De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus
Part 10
Deze drie opeischingen, en voornamelijk de laatste twee, verschrikten de stad zoozeer, dat er dadelijk eene raadsvergadering belegd werd, waarvan de uitslag was, dat de heer Vastewil zich naar de Oorpoort zou begeven om daar bij trompetgeschal de kapiteins tot een mondgesprek uit te noodigen. Dit gebeurde; de heer Vastewil blies de trompet en de kapiteins kwamen in hunne harnassen met al hunne tienduizenden, die hunne voetstappen volgden. Toen vertelden de lieden der stad aan de kapiteins, dat zij hunne opeischingen hadden gehoord en dat zij met hen en hunnen koning El-Schaddaï wilden onderhandelen op de artikelen en voorwaarden, die zij op last van hun vorst thans wilden vaststellen, en die hierop moesten uitloopen, dat zij éen volk met hen worden zouden.
Die voorwaarden luidden:
1^{e}. Dat de tegenwoordige burgemeester Ongeloof met den heer Goedvergeter en den dapperen Vastewil onder koning El-Schaddaï de bestuurders der stad zouden blijven en in hunne tegenwoordige ambten bevestigd worden.
2^{e}. Dat niemand, die tegenwoordig onder den reus diende, door El-Schaddaï zou worden weggejaagd of uit huis en haard verdreven, noch eenigszins in de vrijheid gekrenkt, die hij tot dusverre onder Diábolus had genoten.
3^{e}. Dat aan al de burgers der stad zou worden vergund de privilegiën en rechten te behouden, die hun eertijds vergund waren en waaronder zij nu onder Diábolus zoo lang geleefd hadden, die hun eenige heer en beschermer al dien tijd geweest was.
4^{e}. Dat geen nieuwe wetten zouden worden ingesteld, noch gerechtsdienaren of andere beambten onder hen aangesteld, zonder hun eigen keus en goedvinden.
„Dit zijn nu onze vredesvoorwaarden, en alleen op die voorwaarden willen wij ons aan uwen koning onderwerpen.”
Maar toen de kapiteins deze geringe toegeefelijkheid en deze hooge en trotsche eischen hadden gehoord, waren zij volstrekt niet tevreden en hielden bij monde van kapitein Boanerges de volgende toespraak:
„O, gij inwoners van Menschziel, toen ik uwe trompet hoorde klinken om met ons een mondgesprek te houden, was ik inderdaad zeer blijde. Toen gij daarop zeidet, dat gij gewillig waart u aan onzen koning te onderwerpen was ik nog meer verheugd. Maar toen gij door uw zot geklap en onzinnige voorwaarden het struikelblok uwer ongerechtigheden opnieuw voor uw aangezicht legdet, veranderde mijne vreugde in droefenis en de hoop op uwe onderwerping in smart en vrees.
„Ik denk dat de oude Kwaderust, de geboren vijand van Menschziel, deze artikelen heeft opgesteld, die gij ons nu als vredesvoorwaarden voorhoudt; maar waarlijk zij mogen niet in de ooren klinken van eenigen mensch, die in dienst van koning El-Schaddaï staat of eenige betrekking op hem heeft. Daarom weigeren en verwerpen wij gezamenlijk, en dat wel met de hoogste verachting de ons voorgestelde artikelen als zijnde die de grootste der ongerechtigheden. [2 Tim. 2 : 19.]
„Maar o Menschziel, wanneer gij uzelve in onze handen wilt overgeven, of beter gezegd in de handen van onzen koning, en het aan hem wilt overlaten zulke bepalingen voor u te maken als goed zullen wezen in zijne oogen, (en ik durf u verzekeren, dat ze door u als de beste en voordeeligste bevonden zullen worden) dan willen wij u aannemen, en met u in vrede leven; maar als gij uzelve niet in de handen van El-Schaddaï onzen koning wilt toevertrouwen, dan blijft alles zooals het is en zullen wij weten wat wij te doen hebben.”
