hebt van de stad en hare sterkten.”

Toen sprak het hof: „De man is, zooals gij ziet, onverbeterlijk; hij houdt met groote onbeschaamdheid zijne ongerechtigheid staande en belijdt zijn opstand onbewimpeld; daarom: breng hem weg, cipier, en breng Goedvergeter voor.”

Goedvergeter verscheen voor het gerecht.

De klerk. „Meester Goedvergeter, gij zijt hier bij dezen naam aangeklaagd als een indringer in Menschziel, omdat gij, toen al de zaken van Menschziel in uwe handen berustten, ten eenenmale vergeten hebt die ten goede te besturen, maar u hebt gevoegd bij Diábolus, om tegen koning El-Schaddaï en zijne kapiteins partij te kiezen. Uw gedrag was tot oneer van dien koning en tot verguizing zijner wetten, terwijl gij daardoor Menschziel aan den rand van haren ondergang bracht. Wat zegt gij hierop, zijt gij hieraan schuldig of niet?”

Toen antwoordde deze persoon: „Gij edelen en heeren, te dezer tijd mijne rechters, wat de aanklacht betreft, waarbij ik dusdanig beschuldigd word, schrijf toch goedgunstig mijne vergeetachtigheid toe aan mijnen ouderdom en niet aan boos opzet; aan de zwakheid mijner hersenen en niet aan de onverschilligheid van mijn gemoed. Wanneer gij dat doet, zal uwe goedheid, ofschoon ik schuldig ben, mij wel niet al te zwaar straffen.”

Hierop gaf het hof tot wederantwoord: „O, Goedvergeter, Goedvergeter! uwe vergeetachtigheid kwam niet slechts voort uit zwakheid, maar zij was opzettelijk, gij waart maar al te zeer ongenegen goede en deugdzame dingen in uw geheugen te bewaren. Wat kwaad was kondt gij wèl onthouden, maar aan het goede kondt gij zelfs niet denken. Gij zoekt u van uwen ouderdom en voorgewende zwakheid te bedienen en het hof te verblinden en uwe misdaden te bemantelen en te bedekken. Maar laat ons eens hooren wat ’s konings getuigen tegen u te zeggen hebben. Getuigen, is hij schuldig of niet?”

Leugenhater. „Mijnheer, ik heb dezen Goedvergeter hooren zeggen, dat hij het nooit zelfs een kwartier lang uithouden kon aan het goede te denken.”

De klerk. „Waar hoordet gij hem dat zeggen?”

Leugenhater. „In de Ondeugdstraat, in de woning, waarnaast de Toegeschroefde Conscientie uithangt.”

De klerk. „Mijnheer Allesweter, wat kunt gij zeggen tegen dezen gevangene?”

Allesweter. „Mijnheer, ik ken dezen boozen man wel. Hij is een Diábolusman en zijn vader was dat ook. Deze heette Nietsbeminnaar, en ik heb hem dikwijls hooren zeggen, dat de gedachte aan het goede alleen hem de zwaarste last was, die in de wereld te dragen valt.”

De klerk. „Waar hebt gij hem dit hooren zeggen?”

Allesweter. „In de Vleeschstraat tegenover de kerk.”

Toen zeide de klerk: „Kom gij nu, Waarheidspreker, en geef getuigenis tegen dezen gevangene omtrent hetgeen, waarvoor hij hier terecht staat voor dit eerwaarde hof.”

Waarheidspreker. „Mijnheer, ik heb hem hooren zeggen, dat hij liever aan de vuilste dingen dacht dan aan hetgeen in de Heilige Schriftuur staat.”

[Afbeelding: OPGEBLAZEN VERDEDIGT ZICHZELVEN.]

De klerk. „Waar hoordet gij hem deze schandelijke woorden spreken?”

„Waar? In verscheidene plaatsen, maar vooral in de Vuilsteeg, in het huis van Schaamteloos, waar de Verworpeling uithangt, naast de herberg, die den naam draagt: „de Ingang tot den afgrond.”

