De 'handel in blanke slavinnen'.

Chapter 2

Chapter 226,528 wordsPublic domain

Protection of Women and Girls.

Section 2 luidt: Any person who

2. Procures or attempts to procure any woman or girl to become, either within or without the Queen's dominions, a common prostitute; or

3. Procures or attempts to procure any woman or girl to leave the United Kingdom, with intent, that she may become an inmate of a brothel elsewhere; or

4. Procures or attempts to procure any woman or girl to leave her usual place of abode in the United Kingdom (such place not being a brothel) with intent that she may, for the purposes of prostitution, become an inmate of a brothel within or without the Queen's dominions, shall be guilty etc.

Vóór het bestaan van deze strafbepalingen, dus vóór 1885, was de common law in Engeland, dat als misdemeanour (délit) gestraft werd het feit, dat 2 of meer personen gezamentlijk het plan beraamden, de verleiding of de ontucht van een vrouw of meisje te veroorzaken of teweeg te brengen, dat een vrouw zich aan een leven van prostitutie overgeeft.

De Heer Craies deelt in zijn Rapport op 't Congres te Londen mede, dat deze gewoonte wel lang heeft gegolden, maar de vervolgingen zelden plaats hadden, daar de vereeniging van 2 of meer personen een bestanddeel was van het delikt.

De boven geciteerde bepalingen van de wet van 1885 zijn zeer streng, althans voor hem, die op 't standpunt staat van de bestrijding van den meisjeshandel. Doch dit is dan ook niet het eenig doel der wet, daar volgens het intitulé zij behalve eenige andere doeleinden the Protection of Women and Girls beoogt. Ook van dit ruimer doel uitgaande, is de wet te streng. De Engelsche wetgever had haar kunnen tituleeren als de wet tot handhaving en bescherming der goede zeden in de maatschappij. De bepalingen nemen natuurlijk over 't algemeen in haar hoede de eerbaarheid etc. der individueele vrouwen en meisjes en daardoor ook indirect de bescherming der goede zeden in de maatschappij. Gevallen, waarbij geen sprake is van bescherming der eerbaarheid eener vrouw, vallen evenwel ook onder de strafbepaling van dit artikel en dit geeft mij aanleiding te zeggen, dat ik de wet van 1885 te ruim gesteld vind en dat zij meer omvat dan het opschrift der wet recht geeft te verwachten. De behandeling der verschillende nos van art. 2 zal dit aantoonen.

De drie laatste nos van art. 2 die den meisjeshandel treffen geven een vreemden indruk. Als men 3 bepalingen ziet, mag men toch wel verwachten, dat ze alle drie verschillende handelingen treffen. 't Kan dan natuurlijk wel eens voorkomen, dat er concursus idealis plaats heeft, doch dit blijve buiten beschouwing. Hoe men dan ook deze 3 bepalingen beziet, er blijft slechts over tot de conclusie te komen dat 't geven van deze 3 nos eene overbodige weelde is, die vooral in een wet niet te pas komt.

Een placeur, die den binnenlandschen meisjeshandel drijft, valt onder art. 2 2º. en 4º.; hij, die zich bezig houdt met den buitenlandschen meisjeshandel wordt getroffen door art. 2 2º., 3º. en 4º.

't Is mij onbegrijpelijk, waaraan deze overvloed van bepalingen toe te schrijven is, terwijl ze ieder afzonderlijk onnoodig zoo ruim gesteld zijn, dat handelingen die straffeloos moesten blijven, getroffen worden.

Afzonderlijke handelingen worden gestraft; zeer goed, doch daarbij ware vereischt verzwaring van straf, indien die handelingen bedreven worden als beroep en in geval van recidive en verder ontbreekt strafverzwaring voor den zooveel zwaarderen vorm van den meisjeshandel nl. het lokken naar den vreemde. De Engelsche wet geeft voor dit alles eene zelfde strafbepaling en wel gevangenisstraf van ten hoogste 2 jaar met of zonder dwangarbeid.

Art. 2 2º.

De poging tot het misdrijf wordt gelijkelijk gestraft als het misdrijf zelf. Evenzoo bij 2 3º. Een bijkomend oogmerk om de vrouw aan de prostitutie over te leveren wordt niet vereischt; in 2 2º. bij poging moet toch een opzettelijk handelen voor dat doel bewezen worden. Het misdrijf is voltooid, indien de vrouw of het meisje een prostituée geworden is.

Moeilijk kan het bewijs zijn, indien het zich overgeven aan de prostitutie in den vreemde plaats heeft, doch dan kan men wellicht onder een volgend lid vallen, zonder dat bewezen zij, dat werkelijk het zich prostitueeren hebbe plaats gehad, mits dan het oogmerk bewezen zij.

Art. 2 2º. laat evenzeer als de beide volgende leden van het artikel in het midden, welke middelen aangewend zijn.

Onverschillig is het voor dit misdrijf, of de vrouw nog onschuldig is of niet.

Op welke wijze en waar het meisje zich aan de prostitutie overgeeft is eveneens van geen belang. Het is zeer juist ingezien, daar toch voor den meisjeshandel het lokken in een bordeel geen vereischte is.

Art. 2 3º.

Het misdrijf is voltooid, zoodra het meisje of de vrouw het koninkrijk verlaat om gevolg te geven aan haar besluit, dat gevormd is op aandrang van hem, die 't oogmerk heeft haar in het buitenland aan een ontuchtig leven in een bordeel over te leveren.

Werkelijk een zeer strenge bepaling! Het ware karakter van den meisjeshandel heeft men blijkbaar bij het maken der wet niet genoeg in het oog gehouden. Wat maakt dien handel toch zoo afkeurenswaardig? Dit is de omstandigheid dat de placeur het oogmerk heeft zijn slachtoffer aan de prostitutie over te leveren doch haar tevens dit oogmerk verzwijgt Van een dusdanig deliktsbestanddeel is in deze 3 strafbepalingen geen spoor aan te treffen. Zelfs het eigen initiatief, de eigen dringende wil der vrouw kan voor hem of haar, die op dat verzoek bemiddeling biedt en hulp verschaft, de strafbaarheid niet opheffen. Dit geldt zoowel voor lid 3 als voor lid 2 en 4.

Vervolgd wordt b.v. een heer, die in het belang van eene prostituée te Londen, voor wier gezondheid de Londensche lucht nadeelig is, haar behulpzaam is of haar overhaalt om in het gezondere Liverpool haar leven voort te zetten. En dit zonder eenig winstbejag, slechts met een zuiver altruistische bedoeling. Eveneens straft de wet hem of haar, die eene prostituée op haar uitdrukkelijk verlangen eene plaats bezorgt in een binnen- of buitenlandsch bordeel, 't Spreekt van zelf dat dit te veel ingrijpt in de individueele vrijheid van doen en laten.

Art. 2 4o.

Deze bepaling vult voor een deel art. 2 2o. aan, in zooverre, dat wanneer in een speciaal geval het misdadig oogmerk bewezen is, de dader reeds strafbaar is, zoodra ten gevolge van zijn aandrang de vrouw haar huidig verblijf verlaat.

