De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus
Part 12
„Ik zou wel op zulk eene wijze van mijne macht gebruik kunnen maken, dat hij dadelijk moest heengaan en het opgeven; maar ik heb in mijn hart voorgenomen zóo met hem te handelen, dat de rechtvaardigheid van den oorlog, dien ik hem aandoe, door allen zal worden erkend. Hij heeft Menschziel met bedrog genomen, en houdt het met geweld en bedrog vast, en ik zal hem naakt en bloot stellen voor aller oog.
„Al mijne woorden zijn waarheid. Ik ben machtig om te helpen en zal mijn Menschziel uit zijne hand verlossen.”
Deze toespraak was in de eerste plaats voor Menschziel bestemd, maar Menschziel wilde er niet naar hooren. Zij sloten de Oorpoort, barrikadeerden die met ijzers en bouten, en zetten daar wachters, die de bewoners van Menschziel moesten beletten tot hem uit te gaan, en die niemand uit het leger in de stad mochten toelaten. Dit alles deden zij omdat Diábolus op zulk een ontzettende wijze hunne zinnen had verblind, en hen opgezet tegen hun wettigen heer en vorst. Daardoor kwam nu ook geen stem, of boodschapper, noch eenig geluid, dat van den glorierijken koningszoon uitging, de stad binnen.
Toen nu Immanuel zag, dat Menschziel op die wijze in hare zonde verhard was en dat zijne woorden veracht werden, zoo riep hij zijn leger samen, en liet al zijne heirscharen weten, dat zij op het bestemde uur gereed moesten zijn. Daar er nu geen andere wettige weg was om in de stad Menschziel te komen, en daar vooral de Oorpoort zoo zorgvuldig gesloten bleef, zoo beval hij zijne kapiteins en gezagvoerders om hunne stormrammen voor den dag te halen, en al hunne slingeraars en manschappen te richten op de Oorpoort en de Oogpoort, teneinde de stad in te nemen.
Als nu Immanuel alle dingen had gereed gemaakt om Diábolus slag te leveren, zond hij nogmaals naar de stad Menschziel een vreedzame boodschap of zij zich ook wilde overgeven of dat zij nu besloten was het tot het uiterste te wagen? Zij riepen dan met Diábolus, hunnen koning, een krijgsraad samen en bepaalden weder eenige voorwaarden, die Immanuel zouden worden aangeboden of hij daarin mocht bewilligen, en die door iemand uit de stad tot hem zouden worden gezonden. Wie kon die boodschap doen? Nu woonde in de stad een oud man, een duivelskind, zijn naam was Onbuigzaam,[20] die zeer stijf op zijn stuk stond, een uitmuntend werktuig voor Diábolus. Deze man werd uitgezonden en hem in den mond gelegd wat hij zeggen moest. Zoo kwam dan deze in het leger van Immanuel, en toen hij daar aankwam werd een tijd bepaald, waarop hem gehoor zou worden gegeven. Na een paar duivelsche plichtplegingen begon hij aldus te spreken: „Groot en machtig Heer, opdat het allen bekend zij welk een goedhartig vorst mijn meester is, heeft hij mij gezonden om u te zeggen, dat hij, liever dan een oorlog met u te beginnen, genegen is de helft van de stad Menschziel in uwe handen over te geven. Ik moet daarom maar weten of Uwe Majesteit gewillig is dit voorstel aan te nemen.” [Titus 1 : 16.]
[20] Die zekere heer ~Onbuigzaam~, blijkt op het einde zijn naam te volle te verdienen, ofschoon hij in het eerst de buigzaamheid zelf schijnt te wezen. Al dat toegeven is geen toegeven, ’t is alles satanische list. Al dat wenden en keeren doet denken aan de kronkelingen van de slang.
Toen zeide Immanuel: „De geheele stad is mijn eigendom, zoowel omdat zij mij gegeven is als omdat ik haar gekocht heb.”
