De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus
Part 14
Bij het hooren van dit antwoord waren zij allen versuft, beiden zij, die in de gevangenis zaten, en zij, die daar nieuwsgierig omheen stonden; want zij wisten niet welke uitlegging zij aan deze woorden zouden geven. Toen nu de gevangenis door de menigte verlaten was begonnen de gevangenen onderling Immanuels woorden te bespreken. De heer burgemeester zeide, dat dit antwoord niet getuigde van een toornig aangezicht; maar Vastewil zeide, dat er kwaad achter stak en de secretaris dat het een doodvonnis inhield. Degenen, die daar in de nabijheid stonden en intusschen heengingen, zoodat ze niet al te best konden hooren wat de gevangenen spraken, hadden maar een gedeelte van dat gesprek opgevangen, daarom schepten enkelen troost uit die boodschap en anderen begrepen er verschrikking in te moeten hooren, en zoo verstond niemand het juist. Maar gij kunt u moeielijk voorstellen welk eene opschudding daardoor in Menschziel ontstond en welk eene verwarring daar heerschte.
[Afbeelding: DE GEVANGENEN VOOR IMMANUEL.]
Degenen, die aan de gevangenis geweest waren, doorliepen de stad, de een dit roepende, de ander vlak het tegenovergestelde, en beiden meenden dat zij de volle waarheid vertelden, want zij hadden met hun eigen ooren gehoord wat de burgemeester en de secretaris vertelden. De een riep: „Wij moeten allen gedood worden,” een ander daarentegen: „Wij zullen allen nog gered worden,” een derde schreeuwde, dat de prins niets meer met Menschziel wilde te doen hebben, en een vierde, dat de gevangenen spoedig ter dood zouden worden gebracht. En, zooals gezegd, ieder stond er voor in, dat hij het bij het rechte einde had. Om die reden liep nu alles verward dooreen en kon niemand rust vinden voor het hol van zijnen voet. Zelfs zoover ging het met dit verwarde gerucht, dat sommigen luide verzekerden: de Prins zou gansch Menschziel met het zwaard vernielen. Intusschen werd het donker en bracht het ellendige Menschziel een kommervollen nacht door.
Voor zoover ik kon nagaan kwam evenwel al deze verschrikking voort uit het woord van den secretaris, dat ’s prinsen antwoord een doodvonnis bevatte. Dit verschrikte de stad; want eertijds hadden de inwoners van Menschziel het er stellig voor gehouden, dat de griffier een ziener was en dat zijne uitspraak als een godspraak kon worden beschouwd. Daardoor was Menschziel dus slechts een verschrikker van zichzelve.
Nu begonnen zij eerst recht te gevoelen wat de gevolgen waren van opstand en rebellie en onwettigen tegenstand tegen hunnen vorst. Ik zeg, dat zij nu door vrees en schrik de gevolgen, de vruchten van hunne hardnekkigheid plukten, en wie leden daar meer onder dan de hoofden en voornaamsten der stad!
Maar om kort te gaan, toen de schrik een weinig over was en de gevangenen wat tot zichzelven gekomen waren, grepen zij ook weder een weinig moed, en stelden een derde verzoekschrift[27] op, waarvan de inhoud hier volgt:
[27] ~Een derde verzoekschrift~. Menschziel leert de groote les dat men altijd bidden moet en niet vertragen. Ditmaal bestaat het gebed meest in schuldbelijdenis.
„Prins Immanuel de Groote, heer der gansche wereld en meester der barmhartigheid, -- wij, uwe arme, ellendige, goddelooze, stervende onderdanen uit de stad Menschziel, belijden voor uwe groote en heerlijke majesteit, dat wij tegen uwen Vader en u gezondigd hebben en niet meer waard zijn uw Menschziel genoemd te worden, maar veeleer om in den afgrond te worden geworpen. Als gij ons dooden wilt, zoo hebben wij het verdiend. Als gij ons wilt verdoemen, kunnen wij niet anders zeggen dan dat het rechtvaardig is. Wij hebben geen reden tot klagen, wat gij ook doet en hoe gij u jegens ons gedraagt. Maar o, laat barmhartigheid heerschen en laat zij zich tot ons uitstrekken! Laat uwe ontferming op ons nederzien en ons van onze ongerechtigheden bevrijden; dan zullen wij zingen van uwe barmhartigheid en uwe oordeelen! Amen.”
