De Heele Wereld Rond Een Leesboek Ter Bevordering Van Natuur La

Chapter 4

Chapter 43,819 wordsPublic domain

De op velerlei wijze gebruikte olie wordt licht ranzig en neemt een voor den Europeeër walgenden reuk aan; maar in den jongsten tijd heeft men toch geleerd, haar beter te behandelen en voor kunst en nijverheid dienstbaar te maken. De uitgeperste kern geeft dan nog het beste veevoeder en mest den akker. De harde kokosschil is bij de ruwere stammen de gewone drinknap. De zeer taaie, bruinachtig roode vezels der buitenste schil wordt tot de fijnste en kostbaarste tapijten en weefsels verwerkt; maar hoofdzakelijk dient deze harde, veerkrachtige vezel tot het maken van koorden en touwen, die vooral voor de ankers in de stormachtige Indische zeeën van onschatbare waarde en in vele opzichten boven die van hennep te verkiezen zijn. Uit den nog niet geheel ontwikkelden bloesem wordt door insnijding het sap getapt, dat men palmwijn (toddy) noemt. Versch gebruikt, is het frisch en verkoelend; na korten tijd gist het en wordt bedwelmend; later wordt het zuur en geeft den besten wijnazijn, gedistilleerd den besten Indischen arak en ingekookt suiker (dzjaggeri). Om zoo vele en groote zegeningen staat de boom overal bij de Indische volken in het hoogste aanzien: bij de geboorte van een kind op Ceilon wordt een kokos geplant, en de ringen, die zich bij het groeien rondom den stam vormen, dienen tot aanduiding van den terugkeerenden geboortedag en zijn zoo eene soort van tijdwijzer voor de inboorlingen. De vrome Hindoe verkeert in het geloof, dat op zijn roepen de kokosnoot van zelf voor zijne voeten neervallen moet, en eene vergulde kokosnoot wordt, volgens overoud gebruik, telken jare in de haven van Bombay, als de gunstige wind (moeson) invalt, aan de zee ten offer gebracht, en dan eerst worden de schepen ná den stormtijd weder zeilree gemaakt.

Zoo is deze boom in de plantenwereld voor de kusten en talrijke eilanden der groote Indische wereldzee een even sprekend getuige van de goddelijke macht en goedertierenheid, als in de dierenwereld de kameel dat voor Afrika's en Azië's woestijnen is, en kan 't ons niet meer bevreemden, als de reizigers ons verzekeren, dat kokospalmen alle hutten van Indië en de Zuidzee-eilanden overschaduwen, en dat meer bewoners dier streken van de palmvrucht dan van graan leven.

18. Het brood der Zuidzee-eilanders.

De broodboom is eene der uitstekendste voedingsplanten voor de volken der heete luchtstreek, vooral van de in de nabijheid van den evenaar liggende eilanden van den Grooten Oceaan, waar zijn eigenlijk vaderland is. Onder zijne lommerrijke takken slaan de inwoners nog tegenwoordig bij voorkeur hunne luchtige hutten op. De geheele vorm van den broodboom is fraai en geen onzer woudboomen kan zich daarin met hem meten. Hij wordt wel niet hooger dan veertig voet; maar zijne wijde en dichte kroon is met het fraaiste groene loof versierd. De afzonderlijke bladeren zijn bij de anderhalf voet lang en tien tot elf cM. breed. Het kostelijkst sieraad en geschenk van den broodboom is echter zijne groote, melige, ronde schijnvrucht, die, geschild en vervolgens geroosterd of gebakken, bijna als tarwebrood smaakt. Rauw is zij onsmakelijk en wordt zij alleen in geval van hoogen nood gegeten. De gewone wijze, waarop de broodvrucht eetbaar gemaakt wordt, beschrijft de reiziger Forster in de volgende woorden: Men legt de vruchten, voordat zij tot volle rijpheid zijn gekomen, na verwijdering van hare schil in een met steenen bevloerden kuil en bedekt ze met bladeren en aarde, tot zij tot eene zure gisting zijn overgegaan. Van dezen voorraad neemt men dagelijks zoo veel, als men noodig heeft, maakt er klompen van, zoo dik als eene vuist, wikkelt die in bladeren en bakt ze tusschen verhitte steenen. Deze broodklompen blijven weken lang goed en zijn, ook op reis, een kostelijk voedsel. Ook gedurende de drie of vier maanden, dat de boom niet draagt, leeft de Zuidzee-eilander van dezen voorraad. En daarbij levert deze voedingsplant zoo rijkelijk vrucht, dat drie boomen toereikend zijn, om een' mensch acht maanden lang behoorlijk te voeden. De groote reiziger Cook weet dezen boom dan ook niet genoeg te roemen. Heeft daar iemand in zijn leven maar tien broodboomen geplant, zegt hij, dan heeft hij voor zichzelf, de zijnen en voor een volgend geslacht even veel gedaan, als een bewoner onzer ruwe luchtstreek, die zijn leven lang in het koude wintertij geploegd, in den heeten zomer geoogst en niet alleen zijne tegenwoordige huishouding van brood voorzien, maar ook nog een kleinen spaarpenning voor zijne kinderen op zij gelegd heeft.