't Andere gedeelte van dit voorschrift valt geheel onder art 23º. met uitzondering van het geval, dat de vrouw volgens dit lid van 't artikel (2 4º.) zich niet reeds in een bordeel mag bevinden. Dit is althans mijn meening; of zou men zoo scherpzinnig mogen zijn om aan te nemen, dat de strafbaarheid in art 2 3º. pas begint, op het oogenblik, dat zij "leaves the United Kingdom" terwijl in art. 2 4º. de strafwet reeds werkt, wanneer zij "leaves her usual of abode in the United Kingdom?"

't Is mogelijk. M. i. kunnen de woorden van art. 2 3º. "With intent that she may become an inmate of a brothel elsewhere" niets anders beteekenen dan die van art. 2 4º. "With intent that she may, for the purposes of prostitution, become an inmate of a brothel within or without the Queen's dominions." Het woord "inmate" kan toch slechts betrekking hebben op eene pensionnaire van een bordeel; ik noem b. v. een dienstmeisje of werkster in een bordeel niet een "inmate of a brothel."

Art. 2 ^4º. treft niet den bordeelhouder, die een meisje overhaalt in zijn bordeel in dienst te gaan, terwijl hij den waren aard van het huis verbergt. Ofschoon zij aldaar spoedig meegesleept zal worden in het leven van ontucht, ontbreekt het vereischte, dat she may "for the purposes of prostitution, become an inmate of a brothel"; indien evenwel de intentie bestond, zal deze in casu onbewijsbaar zijn.

Het eerste lid van art. 2 luidt:

Any person, who

1. Procures or attempts to procure any girl or woman under twenty one years of age, not being a common prostitute, or of known immoral character, to have unlawful carnal connexion either within or without the Queen's dominions, with any other person or persons.

Dit lid van art. 2 treft de eenvoudige koppelarij.

Een zeer belangrijk en interessante bepaling uit de Criminal Law Amendment Act 1885 is art. 8.

Gestraft wordt hij, die een vrouw of meisje tegen haar wil in een bordeel houdt, of in een huis met 't oogmerk, dat zij "unlawfully" vleeschelijke gemeenschap heeft met een man.

Verder wordt ieder vermoed zich aan deze "misdemeanour" schuldig te maken, die met 't oogmerk de vrouw te dwingen in het bordeel of in dat huis te blijven haar kleederen wegneemt.

Ook hij, die in 't geval, dat aan die vrouw kleederen geleend of verschaft zijn door den bordeelhouder of anderen, haar dreigt met een gerechtelijke vervolging, indien zij zich met de aldus geleende of verschafte kleederen verwijdert.

Ten slotte bepaalt het artikel, dat noch ten civiele noch ten crimineele vervolgd zal worden eene vrouw, die dergelijke kleedingstukken weggenomen heeft of in wier bezit deze gevonden zijn. Voorzoover zij althans noodig waren om haar in staat te stellen het bordeel of een ander huis te verlaten.

Met betrekking tot bovengenoemde bepalingen bevat de Crim. L. Am. Act 1885 nog eenige processuëele voorschriften, waaronder het recht om woningen binnen te treden en regelen van bewijs.

Daar de meeste uitleveringstractaten tusschen het Vereenigd Koninkrijk en andere Staten dateeren van vóor 1885, zijn de strafbare feiten uit de Crim. Law Am. Act. niet daarin opgenomen.

Het tractaat met Rusland uit 1886 bevat er enkele van. De omstandigheid, dat niet alle Staten dergelijke bepalingen in hun strafwetgevingen bezitten, sluit voorloopig de opname van den handel in blanke slavinnen in de uitleveringstractaten met die landen uit. (Rapport van den Heer Craies, Londensch Congres 1899.)

De Customs hebben volgens de vreemdelingenwet van 1836 de bevoegdheid een lijst te vragen van alle vreemdelingen, die in de Engelsche havens aankomen. Dit wordt gedaan ter wille van de statistiek, want de Engelsche wet staat niet toe een vreemdeling het land uit te zetten, hoe wenschelijk 't ook zij. Doch de bepaling kan ook dienstbaar gemaakt worden om op 't spoor te geraken van invoer in Engeland met ontuchtige oogmerken (id.)

Bij de behandeling der Nederlandsche bronnen vermeldde ik reeds, dat de politie het publiek wel eens waarschuwt tegen de praktijken der placeurs en dienstbureaux. De Engelsche politie laat dit integendeel geheel over aan de philanthropische vereenigingen.

De Engelsche consuls in den vreemde bemoeien zich ook met de bestrijding van den blanke slavinnenhandel doch slechts dan, wanneer het Engelsche onderdanen geldt; het uitgangspunt voor hun bemoeiingen is dus niet de bestrijding van den meisjeshandel, maar wel de zorg voor behoeftige en verlaten landgenooten.

§ 2. DUITSCHLAND.

De rechtsorde in het Duitsche Rijk is vrij goed gewapend tegen hen, die haar op de besproken wijze in gevaar trachten te brengen en aantasten. Het Strafwetboek van 31 Mei 1870, oorspronkelijk voor den Noord-Duitschen Bond bestemd, werd door de wet van 45 Mei 1871 het Strafgesetzbuch für das Deutsche Reich. Het geheele strafwetboek werd na eenige veranderingen den 26 Febr. 1876 nogmaals in het Reichsgesetzblatt openbaar gemaakt.

De artikelen uit dit wetboek, die in verband met dit onderwerp bijzondere aandacht verdienen, zijn de artikelen 180 en 181.

Zij luiden aldus:

Art. 180. "Wer gewohnheitsmässig oder aus Eigennutz durch seine Vermittelung oder durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit der Unzucht Vorschub leistet, wird wegen Kuppelei mit Gefängniss bestraft; auch kann auf Verlust der bürgerlichen Ehrenrechte, sowie auf Zulässigkeit von Polizei-Aufsicht erkannt werden.

Art. 181. Die Kuppelei ist, selbst wenn sie weder gewohnheitsmässig noch aus Eigennutz betrieben wird mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren zu bestrafen, wenn:

1. um der Unzucht Vorschub zu leisten, hinterlistige Kunstgriffe angewendet worden sind, oder

2. der Schuldige zu den Personen, etc. etc.

Deze artikelen toonen bij den eersten oogopslag een aanmerkelijk verschil met de meeste koppelarij-artikelen der moderne strafwetgevingen. Zij gaan uit van een in bescherming nemen der goede zeden, onverschillig van wien ook; de meeste strafwetten toch beschouwen de koppelarij als een soort bescherming van minderjarigen. Deze beperking is niet te vinden in de artt. 180 en 181, voorzoover ik ze citeerde.

Olshausen distilleert uit deze beide artikelen het begrip koppelarij. "Kuppelei betreibt derjenige welcher durch seine Vermittelung oder durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit der Unzucht Vorschub leistet." Er dient op gelet te worden, dit is het begrip; en zoo enkelvoudig als het hier gesteld is, stelt de wetgever het niet strafbaar.

