De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus

Part 11

Chapter 114,097 wordsPublic domain

„Wij spreken niet aldus omdat wij onwillig zijn den oorlog te voeren (want wij zijn besloten te sterven of te overwinnen); maar opdat de stad Menschziel voor Uwe majesteit moge gewonnen worden. Wij bidden bovendien Uwe Majesteit, dat wij na het eindigen van dezen oorlog en de overwinning dezer stad weder gebruikt mogen worden tot uitvoering van uwe genadige en heerlijke plannen en oogmerken. Amen.”

Dit verzoekschrift aldus opgesteld, werd met allen spoed naar den koning gezonden door de hand van een zeer goed man, genaamd Liefde tot Menschziel.

Toen dit rekwest in het paleis van den koning kwam, aan wien kon het toen beter overhandigd worden dan aan ’s konings zoon? Hij nam het aan en las het omdat de inhoud hem best beviel; ook voegde hij er met eigen hand nog eenige dingen bij, die hij noodig achtte en droeg het toen eigenhandig naar den koning. Het daar gehoorzaam overgeleverd hebbende, maakte hij insgelijks van zijne eigen macht gebruik en beval het mondeling aan.

Nu werd de koning verheugd op het zien van het verzoekschrift, maar nog meer verblijdde hij zich omdat zijn zoon het ondersteunde! Het behaagde hem zeer te vernemen hoe zijne kapiteins zich rondom Menschziel gelegerd hadden en daar zoo van ganscher harte met de verovering bezig waren, zoo standvastig in hun besluit, en reeds in het bezit van sommige voordeelen op de vermaarde stad Menschziel.

Daarom riep de koning zijn zoon Immanuel tot zich, en deze antwoordde: „Ziet, hier ben ik, Vader.” Toen zeide de koning: „Gij kent even goed als ik zelf den toestand der stad Menschziel, en wat wij hebben voorgenomen en wat gij gedaan hebt om haar te verlossen. Kom nu, mijn zoon, en bereid u tot den oorlog, want gij zult naar mijn leger te Menschziel vertrekken. Gij zult aldaar voorspoedig zijn en de stad veroveren.”

Toen zeide ’s konings zoon: „Uwe wet is in het midden mijns ingewands; ik heb lust om uwen wil te doen. Dit is de dag, waarnaar ik verlangd heb, en het werk, waarop ik gewacht heb. Geef mij daarom die versterking mede, welke gij in uwe wijsheid noodig keurt, en ik zal heengaan en de ellendige stad Menschziel van Diábolus verlossen, en uit zijne hand redden. Dikwijls heeft mijn hart in mijn binnenste gebloed over die ellendige stad; maar nu ben ik verheugd en blijde.” En dat zeggende ging hij springende over de bergen, uitroepende: „Niets is mij te dierbaar voor Menschziel; de dag der wrake is voor u gekomen, en hoe verheug ik mij, dat mijn Vader mij gemaakt heeft tot den oversten leidsman harer redding en zaligheid. Ik zal beginnen met al diegenen te plagen, die eene plaag geweest zijn voor de stad en zal haar uit hunne hand verlossen!” [Hebr. 10 : 7.] [Hebr. 2 : 10.]

Toen des konings zoon aldus had gesproken, scheen er een licht door het geheele hof; allen verheugden zich en alle gesprekken liepen over hetgeen Immanuel voor die vermaarde stad Menschziel ging doen. Gij kunt u niet half begrijpen hoe de hovelingen waren ingenomen met dit voornemen van den prins; ja, zoo waren zij in deze zaak belangstellende, dat de hoogste edelen en eerste stafofficieren van het koninkrijk onder Immanuel wilden dienen om mede te helpen ten einde de stad Menschziel voor El-Schaddaï te herwinnen.

