De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus
Part 15
Welnu, ik heb u verteld hoe de gevangenen door den edelen vorst Immanuel behandeld werden en hoe zij zich voor hem gedroegen en hoe hij ze met fluit en trommel weder naar huis zond. Nu moet gij u eens voorstellen hoe die van de stad, die niets anders verwachtten te hooren dan een vonnis des doods, en daarom niet anders dan in droefenis konden verkeeren, alsof ze met doornen gegeeseld werden, deze verandering van zaken vernamen. Hunne gedachten konden zich in het eerst op geen ander punt bepalen; zij verkeerden voortdurend in groote onzekerheid, ja hunne harten waren gelijk een weegschaal, die door een bevende hand wordt vastgehouden. Maar ten laatste toen zij telkens over den muur keken, meenden zij toch iets te zien terugkeeren, en nu dachten zij weder: wie zouden dat wezen? Ten laatste herkenden zij hunne gevangenen; maar wie beschrijft de verwondering hunner harten, toen zij bemerkten onder welk een geleide en met hoeveel eerbewijzen zij terugkeerden. Zij gingen naar het leger in het zwart, maar keerden nu in het wit terug; zij gingen uit naar het leger met stroppen om hun hals en keerden nu terug met gouden ketenen omhangen; zij gingen uit naar het leger met hunne voeten in ketenen, maar kwamen terug met ontbonden en vroolijke voetstappen; zij gingen uit naar het leger met den dood voor oogen en kwamen terug in de volle verzekerdheid des levens; zij gingen uit naar het leger met bezwaarde harten, maar kwamen terug met trommelen en pijpen.
Toen zij nu voor de Oogpoort gekomen waren, waagde de arme bezwaarde stad Menschziel het, een kreet te doen opgaan, en het was zulk een kreet dat de kapiteins in ’s Prinsen leger bij dat geluid kwamen toeloopen. Ach, die arme bezwaarde harten! wie zal hun dit euvel duiden, daar hunne doodgewaande vrienden weder in het leven waren teruggekeerd; want het was hun als een leven uit den dood de oudsten van Menschziel in zulk een glans te zien verschijnen. Zij hadden naar niets anders uitgezien dan naar den bijl en het blok; maar ziet, vreugde en blijdschap, groote vertroosting en zulke welluidende muziek bereikten hen, dat er een zieke gezond van worden zou.
[Afbeelding: IMMANUELS FEEST.]
Toen zij dan binnenkwamen begroetten zij elkander met een: „Welkom! welkom! en gezegend is hij, die u spaarde!” Zij voegden daarbij: „Wij zien het wel, dat het goed met u afgeloopen is, maar hoe moet het nu gaan met de stad Menschziel? Zal het ook met ons goed afloopen?” Toen antwoordden de heer griffier en de burgemeester: „O, goede tijding! Een blijde boodschap van het goede! Groote vreugde voor de stad Menschziel!” Toen slaakten zij een nieuwen vreugdekreet, die de aarde deed beven. Hierna vraagden zij meer naar de bijzonderheden, hoe het in het leger was toegegaan en welke boodschap zij van Immanuel voor de stad hadden meegekregen. Zoo verhaalden zij hun dan alle voorvallen uit het leger en alles wat de Prins hun gedaan had. Dit maakte, dat de stad zich verwonderde over de wijsheid en genade van vorst Immanuel. Toen verhaalden zij wat zij uit zijne hand ontvangen hadden voor de inwoners der stad, en de griffier sprak luide deze woorden: „~Pardon~, volkomen vergiffenis voor Menschziel! Menschziel zal dit morgen ochtend te weten komen!” Daarop gaf hij bevel, dat alle lieden van Menschziel morgen ochtend zich op het marktplein vereenigen zouden om dit pardon, deze algemeene schuldvergiffenis, te hooren voorlezen.