Voor het Vergehen van art. 180 vordert de wet dat de Kuppelei gewohnheitsmässig of aus Eigennutz geschiedt; voor het Verbrechen van 181 1o. dat "hinterlistige Kunstgriffe" aangewend zijn. In hoeverre er sprake kan zijn van Vorschub leisten is quaestio facti. Doch dit moet geschieden òf door Vermittelung van den dader òf door Verschaffung von Gelegenheit.

"Durch Vermittelung wird Vorschub geleistet, wenn der Unzucht bezüglich der zu ihrer Ausübung in concreto erforderlichen Personen günstigere Voraussetzungen geschaffen werden" (Olshausen ad art. 180).

"Durch Gewährung von Gelegenheit und durch Verschaffung von Gelegenheit wird Vorschub geleistet, wenn der Unzucht bezüglich der zu ihrer Ausübung in concreto erforderlichen Ortes günstigere Voraussetzungen geschaffen werden (id.)"

En wat de dolus betreft, zoo besliste het Reichsgericht: "Der Dolus der Kuppelei erfordert das Bewusstsein, dass durch die geübte Vermittelungsthätigkeit oder Gelegenheitsmacherei Handelungen befördert werden, welche objectiv sich als Unzucht darstellen. (RG. 10 Oct. 1882.)" Dolus eventualis is evenzeer voldoende.

Voor voltooiing van het misdrijf, bij art. 180 strafbaar gesteld, is het niet noodig, dat werkelijk ontucht gepleegd zij.

Von Liszt (Lehrbuch pag. 395) zegt:

"Die Vollendung ist erst gegeben wenn durch Vermittelung usw. thatsächlich günstigere Bedingungen geschaffen sind. Die Verhandlungen des Bordellwirts mit den anzuwerbenden Mädchen erscheinen mithin als Vorbereitungshandlungen zür Vermittlung, die Eröffnung von Gelegenheit. Erfolgte Unzucht ist nicht erforderlich."

Het Duitsche Strafwetboek treft door art. 180 den bordeelhouder. Het bestaan van bordeelen, al dan niet door de politie gereglementeerd, is verboden. Sous-entendu moet dus ook de binnenlandsche meisjeshandel onbestaanbaar zijn.

Doch gesteld het geval, dat er toch een bordeel in strijd met de wet bestaat, en dat daarvoor meisjes door een placeur geleverd worden, dan wordt wel de bordeelhouder gestraft, doch alleen voor het feit, dat hij gelegenheid geeft tot het plegen van ontucht. De misleider der meisjes loopt vrij rond. Is 't soms mogelijk, dat ook ten opzichte van hem met de artt. 180 en 181 gerechtigheid geschiede?

Wanneer placeur en bordeelhouder éen en dezelfde persoon zijn, is toepassing van art 180 mogelijk.

In de andere gevallen is het de vraag of de placeur voor het begrip "koppelarij" kan gezegd worden der ontucht Vorschub zu leisten durch seine Vermittlung.

Na zijne hierboven geciteerde verklaring wat onder Vermittlung moet verstaan worden, zegt Olshausen "Die Thätigkeit muss somit auf das Zusammenbringen dieser Personen gerichtet sein, gleichgültig, ob unmittelbar, wie bei der seitens eines Dienstmannes geschehenden Zuführung eines Fremden zu einer öffentlichen Person, oder ob mittelbar, wie bei der Anwerbung bezw. Ueberführung von Frauenspersonen für ein Bordell."

't Is zoo, de werkzaamheid van den meisjeshandelaar is eene indirecte, doch voor zijne strafbaarheid zou dan nog vereischt zijn het gewohnheitsmässig handelen of het handelen aus Eigennutz. Dit punt vindt echter zijne voor- en tegenstanders. In gelijken zin besliste het Preusische Ober-Tribunal den 14 Nov. 1873: "de aanbieding van een meisje om in het bordeel van een derde te gaan is voltooide koppelarij."

Aan den anderen kant besliste het Reichsgericht dat het te vergeefs aanbieden van meisjes ter opname in een bordeel is straffelooze poging, (23 Sept. 1880) (id. Lübeck, 7 Mei 1870). Een arrest van het Reichsgericht van den 15 Mei 1880 vorderde, dat voor de strafbaarheid 't aanbod aangenomen moest zijn. Onnoodig is dan werkelijke intrede in het bordeel of nadere condities met den bordeelhouder. Voordat ik in dezen strijd partij kies, wensch ik aan te geven, dat het zeer waarschijnlijk is, dat bij de overreiking van het eerste ontwerp van het strafwetboek op den 31 Juli 1869 aan den Rijkskanselier in het ontwerpartikel der koppelarij aan geen strafbaarstelling van den meisjeshandel gedacht is.

Zal dus de blanke slavinnenhandelaar onder het bereik van art. 180 kunnen vallen, dan moet zijn daad allereerst het begrip koppelarij voldoen. "Kuppelei betreibt derjenige, welcher durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit der Unzucht Vorschub leistet."

't Is waar, deze definitie spreekt niet van een directe of indirecte bemiddeling; ze laat dit geheel in 't midden. 't Behoeft geen betoog, dat het artikel zeer zeker aan de behoefte voldoet indien iedere indirecte bemiddeling daaronder valt. Doch tot hoever moet men dan hiermede gaan? Toepassing van den dolus eventualis aangenomen, zou het art. de individueele vrijheid gevaarlijk beperken en veelal juist die personen in bescherming nemen die door hun zorgeloosheid de bescherming der strafwet niet verdienen.

Doch dit laatste kan geen afdoend argument zijn om de indirecte bemiddeling uit te sluiten. Mijns inziens kan echter indirecte Vermittelung niet voldoen aan de etymologische beteekenis van het woord koppelen. Dit is tot een koppel binden; duidelijk is het, dat de placeur dit niet doet, wel werkt hij er toe mede. Nu zou de strafwet wel een ruimere beteekenis kunnen hechten aan dat begrip, doch dan ware eerste vereischte, dat zij dit ook bepaaldelijk uitdrukte. En dit geschiedt nergens. Historisch zou dit begrip koppelarij, zonder uitdrukkelijke uitbreiding, niet voldoen aan het begrip lenocinium, dat men in de koppelarij-artikelen steeds heeft willen neerleggen. Er wordt dus mijns inziens aan dit artikel een uitbreiding gegeven, die om verschillende redenen ongeoorloofd is. Het gevolg van deze engere interpretatie zouden dus zijn de gewone bezwaren verbonden aan de koppelarij-artikelen, die niet bestemd zijn voor de bestraffing der placeurs e. a., doch door wier toepassing men hen toch wil treffen. We moeten hen dan straffen als Beihülfen van hen, die strafbaar zijn wegens art. 180. We ondervinden de gewone moeilijkheden verbonden aan den accessoiren aard der medeplichtigheid, en we zullen gewaar worden, dat die gevaarlijke individuen door de mazen der strafwet heensluipen.