Toen werd besloten, dat er enkelen vooruit zouden gaan om aan het leger bericht te brengen, dat Immanuel op de komst was om Menschziel te herwinnen, en dat hij zulk een machtig en onverwinnelijk leger zou medebrengen, dat het niet te weerstaan was. Hoe gereed waren die hooggeplaatsten aan het hof om als boodschappers en couriers dienst te doen, ten einde deze tijdingen aan het kamp vóor de stad Menschziel te brengen. Toen nu de kapiteins bemerkten, dat de koning zijn zoon Immanuel zenden wilde, en dat deze evenzeer begeerig was om dien tocht te ondernemen, gaven zij allen een vreugdekreet als bewijs hunner blijdschap, zoodat de aarde er van beefde. Ja, de bergen gaven er antwoord op met hunne echo’s en Diábolus zelf sidderde als een aal.

Want gij moet weten, dat ofschoon de stad Menschziel zelve met het plan in het geheel niet was bekend geworden (want helaas, daarvoor waren zij al te zeer verbijsterd, zijnde hun vermaak en hunne lusten het voornaamste wat zij zochten), Diábolus, hun beheerscher wist het wel; want hij had zijne spionnen, die voortdurend rondzwierven en hem bericht brachten van alle dingen. Deze verhaalden hem wat aan het hof tegen hem besloten was, en dat Immanuel binnen kort zou komen om hem te overweldigen. Nu was er geen mensch aan het hof, noch groote in het rijk, dien Diábolus zoo vreesde als dezen prins; want, als gij u herinnert wat ik u gezegd heb, dan weet gij dat Diábolus het gewicht van zijne hand reeds gevoeld had, zoodat zijne komst hem het meest in angst joeg.

Daar nu, zooals ik u verhaald heb, alles was in orde gebracht en ’s konings zoon het hoofd der legermacht, maakte deze zich op den bestemden tijd tot zijn tocht gereed, nemende met zich een groote macht en vijf kapiteins.

[Afbeelding: KAPITEIN GEDULD EN ZIJN VAANDRIG LIJDZAAMHEID.]

De eerste was de beroemde kapitein Geloof. Hij voerde de roode kleur en de heer Belofte droeg die; tot wapen had hij het heilige lam op een gouden schild; en tienduizend manschappen volgden hem. [Joh. 1 : 29.] [Efez. 6 : 16.]

De tweede was de beroemde kapitein Hoop. Hij voerde de blauwe kleur; zijn vaandeldrager was de heer Verwachting, en tot een wapen bezat hij drie gouden ankers. Ook hem volgden tienduizend manschappen. [Hebr. 6 : 19.]

De derde was de moedige kapitein Liefde. Zijn vaandeldrager was de heer Ontferming; hij voerde de groene kleuren en had tot wapen eene vrouw, die drie naakte weezen omhelsde. Ook hem volgden er tienduizend. [1 Cor. 13.]

De vierde heette kapitein Onschuld, een dapper gezagvoerder. Zijn vaandeldrager was de heer Oprecht. De witte kleur was de zijne en drie gouden duiven zijn wapen. [Matth. 10 : 16.]

De vijfde was de flinke, trouwe en zeer beminde kapitein Geduld. Zijn vaandeldrager heette Lijdzaamheid. Hij voerde de zwarte kleur met drie pijlen door een gouden hart tot wapen.

Dit waren nu de kapiteins van Immanuel, hunne vaandrigs, hunne kleuren en hunne wapens, en de manschappen, die hunne voetstappen volgden. Zoo ging dan de dappere vorst naar Menschziel op weg. Kapitein Geloof voerde de voorhoede aan, en kapitein Geduld de achterhoede; de andere drie vormden den middentocht, de prins zelf reed op zijn wagen aan haar hoofd.

Hoe klonken de trompetten, hoe glinsterden de wapenrustingen, hoe wapperden de vaandels in den wind! Des prinsen wapenrusting was van goud en schitterde als de zon aan het firmament, de wapenrusting des kapiteins was van staal en had het voorkomen van blinkende sterren. Bovendien waren er enkelen van het hof, die vrijwillig dienst hadden genomen uit liefde tot den koning en belangstelling in de stad Menschziel.