Toen antwoordde Onbuigzaam: „Heerschap, mijn meester heeft gezegd, dat hij er ook in toestemt, dat gij den titel hebt van Heer over alles, als hij maar een deel voor zich in bezit mag houden.” [Luk. 13 : 25.]
Maar Immanuel sprak: „Alles is wettig het mijne, niet slechts in naam, maar in werkelijkheid, daarom wil ik ook de eenige Heer en bezitter van alles wezen, òf ik wil er niets van hebben.”
Toen ging Onbuigzaam al weer voort: „Heerschap, ziet toch eens hoe toegevend mijn meester is; hij zegt dat hij tevreden zal wezen, als hij maar eene plek in Menschziel heeft daar hij wonen mag, en u Heer en Meester zal laten van al het overige.” [Hand. 5 : 1-5.]
Maar daarop antwoordde de gouden prins: „Al wat mij de Vader geeft zal tot mij komen, en van al wat Hij mij geeft -- zal ik niets verliezen -- zelfs niet een haar van het hoofd. Ik zal hem daarom zelfs het kleinste hoekje in Menschziel niet vergunnen, ik wil het alles zelf hebben.”
Toen sprak Onbuigzaam weder: „Maar, mijnheer, onderstel dat mijn meester kon besluiten u de gansche stad over te geven alleen met dit voorbehoud, dat hij somtijds wanneer hij in deze streken komt, daar als oude kennis, en als een doortrekkend man eens een paar dagen, eene week of eene maand kwam verblijven. Kan zelfs deze kleine zaak niet vergund worden?”
Toen zeide Immanuel: „Hij kwam als een doortrekkend reiziger tot David en bleef niet lang bij hem en toch had het David zijne ziel kunnen kosten. Ik wil niet toestaan, dat hij er ooit weer binnenkomt.” [2 Sam. 12 : 1-5.]
Toen zeide Onbuigzaam: „Heer, gij schijnt wel zeer hard te wezen. Onderstel, dat mijn meester alles toestemt wat Uwe Majesteit zegt, met deze uitzondering, dat zijne vrienden en bekenden in Menschziel vrijheid mogen genieten om in de stad handel te drijven en daar hunne tegenwoordige woonplaats mogen behouden. Dat wordt toch wel toegestemd, Mijnheer?”
Toen zeide Immanuel: „Neen, dat is tegen den wil van mijn Vader; want allen en een iegelijk, die van Diábolus aanhang nu of later in de stad gevonden worden, zullen hunne bezittingen, hunne vrijheid en hun leven verliezen.” [Rom. 6 : 13.] [Col. 3 : 5.]
Daarop antwoordde Onbuigzaam: „Maar, Heerschap, mag dan mijn meester en groote Heer niet door brieven of doortrekkende reizigers of bij voorkomende gelegenheden, als hij alles in uwe handen overgeeft eene soort van vriendschap en gemeenschap met de stad onderhouden?” [Joh. 10 : 8.]
Immanuels antwoord was: „Neen, op geenerlei wijze, aangezien zulk eene gemeenschap, vriendschap, toegenegenheid of kennismaking zal strekken tot verderf van Menschziel, en haar vrede met mijn Vader in gevaar brengen.”
De heer Onbuigzaam voegde daar nog bij: „Maar, groote Heer, mijn Meester heeft veel vrienden en die hem dierbaar zijn in Menschziel, mag hij dan niet als hij uit overmaat van goedheid vertrekt, hun eenige bewijzen van zijne goedertierenheid bij wijze van gedachtenis achterlaten, waarop zij na zijn vertrek kunnen staren als panden van oude vriendschap en tot herinnering, dat hij eens hun koning was, en van den goeden, vroolijken tijd, dien zij samen hebben doorgebracht, toen hij en zij samen in vrede leefden?” [Rom. 6 : 12, 13.]
Toen zeide Immanuel: „Neen, want als Menschziel de mijne wordt, zoo zal ik niet toelaten, dat er het minste overblijfsel, ja dat zelfs het stof van Diábolus, dat hij achterlaat, als gift of gedachtenis aan iemand in Menschziel geschonken zij, om de verschrikkelijke herinnering van die jammerlijke vriendschap levendig te houden.”