Maar wie kan nu zich voorstellen welk eene verandering, welk een geestdrift deze keer der dingen in het voorkomen der stad Menschziel teweegbracht! Geen enkel burger der stad kon dien nacht slapen van louter vreugde; in ieder huis was er vreugde, zang en muziek en allerlei vroolijkheid; elkander het geluk van Menschziel te vertellen en naar deze verhalen te luisteren was al wat een ieder te doen had, en het besluit van dit alles was: „Veel meer dan dit zal de opgaande zon ons nog brengen! Wie had gisteren kunnen vermoeden, dat de dag van heden ~zulk~ een dag voor ons zijn zou! En wie had durven denken toen onze gevangenen met ijzeren ketenen beladen uitgingen naar de legerplaats, dat zij met gouden ketenen omhangen zouden wederkeeren! Ja, zij, die zichzelven veroordeelden toen zij zich naar hunnen rechter begaven, werden door zijn eigen mond vrijgesproken, niet omdat zij onschuldig waren, maar door ’s Prinsen barmhartigheid alleen, en met pijpen en trommelen naar huis gezonden. Maar is dit de gewone handelwijze van de vorsten? Zijn zij gewoon zulke gunsten aan verraders te bewijzen? Neen, dit is alleen het werk van El-Schaddaï en Immanuel, zijn zoon.”
De morgen brak dan aan. De heer burgemeester, de heer Vastewil en de heer griffier Geweten kwamen af naar het marktplein op den tijd door den prins bepaald, waar het volk der stad hen reeds stond op te wachten. Toen zij er kwamen waren zij gekleed in die glorierijke gewaden, welke de prins hun den vorigen dag had aangetrokken, en de straat werd door hunne heerlijkheid verlicht. Zij drongen door naar de Mondpoort, die aan het benedeneind der marktplaats was, omdat deze van oude tijden af de plaats was, waar publieke zaken werden behandeld. Zoo stonden zij daar in hunne toga’s en hunne eereteekenen waren voor hen uitgedragen. Nu was de nieuwsgierigheid van het volk groot om de volle beteekenis van het pardon te vernemen.
Toen stond de secretaris recht op zijne voeten en eerst met de hand gewenkt hebbende om stilte, las hij met luider stemme de schuldvergiffenis. Maar toen hij kwam aan deze woorden; „de Heere, de Heere God, barmhartig en genadig, vergevende de ongerechtigheid, de overtreding en zonden. Alle godslastering en zonde zullen vergeven worden,” toen konden zij zich niet langer inhouden van vreugde. Want gij moet weten dat ieder mensch in de stad in dit pardon begrepen was, niet één uitgezonderd. [Exod. 34 : 6.] [Matth. 12 : 31.]
Toen de griffier geëindigd dit gewichtige stuk te lezen draafden de burgers over de muren en wallen[30] al huppelende en springende van blijdschap, en bogen zich zevenmaal op hun aangezicht ter aarde tegenover de tent van Prins Immanuel. Een luide vreugdekreet ging op en al het volk riep: „Dat Immanuel eeuwig leve!” Toen werd aan de jongelieden last gegeven dat zij al de klokken van Menschziel luiden zouden. Zoo luidden dan de klokken en gingen de lofliederen op en klonk de muziek in ieder huis van Menschziel.
[30] ~De burgers over de wallen en muren draafden~. Bunyan zelf legt in eene noot zijne bedoeling daarmede uit. De wallen beteekenen het vleesch; dit vleesch nu wordt onder den voet getreden, waar de ziel van vreugde over de verlossing overstelpt is. Zoo beduidt ook het klokkeluiden de liefelijke gedachten en lofverheffingen, welke uit de ziel omhoog stijgen. En nu vertoont zich kapitein Geloof in de vesting. Het geloof komt voor den dag, het laat zich zien beiden aan Immanuel en aan de geredde Menschziel.
Toen de prins de drie gevangenen met vreugde, met trommelen en pijpen naar huis gezonden had, beval hij aan zijne kapiteins met al de legerofficieren en soldaten gereed te wezen op morgen tegen het oogenblik, dat de griffier het pardon had afgelezen om dan naar zijn welbehagen te handelen. Toen nu de morgen gekomen was en de griffier het pardon had voorgelezen, zoo beval Immanuel, dat alle trompetten van het leger zouden worden geblazen, en dat alle vlaggen en vaandels zouden worden geplant, de helft daarvan op den berg Genade en de andere helft op den berg Gerechtigheid. Hij beval ook dat al de kapiteins zich zouden vertoonen in hun volle wapenrusting en dat de soldaten vreugdegejuich zouden aanheffen. En evenmin hield kapitein Geloof, die in het kasteel getrokken was, zich schuil, maar hij vertoonde zich aan den torentrans van het fort met al zijne officieren en muziekanten in volle wapenrusting, zich nu eens wendende naar de stad en dan naar ’s Prinsen legerkamp.
HOOFDSTUK VI.
INTOCHT VAN DEN VORST.