Toen riep de oude Ongeloof, de burgemeester der stad, luide van den muur, en zeide: „Wie zou er zoo dwaas zijn, die, zooals wij nu, uit de handen van zijne vijanden verlost is, om dan het heft uit eigen hand te geven en zich in den blinde aan een onbekende te onderwerpen? Ik voor mij zal nooit in zulk een onbepaald voorstel toestemmen. Kennen wij het karakter en de handelwijze van dien koning? Door sommigen wordt gezegd, dat hij boos tegen zijne onderdanen is, wanneer zij maar een haarbreed van den weg afwijken, dien hij hun voorschrijft; en anderen beweren, dat hij veel meer van hen eischt dan zij volbrengen kunnen. Daarom komt het mij voor, o Menschziel, dat gij goed moet overleggen wat u in dezen te doen staat, want als gij u aan een anderen hebt overgegeven zijt gij uw eigen heer en meester niet meer. Uzelven over te geven aan een bepaald gezag is de grootste dwaasheid der wereld, want gij zoudt er u stellig over berouwen, maar nooit recht hebben u er over te beklagen. Weet gij nu wel, wanneer gij de zijne zijt geworden, wie van u hij zal dooden en wie hij in het leven zal behouden, en of hij wellicht niet ons allen om het leven zal brengen en uit zijn land een nieuw volk zenden om deze stad te bewonen?”
[Afbeelding: OUDE ONGELOOF AANGEVALLEN DOOR VERSTAND.]
Deze toespraak van den burgemeester ontstelde hen allen en wierp al hun grond der hope op een accoord omver. Daarom keerden de kapiteins terug naar hunne tenten en de burgemeester naar het kasteel van zijn Koning.
Diábolus wachtte daar reeds zijne terugkomst af, want hij had gehoord, dat er eene ontmoeting had plaatsgevonden. Zoodra hij de kamer binnenkwam groette Diábolus hem met een: „Welkom, edele heer! Wat heeft er heden plaatsgevonden?” Daarop vertelde de heer Ongeloof hem met gedempte stem de geheele zaak, zeggende: „Zóo en zóo spraken de kapiteins, en zóo en zóo heb ik gesproken.” Diábolus was zeer blijde dit te hooren en zeide: „Mijn waarde burgemeester, mijn getrouwe heer Ongeloof; ik heb altijd op uwe trouw gerekend en die nog nooit valsch bevonden. Ik beloof u, dat als wij dezen berg overkomen, een veel heerlijker betrekking dan die van Menschziels burgemeester u zal ten deel vallen. Ik zal u mijn algemeenen afgezant maken, ambassadeur aan alle hoven, ja wat meer zegt, gij zult de eerste na mij zijn en alle natiën regeeren. Gij zult hun banden aanleggen naar uwen lust, en niemand mijner vasallen zal meer vrijheid genieten dan die in uwe ketenen wil wandelen.”
Nu trad de burgemeester uit het paleis van Diábolus alsof hij een groote gunst ontvangen had, waarom hij met groote deftigheid daarheen ging en zichzelven reeds vleide met de schitterende verwachtingen, die hij nu koesterde.