Dit rekwest moest nu weder naar den prins worden gezonden, maar wie zou het bij hem brengen? Sommigen zeiden: „Laat het hem doen, die ook het eerste bracht;” maar anderen keurden dat af omdat hij geen betere uitkomst had verkregen. Nu leefde er nog een oud man in de stad, wiens naam was Goede Werken -- een man, die alleen dien naam droeg, maar die niets had van de bedoelde zaak. De griffier was er evenwel zeer tegen, dat deze zou gezonden worden, „want,” zeide hij, „wij zijn nu in grooten nood en pleiten om genade, waarom zouden wij dan een man kiezen, wiens naam reeds in tegenspraak is met zijn verzoekschrift? Moeten wij nu vriend Goede Werken onzen bode maken, wanneer wij een rekwest indienen om barmhartigheid?”
[Afbeelding: DE KLOKKEN GELUID.]
„Bovendien,” ging de edelman voort, „als de Prins hem eens vroeg: hoe is uw naam? dat best kan gebeuren, en hij moest dan zeggen: de oude Goede Werken,” wat denkt gij dat Immanuel dan antwoorden zou? Ha zoo? leeft oude Goede Werken nog in Menschziel? Laat dan Goede Werken u ook uit uwen nood verlossen! En zegt hij dat, dan ben ik er zeker van, dat wij verloren zijn; want geen duizendtal Goede Werken kunnen Menschziel redden.”
Toen de secretaris zijne redenen opgegeven had waarom Goede Werken niet met het verzoekschrift naar Immanuel gaan zou, waren de andere gevangenen en opperhoofden van Menschziel er ook op tegen, en wilden zij Ontwaakte Begeerte opnieuw met deze zending belasten. Zoo lieten zij hem dan roepen en begeerden dat hij wederom heenging, en hij was daartoe dan ook dadelijk gereed. Maar zij smeekten hem, dat hij toch met geen enkel woord of handeling den prins zou beleedigen, „want door dat te doen”, zeiden zij, „Zoudt gij Menschziel in tallooze ellende brengen.”
Toen nu Ontwaakte Begeerte bemerkte, dat hij weder gaan moest verzocht hij dat ze hem zekeren heer Beweener zouden medegeven. Deze Beweener was een naaste buurman van Ontwaakte Begeerte, een arm man van een verbroken geest en die zeer goed spreken kon bij een verzoekschrift; daarom stonden zij dan ook toe, dat hij met hem gaan zou. Zoo maakten zij zich dan gereed, Ontwaakte Begeerte deed een koord om zijn hals en Beweener vergezelde hem handenwringende. Zoo kwamen zij aan de tent van den Prins.
Waar zij nu voor de derde maal terug kwamen zoo bekroop hen de vrees, dat hun herhaald aankloppen den prins hinderlijk wezen mocht. Daarom, toen zij aan de deur der tent waren genaderd, zoo maakten zij eerst eene verontschuldiging voor henzelven en hunne herhaalde komst, waardoor zij het Immanuel zoo lastig maakten, en zij zeiden, dat zij niet zoo vaak terugkwamen omdat zij er behagen in vonden hem lastig te wezen of zichzelven te hooren spreken, maar dat de nood hen drong. Zij konden, zeiden zij, nacht noch dag rusten wegens hunne overtredingen tegen El-Schaddaï en zijn zoon Immanuel. Zij zeiden ook, dat zij toch niet hoopten, dat eenig wangedrag van Ontwaakte Begeerte bij het laatste bezoek Zijne Majesteit mocht beleedigd hebben, en hij daarom met geen beteren troost was teruggekeerd. Na dit alles nu gezegd te hebben, wierp Ontwaakte Begeerte zich evenals de eerste maal op den grond aan de voeten van Immanuel, roepende: „O, dat toch Menschziel voor uw aangezicht mocht leven!” daarmede gaf hij zijn verzoekschrift over. De Prins dan het verzoekschrift gelezen hebbende, wendde zich weder een wijle ter zijde als de eerste maal, en daarna terugkomende op de plaats waar de smeekeling lag, vraagde hij naar zijn naam en wat er in hem werd gevonden in de schatting van de burgers van Menschziel, dat men boven velerlei anderen hem had uitgekozen om deze boodschap te doen. Daarop zeide de man tot den prins: „O, dat het toch niet kwaad zij in mijns heeren oogen, dat ik tot u kwam, en wat vraagt gij naar den naam van zulk een dooden hond als ik ben? Sla geen acht, bid ik u, op hetgeen ik ben, omdat er, zooals gij zeer wel weet, zulk een groote afstand bestaat tusschen u en mij. Waarom de lieden der stad mij gezonden hebben, zullen zij zelven het best weten; maar het kan nooit wezen omdat zij meenden, dat ik bij mijnen Heer in bijzondere gunst sta. Wat mij aangaat, ik heb een walg aan mijzelven, wie zou dan met mij bijzonder ingenomen zijn? Toch zou ik begeeren te leven, en dat begeer ik ook voor de lieden der stad, en waar beiden zij en ik aan groote overtredingen schuldig staan, zoo hebben zij mij gezonden en kom ik in hun naam u barmhartigheid vragen. Laat het u daarom behagen barmhartigheid te bewijzen; maar vraag niet wie uw dienstknecht is.”