Ik kan mij dus zeer wel begrijpen eene interpretatie, waartegen de bewoordingen van art. 180 zich niet rechtstreeks verzetten, en welke aan de behoefte voldoet.

De meeste criminalisten interpreteeren het artikel dan ook aldus; von Liszt, Olshausen, Oppenhoff e. a.

Wanneer dan het begrip koppelarij in dien ruimen zin uitgelegd wordt, bestaat in art. 181 1o. een geducht wapen tegen den binnenlandschen meisjeshandel.

Art. 181. Die Kuppelei ist, selbst wenn sie weder gewohnheitsmässig noch aus Eigennutz betrieben wird, mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren zu bestrafen, wenn:

1. Um der Unzucht Vorschub zu leisten, hinterlistige Kunstgriffe angewendet worden sind.

Dit artikel vordert 1. dat de ontucht bevorderd is; 2. dat dit geschied is door aanwending van "hinterlistige Kunstgriffe."

De "hinterlistige Kunstgriffe" zijn het juist die bij den meisjeshandel zoo'n grooten rol spelen.

"Unter Kunstgriffen sind Handlungen ähnlicher Art zu verstehen, wie sie von Taschenkünstlern angewendet werden, d.h. geschickt angewendete auf Täuschung berechnete Massnahmen."

"Hinterlist ist--nach Grimm's Wörterbuch--Kunst hinter Jemandes Rücken zu dessen Schaden angewendet, verstäckte Arglist. Zu der Arglist tritt also noch das Moment hinzu, das die Thätigkeit eine versteckte ist, so dass der andere Theil die List womöglich erst dann erkennt, wenn ihr Zweck erreicht oder wenigstens gesichert ist."

"Dass die hinterlistigen Kunstgriffen eine Täuschung hervorgebracht haben ist nicht erforderlich."

Aldus Olshausen ad art. 1811º.

Oppenhoff ad art. 181 geeft de volgende verklaring van hinterlistige Kunstgriffen:

"Unter "hinterlistigen Kunstgriffen" sind alle listigen Vorkehrungen zu verstehen, durch welche Jemand geneigt gemacht wird an Orte zu kommen, wo Unzucht getrieben werden soll, oder sich Anderen zu Unzucht Preis zu geben, z.B. Verlockungen an einsame Orte, Vorspiegelung glänzender Zukunft, Missbrauch angesehener Namen, Beibringung aufregender Getränke etc.

(Dresden. 17 Sept. '77.)

Von Liszt (Lehrbuch § 108 III 2) zegt: "also die Erregung oder Unterhaltung eines Irrtums durch Vorspiegelung falscher, Unterdrückung oder Entstellung wahrer Thatsachen, z.B. Versetzung in Trunkenheit, Verlockung unter den Vorwand, der Frauensperson eine Anstellung oder einen Dienstplatz zu verschaffen. Mit der Vorschubleistung (meist mit dem Kunstgriff) vollendet."

Zeer helder stelt von Liszt ons deze feiten voor oogen. Ze vormen allen bestanddeelen van een daad van blanke slavinnenhandel.

Alle tusschenpersonen, die achtereenvolgens werkzaam zijn om het plan ten uitvoer te brengen, dat voltooid is door de overreiking van levende koopwaar door den laatste aan den bordeelhouder, zijn evenzeer strafbaar. Zoowel hij, die het meisje overhaalde door valsche voorspiegelingen en mooie woorden als degene, die haar van dezen overneemt en of aan een derde overlevert, die voor 't verder vervoer zorgt, of aan den bordeelhoudenden kooper, al zegt hij geen woord, dat het meisje eenigszins op een dwaalspoor zou kunnen brengen of houden. Juist dit zwijgen, waar spreken plicht was, moet ook onder de hinterlistige Kunstgriffen gerangschikt worden. Doch er moet dan bewezen zijn, dat de persoon in kwestie op de hoogte was van de omstandigheden, zoodat zijn opzet daaruit blijkt (ook dolus eventualis). Dat kan b.v. geschieden als gebleken is, dat hij met zijn voorganger een afspraak had etc. etc. Er mag geen twijfel bestaan, dat hij te goeder trouw zou gemeend hebben, dat het meisje van alle omstandigheden op de hoogte was, waarmede hij zijn zwijgen zou kunnen rechtvaardigen.

De "hinterlistige Kunstgriffe" van art. 1811º. zijn voor het strafbaar feit strafbepalend; ze zijn ten opzichte van het strafbaar feit van art. 180 niet strafverzwarend. Hierop te wijzen is in zooverre ook van groot belang dat een bordeelhouder, die zijn eigen pensionnaires recruteert, niet zal vallen alleen onder het zwaarder gestraft wordend feit van art. 1801o., maar zal vervolgd worden èn wegens art. 180 èn wegens art. 1811o.: concursus realis heeft plaats.

Voor voltooiing is het geen vereischte, dat er ontucht gepleegd zij; zooals von Liszt zegt: "Mit der Vorschubleistung, meist mit dem Kunstgriff vollendet." Het misdrijf van den meisjeshandelaar bepaalt zich dan ook tot de aanwending der bedriegelijke middelen. Uit het opzet om door deze de ontucht te bevorderen blijkt voldoende het bijkomend oogmerk om de vrouw aan de prostitutie over te leveren; de verzwijging van dit oogmerk moet hier onder de "listige Kunstgriffen" begrepen worden. Art. 1811o. vordert deze beide vereischten niet uitdrukkelijk als bestanddeelen van het strafbaar feit.

Dit heeft ten gevolge, dat de "hinterlistige Kunstgriffe" ook in anderen zin aangewend kunnen zijn, zoodat het feit geheel valt buiten den kring van den eigenlijken blanke slavinnenhandel: b. v. misleiding ten opzichte van het loon etc, waardoor eene prostituée zich laat overhalen pensionnaire van een bordeel te worden.

Het is duidelijk, dat ook de buitenlandsche handel, bestaande in den export van vrouwen door dit artikel getroffen wordt, in zooverre deze althans in het land zelf plaats grijpt. Buiten 't bereik van art. 1801o. valt hij, die met de aanwending der bedriegelijke middelen pas aan de overzijde der grens begint.

Natuurlijk vordert de levering van het bewijsmateriaal groote moeielijkheden; nl. in hoeverre werkelijk die kunstgrepen gebezigd zijn om de ontucht te bevorderen; daar de rechter ten opzichte van het feit, dat in den vreemde werkelijk de vrouw aan een ontuchtig leven zou overgeleverd zijn, in de meeste gevallen een non liquet zal moeten uitspreken, zal de beklaagde in die gevallen vrijgesproken moeten worden.

Het Duitsche Strafwetboek bevat onder no. 6 van art. 361 de volgende bepaling:

Mit Haft wird gestraft:

6. eine Weibsperson, welche ohne solchen (i. e. polizeilichen) Aufsicht unterstellt zu sein, gewerbsmässig Unzucht treibt.

't Is mogelijk, dat deze bepaling ten opzichte van de misleide meisjes beschermend zou kunnen werken, doch mijns inziens zal zij in de praktijk weinig uitrichten, daar zij wel met succes ontdoken zal worden in die gevallen, in welke misbruiken aan 't licht zouden kunnen komen.

