De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus

Part 13

Chapter 133,991 wordsPublic domain

Maar na drie of vier flinke aanvallen door den prins en zijn edele kapiteins werd de Oorpoort opengebroken;[23] de bouten en grendels, waarmede hij was toegemaakt, braken in duizend stukken. Toen klonken de trompetten, juichten de kapiteins, beefde de stad, en trok Diábolus zich in zijn hol terug. Toen nu ’s prinsen leger de poort had opengebroken kwam hij zelf daar en stelde er zijn troon. Hij plantte ook zijn standaard op een berg, dien zijn volk daartoe opzettelijk had opgeworpen en die de heuvel „Ziet toe hoe gij hoort” genoemd werd. Daar hield de prins nu zijn verblijf, te weten dicht bij den ingang der poort. Hij beval ook, dat de gouden slingers nu op de stad zouden worden gericht, en voornamelijk het kasteel zouden bestoken, omdat daar Diábolus en zijn complot zich hadden teruggetrokken. Van de Oorpoort liep de straat regelrecht uit op het huis van den heer griffier, die namelijk griffier was vóor Diábolus de stad innam, en vlak bij zijn huis stond het kasteel, dat Diábolus sedert lang tot zijn verfoeielijk hol gemaakt had. Daarom lieten de kapiteins zeer gezwind die straat schoonvegen door middel van hunne slingers, zoodat hun nu de weg openstond tot het hart der stad. Toen gaf de prins bevel, dat de kapiteins Boanerges, Overtuiging en Oordeel voorwaarts rukken zouden naar het paleis van den ouden edelman en op zijne poort aanvallen. De kapiteins rukten met vliegende vaandels en in volle wapenrusting, de stad Menschziel binnen, om de woning van den griffier Geweten te bestormen, die bijna even sterk was als het kasteel. De stormrammen, die zij bij zich hadden, rammeiden de deuren van het kasteel. Toen zij aan het huis van den heer Geweten gekomen waren, klopten zij aan en vraagden binnengelaten te worden. De oude edelman, niet ten volle hun oogmerk verstaande, hield zoolang het gevecht duurde zijne poorten gesloten. Daarom, nadat Boanerges tevergeefs gevraagd had binnengelaten te worden, zoo liet hij een stoot geven met den kop van een stormram, en deze deed den ouden man beven en zijn huis op de fondamenten schudden. Toen kwam de griffier af naar de poort en vraagde met bevende lippen wie daar waren. Boanerges antwoordde: „Wij zijn de kapiteins en gezagvoerders van den grooten El-Schaddaï en den gezegenden Immanuel, zijn Zoon, en wij eischen uw kasteel op voor het gebruik van onzen edelen vorst.” Intusschen gaf de stormram de poort nog een stoot. Deze deed den ouden edelman nog meer beven; toen durfde hij niet anders dan de poort openen, en ’s konings krijgsmacht trok binnen, namelijk de drie bovengenoemde kapiteins. Het huis van den griffier was eene zeer gemakkelijke en welgelegen verblijfplaats voor Immanuel, niet alleen omdat het zoo dicht bij het kasteel stond en zoo sterk was, maar ook omdat het zoo groot van omvang was en vlak tegenover Diábolus’ spelonk, waarin hij zich thans had verscholen, niet voor den dag durvende komen. Wat den griffier zelven betrof, de kapiteins hielden voor hem hun voornemen nog bedekt, en het groote doel van Immanuel bleef hem verborgen, zoodat hij niet wist wat hij er van denken moest en wat het einde zou wezen van zulk een donderend krijgsrumoer.[24]

[23] ~De Oorpoort wordt eerst opengebroken~. -- Wanneer de Geest des Heeren langen tijd met den mensch geworsteld heeft door de bediening des Woords en de genademiddelen, zoo gaat eindelijk het oor open voor de roepstem van boven. Maar het is Immanuel om het ~hart~ te doen en daarom richt Hij zich nu op het middelpunt van ’s menschen wezen.

[24] ~De oude griffier Geweten~ is zeer verschrikt en wordt ook niet dadelijk in alle plannen ingewijd. Als het geweten wakker wordt dan vreest het Gods rechtvaardigheid en kan zich niet voorstellen, dat al die vreeselijke oordeelen en schrikkelijke overtuigingen enkel zijn tot behoudenis der ziel.

[Afbeelding: DIÁBOLUS VERSLAGEN.]