Toen zeide de prins: „En waarom is uw medgezel met u gekomen in deze gewichtige zaak?” Zoo verhaalde Ontwaakte Begeerte aan Immanuel, dat hij een arme buurman van hem was, en een van zijne beste vrienden. „En zijn naam, als het Uwe Majesteit niet mishaagt, is Beweener van Menschziel. Ik weet, dat er velen van dien naam zijn en daaronder ook wel bedriegers, maar ik hoop, dat het mijnen Heer toch niet mishagen zal, dat ik mijn armen buurman heb medegebracht.”
Toen viel ook Beweener op zijn aangezicht ter aarde en sprak voor zichzelven:
„O, mijn Heer, wat ik ben weet ik zelf niet, noch of mijn naam slechts voorgewend dan wel waar is, vooral wanneer ik begin te bedenken wat sommigen gezegd hebben, namelijk dat de heer Berouw mijn vader is geweest. Goede lieden hebben soms slechte kinderen en de oprechten kweeken soms huichelaars. Mijne moeder noemde mij bij dien naam van mijne wieg af, maar of dit nu gebeurd is wegens de ijlheid van mijn hoofd dan wegens de weekheid van mijn hart, kan ik niet vertellen. Ik zie onreinheid in mijn eigen tranen en goddeloosheid op den bodem van mijne gebeden. Maar ik smeek u” (en bij dit alles weende die man zeer), „dat gij toch onze overtredingen niet wilt gedenken, noch onze ongerechtigheden en tekortkomingen aanzien, maar beide mijne zonden en die van Menschziel verschoonen en niet langer wachten met het verheerlijken van uwe genade aan ons.”
Nadat zij aldus hunne smeekingen voor zijn aangezicht hadden neergeworpen stonden zij bevende op en wachtten het antwoord af. De Prins sprak:
„De stad Menschziel heeft grootelijks tegen mijnen Vader gerebelleerd, daarin dat zij hem als haar koning verworpen heeft en zich tot een overheid koos een leugenaar, moordenaar en weggeloopen slaaf. Want dezen Diábolus, uw voorgewende vorst, eertijds zoo hoog door u geschat, stond op tegen mijn Vader en mij, in ons eigen paleis in het hoogste hof, meenende daar overheer en koning te worden. Maar daar is hij nog juist bijtijds ontdekt en gevangen genomen, voor zijne goddeloosheid in ketenen geklonken en in dien afgrond geworpen tegelijk met hen, die zijne metgezellen waren. Die onverlaat heeft zich aan u vertoond en gij hebt hem aangenomen.
„Dit is nu en was reeds langen tijd een groote beleediging voor mijnen Vader en daarom zond mijn Vader een machtig leger naar u heen om u weder tot zijne gehoorzaamheid terug te brengen. Maar gij weet hoe deze manschappen, hunne kapiteins en raadsheeren door u werden geacht en wat zij uit uwe hand ontvingen. Gij stondt tegen hen op, gij sloot uwe poorten voor hen, gij bondt den strijd met hen aan, gij vocht tegen hen en vóor Diábolus. Daarom zonden zij tot mijnen Vader om meerdere strijdkrachten en ik kwam met mijne manschappen om u tot onderwerping te brengen. Maar zooals gij de dienaars behandeld hebt, hebt gij ook den Meester behandeld. Gij stondt evenzeer vijandig tegenover mij en sloot ook voor mij uwe poorten, en hieldt u doof voor mijn roepstem, en hieldt den tegenstand zoo lang vol als gij maar kondt. Maar nu heb ik u met geweld onderworpen. Riept gij ook om genade zoolang gij nog hoop hadt het tegen mij uit te houden? Maar nu ik de stad ingenomen heb roept gij. Waarom riept gij niet eer toen de witte vlag mijner barmhartigheid en de zwarte vlag des oordeels tegenover elkander uithingen? Nu ik weer Diábolus overwonnen heb komt gij mijne gunst zoeken, maar waarom hielpt gij mij niet tegen dien machtigen reus? Toch wil ik uw verzoekschrift in overweging nemen en het beantwoorden zooals het meest strekken kan om mij te verheerlijken.