Doch terwijl de burgemeester en Diábolus het aldus best samen eens waren, bracht dit afwijzen der dappere kapiteins Menschziel tot muiterij. Want terwijl de oude Ongeloof het kasteel binnenging om met zijn meester te raadplegen, kwamen de oud-burgemeester, die vóor Diábolus in Menschziel kwam aan het hoofd stond, namelijk de heer Verstand, en de oude griffier Geweten in de stad om kennis te nemen van hetgeen aan de Oorpoort had plaats gegrepen. Gij moet weten, dat zij niet hadden mogen tegenwoordig zijn bij de beraadslagingen, die gehouden waren, anders zouden zij voorzeker ten gunste der kapiteins gesproken hebben; maar nu kwamen zij om te vernemen wat er gebeurd was. Daarna verzamelden zich enkelen uit de stad rondom hen en die brachten hun aan het verstand hoe verstandig en zedelijk de eisch der kapiteins was en welke slechte gevolgen voortspruiten zouden uit de verwaande woorden van den ouden Ongeloof, den burgemeester, die zoo weinig eerbied had getoond voor de kapiteins en hun koning, en hoe hij hen allen onnoozel weg van ontrouw en verraad beschuldigde. „Want wat minder dan dat”, zeiden zij, „kon uit zijne woorden worden afgeleid toen hij beweerde hun eisch niet te kunnen vervullen, en voegde daar nog bij dat de koning ons wilde vernielen waar hij ons tevoren betuigd had op zijn woord van eer, dat hij ons wilde genadig zijn?” De menigte werd daardoor overtuigd van het kwaad, dat de oude Ongeloof had aangericht, en begon saam te scholen op alle pleinen en op de hoeken van alle straten van Menschziel. Eerst begonnen zij te morren, daarna er openlijk over te spreken en daarna liepen zij uit alle macht rond al schreeuwende: „O, die dappere kapiteins van El-Schaddaï! Waren wij maar onder hun bestuur en onder dat van hunnen koning El-Schaddaï!” Toen de burgemeester er nu erg in kreeg dat Menschziel in opstand was, kwam hij neder om het volk te stillen, en vermeende hen met zijne fiere houding en zijn forsch voorkomen op eenmaal te bedaren; maar toen zij hem zagen, vielen zij op hem aan en zouden hem stellig een ongeluk hebben toegebracht, had hij zich niet in zijne woning teruggetrokken. Desniettemin belegerden zij met alle macht het huis waar hij was, om het boven zijn hoofd te laten instorten; maar het was een te sterk kasteel en daarom gelukte hun dit niet. Zoo greep hij dan weder moed, opende een venster en sprak van daar het volk op de volgende wijze aan:
„Mijne heeren, wat is toch de reden, dat hier zulk een oproer is uitgebarsten?”
Toen antwoordde de heer Verstand: „De reden is, dat gij en uw meester niet recht hebt gehandeld, en niet naar behooren tot de kapiteins van El-Schaddaï hebt gesproken. In drie dingen hebt gij verkeerd gedaan. Het eerste is, dat gij den heer Geweten en mijzelven niet hebt opgeroepen om naar uw gesprek te hooren. Het tweede, dat gij zulke vredesvoorwaarden aan de kapiteins hebt voorgesteld, die zij onmogelijk konden aannemen of hun El-Schaddaï moest maar vorst in naam wezen, en Menschziel zou de macht behouden om in alle wetteloosheid en ijdelheid te leven, en dus zou daar uit volgen, dat Diábolus hier toch koning bleef; Diábolus koning in werkelijkheid en de andere alleen koning in naam. En het derde is, dat gij nadat de kapiteins ons getoond hadden op welke voorwaarden zij ons wilden aannemen, gij met uwe zoutelooze, goddelooze en ongepaste redeneering alles weer hebt omvergeworpen.”
[Afbeelding: VERSTAND EN GEWETEN GEVANGEN GENOMEN.]
Toen de oude Ongeloof deze toespraak gehoord had riep hij: „Verraad! Verraad! Te wapen! Te wapen! o gij alle getrouwe vrienden van Diábolus binnen Menschziel!”
Verstand sprak toen: „Mijnheer, gij kunt aan mijne woorden de beteekenis hechten, die u behaagt, maar ik ben zeker dat de kapiteins van zulk een voornaam heer eene betere behandeling van u verdiend hadden.”
Daarop antwoordde de oude Ongeloof: „Dit is maar weinig beter. Maar heerschap, wat ik sprak, dat sprak ik voor mijn vorst, voor zijne regeering en tot rust van het volk, dat gij door uwe onwettige handelingen dezen dag tegen ons hebt opgezet.”