Aldus heb ik u nu getoond de wijze waarop en den weg waarlangs Immanuel er toe geraakte om die vermaarde stad Menschziel te herwinnen en uit de hand en macht van den reus Diábolus te verlossen.
Toen nu de Prins de uitwendige blijken van vreugde had aan den dag gelegd, beval hij dat zijne kapiteins en hunne manschappen onder de muren van Menschziel een spiegelgevecht zouden houden, en dit deden zij dadelijk. Maar o, met welk eene behendigheid, vaardigheid, nauwkeurigheid en moed voerden deze krijgslieden hunne bewegingen uit voor het oog van Menschziel, dat in stomme bewondering dit spiegelgevecht aanstaarde!
Zij marcheerden vooruit, nu eens allen in éene richting, dan weer tegen elkander in; zij verdeelden zich, openden de gelederen, sloten ze weer; maakten front, vergrootten de gelederen, lieten dan den rechtervleugel naar het front trekken, dan den linker; daarna weder naar de achterhoede -- en twintig manoeuvres meer, maar alles met de grootste nauwkeurigheid en sierlijkheid in hunne wendingen en bewegingen. Nooit hadden de lieden van Menschziel zoo iets gezien, daarom klom hunne verbazing ten top. Maar daarna voegde zich daarbij het gebruik maken van hunne wapens in het spiegelgevecht; en toen toonden zij niet minder behendigheid en nauwkeurigheid, en werden niet minder bewonderd ook, beiden door die van de stad en door mij.
Toen deze handeling geschied was kwam de geheele stad Menschziel tot den Prins uit in het leger om hem voor zijne overvloedige genade te danken en hem nederig te smeeken, dat hij nu met hen wilde medegaan naar Menschziel en daar voor altijd zijne residentie houden. Zij deden dit op de nederigste manier, zich zeven maal voor hem ter aarde buigende. Toen zeide hij: „Vrede zij ulieden!” en nader tredende raakten zij de punt van zijn gouden schepter aan. Daarop smeekten zij: „O, dat vorst Immanuel met zijne kapiteins en krijgslieden voor altijd in Menschziel wilden wonen, en dat zijne slingers en stormrammen binnen in haar mochten worden opgesteld ten dienste van den Prins en tot versterking van Menschziel. Want,” zeiden zij, „wij hebben ook plaats voor uwe oorlogswerktuigen en overvloedige ruimte om een magazijn van krijgsvoorraad op te richten. O, doe dat, Immanuel, en gij zult voor eeuwig ons tot een koning en een hoofd wezen. Ja, regeer gij naar al de begeerte uwer ziel en maak gouverneurs en vorsten uit uwe kapiteins en oorlogsmannen, wij willen uwe knechten zijn en uwe wetten zullen ons in alles besturen.”
Zij voegden daar nog meer bij en baden zijne majesteit daar toch wel bijzonder op te letten, „want,” zeiden zij, „indien nu, na al die genade, welke gij ons bewezen hebt, uwe arme stad Menschziel weer door u en uwe kapiteins zou worden verlaten, wanneer gij nu van ons weggingt, nu gij ons zooveel weldadigheid hebt bewezen en ons zooveel barmhartigheid getoond, wat zal daar dan anders op volgen, dan dat het zou worden alsof onze vreugde nooit bestaan had, en onze vijanden zullen opnieuw terugkeeren en ons nog woedender aanvallen dan in het eerst. Daarom smeeken wij u, o gij begeerlijke onzer oogen en kracht en leven van onze arme stad, neem onze gelofte aan, waar wij u als onzen heer uitroepen en kom in het midden van ons wonen; laat ons uw volk zijn. Bovendien, heer, wij weten het niet, maar het kan wezen dat nog vele Diábolusmannen de stad bespieden, en zij zullen ons verrassen wanneer gij ons zult verlaten hebben, en ons weder in de handen van Diábolus overgeven. Wie weet welke voornemens, complotten of samenspanningen alreeds onder hen plaats hebben! O, dat wij toch nooit weder in hunne handen vallen. Laat het u daarom behagen ons paleis als uwe residentie te aanvaarden en de beste huizen der stad tot een woonplaats voor uwe mannen.”
Toen zeide de Prins: „Als ik in uwe stad kom, wilt gij dan toelaten, dat ik alles doe wat ik in mijn hart heb tegen mijne en uwe vijanden? Ja, wilt gij mij helpen in hetgeen ik daartoe onderneem?”