[Afbeelding: VREUGDE IN HET LEGER VAN IMMANUEL.]
„Gaat heen en verzoekt kapitein Boanerges en kapitein Overtuiging, dat zij de gevangenen tot mij uitbrengen,[28] hier in het leger, en reeds morgen, en zegt tot kapitein Oordeel en kapitein Strafoefening, dat zij in het kasteel moeten blijven om alles in de stad Menschziel in rust te houden totdat gij verder van mij hooren zult.” En daarna keerde hij zich om en trok zich in zijn koninklijke tent terug.
[28] ~Breng de gevangenen tot mij uit~. De gevangen en gebonden ziel is niet op eenmaal en onmiddellijk verlost; zij moet het ernstig gevoelen welk eene droevige zaak het is tegen den Heere te zondigen.
Zoo keerden dan ook onze beide smeekelingen om en zochten den terugweg op, het antwoord van den vorst overleggende. Het kwam hun zoo voor, dat er niet veel hoop was op genade en barmhartigheid, en dat de vorst te diep gekrenkt was om hun te kunnen gehoor verleenen. Zoo kwamen zij dan ook tot de plaats waar de gevangenen in hunne ketenen nederlagen, maar hun droevige gemoedsgesteldheid was oorzaak, dat zij in het eerst geen enkel woord konden uitbrengen.
Aan de poorten der stad hadden reeds honderden inwoners hen opgewacht en hun toegeroepen: „Welke tijding brengt gij mede? Wat heeft de Prins gezegd?” maar zij antwoordden daar niet op tot zij aan de gevangenis gekomen waren, terwijl de schare hen op de hielen volgde. Toen zij een weinig bekomen waren, deelden zij het eerste gedeelte van Immanuels antwoord aan de gevangenen mede, te weten wat hij gezegd had van hunne booze handelingen tegenover den koning en hun verbond met Diábolus, hoe zij voor hem gevochten hadden, naar hem geluisterd, zich door hem hadden laten regeeren en den Prins met zijne mannen veracht. Dit maakte dat de gevangenen bleek begonnen te zien; maar de boodschappers gingen voort en spraken: „Hij zeide, dat hij desniettemin ons verzoekschrift in overweging wilde nemen en daarop zulk een antwoord geven als hem het meest verheerlijken zal.” En toen deze woorden gesproken waren slaakte Beweener een zeer diepe zucht. Daarop werd al het volk droevig en verslagen; allen meenden hun doodvonnis ontvangen te hebben. Nu was er onder het volk ook een oud edelman, wiens naam luidde Onderzoeker. Deze vraagde aan de boodschappers of zij nu alles verteld hadden wat Immanuel had gezegd en zij riepen: „O, neen, dat is waar.” Daarop vraagde Onderzoeker: „Nu, wat heeft hij dan nog meer tot u gezegd?” Toen bedachten zij zich een oogenblik en daarna kwam alles er uit: „De Prins verzocht ons ook de kapiteins Boanerges en Overtuiging te gelasten morgen de gevangenen tot hem uit te brengen, en de kapiteins Oordeel en Strafoefening te vragen zoolang opzicht te houden over het kasteel en de stad tot wij meer van hem zouden hooren.” Ook voegden zij nog daarbij: „Toen de prins dit gezegd had keerde hij ons onmiddellijk den rug toe en verwijderde zich.”
Maar o, dit laatste bericht brak alle hoop op eenmaal af. Eensklaps ging er een eenparige jammertoon uit aller mond ten hemel. Daarop bereidde ieder der drie gevangenen zich tot den dood, terwijl de griffier sprak: „Dit was het juist, dat ik vreesde!” Zij meenden stellig, dat morgen eer de zon onderging hun levenslamp zou zijn uitgebluscht, en alle lieden der stad geloofden niet anders dan dat een dergelijk vonnis hen allen treffen zou. Dien ganschen nacht bracht de stad Menschziel door in geween, zak en asch. Toen de tijd gekomen was om naar den Prins te gaan, kleedden de gevangenen zich in rouwgewaad met stroppen om hunne halzen, en de gansche stad Menschziel vertegenwoordigde zich op de wallen in diepen rouw gekleed, opdat de Prins door het gezicht van al dien rouw tot medelijden mocht worden gestemd. Al wat zich in Menschziel bewoog liep als razend en wanhopig door de straten, de een luid schreiend en kermend, de ander in stomme smart.