19. Een heete wind in Australië.

Het is vroeg in den morgen; men kijkt het venster uit en ziet boven 't ver liggend woud een witten nevel opstijgen. De schapen dringen zich onder de boomen op elkaar; de koeien staan tot de knieën in het troebele water, dat van de rotsen neersijpelt. Wie deze voorteekens al eens meer gezien heeft, weet, wat ze te beduiden hebben; hij weet, dat vóor het invallen van den lentetijd een heete wind in aantocht is. Deze komt; hij strijkt over de witte aarde heen, die barst en klinkt, alsof een glazen kogel er door krachtige hand over heen gerold werd. De lucht is heet en verzengend, als die van een vurigen oven; aan de boomen en wijnstokken verdorren de vruchten en vallen af. Een gelijk lot hebben de vogels, die, als door eene beroerte getroffen, uit de takken naar beneden tuimelen. Op den weg liggen de honden dood; de verdroogde tong hangt hun ver uit den bek.

De thermometer klimt hooger en hooger, tot hij op 147 graden Fahrenheit staat. Men stopt elke reet, elk sleutelgat toe, om den gloeienden sirocco buiten te houden; men neemt een boek en wil lezen, maar na weinig minuten al dansen sterretjes voor de oogen en slaan de polsen als smidshamers. Men laat zijn boek vallen en ziet, of men slapen kan; doch deze slaap brengt geene verkwikking aan, daar hij vergezeld gaat van droomen, die al de verschrikkingen van de pijnbank doen voelen. Er is maar éen middel, om zich eenige verlichting te verschaffen: men steke eene pijp aan, menge een glas wijn met ijswater, en rooke en drinke, tot verandering komt.

Die vurig gewenschte verandering komt altijd met den avond. Eene dichte stofwolk, die zich als een muur over het land voortbeweegt, is haar voorbode. In eene enkele minuut daalt de temperatuur om de 50 tot 60 graden, en deze plotselinge afkoeling tast het menschelijk gestel zoo hevig aan, dat heete rumgrog de plaats van ijswater met wijn moet vervangen, dat men zich in dekens en mantels pakt en zich haast, een goed haardvuur aan te leggen. Kijkt men nu weer den kant uit, van waar men dien morgen den witten nevel zag opstijgen, dan biedt zich daar een schrikwekkend, verheven schouwspel het oog aan. Mijlen ver staan de bosschen in vlammen. De vuurstaart verliest zich verder en verder naar het binnenland, tot hij langs de heuvelvlakten al flauwer en dunner wordt en eindelijk geheel verdwijnt.

In de nabijheid echter is dat schouwspel ontzettend grootsch.

20. De Kaaba te Mekka.

In een smal, door kale bergen ingesloten dal ligt Mekka, de heilige stad, de geboortestad van den Profeet, de algemeene bedevaartplaats van alle Moslemin, welke ieder geloovige althans eenmaal in zijn leven bezocht moet hebben, zal hij het hoofd rustig tot sterven neerleggen. In de zuidelijke helft der stad, waar het dal het breedst is, verheft zich de groote moskee van Mekka met de wereldberoemde kaaba, die aan den tempel eerst zijn hoog gewicht bijzet. Van de buiten omloopende zuilengangen der moskee leiden zeven bevloerde wegen naar de in 't midden van het geheel staande kaaba--naar het heilig huis. Dit is een klein massief gebouw van achttien passen lengte, veertien breedte en bij de veertig voet hoogte. De Mohammedanen gelooven, dat Abraham de eerste bouwer der kaaba geweest is, en dat zijn zoon Ismaïl hem daarbij de steenen heeft toegereikt, die door een wonder der goddelijke almacht dadelijk vierkant gehouwen uit het aardrijk te voorschijn kwamen. Daar het dak der kaaba geheel plat is, vertoont zij zich van verre als een teerling (cubus). In den noordoostelijken hoek van het gebouw ligt, vier of vijf voet boven den grond, de beroemde zwarte steen. De Mohammedanen beweren, dat deze steen uit den hemel neergedaald en aan Abraham als een bijzonder teeken van goddelijke genade door den engel Gabriël geschonken is. Zij zeggen, dat hij, oorspronkelijk zuiver en doorschijnend, door de aanraking eener booze vrouw zwart en ondoorzichtig is geworden. Door de millioenen van kussen en aanrakingen, die hij te lijden had, is hij geheel afgesleten.