Het hof sprak hierop: „Mijne heeren, gij hebt de beschuldiging gehoord en het getuigenverhoor. Cipier, breng Hardhart nu voor.” En dit geschiedde.

De klerk. „Meester Hardhart, gij zijt bij dezen naam aangeklaagd als een indringer in deze stad Menschziel, omdat gij de gansche stad met de jammerlijkste onboetvaardigheid en verharding bezet hebt, haar terughoudende van alle verbrijzeling en droefheid over hare zonden, gedurende al den tijd dat zij van den gezegenden koning El-Schaddaï afgevallen was en tegen hem in opstand heeft geleefd. Wat zegt gij op deze aanklacht, zijt gij hieraan schuldig of niet?”

Hardhart antwoordde: „Ik beken, mijne heeren, dat ik zoolang ik leef niet geweten heb wat verbrijzeling of droefheid beduidt. Ik ben onaandoenlijk; ik geef om niemand; ook kan ik door menschelijke smarten niet worden gekweld; hun treurigheid noch jammerklacht dringt in mijn hart door. Als ik iemand kwaad doe of beleedig, is het voor mij muziek zijn kermen en klagen te hooren.”

Het hof sprak: „Gij ziet, dat deze mensch een rechte Diábolusman is en zichzelven duidelijk heeft uitgesproken. Breng hem weg, cipier, en laat Valsche Vrede voorkomen.”

„Valsche Vrede, gij zijt hier bij dezen naam aangeklaagd als een indringer in Menschziel, omdat gij op eene goddelooze ja, duivelsche manier haar, terwijl zij in afval en helschen opstand tegen haren koning leefde, in een valschen, gevaarlijken, ja, verdoemelijken vrede hebt gebracht en gehouden, een stille gerustheid, die den koning tot oneer strekt, zijne wet bespot en groote schade en nadeel werkte voor Menschziel. Wat zegt gij hierop? Zijt gij daaraan schuldig of niet?”

Valsche Vrede antwoordde daarop: „Edele heer en gij allen, die nu als rechters over mij zit, ik beken dat mijn naam Vrede is, maar dat ik Valsche Vrede zou heeten, ontken ik ten sterkste. Indien mijne heeren gelieven te vernemen bij al degenen, die mij kennen en bij mijne geboorte en naamgeving tegenwoordig waren, zoo zullen zij allen getuigen, dat mijn naam niet Valsche Vrede maar Vrede is. Om die reden kan ik tegen deze aanklacht niets inbrengen, dewijl daarin mijn naam niet is genoemd. Mijn karakter is overeenkomstig mijn waren naam. Ik ben altijd een man geweest, die lust had in vrede en lust te leven en hetgeen ik zelf beminde, dacht mij ook voor anderen goed. Daarom als ik eenige mijner vrienden in moeite zag of met groote onrust worstelend, zoo heb ik getracht hen tot vrede te brengen zooveel ik kon. Ik zou dit mijn gehouden gedrag kunnen ophelderen. Toen onze stad zich eerst begon af te keeren van de wegen van El-Schaddaï en eenigen bij zichzelven onrust waren over hetgeen zij gedaan hadden, heb ik dadelijk als iemand, die met de ongerustheid van een ander medelijden heb, getracht een middel uit te vinden om hen weder gerust te stellen. Toen de wegen der oude wereld en van Sodom nog bestonden, en er iets voorviel, dat hen, met de gewoonten van die tijden instemmende, hinderde, was ik ook dadelijk aan het werk om hen weder te bedaren, en maakte, dat zij hunnen handel weder voortzetten konden zonder onrust of overlast. Toen de oorlog eerst begon tusschen El-Schaddaï en Diábolus waren er nu en dan ook eenigen benauwd en vreesden het verderf van Menschziel. Maar ik heb door goede raadgevingen en allerlei middelen getracht hen weder tot vrede te brengen.