[Afbeelding: ONBUIGZAAM NAAR IMMANUEL GEZONDEN.]
„O, Heer”, zeide toen Onbuigzaam, „ik heb nog maar éen ding voor te stellen en dan is mijn lastbrief ten einde. Onderstel dat, wanneer mijn meester uit Menschziel is weggegaan, iemand, die daar woont of later wonen zal, zoo iets belangrijks en bijzonders aldaar te doen heeft, dat indien het verzuimd wordt de geheele zaak daaronder lijden zou, en die belangrijke zaak kan door niemand anders gedaan worden dan door mijn meester, zou dan niet aan die persoon gelegenheid gegeven worden om mijn meester te zijnen huize te ontvangen? Of zelfs, werd dit niet toegestaan, dat zij dan elkander mochten ontmoeten in een der naburige dorpen ten einde samen raad te plegen?” [2 Kon. 1 : 3, 6, 7.]
Dit was de laatste der voorstellen, die Onbuigzaam aan Immanuel had voor te stellen in naam van zijn meester Diábolus; maar Immanuel wilde niets toestaan, want hij zeide: „Er kan geen geval, geen zaak van welken aard ook in Menschziel voorkomen wanneer uw meester zal vertrokken zijn, die niet door mijn Vader kan worden in orde gebracht. Bovendien zou het een groote verachting wezen van mijns Vaders wijsheid en verstand als iemand uit Menschziel toegelaten werd naar Diábolus uit te gaan om raad te plegen. In ieder denkbaar geval kunnen zij hunne begeerten met bidden en smeeken met dankzegging bij mijnen Vader bekend maken. En verder: werd dit toegestaan, dan zou eene deur worden opengehouden voor Diábolus en de zijnen in Menschziel om een komplot te maken en verscheidene verraderlijke dingen te doen tot mijns Vaders verdriet en tot vernieling der stad.” [1 Sam. 28 : 15.] [2 Kon. 1 : 2, 3.]
Toen de heer Onbuigzaam dit antwoord gehoord had, nam hij afscheid van Immanuel en vertrok, zeggende, dat hij zijn meester bericht zou brengen. Zoo kwam hij dan ook bij Diábolus, zijn meester, te Menschziel en verhaalde hem de geheele zaak en hoe Immanuel niets wilde toegeven; dat als hij er eens uitging hij dan voor altijd buiten de stad was gebannen en hij er nooit meer iets mede mocht te doen hebben. Toen Menschziel en Diábolus dit verhaal der dingen hadden vernomen, besloten zij met algemeene stemmen hun uiterste best te doen om Immanuel buiten Menschziel te houden en om den ouden Kwaderust, van wien wij tevoren gehoord hebben te zenden om dit aan den prins en zijne kapiteins te berichten. Zoo kwam dan die oude heer boven op de Oorpoort staan, en riep tot het leger om gehoor, en nadat hij dat bekomen had sprak hij: „Ik heb van mijn hoogen vorst en heer in last u te verzoeken aan uwen prins te berichten, dat Menschziel en haar koning vastelijk besloten zijn samen te staan of te vallen; en dat het tevergeefs is wanneer uw prins Immanuel vermeent ooit Menschziel weder in handen te krijgen, tenzij hij bij machte is haar met geweld te nemen.” Zoo gingen dan de kapiteins en verhaalden aan Immanuel wat die Kwaderust gezegd had, waarop de prins antwoordde: „Ik moet de kracht van mijn zwaard beproeven, want ik zal geenszins van hier vertrekken eer ik Menschziel van haren vijand verlost heb, welke oproeren zij ook heeft aangericht, en hoe menigmaal zij mij ook heeft verstooten!” Daarop gaf hij bevel aan kapitein Boanerges, kapitein Overtuiging, kapitein Oordeel en kapitein Strafoefening om onmiddellijk met bazuingeschal en vliegende vaandels en krijgsgeschal naar de Oorpoort op te trekken. Ook wilde hij, dat kapitein Geloof zich bij hen voegen zou. Immanuel gaf bovendien bevel, dat de kapitein Goede Hoop en kapitein Liefde zich voor de Oogpoort zouden in slagorde stellen. De overige kapiteins en hunne manschappen moesten zich elders rondom de stad gereed houden en de voordeeligste stellingen tegenover de stad innemen, en alles gebeurde zooals hij het geboden had. [Efez. 6 : 17.]