Immanuel had toen hij zich opmaakte om de stad Menschziel te herwinnen, op het bevel van zijn vader vier en vijftig stormrammen medegenomen en twaalf slingers om daarmede steenen te werpen. Ieder daarvan was van zuiver goud, en deze namen zij mede in het hart van het leger, terwijl zij naar Menschziel trokken.

Zoo legerden zij zich tot binnen een mijl afstands van de stad, daar hielden zij halt om de vier eerste kapiteins af te wachten, die hun kennis van zaken moesten geven. Daarna marcheerden zij weer op, rondom Menschziel, maar toen de oude gedienden, welke daar reeds lagen, zagen welke nieuwe krachten aangekomen waren om zich met hen te vereenigen, hieven zij zulk een vreugdegeroep aan, dat de muren van Menschziel daverden en Diábolus hevig sidderde. Zoo zetten zij zich voor de stad neder, niet slechts gelijk de andere kapiteins gedaan hadden voor de poorten, maar zij omringden haar geheel, aan alle zijden, van voren en van achteren, zoodat nu Menschziel kon uitzien waar zij wilde, maar altijd zag zij een vijandige macht zich tegen haar stellende. Ook werden nog verschansingen tegen haar opgeworpen. De berg Genadig was aan de eene zijde; de berg Rechtvaardig aan de andere; verder maakten zij nog verscheidene lagere hoogten, die als kleinere batterijen moesten dienst doen; als Zuivere Waarheidsheuvel, en Zonder-Zonde, waarop vele slingers geplaatst en tegen de stad gericht werden. Op den berg Genade stonden er vier en op Gerechtigheid even zooveel, en de overigen waren op verschillende punten verdeeld. Vijf van de beste stormrammen, dat is van de zwaarste, waren op den berg Opmerken, eene batterij vlak bij de Oorpoort opgeworpen, teneinde die open te rammeien.

Toen nu de lieden der stad die menigte soldaten zagen, die tegen hen waren opgetrokken, en de stormrammen en slingers, mitsgaders batterijen, die waren opgeworpen, tegelijk met de glinsterende wapenrustingen en de wuivende vaandels, werden zij wel gedwongen te overleggen wat zij doen zouden. Die overleggingen konden nu echter bezwaarlijk van stoutmoedigen aard wezen, integendeel ze werden telkens meer vreesachtig; want ofschoon zij vroeger wel eens gemeend hadden dat zij genoegzaam verzekerd waren, zoo begonnen zij nu toch te twijfelen of het wel goed met hen zou afloopen.

Toen de goede prins Immanuel Menschziel aldus had belegerd, begon hij eerst de witte vlag uit te steken, die men gewoonlijk op de gouden slingers plaatste, welke op den berg Genade stonden. Dit deed hij om twee redenen: 1^{e} om aan Menschziel te verstaan te geven, dat hij haar wilde genadig zijn wanneer zij tot hem terugkeerde, en 2^{e} opdat zij des te minder te verontschuldigen zouden zijn wanneer hij hen moest vernielen omdat zij in hun oproer volhardden.

Zoo werd dan de witte vlag met de drie gouden duiven uitgehangen, en dat wel twee dagen achter elkaêr om hun tijd te geven zich te bedenken. Doch zij sloegen geen acht en gaven geen antwoord op dit gunstig zinnebeeld.

Toen gaf de prins opnieuw bevel en zij zetten de roode vlag op den berg genaamd Gerechtigheid. Het was de roode vlag van kapitein Oordeel, wiens wapen was de brandende oven; en deze stond toen ook verscheidene dagen achtereen in den wind te wapperen. Maar evenals zij dat met de witte vlag gedaan hadden, toen die uithing, zoo handelden zij nu ook met de roode; zij deden er hun voordeel niet mede.