Het werd nu ook weldra bekend in de stad hoe het huis van den ouden griffier was ingenomen, zijne kamers allen waren bezet en zijn paleis tot een oorlogstuighuis gemaakt. En zoodra verspreidde dit gerucht zich niet naar buiten of allen waren zeer ontsteld. Ieder deelde dit bericht aan zijne vrienden mede, en evenals een sneeuwbal bij het rollen niet verliest, zoo was binnen korten tijd de stad er mede vervuld, en ieder meende, dat men van den prins niets anders te verwachten had dan verderf en ondergang. De oorzaak hiervan was, dat de griffier maar voortdurend beefde en de kapiteins alles voor hem bedekt hielden. Dit maakte ook, dat menigeen kwam aanloopen om het met eigen oog te zien. Maar wanneer zij dan de kapiteins in het paleis zagen en de stormrammen spelende op de poorten van het kasteel om die omver te stooten, zoo werden zij nog meer ontsteld. En zooals ik zeide, de eigenaar van het huis maakte dit alarm niet minder, want al wie bij hem kwam en met hem sprak, verhaalde hij, dat hij niet anders dan dood en verderf vreesde en verwachtte voor Menschziel.

„Gij allen zult mij toestemmen,” zeide de edelman, „gij allen weet, dat wij verraders geweest zijn jegens dien eertijds zoo verachten, nu zoo zegevierenden en heerlijken vorst Immanuel, want nu ziet gij voor uwe oogen hoe hij ons niet slechts dicht ingesloten houdt, maar zich toegang heeft verschaft binnen onze poorten. Bovendien Diábolus ontvlucht hem, en nu heeft hij, zooals gij ziet, van mijn huis eene vesting gemaakt, om vandaar uit het kasteel te bestormen, waar Diábolus zich bevindt. Ik voor mij, heb grootelijks gezondigd door mij stil te houden als ik spreken moest, en door de gerechtigheid te verdraaien als ik ze uitoefenen moest. ’t Is waar, ik heb ook wat geleden door de handen van Diábolus omdat ik mij aan de wetten van El-Schaddaï hield; maar wat zal mij dat baten? Zal dat weer goedmaken al het toegeven aan de oproerlingen en al het verraad, dat ik mede gepleegd heb, en al wat ik toegelaten heb in de stad Menschziel? O, ik beef als ik denk wat het einde wezen zal van dit treurig en schrikkelijk begin!”

Terwijl deze dappere kapiteins aldus bezig waren in het huis van den ouden Griffier, was kapitein Strafoefening elders bezig in het verzekeren van de achterstraten en muren. Hij zat den heer Vastewil overal na, hij gunde hem geen oogenblik rust in eenigen hoek; hij vervolgde hem zoo hardnekkig, dat al zijne mannen van hem verwijderd werden en hij blijde was zijn hoofd in een hol te kunnen versteken. Ook sloeg deze krijgsman drie van Vastewils officieren ter aarde. De éen was de oude Vooroordeel, hij wiens hersenpan reeds gescheurd werd. Deze persoon was door Vastewil aangesteld als wachter van de Oorpoort, en viel door de hand van kapitein Strafoefening. Zoo was er ook een heer Hardnekkig, die eveneens tot Vastewils officieren behoorde en het opzicht had over de twee kanonnen, die op de Oorpoort geplant waren. Ook hij viel door de hand van kapitein Strafoefening. Behalve deze was er nog een derde: hij heette kapitein Verrader, een laaghartig man, maar in wien Vastewil groot vertrouwen stelde. Deze viel met de anderen.

[Afbeelding: DE DORRE PLAATSEN.]

Bovendien maakte hij eene geweldige slachting onder ’s heeren Vastewils soldaten, velen van hunne stoutste en brutaalste manschappen doodende, en velen verwondend, die nog voor Diábolus pal stonden. Maar dit waren allen Diábolus-mannen, er was niemand onder uit de oorspronkelijke inwoners der stad.

Andere oorlogsdaden werden al evenzeer door de andere kapiteins verricht. Aan de Oogpoort, waar kapitein Goede Hoop en kapitein Liefde het bevel voerden, werd ook een groote strafoefening gehouden; want kapitein Goede Hoop sloeg met eigen hand zekeren hoofdman Blinddoek, die de poort bewaakte. Deze Blinddoek had duizend man onder zich en zij vochten met mokers. Zoo vervolgde hij ook diens manschappen, sloeg er velen dood, verwondde vele anderen en maakte, dat de rest zich in alle hoeken en gaten ging verbergen.