Daarop werd uitgeroepen dat het wachtwoord zou wezen „Immanuel”. Toen ontstond er een oorverdoovend geraas, de stormrammen werden aangelegd, en de slingers zweepten groote steenen door de lucht, die in de stad neerkwamen. Zoo begon de strijd. Diábolus voerde nu zelf de lieden der stad tot den strijd aan en wel bij elke poort, daarom was haar tegenstand zooveel te krachtiger, helscher en beleedigender voor Immanuel. Verscheidene dagen achtereen werd de goede prins op deze wijze door Diábolus en Menschziel tegengestaan, terwijl het inderdaad de moeite waard was te zien hoe flink El-Schaddaï’s kapiteins zich in den oorlog gedroegen.
[Afbeelding: DE KAPITEINS VAN IMMANUEL BELOOND.]
Daar hebt gij eerst kapitein Boanerges; ofschoon de anderen niet bij hem achterstonden; deze deed driemaal zulke krachtige aanvallen op de Oorpoort, dat deze poorten en deuren kraakten en schudden. Kapitein Overtuiging, die Boanerges trouw terzijde stond, deed wat hij vermocht, en beiden, bemerkende dat de poort begon te kraken, bevalen dat de stormrammen er maar voortdurend tegen spelen zouden. Daar kapitein Overtuiging zich wat dicht bij de poort waagde, kreeg hij drie wonden in den mond[21] en werd teruggedreven. Toen kwamen de vrijwilligers in het leger en dit moedigde de kapiteins opnieuw aan.
[21] ~In deze worsteling werd kapitein Overtuiging gewond~. -- Wij worstelen menigmaal tegen onze overtuigingen in, en brengen het soms zóo ver, dat wij ze op een of ander punt tot zwijgen doemen. Toch doen deze aanvallen van ons overtuigend geweten den booze in ons afbreuk; de zekerheid en stille gerustheid worden geschokt en verdreven.
Om deze kapiteins voor hunne dapperheid te beloonen zond de prins hen naar zijne eigen tent, en beval, dat zij daar een weinig zouden uitrusten en zich herstellen. Ook werd er onmiddellijk voor gezorgd, dat kapitein Overtuiging van zijne wonden genezen werd. De prins vereerde ieder hunner een gouden keten en sprak hun moed in.
Meent evenmin, dat kapitein Goede Hoop of kapitein Liefde achteraan kwamen in dit wanhopige gevecht, want deze gedroegen zich zóo kloek aan de Oogpoort, dat zij haar bijna openbraken. Ook deze ontvingen loon van hunnen vorst evenals de overigen der hoofdlieden, omdat zij zich rondom de stad zoo dapper weerden.
In deze worsteling werden verscheidene officieren van Diábolus gewond of gedood, en ook vele lieden uit de stad bekwamen blessuren. Onder de gesneuvelde officieren behoorde zekere kapitein Pocher. Deze Pocher had gemeend, dat niemand de deuren der Oorpoort noch het hart van Diábolus kon doen beven. Naast hem werd een zekere kapitein Zekerheid neergeslagen, die gewoon was in stille gerustheid te leven en voor een spreekwoord had aangenomen, dat de blinden en lammen in Menschziel alleen wel in staat waren de poorten der stad tegen Immanuel te verdedigen. Dezen kapitein Zekerheid werd door kapitein Overtuiging met een tweesnijdend zwaard het hoofd gekloofd, toen deze drie wonden in den mond kreeg. [2 Sam. 5 : 6.]