Zij antwoordden: „Wij weten niet wat wij doen zullen, wij hadden eertijds ook niet gedacht, dat wij zulke verraders jegens El-Schaddaï worden zouden als wij bewezen hebben te zijn. Wat zullen wij daarom thans tot mijnen Heer zeggen? Laat hem geen vertrouwen stellen in zijne heiligen; maar laat hem wonen in ons kasteel en van onze stad eene vesting maken; laat hem zijne edele kapiteins en zijne krijgshaftige soldaten over ons zetten; ja, laat hem ons overwinnen door zijne genade, en dan zal hij voorzeker met ons zijn, en ons helpen zooals hij dat deed op dien dag en dien morgen toen ons pardon ons voorgelezen werd. Wij zullen instemmen daarmede, onze heer, en met al uwe wegen, en zullen met uw woord de machtigen aanvallen.
„Nog éen woord en uwe knechten hebben uitgesproken, en zullen hierin mijn Heer niet meer lastig vallen. Wij kennen de diepte der wijsheid van u, onzen vorst, niet. Wie is er, die met reden zou hebben kunnen denken, dat uit al die bittere beproevingen, waarmede wij beproefd geweest zijn, zulk eene zoetigheid zou voortvloeien als wij nu genieten! Maar, Heer, laat uw licht voor ons henengaan en uwe liefde ons achtervolgen: ja, neem ons bij de hand en leid ons door uwen raad en laat die ons altijd bijblijven, opdat alles ten beste van uwe knechten uitloope; en kom in ons Menschziel en doe er wat u behaagt. O, heer, kom tot ons Menschziel, doe er wat u behaagt, als ge ons maar bewaart voor de zonde en Uwe Majesteit leert dienen!”
Toen zeide de Prins tot de stad Menschziel: „Ga heen, keer terug naar uwe woning in vrede. Ik zal volgaarne al uwe begeerten inwilligen; ik zal mijne koninklijke tent verlaten, ik zal morgen mijn leger van voor de Oogpoort doen oprukken en zal de stad Menschziel binnenrijden. Ik zal zelf bezit nemen van uw kasteel en zal mijne soldaten over u stellen; ja ik zal nu dingen doen in Menschziel, die nooit bij eenige natie, landstreek of koninkrijk gebeurd zijn onder den wijden hemel.”
Toen slaakten de mannen van Menschziel een vreugdekreet en keerden in vrede naar hunne woningen terug. Daar vertelden zij aan hunne kinderen en vrienden al het goede, dat Immanuel beloofd had aan Menschziel te doen. „En morgen,” zeiden zij, „zal hij onze stad binnenrijden en maken woningen bij ons in Menschziel.”
Toen gingen de inwoners van Menschziel met groote haast naar buiten naar de groene boomen en weiden om takken en bloemen te verzamelen, ten einde die op de straten te strooien hun koning tegemoet; ze maakten ook guirlandes en andere versieringen om hunne vreugde aan den dag te leggen en hunnen Immanuel waardig te ontvangen, ja zij strooiden de gansche straat vol van de Oogpoort tot de deuren van het kasteel, de plaats, waar de prins wonen zou. Ook bereidden zij voor zijne komst de beste muziek, die de stad bijeenbrengen kon om voor hem bij zijnen intocht te spelen.
Op den bepaalden tijd deed hij dus zijne intrede in Menschziel en werden de poorten voor hem opengezet; daar wachtten ook de oudsten en bestuurders van Menschziel hem op ten einde hem duizendmaal welkom te heeten. Hij stond dan op en ging Menschziel binnen, hij en al zijne dienaren. De oudsten gingen huppelende voor hem uit tot zij aan de poorten van het kasteel waren genaderd. De Prins was gekleed in zijn gouden wapenrusting; hij reed op zijn koninklijken wagen, de trompetten klonken rondom hem, de vlaggen waren ontplooid; zijne tienduizenden volgden hem op den voet en de oudsten van Menschziel gingen voor hem uit. En nu waren de muren van die vermaarde stad opgevuld met de inwoners, die zich daar verzamelden om de nadering van den Prins aan het hoofd van zijn koninklijk leger gade te slaan. Evenzoo waren alle vensters, balkons, ja zelfs de daken der huizen gevuld met lieden van allerlei stand en leeftijd, om het goede te aanschouwen wat hunne stad te beurt viel.