[Afbeelding: MENSCHZIEL IN FEESTGEWAAD.]
Zoo was dan de tijd gekomen, waarop de gevangenen moesten vertrekken en voor den Prins verschijnen. Dit was de optocht, waarin zij gingen.[29] Kapitein Boanerges ging met eene wacht vooruit en kapitein Overtuiging kwam achteraan, met de gevangenen in ketenen geslagen in hun midden. Deze laatste gingen diep gebogen en dropen weg van treurigheid, maar de kapiteins gingen met vliegende vaandels en volle wapenrusting.
[29] ~De gevangenen werden uitgeleid~. Het komen van eene overtuigde ziel tot Christus gaat niet anders dan met Boanerges voorop en Overtuiging tot achterhoede.
’t Was een jammerlijk gezicht dat drietal met stroppen om hunnen hals, telkens zich op de borst slaande, terwijl zij het niet waagden hunne oogen ten hemel op te heffen. Toen zij midden in het leger van den Prins kwamen deed de heerlijkheid daarvan hunne droefheid nog vermeerderen. Zij konden zich nu niet langer inhouden, maar riepen overluid: „O ongelukkige menschen! O rampzalige inwoners van Menschziel!” terwijl zij met hunne ketenen rammelden, welk geluid hun angstkreet nog akeliger maakte.
Voor de deur van ’s Prinsen tent gekomen knielden de gevangenen eerbiedig neer, terwijl iemand naar binnen ging om den Prins van hunne aankomst te verwittigen. Toen beklom de Prins een prachtigen troon en liet ze inbrengen; zij kwamen bevende voor hem, terwijl hun aangezicht van schaamte bloosde, en wierpen zich onmiddellijk ter aarde. Maar de Prins zeide tot kapitein Boanerges: „Zeg den gevangenen, dat zij op hunne voeten staan moeten.” Toen stonden zij weder sidderend vlak voor den vorst, die tot hen sprak: „Zijt gij die mannen, die eertijds dienaren waart van El-Schaddaï?” En zij antwoordden: „Ja, heer, ja!” Toen ging de prins voort: „Zijt gij dan ook die mannen, die toelieten, dat alles bedorven en ingenomen werd door dien afschuwelijken Diábolus?” En zij antwoordden „Wij deden zelfs meer dan dit toelaten, Heer, want wij verkozen hem zelf tot meester.” Toen ging de prins voort: „Zoudt gij er mede tevreden geweest zijn, dat uwe slavernij onder zijne tirannie uw leven lang voortgeduurd had?”
En zij antwoordden: „Ja, heer, ja; want zijne wegen waren aangenaam voor ons vleesch en wij waren vervreemd geworden van betere dingen.” „En wenschtet gij ook van harte,” ging hij voort, „toen ik optrok tegen Menschziel, dat ik de overwinning over ulieden niet behaald had?” -- „Ja, Heer, ja!” antwoordden zij met schaamte. Toen zeide de Prins: „En welke straf meent gij nu wel, dat gij van mijne hand verdient door deze en nog zoovele andere groote zonden?” En zij antwoordden: „Beiden den dood en het verderf, Heer, wij hebben niets minder verdiend.” Hij vraagde verder of zij dan niets tot verschooning van zichzelven hadden in te brengen. Maar zij antwoordden: „Wij kunnen niets anders zeggen heer, dan dat gij rechtvaardig zijt en wij schuldig.” Toen zeide de Prins: „En waarom zijn er stroppen om uwen hals? De gevangenen antwoordden: „Die stroppen zijn bestemd om ons er mede te binden op de gerichtsplaats, wanneer het u niet behaagt ons barmhartigheid te bewijzen.” Zoo vraagde hij dan al verder, of al de lieden van Menschziel het met hen eens waren in deze belijdenis? En zij antwoordden: „Ja, al de inboorlingen van Menschziel, Heer, maar wat de Diàbolusmannen aangaat, die tot ons inkwamen toen de reus ons in bezit nam, van hen kunnen wij niets zeggen.” [Spreuk. 5 : 22.]