Toen antwoordde de oude Griffier, wiens naam Geweten was, en zeide: „Heerschap, gij mocht wel niet zooveel afdingen op hetgeen de heer Verstand gesproken heeft, want het is zeer duidelijk, dat hij de waarheid heeft gesproken en dat gij een vijand van Menschziel zijt. Wees dan overtuigd van de boosheid en verkeerdheid uwer stoute en vermetele taal, en van de droefheid, die gij den kapiteins hebt aangedaan, en niet het minst van de schade, die gij daardoor aan Menschziel hebt berokkend. Hadt gij de voorwaarden aangenomen, het geklank der trompetten en het krijgsrumoer zou reeds van rondom deze stad zijn verdwenen; maar dat droevige geluid klinkt voort en uw gebrek aan wijsheid is daarvan de oorzaak.”
Toen zeide oude Ongeloof: „Mijnheer, zoo ik het beleef, zal ik uwe boodschap aan Diábolus overbrengen, en daar zult gij een antwoord op uwe woorden ontvangen. Intusschen zullen wij het goede voor de stad zoeken en u niet om raad vragen.”
Verstand sprak daarop: „Heerschap, uw vorst en gij zijt beiden vreemdelingen in Menschziel en geene ingeborenen aldaar: en wat kan er nu anders gebeuren dan dat gijlieden, als gij ons in nog grooter ellende hebt gebracht, en gij geen anderen uitweg ziet om uzelven te redden, ons in de steek laat, onze stad in brand steekt en temidden van den rook u wegpakt? Wij blijven in de ellende achter.”
Ongeloof antwoordde: „Mijnheer, gij vergeet dat gij onder een gouverneur leeft en dat gij u als een onderdaan hebt te gedragen; weet dat als mijnheer de koning hooren zal wat heden door u geschied is, hij u daar kleinen dank voor weten zal.”
Terwijl nu deze edellieden op zulk eene wijze met elkander in twist waren, kwamen van de wallen en poorten der stad de heeren Vastewil, Vooroordeel, Kwaderust en verscheidene anderen van den nieuwbakken adel en eereburgerij, en zij vraagden naar de reden van dezen oploop. Daarop begon een ieder op eigen gelegenheid te vertellen wat er gaande was, zoodat zij niets duidelijk konden verstaan of begrijpen. Toen werd er stilte geboden en de vos Ongeloof begon te spreken. „Mijnheer”, zeide hij, „hier staan een paar bedorven edellieden, die als gevolg van hun slecht begrip of vrees, ook op raad van een zekeren heer Misnoegen, deze gansche bende oproerig tegen mij in het harnas gejaagd, en aldus getracht hebben onze stad aan het muiten te doen slaan tegen onzen vorst.”
Toen stonden al de Diábolus-mannen daar tegenwoordig op, en bevestigden, dat deze dingen aldus waren.