Daarna beval hij dat zijne mannen de zwarte vlag der verwoesting tegen hen zouden uithangen, welks zinnebeeld was de drie brandende donderkogels. Menschziel bleef daarbij evenwel onaandoenlijk als tevoren. Maar toen de prins zag, dat noch genade, noch gerechtigheid, noch oordeel het hart van Menschziel konden bereiken, werd hij door diep medelijden bewogen en sprak: „Voorzeker, dit vreemdsoortige gedrag van de stad Menschziel moet veeleer voortspruiten uit onwetendheid aangaande de oorlogsmanieren, dan wel uit een geheime en stille verachting van ons en een veronachtzamen van hun eigen welzijn; of als zij de oorlogsmanieren kent dan toch niet die, welke ik gebruik met mijn vijand Diábolus.”

Daarom zond hij naar de stad Menschziel om haar te laten weten wat hij met deze teekens en vlaggen bedoelde, -- hij deed dit om te weten te komen of zij wilden kiezen, en wat zij kozen, ’t zij genade en barmhartigheid, of rechtvaardigheid en oordeel. Zij sloten intusschen hunne poorten met dubbele grendels toe, versterkten ze met bouten en maakten ze zoo stevig vast als zij slechts vermochten. Ook werden al weder hunne wachten verdubbeld en versterkt. Diábolus was daarbij druk in de weer om de stad tot tegenweer aan te moedigen.

[Afbeelding: DE OORPOORT WORDT GEBARRIKADEERD.]

Zoo gaven dan ook de lieden der stad een antwoord aan ’s prinsen afgezanten in hoofdzaak hierop neer komende:

„Groote Heerscher, wat aangaat hetgeen gij door uwen afgezant aan ons hebt laten voorstellen, namelijk of wij uwe barmhartigheid willen aannemen dan wel vallen door uwe gerechtigheid, zoo zijn wij door de wet gebonden u geen positief antwoord te geven; want het is tegen de wetten, ordonnantiën en koninklijke besluiten van onzen koning, dat wij vrede of oorlog maken zonder hem. Maar dit willen wij wel doen -- wij zullen onzen koning verzoeken op den muur te komen en u daar zulk een bescheid te doen als hij zal denken oorbaar en voor ons voordeelig te zijn.”

Toen de goede prins Immanuel dit antwoord hoorde en de slavernij en afhankelijkheid van het volk zag en hoe gaarne zij in de ketens van den tiran Diábolus bleven, smartte het hem aan zijn hart; en inderdaad als hij te eeniger tijd bemerkte, dat iemand zich tevreden gevoelde in de slavernij van den reus, zoo deed hem dit altijd leed.

Maar om tot ons onderwerp terug te keeren. Nadat de lieden der stad dit nieuws aan Diábolus hadden medegedeeld, bovendien, dat de prins zich daar gelegerd had en hem bij den muur verwachtte om een antwoord, weigerde hij te komen; hij pochte luid, maar in zijn hart was hij bevreesd.

Daarna echter zeide hij: „Ik zal toch zelf naar de poort gaan en geven hun zulk een antwoord als ik zal goedvinden.” Zoo ging hij dan naar de Mondpoort en richtte zich tot Immanuel, (maar in eene taal, die de stad niet verstond) op deze wijze:

„O, gij groote Immanuel, heer der geheele wereld, ik ken u, dat gij de zoon zijt van den grooten El-Schaddaï. Waarom zijt gij hier gekomen om mij te kwellen en mij uit mijne bezitting te verjagen? Deze stad Menschziel is de mijne, zooals gij zeer wel weet en dat wel met een dubbel recht. 1^{e} Is zij mijn uit recht van verovering. Ik won haar in het open veld, en zal men den machtige zijn roof ontnemen of den wettig gevangene bevrijden? 2^{e} Is zij mijn wegens hare onderwerping. Zij heeft de poorten harer stad vrijwillig voor mij geopend; zij heeft mij trouw gezworen en mij openlijk tot haren koning verkozen; zij heeft ook haar kasteel in mijne handen gesteld, ja, zij heeft al hare krachten mij vrijwillig onderworpen.