Ook stond bij die poort de welbekende Kwaderust. Hij was een grijsaard, wiens baard tot aan zijn gordel reikte. Wij kennen hem als Diábolus’ redenaar: hij had heel wat kwaad gedaan in de stad en viel nu door de hand van kapitein Goede Hoop.

Wat zal ik zeggen? De Diábolus-mannen lagen in deze dagen dood in iederen hoek der stad, ofschoon er altijd nog veel te veel in leven bleven.

Nu kwamen op zekeren dag de oude griffier Geweten en de heer Verstand en enkele andere opperhoofden der stad, (te weten dezulken, die wisten dat zij met Menschziel staan en vallen moesten,) bij elkaêr, en na eene raadsvergadering te hebben gehouden, stelden zij gezamenlijk een verzoekschrift op, om dat aan Immanuel te brengen terwijl hij in de poort van Menschziel was gezeten. De inhoud van dat verzoekschrift hield in, dat zij, oude inwoners van Menschziel, de stad, die nu zoo jammerlijk ellendig was, hunne schuld beleden en zeer bedroefd waren, dat zij Zijne Majesteit beleedigd hadden, tevens hem biddende, dat hij hen in het leven mocht sparen.

Op dit verzoekschrift gaf hij in het geheel geen antwoord en dat verontrustte hen nog te meer. Intusschen gingen de kapiteins, die in het huis van den griffier waren, maar voort met hunne stormrammen het kasteel te bestormen. Zoo werd dan ook na eenigen tijd de groote poort van het kasteel, die Ondoordringbaar heette, opengebroken en in splinters geslagen, en daardoor stond de toegang tot het hol van Diábolus nu open. Toen werd er eene boodschap gezonden naar de Oorpoort, waar Immanuel voortdurend op zijn troon zat, om hem te laten weten, dat er eene opening was gemaakt in Diábolus’ kasteel. Wat klonken toen weder de trompetten door ’s Prinsen legerkamp! Nu was de oorlog toch dicht bij zijn einde en Menschziel zelve zou spoedig in vrijheid worden gesteld.

Toen stond de Prins van zijn zetel op, en nam met zich diegenen zijner mannen, welke voor dezen tocht het geschiktst waren. Zoo marcheerden zij dan op naar het huis van den griffier langs de straat van Menschziel.

De Prins was gekleed in een gouden wapenrusting en zijn standaard werd voor hem uitgedragen; maar hij hield zijn aangezicht in een vasten plooi, zoodat niemand daarop ’t zij liefde of gramschap lezen kon. Terwijl hij daar nu zoo langs de straat reed, kwamen de burgers der stad allen uit hunne deuren en aan hunne vensters; ze waren allen verstomd door de heerlijkheid van zijn persoon en den glans, die hem omringde, maar tevens zeer verwonderd, dat hij zijn gelaat in zulk een stijven plooi hield, want nu sprak hij meer tot hen door zijne daden dan door woord of glimlach. Maar nu legde het arme Menschziel (zooals wij allen in zoodanig geval geneigd zijn te doen) de houding van Immanuel uit zooals Jozefs broeders Jozef beschouwden: geheel op de verkeerde wijze. „Want”, dachten zij, „als Immanuel ons liefhad, zou hij ons dat wel toonen door zijn woord of zijn gelaat; maar daar hij dit niet doet, zoo haat hij ons zeker. Welnu, als Immanuel ons haat, dan zal alles in Menschziel gedood worden en de stad tot een puinhoop.” Zij wisten, dat zij hadden overtreden, dat zijns Vaders wet door hen geschonden was, en dat zij tegenover hem gemeene zaak hadden gemaakt met Diábolus; dat hij van dit alles kennis droeg, want zij waren overtuigd, dat hij was als een engel Gods om alle dingen te weten, die op aarde gebeuren; en dit deed hen nu denken, dat hun vooruitzicht ellendig was en dat de goede Prins hen zou vernielen.

Daarbij dachten zij: „Welke tijd is geschikter voor hem om dit te doen dan nu, daar hij Menschziel thans geheel in zijne hand heeft?” En daarbij trok dit in het bijzonder mijne aandacht, dat de inwoners van Menschziel ofschoon zij vreesden, niet anders konden dan diep voor hem nederbuigen; ja, zij waren gereed het stof van zijne voeten te lekken. Ook wenschten zij duizendmaal, dat hij hun Heer en Hoofd mocht worden en hen in zijne bescherming nemen. Ook spraken zij met elkander over de schoonheid van zijn persoon, en hoezeer hij in grootheid en voortreffelijkheid alle wereldgrooten overtrof. Maar wat hunzelven aanging, och armen! hunne gedachten veranderden elk oogenblik en gingen van het eene uiterste tot het andere. Ja, door dit tusschen vrees en hoop geslingerd worden werd Menschziel als een bal, die door een wervelwind wordt voortgejaagd.