Toen beval de Prins dat er een heraut zou worden geroepen, en dat deze door het midden van het gansche leger van Immanuel gaan zou om uit te roepen bij den klank der trompet, dat de Prins, de zoon van El-Schaddaï, in den naam van zijn Vader en tot zijns Vaders heerlijkheid een volkomen overwinning behaald had op de stad Menschziel; en dat de gevangenen hem zouden navolgen al roepende: „Amen.” Dit gebeurde zooals hij bevolen had, terwijl de muziek der hooge plaatsen overheerlijk speelde en de kapiteins, die in het leger waren, juichten, en de soldaten overwinningsliederen zongen ter eere van den Prins; de vaandels wapperden in den wind en overal was groote vreugde; alleen de mannen van Menschziel bezweken schier van verlangen om van dit alles het einde te weten.
Toen liet de Prins de gevangenen weder roepen om nogmaals voor hem te staan, en zij kwamen weder bevende voor hem. Maar hij sprak tot hen: „De zonden, ongerechtigheden, overtredingen, die gij met de gansche stad Menschziel gedurende al dien tijd tegen mijnen Vader en mij bedreven hebt, mag ik u uit naam van mijnen Vader vergeven, en dat doe ik bij dezen.” En dit gezegd hebbende, gaf hij hun, op perkament geschreven en verzegeld met zeven zegelen een groot en algemeen pardon, bevelende aan den heer burgemeester, den heer Vastewil, en den heer griffier te willen zorgen, dat dit pardon op morgen als de zon opging, door de gansche stad Menschziel zou worden gehoord.
Bovendien liet de Prins de gevangenen hun rouwgewaad uittrekken en gaf hun sieraad voor assche en vreugdeolie voor treurigheid en het gewaad des lofs voor een benauwden geest. [Jes. 61 : 3.]
Toen gaf hij aan ieder hunner drie gouden kleinodiën en kostbare steenen, en nam hunne stroppen af en hing gouden ketenen om hunnen hals en gouden ringen in hunne ooren. Toen nu de gevangenen de genadige woorden van Prins Immanuel hoorden en al wat hun gedaan werd bemerkten, vielen zij schier in zwijm; want de genade, de weldadigheid, het pardon gingen allen zoo schielijk in hun werk, waren zoo overheerlijk en verrassend, dat zij niet in staat waren zooveel goedheid te verdragen. Ja, de heer Vastewil bezweek schier geheel; maar de Prins liep op hem toe, omvatte hem met zijn eeuwige armen, omhelsde hem, kuste hem en sprak hem moed in, daar alles naar het woord der belofte zou worden gedaan. Ook omhelsde hij en kuste de anderen, die Vastewils medgezellen waren, zeggende: „Neem dit aan als een teeken van mijne liefde, gunst en medelijden, en nu belast ik u, mijnheer de griffier, dat gij aan de stad Menschziel mededeelt wat gij gehoord en gezien hebt.”
[Afbeelding: DE INTOCHT VAN IMMANUEL.]
Toen werden hunne ketenen voor hun aangezicht in stukken gebroken en in de lucht geslingerd, terwijl hunne voetstappen onder hen werden vastgemaakt. Toen vielen zij neder aan de voeten van den Prins, kusten zijne voeten en maakten die nat met hunne tranen; ook riepen zij uit met luide stemmen: „Gezegend zij de heerlijkheid des Heeren van uit deze plaats!” Toen werden zij verzocht op te staan en aan de stad Menschziel te gaan vertellen wat de Prins gedaan had. Hij beval ook, dat lieden met fluiten en trommelen voor hen zou uitgaan en spelen in de geheele stad Menschziel. Toen werd vervuld waar zij nooit naar hadden uitgezien en kwam in hun bezit wat zij nooit gedroomd hadden.
De Prins liet ook den edelen kapitein Geloof roepen en beval, dat hij en eenige zijner officieren voor de edellieden van Menschziel zouden heentrekken en rukken met vliegende vaandels de stad binnen. Ook ontving deze kapitein Geloof last om ten tijde als de griffier het algemeen pardon in de stad Menschziel zou aflezen, alsdan met vliegende vaandels de Oogpoort in te rijden met tienduizend mannen en zijn gevolg. Hij moest dan doortrekken de hooge straat op tot in het kasteel, en nemen dat in bezit tot zijn Heer daar binnen kwam. Bovendien moest aan de kapiteins Oordeel en Strafoefening geboden worden die sterkte aan hem af te staan, Menschziel te verlaten en spoedig tot den Prins in het leger terug te keeren.
Alzoo was nu de stad verlost van de verschrikkingen der vier eerste kapiteins en hunne manschappen.