Nadat reeds meer dan eens in den Duitschen Rijksdag door afgevaardigden het bestaan van den meisjeshandel was ter sprake gebracht, (o. a. door den Heer A. Bebel naar aanleiding van de door Nederland met Oostenrijk-Hongarije en te voren met België uitgewisselde verklaringen) werd bij de 2de lezing van het ontwerp-wet "Ueber das Auswanderungswesen" op voorstel van de afgevaardigden Graaf von Kanitz-Podangen en Aug. Bebel een artikel 48 in die wet gevoegd. (Zitting van 6 Mei 1897). Dit artikel met de eindredactie volgens amendement van de afgevaardigden Dr. Bachem en Dr. von Buchka bij de 3de lezing werd den 8 Mei 1897 met groote meerderheid door den Rijksdag aangenomen. Het luidt als volgt.

Art. 48 van Das Reichsgesetz über das Auswanderungswesen vom 9 Juni 1807:

"Wer eine Frauensperson zu dem Zwecke, sie der gewerbsmässigen Unzucht zuzuführen, mittelst arglistiger Verschweigung dieses Zweckes zur Auswanderung verleitet wird mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren bestraft. Neben der Zuchthausstrafe ist der Verlust der bürgerlichen Ehrenrechte auszusprechen; auch kann zugleich auf Geldstrafe von einhundertfünfzig bis zu sechstauzend Mark sowie auf Zulässigkeit von Polizei-aufsicht erkannt werden.

"Dieselben Strafvorschriften finden auf Denjenigen Anwendung, welcher mit Kenntniss des vom Thäter in solcher Weise vervolgten Zweckes die Auswanderung der Frauensperson vorsätzlich befördert; sind mildernde Umstände vorhanden, so tritt Gefängnisstrafe nicht unter drei Monaten ein, neben welcher auf Geldstrafe von einhundertfünfzig bis zu sechstausend Mark erkannt werden kann."

Eenige verbazing een dergelijk artikel in deze wet te vinden is voorzeker niet ongemotiveerd. Het is het laatste artikel van Hoofdstuk VIII, dat de "Strafbestimmungen" inhoudt ter sanctioneering en als waarborg voor de nakoming van de verplichtingen in deze wet opgelegd. 't Zijn dus uitsluitend sancties van bepalingen van administratief-rechterlijk karakter en inzooverre gaat art. 48 de perken dezer wet te buiten; deze bepaling behoord onder de "eigenlijke strafwetten" gerangschikt te worden. Deze wet vordert een verlof voor de oprichting van emigratiekantoren en voor de medewerking als agent daaraan. Zij beoogt een waarborg, dat zij, die emigreeren willen, niet aan de genade worden overgeleverd der emigratiebureaux, b.v. door 't voorschrift dat altijd een schriftelijk contract vereischt is.

Hiernaast mag genoemd worden art. 144 van het Strafwetboek, dat aldus luidt:

Art. 144. Wer es sich zum Geschäfte macht Deutsche unter Vorspiegelung falscher Thatsachen oder wissentlich mit unbegründeten Angaben oder durch andere auf Täuschung berechnete Mittel zur Auswanderung zu verleiten, wird mit Gefängniss von einem Monat bis zu zwei Jahren bestraft."

Dit artikel kan, wanneer de omstandigheden van dien aard zijn, den internationale meisjeshandelaar treffen, doch niet voor een op zich zelf staande daad; de straf is onbeduidend vergeleken bij die van art. 48.

Een op deugdelijke grondslagen berustende wet op emigratiekantoren en emigratieagenten moet zonder twijfel bij uitstek gunstig werken en veel kwade praktijken en misbruiken tegenover de emigreerenden en in 't algemeen tegenover de bevolking, die door hen tot emigreeren wordt overgehaald, tegengaan.

In ieder geval is een artikel als § 48 gerechtvaardigd; het combineert 2 vergrijpen: een tegen de zeden en een tegen de plichten van het emigratiebureau of van den agent. Daarom is de zwaardere strafbepaling ook volkomen gewettigd; zwaarder zoowel vergeleken bij de koppelarij-artikelen als vergeleken bij de artikelen die verwaarloozing der verplichtingen der emigratiekantoren e.a. moeten verhoeden.

Art. 48 eerste lid vordert:

1. De verleiding van een vrouw om naar den vreemde te gaan.

2. Een bijkomend oogmerk om haar aan een leven van prostitutie over te leveren.

3. Opzettelijke verzwijging (arglistige Verschweigung) van dit oogmerk.

't Kan niet ontkend worden, dat de Duitsche wetgever bij uitstek geslaagd is in de opsomming van de elementen, die eigen zijn aan de handelingen der meisjeshandelaars. We telden dan ook reeds 1897 bij de totstandkoming van dit artikel; vele jaren lang waren Regeering en overheid reeds van particuliere zijde in kennis gesteld met den waren aard van deze wandaden en met de omstandigheden, waaronder ze gepleegd worden.

Onverschillig is het voor dit Verbrechen of de vrouw onschuldig, eerbaar was of niet. Zelfs de prostituée wordt in bescherming genomen; zonder twijfel zal in casu deze omstandigheid op de strafmate van invloed zijn.

De vrouw, onverschillig, van welken leeftijd zij moge zijn, moet--wil het delict voltooid zijn--verleid zijn naar den vreemde te gaan; door de handelingen van den dader moet zij het plan hebben opgevat het land uit te gaan. Dat dit in werkelijkheid geschied zij, wordt voor dit misdrijf niet vereischt. De dader kan op alle mogelijke wijzen haar tot dit plan brengen; de wet bindt niet door het vereischte van bepaalde middelen (c. f. art. 144 Duitsche Strafwetboek). Het zal evenwel steeds een middel moeten zijn dat er op berekend is de ware feiten te verbergen. Dit ligt in de woorden "arglistiger" en "verleiten". Heeft de vrouw nog niet het plan opgevat het land te verlaten als gevolg van het streven van den dader, dan kan slechts sprake zijn van strafbare poging, mits de overige vereischten voor dezen deliktsvorm aanwezig zijn.

Bewezen moet worden het bijkomend oogmerk, dat het doel bestond de vrouw aan een leven van prostitutie over te leveren. Dit oogmerk is vereischt zoowel voor het voltooide delikt als voor de poging en het behoeft in geen van beide gevallen bereikt te wezen. Zeer terecht is het zoo algemeen mogelijk uitgedrukt: de overlevering aan de prostitutie en is 't dus onverschillig of de ontucht in een bordeel of daarbuiten bedreven zou worden. Doch het blijft vereischte dat de ontucht "gewerbsmässig" bedreven zou zijn.