Toen hij nu bij de poorten van het kasteel was gekomen, beval hij Diábolus voor hem te verschijnen en zich in zijne handen over te geven. Maar o, hoe onwillig was dat beest om voor den dag te komen! Hoe worstelde hij daar tegen! Hoe kromde hij zich in duizend bochten! Toch moest hij voor den Prins komen. Toen beval Immanuel en zij vatten Diábolus aan, hem met zware ketenen bindende, om hem te bewaren voor het vonnis, dat hij over hem had uitgesproken. Maar Diábolus stond op en smeekte voor zichzelven Immanuel, dat hij hem toch niet naar den afgrond zenden zou, maar toelaten dat hij in vrede Menschziel verliet.

[Afbeelding: ONTWAAKTE-BEGEERTE EN BEWEENER VOOR DEN PRINS.]

Toen Immanuel hem nu overwonnen en in ketenen gebonden had, leidde hij hem naar de marktplaats, en daar voor het oog van gansch Menschziel ontdeed hij hem van zijne wapenrusting, waarop hij eertijds zoo pochte. Dit was een van de glorierijke daden van Immanuel, waar hij zulk eene overwinning op zijn vijand behaalde. Terwijl men den reus uitkleedde gaven de gouden trompetten van den Prins hun aangenaam geluid, de kapiteins klapten in de handen en het geheele leger hief een vreugdegeschrei aan. Toen werd Menschziel opgeroepen om te zien het begin der zegepraal van Immanuel over hem, dien zij zoo hun gansche vertrouwen hadden gegeven en op wien zij zoo gepocht hadden in de dagen toen hij hen vleide.

Aldus Diábolus naakt uitgestroopt hebbende voor de oogen van Menschziel en van alle dienaren des Prinsen gaf hij bevel, dat hij met ketenen aan zijn zegewagen zou worden gebonden. Daarna een deel van zijne macht, te weten kapitein Boanerges en kapitein Overtuiging tot bewaking van het kasteel achterlatende, indien soms Diábolus volgelingen nog mochten trachten het in te nemen of in bezit te houden, reed hij in zegepraal over hem heen, langs de straten van Menschziel de Oogpoort uit naar de vlakte, waar zijn legerkamp was opgeslagen. [Coll. 2 : 15.]

Maar gij kunt u niet verbeelden, of ge mocht het gezien hebben zooals ik, welk eene vreugde er in Immanuels leger was toen zij daar den tiran gebonden zagen door de hand van hun edelen vorst en aan de wielen van zijn zegekar gekluisterd. Zij riepen uit: „Hij heeft de gevangenis gevangen genomen en de overheden en machten heeft hij uitgetogen; Diábolus is aan de kracht van zijn zwaard onderworpen en tot een voorwerp van aller verachting gemaakt!” Ook de vrijwilligers en die meêgekomen waren om den strijd aan te zien juichten met zulk eene blijde stem en zongen op zulke welluidende muziek, dat zij die de hooge sfeeren bewonen, en in de hooger plaatsen zijn gezeten hunne vensteren opendeden, en hunne hoofden naar buiten staken om de oorzaak van die groote blijdschap aan te zien. [Luk. 15 : 7, 10.]

De lieden der stad, voor zoovelen dit mede aanschouwden, waren terwijl zij het aanzagen, als tusschen hemel en aarde. Wel konden zij niet zeggen wat de uitslag van deze dingen wezen zou voor zoover hun aanging; maar alles geschiedde langs een zoo heerlijken weg, en ik weet niet hoe ik het noemen zal, maar alles scheen de stad als het ware toe te lachen, zoodat hun hoofd en hart en al hunne zinnen vervuld waren met de aanschouwing der dingen die Immanuel deed.

Toen nu de edele vorst dit deel van zijne zegepraal over zijn vijand Diàbolus volbracht had, gaf hij hem aan aller smaad en verachting in het openbaar over, en daarna hem bevel gegeven hebbende Menschziel onmiddellijk te verlaten, liet hij hem uitgaan uit het midden des legers. Daar ging Diábolus door woeste en onbewoonde plaatsen, zoekende rust, maar die niet vindende. [Matth. 12 : 43.]