Toen hij nu de stad was binnengetrokken tot op de hoogte van het huis van den griffier, gaf hij bevel, dat iemand naar kapitein Geloof zou gaan om te vragen of het kasteel gereed was gemaakt tot de ontvangst (want de toebereidselen aldaar waren opgedragen aan dezen kapitein). Daarom werd nu ook aan kapitein Geloof gelast, dat hij met zijne strijdmacht naar buiten zou komen om zijn vorst te ontmoeten, en volgens dat bevel werd ook gedaan. Zoo geleidde hij hem dan in het kasteel. Daarna logeerde de Prins dien nacht daar binnen met al zijne machtige kapiteins en oorlogsmannen tot groote vreugde der stad Menschziel. [Hand. 15 : 9.] [Efez. 3 : 19.]
De eerste bezigheid van de lieden der stad was nu zorg te dragen, dat de kapiteins en krijgslieden van ’s prinsen leger onder hen zouden worden ingekwartierd. Niemand zocht zich er van af te maken, maar integendeel ieder had spijt, dat hij er nog niet meer kon bergen: want elke burger van Menschziel had zooveel achting voor Immanuel en zijne mannen, dat niets hem meer griefde dan dat hij het gansche leger niet herbergen kon. Zij rekenden het eene eer hen te mogen verzorgen, en wilden hen gaarne op hunne wenken bedienen alsof zij hunne lijfknechts waren geweest.
Ten laatste werd het aldus bepaald: kapitein Onschuld zou worden ingekwartierd bij den heer Rede; kapitein Geduld zou wonen bij den heer Gemoed. Deze heer Gemoed was eertijds Vastewils klerk geweest, namelijk tijdens den opstand. Verder werd besloten, dat kapitein Liefde zou verblijf houden bij den heer Genegenheid; dat kapitein Goede Hoop zou worden ingekwartierd bij den Burgemeester. Wat het huis van den griffier aangaat, hij zelf begeerde dat de kapiteins Boanerges en Overtuiging zich daar zouden vestigen, aangezien hij zoo vlak bij het kasteel woonde, en door den prins was verordend, dat ingeval het noodig worden mocht alarm te slaan in de stad Menschziel, dit dan van hem zou uitgaan. In zijn groot paleis logeerde hij bovendien hunne manschappen.
Wat de kapiteins Oordeel en Strafoefening aangaat, de heer Vastewil nam hen en hunne mannen tot zich, omdat hij onder het oppergezag van den Prins voor het welzijn der stad had te zorgen, evenals hij van tevoren onder den tiran Diábolus aan haar verderf had medegeholpen. Zoo werden ook de overige troepen van Immanuels gevolg in de stad gehuisvest; maar kapitein Geloof bleef met zijn volk voortdurend in het kasteel. [Rom. 6 : 19.] [Efez. 3 : 17.]
[Afbeelding: HET STANDBEELD VAN DIÁBOLUS VERGRUISD TOT STOF.]
Nu meenden de oudsten en hoofden van Menschziel, dat zij zich nooit van den Prins zouden kunnen verzadigen; zijn persoon, zijne woorden, zijne handelingen waren zoo bekoorlijk, zoo begeerlijk en aantrekkelijk voor hen, dat zij hem baden toch niet altijd binnen de muren van het kasteel te vertoeven, maar ook dikwijls hunne straten te bezoeken. „Want,” zeiden zij, „geliefde Opperheer, uwe tegenwoordigheid, uw glimlach, uw blikken, uwe woorden zijn het leven, de kracht, de zenuwen der stad Menschziel.”
Benevens dit begeerden zij ook, dat zij zonder ophouden of bezwaren toegang mochten hebben tot zijn persoon, waarom hij beval, dat de poorten zouden openstaan, opdat zij telkens mochten kunnen zien wat daar plaats had en het koninklijk paleis ongehinderd konden binnentreden. Wanneer hij sprak dan hielden allen zich stil om naar hem te luisteren, en als hij wandelde, dan was het hun een genot zijne voetstappen na te treden.
Nu maakte op zekeren tijd Immanuel een feest voor de mannen van Menschziel, en op den feestdag kwam al het stadsvolk naar het kasteel om deel daaraan te nemen. De maaltijd bestond uit allerlei buitenlandsche gerechten -- een spijze, die niet op de akkers van Menschziel groeide, noch in het gansche koninkrijk het Heelal -- ’t was eene spijze die van zijns Vaders hof kwam. Zoo werd dan disch na disch bezet en toegericht en ieder mocht vrijelijk eten. Maar telkens als nieuwe gerechten werden opgedragen, zeiden zij tot elkander: „Wat is dit?” want zij wisten niet hoe zij het noemen zouden. Zij dronken ook van het water, dat wijn geworden was en waren zeer vroolijk met hem. Daar was muziek al den tijd, dat zij aan tafel zaten, en men at het brood der engelen en honig, die uit den rotssteen was gedropen. Zoo at Menschziel de spijze, die bijzonder voor het hof bestemd was, ja zij hadden daarvan overvloed. [Ps. 78 : 24, 25.]