Ten slotte moet dit oogmerk arglistig verzwegen zijn. "Mittelst arglistiger Verschweigung dieses Zweckes", zegt de tekst. Dus een zwijgen is voldoende, het moet opzettelijk geschieden om tot het doel nader te komen, zonder het zwijgen moet de vrouw er niet toe komen het voornemen op te vatten het land te verlaten. Positieve handelingen om het oogmerk te verbergen, alhoewel mogelijk, zijn onnoodig. Deze handelingen zullen eventueel misleidende, bedriegende zijn.

Meende de dader,--hoewel ten onrechte--dat het de eigen wil der vrouw is zich in het buitenland aan de ontucht over te leveren, dan mist het delict een zijner elementen: er bestaat geen opzet, de "arglistige Verschweigung" ontbreekt.

Het 2de lid van art. 48 bevat een begunstiging na het plegen van het delict. De hulpverleening vóor of bij het plegen van het strafbare feit wordt naar de gewone regelen berecht en gestraft.

Dit 2de lid treft hem, die anders niet gestraft zou kunnen worden noch als dader noch als medeplichtige van het misdrijf van art. 48 eerste lid, omdat voor beide gevallen eenige delictsbestanddeelen gemist worden en voor het laatste de juridische vereischten ontbreken. Hij toch die de vrouw van den vader overneemt om haar verder naar de plaats van bestemming geheel of gedeeltelijk te brengen, kan niet gezegd worden dat hij haar "zur Auswanderung verleitet."

Bestanddeelen van het delict van art. 48 2de lid zijn:

1. Bekendheid met het door den dader beoogde doel, zooals dit arglistig verzwegen is.

2. Het opzettelijk bevorderen, dat de vrouw het land verlaat.

Het moet eene opzettelijke handeling zijn; dolus eventualis is voldoende.

Het delict heeft dus plaats, nadat "die Verleitung zur Auswanderung" reeds geschied is.

De afgevaardigde Bachem stelde in den Rijksdag als voorbeeld den emigratieagent, die om de provisie te verdienen, den meisjeshandelaar en het meisje de passagekaarten voor de boot verkoopt, terwijl hij bekend is met de bestaande verhoudingen.

Zoowel op het delikt van het eerste als op dat van het tweede lid staat als straf gesteld: tuchthuisstraf van hoogstens 5 jaren. Daarnevens kan facultatief uitgesproken worden verlies "der bürgerlichen Ehrenrechte", geldboete van 150 tot 600 Mark en het stellen onder politietoezicht. Evenwel laat art. 48 2e lid toe voor dat delikt uit te spreken gevangenisstraf van minstens drie maanden waarnevens facultatief geldboete van 150 tot 6000 mark, indien er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn. Wat onder die verzachtende omstandigheden te verstaan is, zoo blijkt uit de beraadslagingen, dat men daaronder ook den dolus eventualis begreep. Voorzeker nog al vreemd.

Dienstig om in 't algemeen den meisjeshandel te onderdrukken en om in bijzondere gevallen de justitie en politie op 't spoor te doen komen van gevallen van dezen aard is § 70 no. 10 van het besluit van den Bondsraad, betreffende de uitrusting van vaartuigen, waarop zich vooral emigreerende personen bevinden. Het artikel schrijft den schipper voor om voor het geval zich aan boord vrouwen bevinden, die vermoed worden slachtoffers van een placeur te zijn, den Duitschen Consul van de plaats, waar zij debarqueeren, zoo spoedig mogelijk namen, nationaliteit en doel der reis van deze vrouwen en hare begeleiders mede te deelen.

Doch ook buitendien is den diplomatieke vertegenwoordigers van den consulaten strenge waakzaamheid opgedragen ten opzichte van den internationalen meisjeshandel.

Wij zien, dat Duitschland een open oog heeft voor die belangen, die in deze kwestie op het spel staan. Ook reeds vóór het tot stand komen van deze wet van '97 heeft het getracht in den nood te voorzien. We maakten reeds kennis met de verklaring, die den 15 Nov. 1889 tusschen het Duitsche Rijk en Nederland is uitgewisseld (wet 15 April 1891 Stsbl. 85).

Een gelijksoortige verklaring wisselde Duitschland den 4 Sept. 1890 met België uit. "Déclaration conclue à Berlin entre la Belgique et l'Allemagne concernant le repatriement de certaines prostituées". Approuvée par la loi du 27 Juillet 1891.--Echange ratifié, Berlin 25 Juillet 1891. Le procès-verbal de cet echange constate qu'il a été convenu alors de réserver à chacune des parties contractantes "la faculté de faire cesser, à l'expiration de six mois, après en avoir donné avis, les effets de la déclaration". (Conférence internationale pour la prophylaxie de la syphilis et des maladies vénériennes, Bruxelles Septembre 1899. Notice de M. Emile Beco, Belgique.)

De 7 artikelen van deze verklaring luiden:

Art. 1. Les parties contractantes s'engagent à concourir dans les limites légales à ce que les femmes et les filles appartenant à l'un des deux pays, et qui se livrent dans l'autre à la prostitution, soient soumises à un interrogatoire, afin de constater d'où elles viennent et qui les a déterminés à quitter leur pays.

Le procès-verbaux dressés à ce sujet seront communiqués aux autorités du pays auquel les dites femmes et filles appartiennent.

Art. 2. Les parties contractantes s'engagent aussi à concourir autant que possible, dans les limites légales à ce que celles de ces femmes et filles, qui contre leur volonté seraient réduites à se livrer à la prostitution, soient sur leur demande ou sur la demande des personnes ayant autorité sur elles, renvoyées du pays où elles se trouvent et conduites à la frontière de leur pays natal.

Art. 3. Les parties contractantes s'engagent en outre, à prêter leur concours, autant que possible, dans les limites légales, pour que les filles, encore mineures selon les lois de leur pays, qui se livrent de leur progre gré à la prostitution dans l'autre pays, soient sur la demande de leurs parents ou tuteurs renvoyées dans leur pays d'origine.

Art. 4. Avant d'effectuer le renvoi d'une des personnes mentionnées dans les articles 2 et 3, l'administration qui en est chargée adressera, par l'intermédiaire des autorités du pays, auquel la personne en question appartient, un avis aux personnes, qui ont autorité sur celle-ci, indiquant la date, à laquelle le renvoi aura lieu et la localité à laquelle la femme ou fille sera dirigée.

Art. 5. La correspondance entre les autorités des deux pays relative à ce renvoi, se fera autant que possible par voie directe.

Art. 6. Dans le cas, ou les frais occasionnés par l'entretien et le renvoi jusqu'à la frontière de ces femmes et filles ne pourront être remboursés par les femmes et filles elles-mêmes ou par leurs maris, parents ou tuteurs, ou ne devront pas l'être par les ténanciers, ils restent à la charge de l'Etat, qui a effectué le renvoi.

Art. 7. La présente déclaration sera ratifiée et les ratifications en seront échangées à Berlin.