Toen nu zij, die het met de heeren Verstand en Geweten hielden, bemerkten, dat het hun slecht bekomen kon omdat kracht en macht aan de andere zijde waren, kwamen zij toeloopen om hen te helpen, zoodat er aan beide zijden een groote menigte stond. Nu hadden zij, die aan Ongeloofs kant stonden, wel gewild, dat die twee oude edellieden maar dadelijk naar de gevangenis werden gebracht; maar die aan den anderen kant stonden, wilden dit niet toelaten. Daarna begonnen de twee partijen weder tegen elkander aan te gaan. De Diábolusvrienden riepen om den ouden Ongeloof, Goedvergeter, de nieuwe edellieden en hunnen grooten Diábolus. De andere partij riep om El-Schaddaï, de kapiteins, hunne wetten, hunne barmhartigheid en prezen hunne voorwaarden en manieren. Deze twist duurde eenigen tijd voort en toen kwamen zij van woorden tot daden, zoodat er van beide zijden slagen vielen. De goede oude edelman Geweten werd tweemaal door een Diábolus-man ter neder geworpen; de persoon, die dit deed, heette Verdooving. Ook de heer Verstand was bijna afgemaakt en dat wel met een handboog, maar de persoon, die er meê schoot, kon niet te best mikken. Toch kwamen die van de andere zijde er ook niet allen heelhuids af. Daar was een zekere Overijling, een Diábolus-man, dien de hersens ingeslagen werden door den heer Gemoed, een dienaar van den heer Vastewil. Ook deed het mij lachen toen ik zag hoe den ouden Meester Vooroordeel een beentje werd gelicht en hij in den modder tuimelde, want nog niet lang geleden was hij tot kapitein aangesteld van eene compagnie Diábolus-mannen tot nadeel van de stad. Nu was hij onder de voet geraakt, en ik kan u verzekeren, dat eenigen van de Verstandspartij hem den schedel intrapten. Zoo ook de heer Iets. Deze was temidden van de troebelen een groot man geworden; maar toch waren beide zijden tegen hem omdat hij aan niemand getrouw was. Ze hadden hem om zijne trotschheid een been gebroken, en het speet hun dat het zijn nek niet was geweest. Nog veel meer ongelukken hadden aan beide zijden plaatsgevonden; maar het was een wonder te zien hoe onverschillig Vastewil dit alles aanzag: hij scheen geen meerdere notitie te nemen van het een dan van het ander; alleen heeft men opgemerkt, dat hij glimlachte toen de oude Vooroordeel in den modder viel. Zoo ook toen kapitein Iets (Neutraal) daar aan kwam strompelen, gaf hij er weinig acht op.
Toen nu het oproer gestild was, zond Diábolus om de heeren Verstand en Geweten, en sloot hen beiden in de gevangenis als de aanstokers van deze muiterij in Menschziel. Daardoor begon de stad nu weer rustig te worden en de gevangenen werden zeer hard behandeld. Zelfs had Diábolus hen gaarne van kant geholpen; maar de tegenwoordige tijd paste niet voor een rechtsgeding, waar de oorlog aan alle poorten woedde.
Maar laat ons naar onze geschiedenis wederkeeren. De kapiteins, toen zij van de poort waren teruggekeerd, en in het kamp teruggekomen, riepen een krijgsraad op om te beraadslagen wat verder gebeuren zou. Sommigen zeiden: „Laat ons nu heengaan en op de stad aanvallen!” Maar het meerendeel vond toch geraden hen nog eerst eene nieuwe opeisching te doen toekomen, en de reden daarvoor was, dat naar uit alles scheen te blijken, de stad meer tot overgave geneigd scheen dan vroeger. „En als”, zeiden zij, „sommigen in een weg van toenadering verkeeren, zouden wij door ruwheid en hardheid hen afstooten; wij moeten hun door onze oproeping opnieuw toonen, dat wij gewillig zijn hen aan te nemen.”