„Bovendien heeft deze stad u afgezworen, ja zij heeft uwe wetten verworpen, uwen naam en uw beeld en al wat het uwe is achter haren rug geworpen; zij heeft mijne wetten aangenomen en mijn naam, mijn beeld en al wat van mij is daarvoor in de plaats gesteld. Vraag dit maar aan uwe kapiteins en zij zullen u wel mededeelen, dat Menschziel in antwoord op hunne oproepingen, liefde en gehechtheid aan mij heeft getoond, maar verachting en wrevel voor u en het uwe. Nu zijt gij toch de Rechtvaardige en de Heilige, en gij kunt geene ongerechtigheid doen. Vertrek dan, bid ik u, laat van mij af en gun mij het bezit van mijne wettige erfenis.”

Deze redevoering werd gehouden in de taal van Diábolus zelf; want ofschoon hij tot iedereen in zijne eigen taal kan spreken (anders kon hij ook niet allen in verzoeking brengen zooals hij doet) toch heeft hij eene eigen taal, en dat is de spraak uit den helschen afgrond of de zwarte put.

Daarom verstond de stad Menschziel (arme stumpert!) hem niet, en kon zij ook niet zien hoe hij zich in allerlei bochten kronkelde, terwijl hij daar stond voor Immanuel den vorst.

Ja, zij hielden hem bij dit alles voor iemand van groote macht, dien men onmogelijk kon wederstaan. Zoodat, terwijl hij aldus stond te smeeken, dat hij toch zijne woning in Menschziel mocht houden en dat Immanuel hem niet met geweld mocht verjagen, de inwoners op zijne dapperheid pochten, zeggende: „Wie is in staat hem den oorlog aan te doen?”

Toen deze voorgewende koning nu een eind gemaakt had met hetgeen hij wilde zeggen, stond Immanuel, de gouden prins, op en sprak:

„Gij, groote bedrieger, ik heb in mijns Vaders naam en ook in mijn eigen naam, en in het belang van deze ellendige stad Menschziel iets tot u te zeggen. Gij geeft voor een recht, een wettig recht te hebben op deze arme stad, terwijl het zeer duidelijk is voor het gansche hof mijns Vaders, dat de toegang, die gij tot de poorten van Menschziel hebt verkregen, slechts door leugen en valschheid heeft kunnen plaats hebben. Gij beloogt mijn Vader, gij beloogt zijne wet en alzoo bedroogt gij het volk van Menschziel. Gij geeft voor, dat het volk u aangenomen heeft voor zijn koning, hoofdman en wettigen heer; maar dat gebeurde ook door gebruik te maken van bedrog en leugentaal. Welnu, indien leugen, eigenwilligheid, zondige kracht en alle vormen van afschuwelijke huichelarij, in mijns Vaders hof (waaruit gij moest verbannen worden) kunnen doorgaan voor billijkheid en recht, dan zal ik voor u bekennen, dat gij een wettige verovering hebt gedaan. Maar, helaas, welke roover, welke tiran, welke duivel is er niet, die op die manier geene veroveringen zou kunnen maken? Maar ik kan het u duidelijk voor oogen stellen, o Diábolus, dat gij in al uw voorgeven van eene verovering der stad niet een enkel woord waarheid hebt gesproken. Meent gij dit recht te zijn dat gij mijn Vader een leugen in den mond legdet en hem aan Menschziel voorsteldet als den grootsten bedrieger ter wereld? En hoe noemt gij uwe uitlegging, waar gij de rechte bedoeling der wet uitmuntend verstondt? Was het ook goed, dat gij alzoo een prooi maaktet van de onnoozelheid en eenvoudigheid van de thans zoo ellendige stad Menschziel? Gij haaldet Menschziel over door haar allerlei geluk te beloven in hare overtreding van mijns Vaders wet, die gij kendet, en kennen kondt, als gij alleen maar uwe eigen ondervinding hadt geraadpleegd, wel wetende, dat dit de weg was tot ondergang. Zoo hebt gij dan, o meester in de vijandschap, mijns Vaders beeld in Menschziel smadelijk verbroken en het uwe daarvoor in de plaats gesteld, tot groote verachting van mijn Vader en verergering van uw misdrijf, gelijk ook tot onnoemelijke schade van de verloren stad Menschziel.