Deze verklaring met België uitgewisseld is geheel gelijkluidend met die, welke Duitschland kort te voren met Nederland uitwisselde. De op- of aanmerkingen, die ik mij dus bij de behandeling van deze laatste verklaring veroorloofde, zijn ook hier van kracht, voor zoover het verschil in wetgeving dit niet uitsluit. Er is slechts eene verandering te constateeren in art. 6 van de verklaring tusschen Duitschland en België. 't Is de invoeging van de woorden "ou ne devront pas pas l'être par les ténanciers", die in onze verklaring ontbreken. Ze stellen evenwel niets nieuws. 't Is toch duidelijk, wanneer de bordeelhouders zich verplicht hadden de kosten der terugreis te restitueeren, (dit is mogelijk om het meisje of de vrouw eerder over te kunnen halen haar land te verlaten en haar meer vertrouwen in te boezemen, alhoewel de bordeelhouder in den aanvang natuurlijk toch voornemens was zich niet aan deze verplichting te houden) dat deze ook rechtens gevorderd kunnen worden. De Staat schiet de gelden voor. Wellicht stelt dit artikel een recht van den Staat daar om rechtstreeks den bordeelhouder voor de kosten der terugreis aan te spreken, die deze aan het misleide meisje schuldig was.

Bij 't slot mijner beschouwingen van het Duitsche recht in verband met den blanke slavinnenhandel worde nog gememoreerd, dat voor de uitleveringstractaten het bestaan van strafbepalingen tegen den meisjeshandel van zeer gering belang is, daar in dergelijke tractaten steeds een principe van reciprociteit op den voorgrond staat, en de meeste strafwetgevingen in de behoefte aan dusdanige bepalingen nog niet hebben voorzien.

Zoo spreekt het uitleveringstractaat tusschen Duitschland en Nederland van 2 Nov. 1897, Staatsblad 211 onder no. 8 van art. 1 wel zeer algemeen van "koppelarij" doch in alinea 1 van het artikel wordt bepaald dat slechts dan uitlevering voor de na te melden strafbare feiten plaats heeft, indien het gepleegde feit ook strafbaar is in het land, van hetwelk de uitlevering gevraagd wordt.

§ 3. BELGIË.

Sedert 1867 geldt de in 1810 in België ingevoerde Fransche Code Pénal na vele wijzigingen en aanvullingen in een werkelijk voor 't land en den tijd meer passenden vorm.

Het Fransche artikel 334 Code Pénal, dat de koppelarij strafbaar stelt, is na eene wijziging door de Belgische wet van 1846 het nu aldus geredigeerde art. 379 van den Code Pénal Belge:

Art. 379. Quiconque aura attenté aux moeurs en excitant, facilitant ou favorisant habituellement pour satisfaire les passions d'autrui, la débauche ou la corruption des mineurs de l'un ou de l'autre sexe sera puni d'un emprisonnement de trois mois à deux ans, si les mineurs sont agés de plus de quatorze ans accomplis et de deux ans à cinq ans d'emprisonnement, si les mineurs n'ont pas atteint cet âge.

Na dit artikel volgt art. 380, dat van dezen inhoud is:

Art. 380. Le fait énoncé à l'article précédent sera puni de la réclusion, s'il a été commis envers un enfant, qui n'avait pas accompli sa onzième année. La tentative de ce crime ne sera pas punissable.

't Ligt ook hier niet op mijn weg een grondige behandeling van dit artikel in alle opzichten te geven, doch slechts in zooverre als dit voor den blanke slavinnenhandel van belang is.

Ook deze artikelen straffen slecht het proxénétisme, zoodat uit den aard der zaak in generali de meisjeshandelaar, die toch slechts zijne medewerking daartoe verleent, niet als hoofddader kan gestraft worden.

Na een historisch opzet komt Nypels in zijn "Code Pénal Belge interprété" tot deze conclusie: "C'est donc le proxénétisme seul, que punit notre Code."

De bestanddeelen van het Belgische strafbare feit, dat de koppelarij treft, zijn de volgende:

1. Het "exciter, faciliter ou favoriser la débauche d'autrui".

2. Er moet bewezen worden, dat het "habituellement" geschiedt.

3. Het moet geschieden "pour satisfaire les passions d'autrui".

4. Teweeggebracht of bevorderd moet zijn de ontucht van minderjarigen.

Het is een délit collectif of délit d'habitude; enkele daden van proxénétisme vallen buiten 't bereik der strafwet. Nypels vraagt in zijn werk: "Combien de faits faut-il pour constituer l'habitude?"

Zijn antwoord is "Une jurisprudence, qui parait bien établie, exige qu'il en faut au moins trois" (Arr. Bruxelles 18 Avril 1856; Pasicr. 1856, II, 215).

Het derde bestanddeel is ingevoegd door de wet van 15 Juni 1846. (Vóordien bestond in België omtrent de kwestie of de bevordering van ontucht voor eigen passie ook strafbaar was even grooten strijd als in Frankrijk en ten onzent onder vigueur van den C.P.)

Wat den leeftijd aangaat onderscheidt de wet tusschen minderjarigen boven de 14 jaar, beneden de 14 en boven de 11 en ten slotte beneden de 11 jaar.

M.i. behoeft de dader niet geweten te hebben, dat de leeftijd van den minderjarige juist boven de 14 òf tusschen de 14 en 11 òf onder de 11 jaar was.

Voldoende is, als hij wist met een minderjarige te doen te hebben, dolus eventualis in dit opzet begrepen. Volgens Servais (Code Pénal belge interprété par Nypels) behoeft het Openbaar Ministerie niet het bewijs te leveren dat de beschuldigde den leeftijd van zijn slachtoffer kende. Zooals uit hetgeen ik zooeven zeide, blijkt, kan ik mij hiermede niet vereenigen. Bewezen moet worden, dat de beklaagde wist met een minderjarige te doen te hebben (c.q. is dolus ev. voldoende). Hieruit volgt zijn wil het strafbare feit te plegen; de lagere leeftijden, die de artt. 379 en 380 stellen, zijn als objectief verzwarende omstandigheden aan te merken. Wanneer evenwel de dolus ten opzichte der minderjarigheid vaststaat, is het bestaan der objectief verzwarende omstandigheden niet zoo hard voor den dader, als het wel schijnt. In de meeste gevallen toch zal ook ten opzichte van deze feiten een dolus eventualis aan te nemen zijn.

Onder vigueur van de oude Codebepaling art. 334 heeft de rechtbank te Luik een vonnis gewezen in zake een geval van meisjeshandel. Hare beslissing was aldus: "Celui, qui détermine une mineure à se placer comme servante dans une maison, avec l'assurance qu'elle entrerait dans une maison honnête est coupable de complicité du délit prévu par l'article 334 du Code pénal (379 du C. p. de 1897), s'il a su qu'au lieu d'y être reçu en qualité de domestique cette mineure serait livrée habituellement à la prostitution, qui s'est réellement consommée. (Liège, 14 dec. 1844. Pas. 1845 II 165).

Ware dit feit berecht onder den herzienen Code van 1867 dan had de uitspraak naar gelang der omstandigheden anders kunnen zijn. Dit is toe te schrijven aan de wijze waarop de leer der hulpverleening in het Belgische recht thans is geregeld.