Nadat nu diensvolgens besloten was, werd weder een trompetter geroepen en de woorden in zijn mond gelegd, terwijl hem geboden werd zich te haasten en voorspoed toegewenscht. Het duurde dan ook maar kort of de trompetter trok af. Bij den muur gekomen zijnde liep hij regelrecht op de Oorpoort aan en blies daar uit alle macht zooals hem geboden was. Die van binnen kwamen nu dan ook uit om te zien wat er gaande was en de trompetter hield de volgende toespraak:
„O, gij beklagenswaardige stad Menschziel, met uw verharde hart! hoe lang zult gij nog volharden in uwe zondige slechtigheden, en uw vermaak vinden in uwe schande? Tot dusverre versmaadt gij alle aanbiedingen van vrede en verlossing. Hoe kunt gij de heerlijke aanbiedingen van El-Schaddaï in den wind slaan en de leugens en valschheden van Diábolus vertrouwen? Meent gij, dat als El-Schaddaï u zal hebben overwonnen de herinnering aan dit uw verkeerd gedrag u eenigen vrede of troost zal brengen? Of dat gij Hem met uwe snorkende woorden verward zult maken als een sprinkhaan? Spaart hij u ook uit vrees voor u? Denkt gij sterker te wezen dan hij? Ziet eens op naar den hemel en aanschouwt de sterren hoe hoog ze zijn? Kunt gij de zon tegenhouden in haren loop? Kunt gij de maan beletten licht te geven? Kunt gij het heir der starren tellen of de flesschen des hemels ontsluiten? Kunt gij de wateren der zee oproepen en laten die over de aarde stroomen? Kunt gij alle hoogmoedigen vernederen en hen met het aangezicht in het stof doen liggen? Dit zijn nu nog maar enkele van ’s konings werken, in wiens naam wij heden tot u komen, opdat gij u onder zijn gezag zoudt schikken. Daarom roep ik u nogmaals op in zijnen naam, dat gij uzelven aan zijne kapiteins zoudt overgeven.”
Bij deze oproepingen schenen de bewoners van Menschziel stil te staan, niet wetende wat daarop te antwoorden. Om die reden kwam Diábolus schielijk voor den dag en wilde zelf een antwoord geven; hij begon dan ook, maar richtte zijne toespraak tot de lieden van Menschziel.
„Mijne heeren en getrouwe onderdanen,” aldus ving hij aan, „als het waar is wat deze opeischer gezegd heeft aangaande de grootheid van hunnen koning, zoo zult gij door zijne schrik voortdurend in slavernij worden gehouden en als een slak versmelten. Hoe kunt gij, zelfs waar hij op een afstand is, de gedachte aan zulk een machtig vorst verdragen? En waar gij hem u zelfs op een afstand niet voorstellen kunt, hoe zult gij dan zijne tegenwoordigheid verdragen? Ik, uw vorst, ga gemeenzaam met u om en gij moogt met mij spelen als met een graskriek of huismusch. Bedenk daarom wel wat uw voordeel wezen zal en welke voorrechten ik u altijd heb bewezen.
„En als nu verder alles eens waar is wat deze man heeft gezegd, vanwaar komt het dan dat de onderdanen van El-Schaddaï overal zoo in slavernij zuchten? Niemand in het Heelal is zoo ongelukkig als zij, niemand zoo vertrapt en vernederd.
„O, mijn arm Menschziel! waart gij toch zoo traag om mij te verlaten als ik traag ben om u aan uw lot over te geven. Maar nu zeg ik u: de ure der beslissing is gekomen; de kogel moet door de kerk, vrijheid zult gij bezitten als gij haar weet te gebruiken, ja een koning bezit gij altijd als gij hem maar weet lief te hebben en te gehoorzamen.”
Na deze toespraak verhardde de stad Menschziel wederom haar hart tegen de kapiteins van El-Schaddaï. De gedachte aan zijne grootheid deed de inwoners sidderen, en de gedachte aan zijne heiligheid deed hen in wanhoop wegzinken. Daarom na een korte beraadslaging met de partij van Diábolus, zonden zij den trompetter met dit woord terug, dat zij van hunne zijde besloten waren hunnen koning aan te kleven en zich nimmer aan El-Schaddaï over te geven; en dat het daarom ook nutteloos was hun nog verdere opeischingen te zenden, aangezien zij liever wilden sterven dan zich over te geven. En nu schenen de zaken dan al zeer slecht te gaan, hoe langer hoe meer achteruit, namelijk, zoo dat Menschziel weldra buiten het bereik van iedere roepstem wezen zou. Maar de kapiteins, die wisten wat hun koning vermocht, verloren daarom nog den moed niet. Zij zonden nog een nieuwe oproeping, veel scherper en gestrenger dan de voorgaande. Maar hoe meer zij zonden des te afkeeriger werd de stad. „Gelijk zij hen riepen, alzoo gingen zij van hun aangezicht weg -- zij riepen wel van den Allerhoogste, maar niet een verhoogde Hem. [Hos. 11 : 2, 7.]