Alle vier buitenzijden van de kaaba zijn met eene zwartzijden stof bekleed. Daar zijn verschillende gebeden in geweven, die men echter, omdat zij van dezelfde kleur als de stof zelve zijn, slechts met moeite kan lezen. Een weinig boven het midden loopt rondom het gansche gebouw een ander opschrift uit gouddraad. Voor den zwarten steen zijn openingen gelaten, zoodat hij bij den omgang gemakkelijk kan worden aangeraakt. Daar de bekleeding nergens vast aansluit, wordt zij door het minste koeltje in eene golvende beweging gebracht. De vrome pelgrims houden dit voor een teeken van de tegenwoordigheid der de kaaba bewakende zeventigduizend engelen, wier vleugels, zeggen zij, deze trillingen voortbrengen. Wanneer de bazuin des laatsten oordeels klinkt, zullen zij de kaaba in het paradijs dragen.

Onder de verdere kleinere gebouwen, die de kaaba binnen het groote vierkant omgeven, verdient nog dat opmerking, waarin zich de beroemde heilige bron Zemzem bevindt. Deze voorziet de geheele stad van water, en er is nauwelijks eene familie, die er niet dagelijks eene kruik vol van haalt. 't Wordt echter alleen tot drinken en tot godsdienstige afwasschingen gebruikt: er zich tot koken van te bedienen zou voor goddeloos gelden. Het wordt ook als een onfeilbaar middel tegen alle krankheden beschouwd, en de vrome Mohammedanen gelooven, dat zij door er veel van te drinken hun gebed Gode dubbel behagelijk zullen maken. Naar men weten zal, zijn de Mohammedanen overtuigd, dat de bron dezelfde is, welke Jehovah op het gebed van Hagar in de woestijn deed ontspringen, om haar versmachtenden zoon Ismaïl te drenken. Bij den kansel, waarop de Vrijdags-predikatie gehouden wordt, moeten de pelgrims, voordat zij den omgang van de kaaba volbrengen, hun schoeisel uittrekken en laten staan. Zoodra men, na de intrede door den zuilengang, het heilig gebouw voor het eerst in het oog krijgt, zegt men zekere gebeden op, werpt zich viermaal op den grond neer en betuigt Gode daardoor zijn' dank, dat men de gewijde plaats gelukkig bereikt heeft. Hierop treedt men langs een der bevloerde wegen op de kaaba toe, plaatst zich tegenover den zwarten steen en werpt zich andermaal viermaal neer, waarop de steen met de rechterhand wordt aangeraakt. Nu begint de pelgrim den plechtigen omgang om de kaaba, doch zoo, dat deze bestendig links van hem blijft. Deze gang moet zeven maal herhaald worden, de eerste drie malen met snelle treden, in navolging van den Profeet, die, om het door zijne vijanden uitgestrooide gerucht, dat hij gevaarlijk ziek lag, te weerleggen, ook driemaal snel om de kaaba liep. Bij iederen omloop moeten bepaalde gebeden opgezegd en aan 't eind daarvan de heilige en nog een andere steen gekust worden. Ten laatste treedt de pelgrim dicht aan den muur van het gebouw, tusschen den zwarten steen en de hoofddeur, drukt zijne borst daar vast tegen aan en smeekt zoo God met wijduitgestrekte armen om vergiffenis voor zijne zonden.

21. De Fellahs in Egypte.

Een deel der bevolking van Egypte zijn de Fellahs, d. i. van buiten ingekomen Arabieren, die zich in vroeger tijd als akkerbouwers langs den Nijlstroom hebben neergezet. Evenwel is 't land, dat zij bebouwen, grootendeels niet meer hun eigendom, maar in 't bezit van den onderkoning overgegaan, wiens arbeiders en huurlingen zij thans zijn. Alles, wat zij op het veld verbouwen, moeten zij tegen bepaalde prijzen aan den regent overdoen; wat zij tot hun levensonderhoud noodig hebben, kunnen zij hem dan weder afkoopen. Die niet arbeiden willen, worden er door zweepslagen toe gedwongen. In hunne ellendige, morsige hutten is de pest een regelmatige gast; de honger staat hun op het gezicht geschreven, en de gansche bevolking is door de langdurige slavernij--als vroeger de Israelieten--ontzenuwd en verstompt. De hoogstens twee M. hooge hutten zijn uit leem en stroo opgetrokken en boven alle beschrijving morsig. Een dadelstam strekt tot dakstoel, en daarop geworpen en met aarde bedekte dadelboomtakken en -bladeren dienen tot zoldering. Met gekruiste beenen zit de Fellah op zijne palmenmat, die tevens hem en zijne gansche familie tot slaapplaats dient.

Tusschen de ellendige hutten der Fellah-dorpen ziet men de naakte of slechts met een hemd bekleede, donkerbruine kinderen in het zand wroeten en dwalen hier en daar eenige magere gestalten in blauwe boomwollen hemden om. Zorgvuldig dekken de vrouwen haar gelaat met eene soort van smallen, zwarten sluier, en geen man vertoont zich zonder den tulband of de roode fez, ofschoon hem dikwijls alle overige kleedingstukken ontbreken. Alleen een mensch, die naar lichaam en geest geheel verstompt is, kan het in zulk een door afschuwelijke uitwasemingen verpesten omtrek op den duur uithouden.

Daar de Fellahs afkeerig van alle nieuwigheden zijn, willen zij van de doelmatige, gemak en voordeel aanbrengende Europeesche akkergereedschappen niets weten en tobben zich met hun trekvee, hunne ossen en kameelen nog voortdurend af, om met den voorvaderlijken ploeg de aarde om te woelen. Zoo worden de rijst- en maisvelden, de indigo-, suiker- en boomwolplantsoenen bewerkt. Het voornaamste moet trouwens de Nijl daarbij doen, die van Juli tot October door zijn overstroomen den uitgedroogden bodem bevochtigt, en het overvloedige zout uit de bovenste aardlagen naar den ondergrond voert. Nog voor Pinksteren valt de oogst in; doch de arme Fellah heeft weinig voldoening en genot van de opbrengst zijner velden, daar de ambtenaren der kroon overal gereed staan, om zich die des noods met geweld toe te eigenen.

22. Eene Moorsche stad.

Tunis bestond reeds vóor Carthago, maar kan toch geen spoor van oudheden meer aanwijzen. De stijl der huizen is algemeen de Moorsche en de straten zijn vrij breed. Bij al hare uitgestrektheid is de stad slechts klein in verhouding tot de bevolking, die op 125,000 zielen wordt geschat. De betrekkelijk geringe ruimte is echter voldoende, omdat een derde der inwoners dag en nacht op de straten huist, zonder een dak te bezitten. Twee muren, de buitenste met negen, de binnenste met zeven poorten, omringen de stad; doch daar die poorten niet tegen elkaar over staan, moet men tusschen de beide muren altijd een goed eind loopen, om naar buiten te komen. Dat gedeelte tusschen de muren biedt den vreemdeling echter menig belangwekkend tooneel aan; want hier zijn de karavansera's, hier komen de beladen kameelen in lange karavanen uit alle gedeelten van Afrika aan en van hier vertrekken zij ook weer derwaarts. Het ontbreekt er niet aan druk bezochte koffiehuizen, voor wier deuren men dikwijls de schilderachtigste groepen waarneemt, die naar de klagende tonen der guitarre met drie snaren luisteren. Hier ziet men ook nu en dan een inlandschen groote in eene afgedankte Europeesche koets met vier muildieren rondrijden, of ontmoet men den bey van Tunis in zijn rijtuig met acht paarden, door soldaten bewaakt.

In de stad zelve kan men zich om de drukte van geen rijtuig bedienen, maar moet te voet gaan, een paard of muildier berijden of zich in een' palankijn laten dragen. Van vroeg tot laat heerscht op de straten een onbeschrijfelijk gedrang. Bedoeïnen, Maltezers, Joden, Negers, Turken golven voorbij. Daartusschen dringen kudden geiten, beladen kameelen, muildieren en ezels heen. Later op den dag heerscht de grootste drukte in de gewelfde bazars. Elke koopwaar heeft haar afzonderlijken bazar en in de kleinste winkeltjes treft men dikwijls de kostbaarste artikels aan. Laarzen en pantoffels, zadelmakerswerk, zijden stoffen, wapens, reukwerken, de roode mutsen, wier vervaardiging hier wel 20,000 menschen bezig houdt, pijpen, snoeren, enz., alles heeft zijn eigen gebouw. Ik zag hier costumes van donkerkleurig fluweel, kunstig met fijn goud geborduurd, die tot duizend gulden kostten. Ook aan eetwaren ontbreekt het niet. Net gekleede, ongesluierde Moorinnen houden met uitgestrekten arm op de vlakke hand eene piramide van brooden, die men elk oogenblik denkt te zullen zien ineenzakken; jongens met waterzakken bieden den dorstige een verfrisschenden dronk aan; anderen venten oranjeappelen, kleine witte kazen, oliekoeken, allerlei vruchten en andere versnaperingen uit. Tegen den avond vermindert het gewoel en kan men zonder gevaar van kwetsuren rondwandelen, om de hoefijzervormige poorten, de gedraaide kolommen, de kleurenpracht aan verscheiden Moorsche huizen, het paleis van den bey en de vele moskeeën met hare slanke minarets te bewonderen.

Dat paleis van den bey is een sierlijk gebouw met marmeren binnenpleinen, fonteinen, kolommen en kleurige tegels. De wanden zijn met versiersels van pleister bekleed, die door hunne fijnheid aan kantwerk doen denken; de zolderingen vertoonen arabesken in goud, blauw en rood. De schoonste moskeeën zijn uit kolommen en andere deelen der ruïnen van Carthago en Utica saamgesteld, en men vindt er menig bezienswaardig gebouw onder; doch de Mohammedanen dulden ongaarne, dat het oog van een' ongeloovige het inwendige van die heiligdommen ziet. Behalve eenige fraaie en ruime kazernes bevat Tunis verder weinig aanzienlijke gebouwen, en slechts de huizen der Europeesche consuls in de wijk der Maltezers, alwaar ook de minister-resident van Frankrijk (thans de wezenlijke beheerscher van Tunis) verblijf houdt, steken boven de massa der kleine Moorsche woningen uit.

23. Natuur en volken van West-Midden-Afrika.

De ruimte, welke wij hier op het oog hebben, strekt zich van de kust ongeveer vijftig Duitsche mijlen in het binnenland uit en ligt tusschen den eersten en tweeden graad Z. B. Het grootste gedeelte is met woud of met rietvelden bedekt, waartusschen zich grootere of kleinere grassteppen als oasen uitstrekken. Dit boschland breidt zich om de twee of drie graden ten zuiden en ten noorden van den evenaar uit. Opmerkelijk is het gering dierlijk leven, dat in deze wildernis heerscht. Tevergeefs zoekt men er paard, kameel, ezel of rund. De mensch is er veeleer zijn eigen en zijn eenig lastdier; geiten en hoenders alleen vertegenwoordigen er de huisdieren. Maar ook van de wilde dieren van Afrika mist men leeuwen, neushorens, giraffen, struisen, gazellen en antilopen. Van verscheurend gedierte zijn alleen luipaarden, hyena's en sjakals aan te treffen. Des te talrijker zijn de slangen, onder welke de meesten giftig zijn; ook hagedissen vertoonen eene groote verscheidenheid. Zij en de vele soorten van spinnen dienen tot beteugeling van het insectenleven, dat door de vochtige boschlucht buitengewoon wordt begunstigd. De acht hier voorhanden soorten van apen hebben na den mensch, die hen met pijlen, kogels en vallen vervolgt, geen gevaarlijker vijand dan een grooten arend, dien de inboorlingen niet ongepast den «luipaard der lucht» noemen. Gedurig wordt de doodelijke stilte in het woud afgebroken door den angstkreet van een' aap, op wien een arend neerschoot, om hem in zijne klauwen weg te dragen. De aap is een gezocht wildbraad en ook Europeeërs stellen, na den eersten afkeer overwonnen te hebben, het vleesch van een vetten aap boven elk ander vleesch. Met vogels is deze streek zóo dun bevolkt, dat de stilte in de bosschen drukkend is; uren lang kan men die doortrekken, zonder den kreet eens vogels, den tred eener gazelle of het gonzen van insecten te vernemen.