[Afbeelding: DIÁBOLUS BEROEP OP IMMANUEL.]

„Gij hebt boven dit alles, alsof dit maar weinig ware, niet alleen deze plaats bedrogen en bedorven, maar door uwe leugens en bedriegelijk gedrag hebt gij haar nog van hare verlossing afkeerig gemaakt. Hoe hebt gij haar opgehitst, tegen mijns Vaders kapiteins, en gemaakt, dat zij strijdt tegen degenen, die haar uit uwe slavernij willen verlossen! Al deze dingen en nog veel meer hebt gij gedaan, tegen licht en beter weten aan en ten spijt van mijn Vader en zijne wet, en dat met het voornemen om de ellendige stad Menschziel voor eeuwig onder zijn ongenoegen te doen vervallen. Ik ben nu gekomen om den smaad, dien gij mijn Vader aangedaan hebt, te wreeken, en met u in het gericht te treden wegens de lasteringen, waarmede gij het arme Menschziel geleerd hebt zijnen naam te lasteren. Ja, op uw kop, gij vorst van den helschen afgrond, zal ik het verhalen.

„Wat mij zelf betreft, o Diábolus, ik ben tot u gekomen met een wettige macht, en met het doel om door eene machtige hand, deze stad Menschziel uit uwe brandende vingeren te verlossen. Deze stad Menschziel is de mijne, o Diábolus, en dat door een onbetwistbaar recht, zooals allen zullen inzien, die naarstig de oudste en autentieke bescheiden willen onderzoeken; en ik zal mijn recht daarop verdedigen tot beschaming van uw aangezicht.

„Eerstens is de stad Menschziel door mijn Vader gebouwd en door zijne hand gefatsoeneerd. Het paleis, dat in het midden der stad is, heeft hij gebouwd tot zijn eigen genoegen. Daarom is deze stad Menschziel van mijn Vader, en dat met alle recht, en hij, die dit tegenspreken wil, liegt tegen zijne eigen ziel.

„Ten tweede is, o gij opperste leugenaar, deze stad Menschziel de mijne, omdat ik mijns Vaders erfgenaam ben, zijn eerstgeborene en de lieveling van zijn hart. Ik ben daarom tegen u opgetrokken uit kracht van mijn eigen recht, ten einde mijne erfenis weder uit uwe hand te lossen. [Hebr. 1 : 2.] [Joh. 15 : 16.]

„Maar verder, al heb ik een recht op Menschziel als mijns Vaders erfgenaam, zoo ontving ik het evenzeer als een geschenk. Het was het zijne en hij gaf het mij; ook heb ik nooit mijn Vader bedroefd, zoodat hij het van mij zou genomen hebben en u gegeven hebben. Evenmin ben ik genoodzaakt geworden door geldelijke verlegenheid mijn geliefde stad Menschziel aan u te verkoopen. Menschziel is mijn lust en mijn leven, de vreugde van mijn hart. Maar Menschziel is ook mijn eigendom omdat ik het gekocht heb. O Diábolus, ik heb het mij gekocht. Merk nu eens op, eerst was het van mijn Vader en mij omdat ik erfgenaam ben, en daarna omdat ik het voor een duren prijs heb gekocht. Volgt dan daar niet uit, dat bij wettig recht de stad Menschziel mij toebehoort, en dat gij een overweldiger, een tiran, een verrader zijt als gij het in uw bezit houdt? Ik zal u ook zeggen wat de oorzaak was, dat ik het kocht. Menschziel had tegen mijn Vader overtreden, en mijn Vader had gezegd, dat ten dage als zij zondigde, zoo zou zij sterven. Nu is het eer mogelijk dat hemel en aarde voorbijgaat, dan dat het woord van mijn Vader gebroken wordt. Daarom toen Menschziel gezondigd had door naar uwe leugenen te luisteren, ben ik daar tusschen getreden en bij mijn Vader borg gebleven, lijf voor lijf, en ziel voor ziel, dat ik zou boeten voor Menschziels overtreding, en mijn Vader heeft daarin berust. Zoo heb ik dan toen de bestemde tijd gekomen was, lijf voor lijf en ziel voor ziel gegeven, leven voor leven en bloed voor bloed, en aldus heb ik mijn dierbaar Menschziel verlost. [Jes. 50 : 1.]