HOOFDSTUK IV.
IMMANUELS LEGER. DE AANVAL.
Zoo hielden zij dan op langs dezen weg met de stad te handelen en sloegen een anderen in. Tot dit doel vergaderden zich de kapiteins tot eene gedachtenwisseling over hetgeen nu te doen ware, ten einde de stad uit de heerschappij van Diábolus te verlossen. Toen stond de edele kapitein Overtuiging op, en sprak:
„Broeders, ziet hier mijne meening.
„Eerstens moeten wij onophoudelijk onze slingersteenen in de stad werpen, en haar dag en nacht aldus belegerend, voortdurend de onrust aldaar gaande houden. Daardoor zullen wij ook haar onstuimigen geest in bedwang houden; want zelfs een leeuw kan men temmen door hem voortdurend lastig te vallen.
„Ten tweede geef ik den raad, dat wij een verzoekschrift opstellen aan onzen Koning en heer El-Schaddaï, waarin wij hem den toestand van Menschziel mededeelen en zijne vergiffenis vragen, dat wij niet beter geslaagd zijn, en ernstig de hulp van Zijne Majesteit inroepen om ons meer krachten te zenden en een welbespraakten aanvoerder daarbij, opdat het voordeel, dat wij reeds behaald hebben, niet weder verloren ga, maar door een algeheele verovering van Menschziel gevolgd worde.”
In deze denkbeelden van den edelen kapitein Overtuiging stemden allen als een eenig man mede, en een verzoekschrift werd onmiddellijk opgesteld, en door een vertrouwd man aan den koning gezonden. De inhoud was daarvan als volgt:
„Allergenadigste en overheerlijke Koning, heer der hoogere wereld en bouwmeester der stad Menschziel! Wij hebben, geduchte souverein, op uw bevel ons leven in de waagschaal gesteld, en een oorlog begonnen tegen de vermaarde stad Menschziel. Toen wij tegen haar optrokken, deden wij volgens onzen lastbrief eerst vredesvoorwaarden hooren. Maar, groote Koning, zij namen onzen raad lichtvaardig op en wilden naar onze bestraffing niet luisteren. Zij hebben hunne poorten toegesloten en ons buiten hunne stad gehouden. Ook haalden zij hunne kanonnen voor den dag en schoten op ons en deden ons zooveel nadeel als hun mogelijk was. Maar wij hebben de stad met alarm op alarm verontrust, haar telkens gepast geantwoord en daardoor ook wel eenig voordeel op haar behaald. [Matth. 22 : 5.] [Spreuk. 1 : 25.] [Zach. 7 : 11-13.]
[Afbeelding: HET VERZOEKSCHRIFT AAN EL-SCHADDAÏ GERICHT.]
„Diábolus, Ongeloof en Vastewil zijn onze groote tegenstanders; nu hebben wij onze winterkwartieren betrokken, maar toch zóo, dat wij voortdurend met een vaste hand de stad benauwen.
„Hadden wij maar een enkelen flinken vriend in de stad, dan zou zulk een ons geholpen hebben en aan onze oproeping eenige kracht bijgezet om hen over te halen zich over te geven; maar daarbinnen waren niet anders dan vijanden, niet éen, die ten gunste van onzen koning sprak. Daarom, ofschoon wij gedaan hebben wat wij vermochten, volhardt Menschziel in haren opstand tegen u.
„Nu, Koning der koningen, moge het u behagen dit niet welgelukken van uwer dienaren pogen te vergeven. Zend gij, Heere, naar onze begeerte, meer krachten naar Menschziel, opdat zij worde onderworpen, en een man aan het hoofd daarvan, die de stad beide beminnen en vreezen mocht.