Ook moet ik niet vergeten u te vertellen, dat er muzikanten bij den maaltijd tegenwoordig waren, die evenmin uit de stad Menschziel hun afkomst hadden noch uit heel dien omtrek; zij waren opperzangmeesters aan het hof van koning El-Schaddaï.
Nadat nu de maaltijd was afgeloopen onderhield Immanuel zich nog langen tijd met zijne gasten. Hij gaf hun moeielijke raadselen op of geheimzinnige uitspraken door zijns Vaders secretaris opgesteld; dergelijke zijn nog nooit in eenig koninkrijk gemaakt omdat niemand El-Schaddaï evenaart in wijsheid en verstand. Vele van deze raadsels waren gemaakt op koning El-Schaddaï zelf en op zijn zoon, tevens betrekking hebbende op zijne oorlogen met Menschziel.
Immanuel zelf legde hen eenige van die raadselen uit; maar o wat werden zij toen verhelderd in het verstand! Zij zagen wat zij nimmer hadden gezien; zij hadden zich niet kunnen verbeelden, dat zooveel diepe zaken verborgen lagen onder enkele zoo eenvoudige woorden. Ik zeide u reeds wien deze raadselen betroffen, en als zij uitgelegd waren dan zag ieder duidelijk in dat het zoo was. Ja het gebeurde ook wel, dat de zaken zoo duidelijk en klaar waren, dat er geene uitlegging bij noodig was, maar dat zij alleen Immanuel behoefden aan te zien om geheel achter de beduidenis te komen. Zij wenkten dan ook reeds elkander toe, en konden niet nalaten te zeggen: „Dat is het lam:” „Hij zelf is het offer.” „Hij is de rots! Daar is de roode vaars! Dat is de deur en dat is de weg!” en zoo nog veel meer.
Daarna liet hij de inwoners van Menschziel gaan. Maar niemand kan zich verbeelden hoe dat volk met deze behandeling was ingenomen! O, zij waren overstelpt van vreugde; zij waren dronken van bewondering toen zij zagen en begrepen wat hun Immanuel voor hen was, en welke geheimen hij hun ontsloot. En toen zij tehuis kwamen en in hunne eenzaamheid teruggekeerd waren konden zij niet anders, dan van zijne daden zingen, ja zelfs zóo waren zij van hem vervuld, dat zij in hunnen slaap zijn lof zongen.
Nu was het in het hart van den prins Immanuel om de stad Menschziel te vervormen en haar zulk een voorkomen te geven als hem het meest behaagde en ook het meest dienstig was tot versterking en verfraaiing. Hij voorzag ook tegen invallen van buiten of verraad van binnen, alles uit liefde voor Menschziel.
Ten eerste gebood hij nu, dat de slingers, die hij van zijns Vaders hof had meêgebracht toen hij den oorlog tegen Menschziel ondernam, op de borstweringen van het kasteel en op de torens gezet werden, want hij had ook verscheidene torens laten bouwen. Ook had hij zelf een instrument uitgevonden, dat met bijzondere juistheid steenen wierp uit het kasteel en uit de Mondpoort; een onweerstaanbaar krijgswerktuig, dat altijd doel trof. Het droeg geen naam, maar werd aan kapitein Geloof toevertrouwd om er in buitengewone gevallen gebruik van te maken.
[Afbeelding: ZINNELIJKE LUST WORDT NAAR DE RECHTBANK GEVOERD.]
Toen dit gedaan was riep hij den heer Vastewil tot zich en gaf hem het bevel over de poorten, de wallen en de torens der stad. Ook stelde hij het staande leger onder zijn gezag met bijzonderen last om te waken tegen alle oproer en opschudding, die den vrede van onzen koning en van de goede stad Menschziel zou kunnen storen. Evenzeer gaf hij hem in last, dat als hij sommigen der Diábolusmannen in eenigen hoek der stad verborgen vond, hij dan aanstonds de hand aan hen slaan moest of hen in verzekerde bewaring nemen, opdat zij naar de wet mochten worden gestraft.