Ik heb 't oog op art. 66 2o en 67 3o van den C. P. B. Ze luiden aldus:

Art. 66 2o. (Seront punis comme auteurs d'un crime ou d'un délit:)

Ceux, qui par un fait quelconque, auront prêté pour l'exécution une aide telle que sans leur assistance, le crime ou le délit n'eût pu être commis.

Art. 67 3o. (Seront punis comme complice d'un crime ou d'un délit:)

Ceux qui hors le cas prévu par le § 3 de l'article 66 (i. e. 66 2o) auront avec connaissance aidé ou assisté l'auteur ou les auteurs du crime ou du délit dans les faits qui l'ont préparé ou facilité, ou dans ceux, qui l'ont consommé.

Ten opzichte van den Franschen Code van 1810 is hier het begrip auteur uitgebreider, het begrip complice meer begrensd. De deelneming "par aide et assistance" kan zich natuurlijk op velerlei wijze openbaren. Nypels zegt in zijn commentaar daaromtrent: "La participation par aide et assistance sera suivant les circonstances ou un acte de participation principale (d'auteur) ou un acte de participation accessoire (de complice). Si l'aide a été telle qu'à son défaut le crime ou le délit n'eût pu étre commis le participant sera puni comme coauteur (66 : 2o). Si l'aide a été simplement accessoire, c'est à dire si elle n'a fait que faciliter l'exécution du crime le participant sera puni comme complice". (67 3o).

Het is een feitelijke kwestie, door den rechter in ieder geval afzonderlijk te beslissen, of hij, die op de een of andere wijze behulpzaam is geweest, als coauteur of als complice bestraft moet worden; voor het strafminimum natuurlijk van belang, daar de Belgische complice niet als de Fransche gestraft wordt als de dader (behoudens eenige uitzonderingen).

De blanke slavinnenhandelaar kan dus volgens het Belgische recht naar gelang van de omstandigheden hetzij als dader van hetzij als medeplichtige aan 't misdrijf van 379 en 380 C. P. B. gestraft worden, mits de overige vereischten door deze artt. gevorderd, aanwezig zijn. [15]

Dit stelsel van den C. P. B. biedt in zooverre groote voordeelen, dat de strafwet ook den meisjeshandelaar treft, die werkzaam geweest is, vóórdat de dader van het misdrijf van art. 379 of 380 eenig opzet had het strafbare feit te plegen. Inderdaad van groot belang; eene beslissing met ons Nederlandsche recht, naar mijne bescheiden meening, onvereenigbaar.

Nypels geeft in zijn commentaar als voorbeelden op: "Coauteurs par aide ou assistance avant l'exécution: le domestique, qui ouvre aux voleurs la porte de la maison, qu'ils veulent dévaliser; celui qui attire la victime dans la maison, où elle doit être assassinée etc."

In deze gevallen en in een geval van meisjeshandel, waarbij de placeur valt onder art. 66 2o is er sprake van een "participation indispensable". Men moet dit evenwel niet opvatten als een absolute onmisbaarheid: het misleide meisje kon ook door een ander verlokt worden; doch de Belgische geleerde zegt, dat de onmogelijkheid dat anders het misdrijf zou gepleegd zijn, slechts relatief moet opgevat worden. Een anderen zin aan 't artikel te hechten zou leiden tot eene volkomen onbruikbaarheid van het artikel (66 2o.)

Er moet evenwel niet vergeten worden, dat we hier te doen hebben met een geval van "participation", al wordt de schuldige ook als coauteur gestraft. Kwam het dus niet tot het strafbare feit van art. 379 of art. 380, strafbare poging inbegrepen, de meisjeshandelaar blijft straffeloos, al had hij ook alles gedaan, wat voor zijn werkzaamheid noodig was.

Voor ik van deze bespreking afstap wil ik nog een enkel woord wijden aan het habituellement exciter etc. In 't rapport van den Heer de Leval op 't Londensche Congres van Juni 1899 vind ik vermeld één uitspraak van den Belgischen rechter, volgens welke hij die eene minderjarige aan een bordeelhouder aflevert schuldig zou zijn aan het feit in art. 379 (jo 66 2o. C. P. B.) omschreven. De wetenschap, dat een meisje in een publiek huis zich dagelijks aan de prostitutie overgeeft stelt de voorwaarde van de gewoonte daar. 't Is waar: de meisjeshandelaar stelt den bordeelhouder in staat het misdrijf van art. 379 of 380 te plegen. De redactie der artt. 662o. en 673o. zou ook een argument kunnen wezen. Eene rationeele opvatting en uitlegging verzetten zich m. i. evenwel tegen de meening als zou de deelnemer reeds dan strafbaar zijn. Welk een onzekere rechtstoestand zou hierdoor geschapen worden. Van den dader, een bordeelhouder of ander, zou het afhangen of de meisjeshandelaar vervolgd moet worden of niet. Bevordert hij de ontucht van het verkochte meisje éen keer of 2 keer, dan heeft de placeur niets te vreezen; geschiedt 't nog eens dan is zijn daad plotseling een feit geworden, waarop een zware straf staat. Welk een rechtsonzekerheid! Gevorderd wordt niet eenvoudig een gewoonlijk zich overgeven aan de ontucht, doch dit moet geschieden als gevolg van een gewoonlijk doen of laten van den schuldige.

De bordeelen zijn niet verboden in België. Het toezicht is overgelaten aan de plaatselijke overheid, die in hoogste instantie de sluiting kan bevelen. Het rapport van den Heer de Leval (op 't Londensche Congres in 1899) vermeldt, dat dit nog al eens plaats heeft.

Daar de politie de bevoegdheid heeft die huizen ieder oogenblik binnen te treden kan zij in de gelegenheid zijn op 't spoor te komen van vele ongerechtigheden.

Dit beweert althans bovengenoemde Belgische afgevaardigde op 't Londensche Congres. Ik heb reeds meer dan eens elders er op gewezen, dat dit in theorie zeer wel mogelijk is, doch dat de praktijk met dergelijke theoretische uitingen meestal den spot drijft.

Eene ministeriëele circulaire (1891) heeft der Belgische politie de aanschrijving gedaan alle vreemde vrouwen, die zich aan prostitutie overgeven uit te zetten. Woordelijk heet het in de circulaire aldus: "le fait de se livrer à la prostitution clandestine, quelle que soit la profession prétendument exércée par les étrangères suffit pour que leur renvoi soit ordonné." (zie Redev. van Bylandt 2e Kamer 5 Maart 1890). Nog valt te vermelden de Loi du 12 Février 1897 sur les étrangers, waarvan art 1 luidt:

Art. 1er. "L'étranger résident en Belgique, qui par sa conduite, compromet la tranquillité publique, ou celui qui est poursuivi ou qui a été condamné à l'étranger pour les crimes au délits, qui donnent lieu à l'extradition peut être contraint par le Gouvernement de s'éloigner d'un certain lieu, d'habiter dans un lieu déterminé ou même de sortir du royaume.

L'arrêté royal enjoignant à un étranger de sortir du royaume, parce qu' il compromet la tranquillité publique sera délibéré en conseil des Ministres." