De heele wereld rond Een leesboek ter bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis, ten dienste der volksschool

Part 5

Chapter 53,848 wordsPublic domain

De oeverbewoners zijn geen schoon menschenras. De vrouwen zijn van natuur reeds leelijk en maken zich ten volle afzichtelijk door de vreemde schoonheidsmiddelen, die zij aanwenden. Algemeen dragen zij den «pelele» of lipring. De kostbaarste zijn van zuiver tin, in den vorm van een schoteltje gehamerd; andere zijn van wit kwarts, zoodat het er uitziet, of de draagster een stuk van eene waskaars door hare lip had gestoken. Met dien ring in de bovenlip nog niet voldaan, steken sommige vrouwen er ook nog een' in de onderlip. De voor verreweg 't mooist gehouden pelele's zijn van roode pijpaarde vervaardigd en maken het gezicht zoo verfoeielijk leelijk, dat wij er ons telkens met zeker afgrijzen van afkeerden.

Al de inboorlingen zijn van het hoofd tot de voeten getatoeëerd, en wel met figuren, waardoor de verschillende stammen zich onderscheiden. Over het geheel zijn zij mild; als een van ons eens naar het ophalen der netten ging zien, boden zij hem altijd een' visch aan. Ook in andere opzichten gedroegen zij zich zeer voorkomend jegens ons. In andere streken, waar de slavenhandel in zwang is zijn de inwoners daarentegen onvriendelijk, valsch en oneerlijk.

't Verwonderde ons, goed aangelegde en zorgvuldig onderhouden begraafplaatsen bij hen te vinden. Dit viel ons vooral in een dorpje op de zuidkust van het meer in het oog. Men had er breede en zindelijke paden aangelegd en hier en daar stond een zware vijgeboom, wiens wijd uitgestrekte takken hunne schaduw op de rustplaatsen der dooden wierpen. Men zag er grafheuvels gelijk in Europa, doch alle van het noorden naar het zuiden gericht. De grafsteden der beide geslachten waren kenbaar aan de verschillende daarop geplaatste voorwerpen, waarvan de overledenen zich bij hun leven bediend hadden, doch die alle verbroken waren, als ten teeken, dat zij niet meer zouden worden gebruikt. Een stuk van een vischnet en een gebroken roeiriem duidden aan, waar een visscher rustte. Op de graven van vrouwen stond de houten vijzel met den zwaren stamper tot het fijnstooten van graan. Dat het toekomstige leven op het tegenwoordige zou gelijken, schijnt men hier niet aan te nemen; doch bij verscheiden graven was een banaanboom geplant, alsof diens vrucht nog te pas zou kunnen komen.

25. Droogte en mieren.

In 1840 had de held van Afrika, Livingstone, zich aan de rivier Kolobeng in het land der Beetsjoeanen of Boschjesmannen eene woning gebouwd. Zijne vrouw maakte kleeren, zeep en kaarsen, hij zelf was prediker, dokter, tuinman, timmerman, smid en nog honderd dingen meer. De eerste jaren waren zeer zwaar, vertelt hij, omdat lange droogten invielen. In het tweede jaar viel geen enkele droppel regen, in het derde geen tien cM. en de Kolobeng droogde uit. Er stierven zooveel visschen, dat de hyena's van 't gansche land, die op het maal afkwamen, de menigte niet overweldigen konden. Het vierde jaar was even ongunstig, daar er niet regen genoeg viel om het graan tot rijpheid te brengen. Wij groeven in de rivierbedding al dieper kuilen, om althans water te krijgen, om onze vruchtboomen tot beter tijd in het leven te houden. Naalden, die maanden lang in de open lucht lagen, roestten niet. Alle bladeren der inlandsche boomen hingen verwelkt en ingekrompen neer. Midden in deze akelige dorheid maakte de levendigheid, waarmee de mieren rondliepen, eene vreemde vertooning. Als men enkele kevers op de oppervlakte van den bodem zette, kropen zij een paar seconden rond en waren dan dood. Deze gloeiende hitte had bij de mieren alleen de uitwerking, dat zij de bewegelijkheid harer lange pooten verhoogde. Vanwaar kregen die diertjes de vochtigheid, waaraan zij behoefte hadden?

Wij hadden onze woning op een harden grond gebouwd, wijl wij daar geen' last van de mieren dachten te zullen hebben; maar deze kwamen toch en waren in dit droge weer in staat, den bodem de vastheid van cement te geven, zoodat zij er hare lange gangen in konden bouwen.

Tot hare cementbereiding hadden zij vocht noodig, en als men hare binnenkamers open legde, waren die ook bevreemdend vochtig. Toch viel geen dauw, en dus blijft wel geene andere verklaring over, dan dat de mieren de begaafdheid hebben, om de zuurstof en de waterstof van haar plantenvoedsel in dier voege in zich te vereenigen, dat er vocht uit ontstaat.

Er trokken wolken over zijn' omtrek heen, zonder een' droppel water te laten vallen; maar twee mijlen verder viel regen in toereikende mate. Livingstone kwam hierdoor in verdenking van den omtrek betooverd te hebben en vooral zijn kerkklokje kreeg een kwaden naam. «Gij zijt de eenige blanke,» zei het opperhoofd der Beetsjoeanen, «met wien wij vrede kunnen houden; maar laat dat eeuwige preeken en bidden, waarmee wij geen vrede hebben. Gij ziet immers zelf, dat het bij ons nooit regent, terwijl de stammen, die nooit bidden, regen krijgen in overvloed.» Men kwam evenwel dien tijd van droogte te boven, zonder dat Livingstone om zijne voorgewende tooverij werd lastig gevallen.

26. Zuid-Afrika's planten- en dierenwereld.

Zuid-Afrika is omringd door kustgebergten, die zich trapsgewijs tot eene hoogte van achtduizend voet rondom een binnenland met wijde vlakke dalkommen en uitgestrekte hooglanden verheffen. Het ergste kwaad, waarmee dit land te kampen heeft, is het gebrek aan regen. Gewoonlijk volgt er na vier tot zes jaren een tijd van aanhoudende droogte, die bij de Negers hongersnood en bij de Europeesche kolonisten althans zwaar verlies aan vee na zich sleept.

Nadat een jaar door regen gezegend was, heeft het Zuid-Afrikaansche landschap een geheel ander aanzien, dan als er zoolang droogte heerschte. Als de wolken den bodem toereikend besproeid hebben, dan vertoonen zich wijde streken in ware bloemtuinen herschapen. Zwaardlelies en vele andere bolgewassen staan na weinig dagen in vollen bloei. Heidekruiden (erica's) in ontelbare soorten, pelargoniums, geraniums, enz. tooien zich met nieuw blad en ontsluiten de kleurige bloesems. In de zandstreken schiet zelfs jong gras op en wordt spoedig zoo hoog, dat het een' ruiter tot het hoofd reikt. Vreemd gevormde kevers gonzen door de lucht; prachtige vlinders azen op den bloemenhonig; fraai gevederde honigvogels fladderen om heesters en struik. Vele gewassen zijn zoo rijk aan honig, dat deze er bij de minste aanraking in droppels bij neervloeit.

In sommige jaren vermenigvuldigen de sprinkhanen zich op ontzettende wijze. Als zij in éene streek al het groen hebben weggeknaagd, dwingt de honger hen tot opbreken. Zij trekken dan in zwermen, die als donkere wolken den hemel bedekken, en al de landstreken, waarop zij neervallen, verwoesten zij. Kleine vogels trekken in dichte zwermen achter de sprinkhanen aan en verteren die. Ook de menschen worden door den nood gedwongen, zich met sprinkhanen te voeden. Zuid-Afrika is zeer rijk aan gevogelte. Langs de wateren wemelt het van zwem- en boschvogels. De gezellige weversvogels vlechten uit riethalmen groote schutdaken in de takken der acacia's en hangen daaronder hunne nesten bij honderden op.

Op aan kruiden rijke plaatsen verzamelt het wild zich. Kleine knaagdieren, vooral langbeenige springmuizen en springhazen, wroeten daar naar knollen en wortels. Zeer talrijk zijn vooral antilopensoorten en wilde tijgerpaarden: de zebra's en de quagga's. Waar deze laatsten zijn, komen ook struisvogelkudden voor. In dorre jaren, als gebrek aan voeder hen tot rondzwerven dwingt, zijn de springbokken niet te tellen. Zij vormen soms legers van honderdduizenden en worden dan door leeuwen, luipaarden, hyena's en sjakals gevolgd, die zich met hun vleesch mesten. Evenals de hen in de lucht begeleidende roofvogels: gieren, arenden en valken, hebben dan ook de menschen overvloed van wild. Eene opvolging van dorre jaren heeft een even groot gebrek tot nasleep. Runderen, schapen, wild komen om van honger en de menschen hebben dikwijls geen beter lot. De zwarte inboorlingen en de Kaffers van de oostkust, de Boschjesmannen van het binnenland en de Hottentotten van het zuiden leven hoofdzakelijk van de veeteelt en van de jacht.

27. Kaapstad.

Eenige wagens met twaalf tot zestien ossen bespannen, die zich op het strand vertoonden, brachten het eerste leven in het landschap, dat alom nog scheen te sluimeren, en voordat de zon hooger aan den hemel steeg, bracht de sloep ons naar den wal. Daar lag een hoop kleurlingen, vuil, morsig en in havelooze lompen, zich in de nog niet al te heete zonnestralen te koesteren. Dit waren de eerste vrije burgers der stad, op welke mijn oog rustte. Verder herinnerde alles mij dadelijk aan de eerste bouwheeren van Kaapstad, wier nakomelingen nog tegenwoordig het grootste gedeelte der blanke bevolking uitmaken. Overal valt de nette regelmatigheid in het oog, en zelfs aan grachten ontbreekt het niet in deze breede rechte straten, ofschoon zij hier niet noodig zijn. Van de landingsplaats loopt eene dezer straten recht zuidwaarts de stad in en verbreedt zich op de helft harer lengte tot den zoogenaamden Stadstuin, die de geliefde wandelplaats der vroegere Hollandsche kooplieden was en vier groote lanen van eiken, populieren, enz. heeft. Hier hebben zij rechts en links in de nabijheid hunne kerken gebouwd; hier staat het paleis van den gouverneur, en ook een botanische tuin mocht niet ontbreken. De citadel met het paradeplein ligt natuurlijk dicht aan de zee, waar ook aan de rechterzijde dadelijk de oude koopstad begint. Op vele plaatsen ziet men nog de ouderwetsche puntgevels en lage deuren, ja tot zelfs de uithangborden en windwijzers van het voorgeslacht. De oude stad bevat twee pleinen: het Marktplein en het Hottentottenplein; doch tegenwoordig is een viermaal grooter plein buiten de stad tot markt bestemd en hier ontbreekt het het geheele jaar door niet aan vruchten. Neemt men in aanmerking, dat de stad om hare gezonde lucht en haar zuiver drinkwater zeer veel als badplaats door rijke Engelschen uit Britsch-Indië bezocht wordt; dat de Amerikaansche walvischvaarders hier proviand kunnen innemen; dat honderden Oost-Indiëvaarders hier het anker werpen; dat de weg naar China en Australië hier voorbij loopt, dan kan men zich voorstellen, dat hier bijna alle talen der aarde gehoord worden. Jaarlijks doen 500 tot 600 groote schepen Kaapstad aan, om zich van het benoodigde te voorzien; doch in Juni, Juli en Augustus moeten zij wegens de gevaarlijke winden de Tafelbaai mijden.

Wat den vreemdeling hier bovenal aantrekt is de kolossale Tafelberg van 3582 voet hoogte, wiens kruin altijd door nevelen en wolken omhuld is. Als men het geluk heeft, eene heldere lucht te treffen, is het uitzicht daar boven verrassend schoon. Ginds ligt de stad, verderop de Tafelbaai met hare schepen, die zich als notedoppen voordoen en daar achter de onbegrensde zee. Rondom zich heeft men aan alle zijden het uitgestrekte landschap met zijne bergen, links den platten Leeuwenberg en rechts den spitsen Duivelsberg; ver in het zuiden ligt de Valsche Baai, aan wier westzijde het oog zich verliest in het zand van de Simonsbaai. In die richting liggen ook de beroemde wijnbergen van Constantia, die zich niet ver van den voet des bergs uitstrekken.

28. New-York.

Als men te New-York den voet aan wal zet, ontvangt men al dadelijk een diepen indruk van de macht en levenskracht der Noord-Amerikaansche Unie. New-York, na Londen de eerste handelstad der wereld, ligt op de zuidpunt van het eiland Manhattan, dat een langwerpigen driehoek uitmaakt en door de Hudson, de Oost- en de Haarlemrivier bespoeld wordt. De stad Hoboken aan de overzijde van de Hudson en de steden Brooklyn en Williamsburg aan de overzijde van de Oost-rivier, die men als voorsteden van New-York kan beschouwen, zijn daarmede door een aantal stoombootveren verbonden; met Brooklyn is New-York nu ook verbonden door de nieuwe, onvergelijkelijke reuzenbrug. In 1612 door de Nederlanders onder den naam van Nieuw-Amsterdam gesticht, telde New-York, in 1664 in de handen der Engelschen overgaande, slechts 1500 inwoners, terwijl de bevolking thans bijna een en een vierde millioen zielen bedraagt. Door de ligging op een eiland, waar rivieren en zeearmen samenkomen, bezit de stad eene kolossale, veilige baai, en de grootste schepen kunnen nagenoeg onmiddellijk bij de stad aanleggen.

De schoonste openbare plaats is de zoogenaamde Battery met haar park, waar men de geheele, door stoombooten en zeilschepen verlevendigde baai met hare schilderachtige eilanden en groene oevers overziet. De fraaiste en drukste straat, de Broadway of Breêstraat, loopt recht door het midden der stad.

In deze straat komt de Wallstreet uit, die het middelpunt van den handel en het verkeer is; want men vindt daar bijna al de bankierskantoren en dagbladbureaux, alsmede de beurs en het postkantoor. Dit laatste is van wit marmer in navolging van het Parthenon te Athene opgebouwd. Onder de belangrijke gebouwen verdienen het stadhuis, het gerechtshof en de universiteit nog vermelding.

New-York telt een zeer groot aantal kerken, waaronder de in Gothischen stijl opgetrokken Nederduitsche kerk in schoonheid uitmunt. De menigte der kerken, die men in alle Amerikaansche steden opmerkt, is niet slechts een gevolg van den levendigen godsdienstzin der Amerikanen, maar ook en vooral van de veelheid der secten. Ook voor het onderwijs wordt er veel gedaan: buiten de universiteit telt men te New-York een groot aantal inrichtingen voor hooger en lager onderwijs en verschillende openbare museums en bibliotheken.

29. De Niagaravallen.

Om het schouwspel der Niagaravallen uit de verte te genieten, plaatsten wij ons eerst op de over de duizend voet lange ijzeren handbrug, waar wij niets anders dan eene wilde, woeste en dreigende watermassa te zien kregen. Des te geduchter, verhevener en indrukwekkender was echter het dof, sedert duizenden jaren onafgebroken donderend ruischen en klateren. Reeds heeft het geweld des waters de kalkrots tot anderhalve mijl lengte, een half uur breedte en 500 tot 600 voet diepte weggeschuurd. Van hier begaven wij ons in de nabijheid en op de hoogte der wereldberoemde vallen. De eerste paar mijlen van het Eriemeer is de Niagara ongeveer 300 M. breed, en diep genoeg om negen tot tien voet diep gaande vaartuigen te dragen; doch de stroom is uiterst onregelmatig en snel, en het vaarwater door de talrijke klippen zoo gevaarlijk, dat slechts vaartuigen met vlakken bodem er zich op wagen kunnen. Verder benedenwaarts verbreedt zich de rivier en vloeit het water, alhoewel de stroom zeer sterk is, vrij effen en zacht voort. Zoo vervolgt de rivier rustig haar' loop tot aan het fort Chippeway, dat nagenoeg drie mijlen boven de vallen ligt. Hier wordt de bedding rotsachtig en het water door verschillende stroomingen in geweldige beweging gebracht. De golven slaan hier met zoo vreeselijk geweld tegen de rotsen, dat het gezicht alleen den toeschouwer eene rilling aanjaagt. Het water is intusschen slechts aan de beide zijden der rivier zoo bewogen; in het midden is de branding niet zoo gevaarlijk, of goed bestuurde booten kunnen een eiland naderen, dat de rivier bij de vallen zelve in tweeën deelt.

De stroom wringt zich bij het naderen der vallen met verdubbelde onstuimigheid tusschen de rotsen door, bereikt eindelijk den rand des schrikwekkenden afgronds en stort, zonder door rotsen opgehouden te worden, in de diepte neer. De breedte der vallen is aanmerkelijk grooter dan die der rivier, een weinig beneden hare neerploffing gemeten. Men kan hieruit zien, dat de stroom zich niet in zijn geheel en ongebroken neerstort; maar dat hij zich in drie vallen, de een naast den ander, verdeelt. De geweldigste daarvan is aan den noordwestelijken of Britschen oever en wordt de groote of Hoefijzersval genoemd. De lengte van dezen val is slechts 142 voet, terwijl die der beide andere op 160 voet geschat wordt. Daar de bedding hier lager is dan aan de andere zijde, zoo neemt verreweg het grootste gedeelte des waters zijn' weg door deze zijde en stort met vreeselijk geweld naar beneden. 't Is ook uit het midden van den Hoefijzersval, dat de verbazende dampwolk opstijgt, die op verren afstand gezien kan worden. De uitgestrektheid van dezen val kan slechts met het oog gemeten worden. Men houdt het er algemeen voor, dat hij niet minder dan 500 M. in de monding heeft. De breedte van het eiland, dat dezen val van den naasten scheidt, wordt op 350 M. geschat. De tweede val is omtrent 5 M., het dan volgend eiland 30 M. breed, en de derde val wordt voor althans zoo breed gehouden als het gansche eiland. De gansche uitgestrektheid der vallen is dus, de eilanden meegerekend, 1335 M., en de watermassa, die zich over de vallen neerstort, moet, volgens tamelijk zekere berekeningen, 672,000 ton in iedere minuut bedragen.

30. De dierenwereld op de Noord-Amerikaansche prairiën.

De buffel of bison is onder al de dieren van het prairieland het belangrijkste. Grooter dan de gewone stier bereikt hij soms het gewicht van wel tweeduizend halve KG. Millioenen dezer dieren worden jaarlijks gedood en hunne huiden verkocht, en toch kan het nog jaren duren, voordat deze talrijke diersoort geheel is uitgeroeid. De door den Indiaan zoo geliefde buffeljacht is intusschen met velerlei gevaren verbonden.

Nevens den buffel doolt op de wijde prairie de mustang of het wilde paard insgelijks in groote kudden rond. Waarschijnlijk stamt hij van de vroeger door de Spanjaarden ingevoerde paarden af. Aan de tucht ontsnapt, is hij verwilderd en slechts met groote moeite weer tam te maken. Men vangt hem met den lasso, een met een' strik voorzienen riem, die het paard over den kop wordt geworpen. Onder den zadel verliest het spoedig veel van zijne schoonheid. Slechts daar, waar het met honderden zijner makkers geheel vrij omdartelt, vertoont het zich welgevormd en van fraaien lichaamsbouw. Schuw wijkt de vluchtige antilope voor hem uit den weg, bescheiden treedt het hert ter zijde, als het met den buffel wedrennend op de gemeenzame drenkplaats toesnelt; doch loerend houdt de wolf zich achter de struiken schuil, of hij ook onvoorziens een jong kalf of veulen buit kan maken. De coyote of prairiewolf zwerft op de grassteppe in groote troepen rond en is hier een grotbewoner geworden.

Even zoo leeft ook de prairiehond met duizenden van zijnsgelijken in holen onder de aarde. Op eene uitgestrektheid van verscheiden mijlen ziet men dikwijls hol aan hol en voor elk daarvan een' hond op zijne achterpooten zitten en zich in de zon koesteren. Zij gelijken wel eenigszins een hamster of een mormeldier, hebben geelbruin haar, korte ooren en scherpe, tot graven geschikte tanden. Bij het naderen van menschen heffen zij een luid gejank aan, bewegen hunne korte staarten en nemen de houding aan, alsof zij zich te weer wilden stellen, ofschoon zij, zoodra men op hen toekomt, dadelijk in hunne holen wegkruipen.

Aan vogels is de prairie arm. Alleen het prairiehoen en de wilde kalkoen, die men bij honderden vangt, als hij op zijne tochten aan de oevers van den Ohio, Missouri en Mississippi aankomt, zijn er in groote scharen, schoon doorgaans slechts in de nabijheid der wouden. Deze zijn over het geheel met allerlei gevogelte opgevuld. Een vogel, als de struis, heeft Amerika niet aan te wijzen. In het algemeen worden de hoogere dierklassen der nieuwere wereld door die der oude ver overtroffen. De geweldige dikhuiden van Afrika komen in Amerika niet dan veel zwakker en kleiner als tapirs voor; de kameel wordt op de hoogvlakten van Zuid-Amerika slechts door de veel zwakkere en kleinere lama vervangen. De laffe jaguar is slechts een flauw afbeeldsel van den leeuw in de oude wereld. Wat de huisdieren betreft, deze zijn eerst na de ontdekking van dit werelddeel er overgebracht. Toenmaals was er paard noch rund, hond noch schaap te vinden, terwijl daarentegen het rijk der insecten en amphibiën in talrijkheid en verscheidenheid alles overtrof, wat men tot daartoe kende.

Vreeselijk is de aanblik der prairie, als het vuur er zijn vernielenden adem overheen doet gaan.

Een oneindig gordijn van zwarten rook en donkerroode vlammen beperkt den gezichteinder, en in de verte doet zich een zonderling loeiend geruisch hooren. Maar geene minuut later, is die gansche massa van plaats veranderd: zij rolt voort, met onstuimig geweld, als eene vuurzee door den storm opgezweept. Daar stuift een woeste troep dieren voorbij: eerst de mustangs, met manen en staart omhoog, door angst geheel verwilderd,--op den voet gevolgd door honderden bisons, ingelijks door de vlammen opgedreven, en in toomelooze vaart te vergeefs eene schuilplaats zoekende. Want al bewegen de vlugge viervoetige prairiebewoners zich met nog zooveel spoed, de vlammenzee overtreft hunne snelheid: straks worden zij door de rookwolken ingesloten, vallen half verstikt ter aarde, en laten slechts hunne verkoolde overblijfselen achter te midden van het tooneel van verwoesting. Wee den reiziger, den rondzwervenden inboorling of de karavane, die door het prairievuur wordt overvallen: meestal zijn zij verloren, tenzij het hun gelukken mocht het gevaar vroeg genoeg te zien om, of een niet met gras bedekte plaats te vinden, of, voor zich uit, in de richting van den wind, ook eene plaats in brand te steken ten einde daar straks, als de naderende vlammen zijn aangekomen, op het inmiddels kaal gebrand terrein eene schuilplaats te vinden. Gewoonlijk woeden de vlammen voort tot zij door een water in haar' voortgang gestuit of door den regen gebluscht worden.

Wat is de oorzaak van het uitbreken van een' prairiebrand?

Als men nagaat, dat eene langdurige droogte het hooge gras geheel heeft doen verdorren, zoodat het, in eene vrij dikke en luchtige laag den harden bodem bedekt, dan behoeft er niet lang naar oorzaken gezocht te worden. Eene enkele vonk, achteloos weggeworpen bij het aansteken der pijp; het niet zorgvuldig uitdooven van het kampvuur van een reisgezelschap, dat daarvoor wel is waar eene brandvrije plek koos, doch bij zijn vertrek niet zorgde de overblijfselen te blusschen, die daarna door den wind naar gevaarlijke plekken worden gevoerd; somtijds ook moedwil, als eene Europeesch jager op eene gemakkelijke wijze bisons wilde bemachtigen of zich wreken op een Indiaanschen vijand; het blakeren van de gloeiende middagzon, die gemakkelijk de uitgedroogde bladeren en grashalmen vlam kan doen vatten,--zietdaar keus genoeg uit de oorzaken, die zich bij herhaling voordoen.

De prairiebrand laat niets achter dan een verkoolden of met asch bedekten grond. Maar kort daarna, als de regen is nedergedaald, ziet men te midden dier verwoesting nieuwe groene spruitjes. Het gras vertoont zich weder, en op den bodem, gemest door de overblijfselen van den brand, schiet het malscher en weliger op. Nog enkele maanden, en zoover het oog reikt golft eene groene vlakte, schooner dan zij voorheen was, en biedt aan nieuwe bewoners de gaven harer milde gastvrijheid aan.

31. De mais.

De mais is oorspronkelijk alleen in Amerika inheemsch. Men heeft hem nooit in een graf of sarcophaag gevonden en op geen oud schilder- of beeldhouwwerk is hij voorgesteld, behalve in dát werelddeel. Daar echter waren, volgens de oude Peruviaansche geschiedboeken, de paleistuinen der Inca's in Peru met mais versierd, die met stengels, bladen, kolven en korrels in goud en zilver was nagemaakt. In een' dezer tuinen was een veld van aanzienlijke grootte met zulke stengels bezet: een bewijs van den rijkdom der Inca's niet alleen, maar ook van hunne achting voor dit belangrijke gewas. Bij den zonnetempel, op een eiland in het Titicacameer, werd de mais, ofschoon niet zonder moeite, verbouwd, om den zonnegod als offer te worden aangeboden en om de zaden van het nuttig graan daar onder het gansche volk uit te deelen.

Als een verder bewijs voor den Amerikaanschen oorsprong van den mais kan de omstandigheid gelden, dat hij van de Rotsgebergten in Noord-Amerika tot in de vochtige bosschen van Paraguay in het wild wassend gevonden wordt. Ook weet men, dat de inboorlingen op Cuba hem reeds verbouwden, toen dit eiland door Columbus ontdekt werd.