„Ook heb ik dit niet ten halve gedaan: mijns Vaders wet en recht zijn voldaan, de straf is voor de misdaad geboet, en op gansch wettige wijze is Menschziel verlost.

„Evenmin ben ik heden eigenwillig tot u gekomen, maar op mijns Vaders bevel; hij was het, die tot mij zeide: „ga heen en verlos Menschziel!”

„Daarom zij het u nu bekend, o bronwel van alle bedrog, en zij het ook bekend aan de dwaze stad Menschziel, dat ik thans niet tegen u ben opgetrokken zonder mijn Vader.

„En nu,” besloot de met goud gekroonde prins, „heb ik een woord tot de stad Menschziel.” Zoodra hij echter daarvan repte om tot de verdwaasde stad Menschziel te spreken, werden alle poorten weder dubbel gesloten en iedereen ontving bevel hem geen gehoor te geven. Daarom ging hij voort: „O, ongelukkige stad Menschziel, ik ben met medelijden over u vervuld. Gij hebt Diábolus tot uwen koning aangenomen, en zijt de voedstervrouw geworden van booze geesten, die tegen uw souvereinen Heer opstaan. Uwe poorten hebt gij voor hem geopend, maar voor mij hebt gij ze toegesloten; gij hebt hem gehoor gegeven, maar voor mijne roepstem uwe ooren gestopt. Hij bracht u in ellende en gij hebt beiden hem en al wat hij u bracht ontvangen. Ik kom u redding brengen, maar gij ziet mij niet aan. Bovendien hebt gij uwe heiligschennende handen uitgestoken naar al wat in u mij toebehoorde, en hebt uzelven met al wat het mijne was aan hem gegeven; aan hem, mijn vijand en den grootsten tegenstander van mijn Vader. Gij hebt u voor hem gebogen en u aan hem onderworpen, gij hebt beloofd en gezworen, dat gij de zijne zoudt zijn. Arm Menschziel, wat zal ik u doen? Zal ik op u aanvallen? Zal ik u vermorzelen of zal ik u redden? Wat zal ik u doen? U met den grond gelijk maken of u stellen tot een toonbeeld van vrije genade? Wat zal ik u doen? Hoor daarom, o hoor, gij stad Menschziel, hoor naar mijne woord, en gij zult leven. Ik ben genadig, Menschziel, en gij zult mij barmhartig bevinden; sluit mij niet buiten uwe poorten.” [Hoogl. 5 : 2.]

„O, Menschziel, het is mijn doel noch mijn roeping om u kwaad te doen. Waarom ontvlucht gij uwen vriend en hecht u zoo vast aan uwen vijand? Inderdaad, ik wensch dat gij, zooals het u past, bedroefd zijt over uwe zonden, maar wanhoop niet aan uw leven; deze groote legermacht is niet hier om u kwaad te doen, maar om u van de slavernij te verlossen en onder mijn gezag terug te brengen. [Joh. 12 : 47.] [Luk. 9 : 56.]

„Mijn doel is, inderdaad, alleen Diábolus, uwen koning, en al zijne duivelsche geesten den oorlog aan te doen; want hij is de sterke, die het huis bewaakt, en ik wil hem er uit hebben; zijn vaten moet ik hem ontrooven, zijn wapenrusting moet ik van hem nemen, ik moet hem uit zijn nest jagen en van zijne verblijfplaatsen eene woning voor mijzelven maken. En dat, o Menschziel, zal Diábolus ondervinden, wanneer hij in ketenen geklonken mijne voetstappen volgt als een gevangene, en Menschziel zal zich bij dit gezicht verblijden.