Nu waren de kapiteins Boanerges en Overtuiging beiden mannen van groot aanzien: hunne aangezichten waren als de aangezichten der leeuwen, en hunne woorden klonken als een bruischende zee. Zij hielden voortdurend hun verblijf in het huis van den heer Geweten. Toen aldus die groote en machtige Prins zijne overwinning op Diábolus had volvoerd, hadden de lieden der stad meer gelegenheid op de daden van deze edele kapiteins te letten. Die kapiteins deden alles met zulk een ernst en waren zoo indrukwekkend in al hunne handelingen, dat de stad onder voortdurende vreeze werd gehouden en zij voor de toekomst nog altijd in twijfel verkeerden, zoodat zij kwalijk wisten wat rust of gemak, vrede of hoop beduidde.

Ook woonde de prins toen zelf niet in de stad Menschziel, maar in zijn koninklijke tent in het midden van zijns vaders heirmacht. Zoo gaf hij echter op zekeren bestemden tijd speciale bevelen aan kapitein Boanerges om Menschziel op te eischen, om al de burgers te laten komen in het kasteel en dan voor hun aangezicht de heeren Verstand, Geweten en Vastewil in bewaring te nemen, en hen streng te laten bewaken tot zijn welbehagen aangaande hen voor de toekomst zou openbaar worden. Het opvolgen van dit bevel maakte waarlijk de vreezen en angst in de stad niet minder; nu waren dan hun donkere vooruitzichten omtrent dat droevig lot van Menschziel wel terdege bevestigd. Welken dood zij sterven zouden en hoe lang hunne strafoefening zou duren waren gedachten, die alle hoofden bezighielden; ja er waren, die vreesden dat Immanuel hen allen in den afgrond werpen zou, die akelige plaats, daar Diábolus zoo bang voor was; want zij wisten, dat zij het hadden verdiend. Anderen meenden, dat zij met het zwaard zouden worden onthalsd in het gezicht hunner stad; in ongenade gevallen te zijn bij een zoo goed en heilig vorst, o dat maakte hen zoo droevig! Ook was de stad in groote onrust met het oog op de mannen, die in gijzeling werden gehouden, want dat waren hun gidsen en leidslieden, en als nu deze mannen werden weggenomen, dan moest het immers eindigen met den ondergang van gansch Menschziel. Daarom wisten zij niets beters te doen dan gezamenlijk met de mannen, die gevangen zaten een verzoekschrift opstellen tot den prins, en dit zonden zij op door de hand van zekeren heer Begeerte-tot-leven. De man ging heen, kwam aan het verblijf van den vorst en bood daar het rekwest aan,[25] dat van den volgenden inhoud was.

[25] ~Het rekwest wordt gebracht door den heer Begeerte-tot-leven~. Nu bidt Menschziel wel, maar dat gebed wordt bezield door den naam van den verzoeker. ’t Is alleen om lijfsbehoud te doen.

„Groote en wonderbare Heerscher, Overwinnaar van Diábolus en van de stad Menschziel! Wij, de ellendige inwoners van deze beklagenswaardige plaats, smeeken u nederig dat wij genade mogen vinden in uwe oogen. Gedenk toch onze vorige overtredingen niet, noch de groote zonden van de machtigen onzer stad, maar spaar ons naar de grootheid uwer goedertierenheid! en laat ons niet sterven, maar voor uw aangezicht leven, zoo zullen wij gewillig zijn om uwe knechten te wezen, en om als het u behagen mocht zelfs de kruimkens onder uwe tafel op te lezen. Amen.”

Zoo begaf zich dan deze smeekeling met zijn verzoekschrift naar den Prins; en de Prins nam het uit zijne hand aan, maar zond hem in alle stilte weg. Deze stilte, dit zwijgen bedroefde de stad Menschziel: maar nu in aanmerking nemende, dat zij smeekschriften moesten indienen of sterven daar zij voor het oogenblik niets anders konden doen, zoo beraadslaagden zij weder met elkaer en zonden een nieuw rekwest in. Het was alzoo in denzelfden geest en vorm gesteld als het vorige.

[Afbeelding: HET BEROUW VAN MENSCHZIEL.]