Van de weersgesteldheid moet vermeld worden, dat aan de kust de regentijd in September invalt en in Mei eindigt, terwijl de droge tijd slechts in de drie maanden van Juni tot Augustus invalt. De oostenwinden brengen dus regen, de westenwinden daarentegen, die toch uit de Atlantische Zee waaien, droogte aan.

De bewoners van dit boschland vormen een groot aantal stammen, die verschillende talen spreken. Bij deze stammen zijn de afzonderlijke horden dikwijls weer geheel onafhankelijk en voeren druk oorlog met elkaar. Hunne rechtsbegrippen steunen op het beginsel: tand om tand, oog om oog. Ieder heer kan straffeloos zijn' slaaf dooden; maar wordt een vrij man verslagen, zij 't ook geheel onopzettelijk, zooals b.v. bij het vellen van een' boom gebeuren kan, dan moet de dader met zijn leven daarvoor boeten. Deze gestrengheid is hieraan toe te schrijven, dat de Negers elk onnatuurlijk of onverwacht sterfgeval aan de werking eener booze betoovering toeschrijven. Wie hun in dit opzicht verdacht voorkomt, moet den giftbeker drinken en zoo een godsgericht over zijne schuld of onschuld laten beslissen. Hoogst zelden komt het intusschen voor, dat familiehoofden tot het drinken van vergift gedwongen worden; zij kunnen zich aan die verplichting onttrekken door een' plaatsvervanger te stellen, die zich voor hen aan de gevaarlijke proef onderwerpt.

De Islam is natuurlijk nog niet tot deze volken doorgedrongen; zij gelooven dus aan de macht van afgoden, fetischen en vooral aan de mogelijkheid van betoovering door hunne medemenschen. Een eigenaardig gebruik is de oprichting van zoogenaamde alumbihutten. In deze huisjes, die tusschen of achter de woonhuizen staan, worden een paar kisten met kalk of oker bewaard, waarmee de bezitter zich de huid inwrijft zoo vaak hij op de jacht, uit visschen of op reis gaat. Zij gelooven namelijk, hierdoor beter tegen gevaar te zijn beschut. Gewoonlijk bevatten die kalkkisten ook nog de schedels der voorvaders of aanverwanten van den eigenaar. Hoe meer de beensplinters daarvan zich allengs met de kalk vermengen, voor des te heiliger en krachtiger wordt deze gehouden. Komt nu een gast in huis, van wiens welwillendheid men zich wil verzekeren, dan schaaft de eigenaar een weinig kalk van de schedels en mengt dat onder de spijs, die hij hem voorzet, in 't geloof, dat de bezoeker hem meer genegen zal worden, als iets van 't stoffelijk overschot zijner voorvaderen in hem is overgegaan.

24. Aan het Njassa-meer.

Nergens in Afrika--verzekert Livingstone--heb ik eene zoo dichte bevolking aangetroffen als langs de oevers van het Njassa-meer. In 't zuiden zagen wij eene bijna onafgebroken reeks van dorpen. Aan den oever stonden telkens dichte zwarte drommen, om de groote nieuwigheid, onze zeilende boot, aan te gapen; en bij ons landen waren wij in een ommezien door honderden mannen, vrouwen en kinderen omringd, die de «chironbo» (wilde dieren) kwamen zien. Over 't geheel waren zij zeer beleefd en eischten van ons geene geschenken. Zij oefenen ook den landbouw op eene vrij groote schaal uit en telen rijst, mais, enz. Meer noordwaarts is mais ook het hoofdproduct. Gedurende een gedeelte des jaars komt daar nog eene vrij zonderlinge toespijs bij. Toen wij die streken naderden, zagen wij in het verschiet wolken als de rook van brandend gras. Den volgenden morgen stuurden wij door die wolken, die toen bleken, niet uit rook of nevel te bestaan, maar uit millioenen kleine muggen, die hier «koengo» genoemd worden. Zij vervulden de lucht tot eene onmetelijke hoogte en krioelden op het water, daar zij te licht zijn om er in te zinken. Terwijl wij door deze levende wolk voeren, moesten wij mond en oogen dicht houden, om ze niet vol van die insecten te krijgen. De inlanders verzamelen groote hoeveelheden van die muggen en bakken er een' koek van, die eene lekkernij voor hen is en natuurlijk millioenen diertjes bevat. Men bood er ons een aan; hij was donker van kleur en smaakte--zoo zoo.