Behalve dezen was er nog een hoofdman Bluffer, een snoode boef, een aanvoerder van een troep, die vuurbranden, pijlen en doodelijke werktuigen aandroegen. Deze man kreeg aan de Oogpoort van kapitein Goede Hoop een doodelijke wonde in de borst.
Zoo was er ook een mijnheer Gevoelig, geen kapitein, maar een opstoker tot opstand. Hij kreeg eene wond in het oog, van de hand van een van Boanerges’ soldaten. De kapitein zou hem zelf wel gedood hebben, maar hij maakte een spoedigen terugtocht.
Maar nooit in mijn leven zag ik Vastewil zoo tam; hij was volstrekt niet in staat zijn gewone handelwijze te volgen, en sommigen zeggen, dat hij ook eene wond gekregen had in het been. Men had hem ten minste uit het leger van den prins in de verte zien hinken.
Ik zal u geen nauwkeurige opsomming geven van de soldaten, die in de stad gedood werden; velen werden er verminkt, gewond en velen schoten er het leven bij in. Toen zij zagen, dat de Oorpoort wankelde en de Oogpoort bijna geheel opengebroken was, ook dat verscheidene van hunne kapiteins waren geslagen, versmolt het hart van velen, die Diábolus aanhingen. Ook vielen er velen door de slingersteenen, die met kracht in de stad werden geworpen.
Onder de burgers behoorde een zekere Goedhater, die ook een Diábolist was. Deze kreeg een doodelijke wond in Menschziel, maar waaraan hij eerst later stierf.
De heer Kwaderust, gij kent hem wel, die het eerst met Diábolus meekwam toen hij Menschziel belaagde, ontving ook gevaarlijke wonden in zijn hoofd; ik heb zelfs hooren zeggen, dat zijn hersenpan gescheurd was. Dit heb ik ten minste opgemerkt, dat hij in later tijd nooit meer in staat was zooveel kwaad in Menschziel te doen als voorheen. De oude heer Vooroordeel en Neutraal zetten het op een loopen.
Toen nu deze worsteling voorbij was gaf de prins bevel, dat weder de witte vlag op den berg Genade zou worden geheschen, in het gezicht der stad, om te toonen, dat Immanuel Menschziel in hare ellende wilde genadig zijn.
[Afbeelding: GRIFFIER GEWETEN VERONTRUST.]
Toen evenwel Diábolus de witte vlag der genade zag waaien, en hij wist wel, dat dit niet voor hem was, zoo bedacht hij een andere list, namelijk hij wilde beproeven of Immanuel zijn beleg niet wilde opbreken en heengaan op belofte van hervormingen. Zoo kwam hij dan in den avond naar de poort wandelen, een heel poosje nadat de zon was ondergegaan, en riep om een gesprek met Immanuel, die onmiddellijk tot hem kwam, en Diábolus sprak:
„Nademaal gij door het uitsteken van de witte vlag bekend maakt, dat gij op vrede en rust gesteld zijt, zoo dacht het mij goed u te zeggen, dat wij zeer bereid zijn die aan te nemen op zulke voorwaarden als gij wel zult willen goedvinden.
„Ik weet dat godsvrucht u behaagt en dat gij zeer gesteld zijt op heiligheid, ja, dat een groote drangreden om Menschziel den oorlog aan te doen, juist hierin gelegen is, dat gij haar tot een heilige woonplaats maken wilt. Welnu, wend u met uwe legermacht van de stad af en ik zal maken, dat Menschziel voor u buigt.
„Ik zal alle daden van vijandschap tegen u doen ophouden, en ben gewillig om uw afgezant te worden, en gelijk ik u tevoren heb tegengestaan, zoo wil ik u in de toekomst in Menschziel dienen.
„1^{e}. Zal ik Menschziel bewegen u als Heer te ontvangen, en ik weet, dat zij dit te eerder zullen doen als zij weten, dat ik uw afgezant ben.
„2^{e}. Zal ik haar toonen waarin zij gedwaald heeft, en dat alle ongerechtigheid den weg des levens in den weg staat.
„3^{e}. Zal ik haar de heilige wet uitleggen, waarnaar zij zich heeft te gedragen en weer goed maken wat zij bedorven heeft.
„4^{e}. Zal ik bij haar aandringen op de hooge noodzakelijkheid eener hervorming naar den eisch uwer wet.
„5^{e}. Opdat geen van deze dingen verzuimd worden zal ik op mijn eigen kosten en gezag een voldoende bediening in Menschziel oprichten en in stand houden, en predikatiën laten doen tot leering en vermaning.
„6^{e}. Zult gij als een teeken van onze onderwerping aan u ons jaar op jaar de schatting opleggen, die gij noodig keurt, en die wij u brengen.”
Toen zeide Immanuel tot hem: „O, gij enkel bedrog, hoe dikwijls zijt gij veranderd in uw bedriegelijke wegen opdat gij dit Menschziel maar in uw bezit zoudt mogen behouden; dit Menschziel dat het mijne is, en waarop ik onbetwistbare rechten bezit! Reeds menigmaal zijt gij met uwe voorslagen gekomen, en deze laatste is geen zier beter dan de vorigen. Waar het u niet gelukt is te bedriegen als gij uw ware zwarte gedaante vertoondet, daar verandert gij u nu in een engel des lichts, en doet u thans voor als een leeraar der gerechtigheid. [2 Cor. 11 : 14.]
„Maar dit zij u bekend, o Diábolus, dat uwe voorstellen allen voor niets geacht moeten worden, omdat zij allen op bedrog zijn toegelegd. Gij bezit evenmin vreeze Gods als liefde tot de stad Menschziel. Uit welken anderen grond kunnen dan deze uwe woorden voortkomen dan uit list en bedrog? Hij, die uit list of eigenwil alles kan voorstellen wat hem behaagt, en dat om hen ongelukkig te maken, die hem gelooven, verdient gehoor noch geloof in alles wat hij zegt. Indien dan gerechtigheid zulk een voortreffelijke zaak is in uw oog, waarom hebt gij dan vroeger de goddeloosheid zoo toomeloos bedreven? Maar dat is tot daar aan toe.
„Gij spreekt van hervormingen in Menschziel, en dat gij, als het mij behaagt, de eerste wilt wezen in dat hervormingswerk, ofschoon gij zeer goed weet, dat de hoogste trap van gerechtigheid, die een mensch bereiken kan, toch nooit baten kan om den vloek weg te nemen, die op Menschziel rust. De wet, eenmaal door Menschziel gebroken, heeft den vloek tegen haar doen uitspreken, en nooit kan door eenige gehoorzaamheid in de toekomst, wat daar achter ligt worden weggenomen of hersteld, in geen geval eene hervorming, die door een duivel wordt voorgesteld of uitgevoerd. Gij weet zelf zeer goed, dat al wat gij gezegd hebt niets anders is dan bedrog, en dat dit de laatste kaart is, die gij uitspelen kunt. Velen zijn er, die u spoedig herkennen zullen als gij hun uw gespleten klauwen laat zien, maar in uw witte gedaante, in uwe verandering in een engel des lichts wordt gij van weinigen aangezien. Maar gij zult, o Diábolus, alzoo met mijn Menschziel niet leven, want daarvoor heb ik het te lief.
„Bovendien ben ik niet gekomen om Menschziel aan te sporen tot goede werken om daardoor te leven; deed ik dat, dan zou ik u gelijk wezen; maar ik ben gekomen opdat zij door mij en door hetgeen ik voor haar gedaan heb met mijnen Vader zou worden verzoend, al heeft zij Hem ook door hare zonden tot toorn getergd, en al kan zij langs den weg der wet op geene genade meer hopen.