„Derhalve, omdat ik ten allen tijde een man geweest ben van zulk een goedaardigen inborst, met éen woord een vredemaker, (en een vredemaker is volgens het oordeel van sommigen toch een zeer goed mensch), zoo verzoek ik u, mijne heeren, die den naam draagt van voor de gerechtigheid en billijkheid van Menschziel in te staan, toch door uw hof beschouwd te worden als iemand, die niet verdient onmenschelijk behandeld te worden. Integendeel verwacht ik door u in vrijheid gesteld te worden en uw verlof te ontvangen om hen, die mij valschelijk beschuldigen, in rechten te vervolgen.”

Toen riep de klerk: „Deurwaarder, roep eene proclamatie uit!” en de deurwaarder riep uit:

„Aangezien de gevangene voor deze rechtbank ontkent, dat de naam, waarbij hij is opgeroepen, zijn echte naam is, zoo laat het hof bekend maken, dat als hier iemand tegenwoordig gevonden wordt, die aan het hof daaromtrent eenige informatiën kan geven, hij gelieve voor den dag te komen om den origineelen en rechten naam van den gevangene te bewijzen; want de gevangene beweert zijne onschuld.”

Toen kwamen er twee voor het hof, die begeerden, dat het hun vergund mocht worden alles te zeggen wat zij over dezen gevangene aan de rechtbank konden voorleggen. De naam des eenen was Waarheidonderzoeker, en de naam des anderen was Waarheidsgetuige. Hun werd dan eerst gevraagd of zij den man, die daar voor hen stond kenden en wat zij aangaande zijne zelfrechtvaardiging wisten.

Toen sprak de heer Waarheidonderzoeker: „Mijne heeren, ik......”

Maar het hof wenkte hem toe te zwijgen, en de president sprak: „Neen, eerst den eed doen.”

Hij zwoer den eed en ging toen voort: „Mijne heeren, ik ken dezen man en heb hem gekend van zijn eerste kindsheid af, en ik kan getuigen, dat zijn naam Valsche Vrede is. Ik kende zijn vader, wiens naam was Pluimstrijker; en zijne moeder werd vóor zij getrouwd was mejuffrouw Vleister genaamd. Toen deze twee getrouwd waren, duurde het niet lang of deze zoon werd geboren, en dadelijk bij zijne geboorte kreeg hij reeds dien naam Valsche Vrede. Ik ben lang zijn speelgenoot geweest, ofschoon ik wat ouder ben dan hij. Ik weet het nog zeer goed, dat als zijne moeder hem van het spel terugriep, hij dan niet komen wilde en zij schreeuwde: „Valsche Vrede, kom gauw, anders krijgt ge slaag!” Ja, ik herinner mij zelfs dat hij nog aan de borst lag, ofschoon ik toen ook nog maar klein moet geweest zijn, hoe zijne moeder met hem aan de deur zat en hem op hare armen wiegde. Toen riep zij wel twintig maal: „mijn kleine Valsche Vrede! mijn lieve Valsche Vrede! mijn zoete Valsche Vrede! hoeveel houd ik van u, mijn kind!” Zijn peetoom weet het ook maar al te goed, ofschoon hij de onbeschaamdheid heeft gehad het in het openbaar te ontkennen.”

[Afbeelding: OUDE ONGELOOF ONTVLUCHT UIT DE GEVANGENIS.]

Toen moest ook de heer Waarheidsgetuige spreken, en nadat hij beëedigd was, zeide ook hij wat hij wist.

„Mijne heeren, al wat de eerste getuige gezegd heeft is waar. Zijn naam is Valsche Vrede, want hij gaf voor, dat wie hem anders noemden hem spot- en scheldnamen gaven. Maar dat was in den tijd toen Valsche Vrede een groot man was en de Diábolusmannen het rijk in hadden in Menschziel.”