Maar toen het verzoekschrift opgesteld was, wisten ze weer niet door wien het te zenden. Die het de eerste maal gebracht had mocht het niet weder doen, want ze meenden dat hij op eene of andere wijze den prins beleedigd had. Zoo deden zij dan eene schoorvoetende poging om kapitein Overtuiging hun rekwest in handen te geven; maar hij antwoordde, dat hij voor verraders wilde noch durfde tusschenbeiden treden en bij den prins Immanuel geen voorspraak wilde wezen voor rebellen. „Dat neemt niet weg,” zeide hij, „dat onze vorst goed is, en dat gij het wel kunt wagen door de hand van iemand uit uwe stad een verzoekschrift op te zenden, maar dan moest hij ook komen met den strop om zijn hals en op niets pleitende dan genade.”

Wel stelden zij dit uit vrees zoo lang uit als zij maar eenigszins konden, maar bang zijnde dat nog meer uitstel gevaarlijk worden zou, zoo kwamen zij er toch toe om onder veel angst en vreeze een adres op te stellen en in te zenden door de hand van zekeren Ontwaakte Begeerte.[26] Die heer Ontwaakte Begeerte woonde in een zeer jammerlijke woning binnen Menschziel en men had zich tot dusverre niet met hem bemoeid maar nu moest hij naar den prins. Toen zij dit aan dezen armen man voorstelden zeide hij: „Hoe zou ik anders kunnen dan al mijn best doen dat Menschziel van de verwoesting bewaard blijve?” Zij gaven hem dan vrijmoedig het verzoekschrift over en deelden hem mede hoe hij zich tot den prins moest wenden en wat hij had te zeggen; daarna wenschten zij hem een gelukkigen tocht. Toen de man aan des Prinsen tent gekomen was vraagde hij evenals de eerste om den prins te spreken. Dat woord werd aan Zijne Majesteit overgebracht en Immanuel kwam naar buiten. Toen Ontwaakte Begeerte den Prins zag viel hij vlak op zijn aangezicht ter aarde en riep uit: „O, dat Menschziel voor uw aangezicht mocht leven!” en daarbij bood hij het verzoekschrift aan. Toen de Prins dat gelezen had begaf hij zich een weinig ter zijde en weende, maar zich verstellende keerde hij tot den man terug, welke daar nog altijd schreiende aan zijne voeten lag en sprak toen voor het eerst deze woorden tot hem: „Keer weder naar uwe plaats, ik zal uw verzoek in overweging nemen.”

[26] ~Ontwaakte Begeerte~ is weder een hoogere trap van geestelijke ervaring. De ziel kent nu haar toestand en begeert iets beters en hoogers.

Nu kunt gij wel denken, dat de lieden van Menschziel, die hem gezonden hadden, met groot verlangen uitzagen naar zijne terugkomst, in angst en vreeze, dat hun verzoek mocht verworpen zijn. Ten laatste zagen zij den boodschapper terugkomen. Pas was hij binnen de stad of zij vraagden hem hoe hij gevaren was, wat Immanuel zeide en of hun verzoek ook van de hand was gewezen. Maar hij antwoordde, dat hij zwijgen zou tot hij aan de gevangenis kwam bij den heer burgemeester Vastewil en den secretaris. Daarom spoedden zij zich dan voort naar het gevangenhuis, waar de grooten van Menschziel gebonden lagen. O, welk een groote menigte stroomde daar samen om te vernemen wat de boodschapper zeide. Toen hij zich nu voor de tralies der gevangenis vertoonde keek de burgemeester naar buiten zoo wit als een doek en ook de secretaris beefde. Toch vraagden zij: „Verhaal ons, goede vriend, wat de groote prins tot u zeide.” Daarop antwoordde Ontwaakte Begeerte: „Toen ik aan de tent van den grooten heer kwam en naar hem vraagde, kwam hij terstond. Zoo boog ik mij neder aan zijne voeten en leverde mijn verzoekschrift in, want de grootheid van zijn persoon en de heerlijkheid van zijn voorkomen maakten, dat ik onmogelijk op mijne voeten kon blijven staan. Toen hij het verzoekschrift aannam riep ik uit: „O, dat toch Menschziel voor uw aangezicht mocht leven!” Hij verwijderde zich daarop een weinig en toen terugkomende zeide hij tot uw knecht: „Ga heen naar uwe plaats en ik zal uw verzoek in overweging nemen.” De bode voegde daar nog bij: „De vorst tot wien gij mij gezonden hebt is zulk een schoon en heerlijk personaadje, dat wie hem ziet hem tegelijkertijd moet liefhebben en vreezen. Ik voor mij kan niet anders doen; maar ik weet niet wat het einde van deze dingen wezen zal.””