„Gij spreekt van het onderwerpen dezer stad aan het goede, dat niemand van uwe hand begeert. Ik ben door mijn Vader gezonden om haar zelf te bezitten, en haar te besturen met mijne eigen hand in zulk eene overeenstemming met hem als hem welbehagelijk wezen zal. Daarom wil ik haar zelf hebben; ik zal u onttroonen en uitwerpen, ik zal mijn eigen standaard in het midden van haar planten. Ik zal haar ook regeeren door nieuwe wetten, nieuwe dienaren, nieuwe grondregels en nieuwe instellingen; ja, ik zal deze stad ter nederwerpen en weder opbouwen; men zal haar niet meer herkennen, en zij zal de heerlijkheid der gansche aarde zijn.”
Toen Diábolus dit hoorde en bemerkte, dat hij in al zijn list en bedrog ontdekt was, stond hij daar versuft en als tot het uiterste gebracht; maar daar in zijn binnenste woelde de fontein van ongerechtigheid, woeste kwaadaardigheid en opstand tegen El-Schaddaï en zijn Zoon beiden. Wat kon hij dan anders doen dan zich weder gereed maken om een nieuw gevecht te beginnen tegen den edelen prins Immanuel? Zoo krijgen wij dus weder een nieuw gevecht voor de stad Menschziel te zien. Klimt dan op de heuvelen, gij die gaarne den oorlog aanschouwt of krijgstooneelen bijwoont, en ziet aan beide zijden welke noodlottige slagen daar worden uitgedeeld, terwijl de een zoekt de stad te behouden en de ander er zich van meester te maken.
Diábolus keerde van de wal terug naar zijne grootste sterkte, die hij in het hart der stad Menschziel bezat; Immanuel keerde ook zijn aangezicht naar het leger, en beiden maakten zich ieder op zijne wijze gereed op nieuw slag te leveren.
[Afbeelding: VERSTAND EN GEWETEN STELLEN EEN VERZOEKSCHRIFT OP.]
Diábolus tot het uiterste wanhopig omdat hij de beroemde stad Menschziel niet behouden kon, besloot zooveel nadeel als maar mogelijk was toe te brengen aan het leger van den prins en de stad zelve; want, helaas, het was geenszins het geluk der stad, dat hij bedoelde, maar integendeel haar uiterste verwoesting, dit blijkt duidelijk genoeg. Daarom beval hij ook aan zijne officieren, dat wanneer zij bemerkten, dat zij de stad niet langer houden konden, zij daar zooveel nadeel en verwoesting zouden aanrichten als maar mogelijk was, doende mannen, vrouwen en kinderen weenen. „Want”, zeide hij, „’t is beter, dat wij deze plaats met den grond gelijk maken en als een puinhoop achterlaten, dan haar zóo te verlaten, dat zij nog een geschikte woning voor Immanuel is.” [Mark. 9 : 26, 27.]
Immanuel daarentegen, wetende, dat de nu volgende worsteling beslissend zou wezen en hij zich dus meester van de stad zou zien, gaf een koninklijk bevel uit aan al zijne officieren, voorname kapiteins en krijgslieden, dat zij zich kloek zouden houden als echte krijgers tegen Diábolus en zijn aanhang, maar dat zij barmhartig, zachtmoedig en vriendelijk moesten wezen jegens de oude inwoners van Menschziel.[22] „Bindt den strijd aan met hem en de zijnen”, zeide de edele vorst, „en laat het heetst van het gevecht op hem aankomen!”
[22] ~Dit laatste bevel~ van Immanuel is karakteristiek, en toont hoe Hij den booze en het booze haat, maar den zondaar liefheeft.
HOOFDSTUK V.
DE CAPITULATIE EN HARE GEVOLGEN.
De bestemde dag gekomen zijnde, werd het bevel gegeven en stonden de mannen van den prins dapper in de wapens en richtten evenals vroeger hunne beste krachten tegen de Oorpoort en Oogpoort. Het wachtwoord luidde: „Menschziel is gewonnen!” Zoo vielen zij dan op de stad aan. Diábolus daarentegen stond hen tegen met zijne beste krachten, en inderdaad zijne grooten en opperhoofden vochten eenigen tijd zeer fel en wreed tegen ’s prinsen leger.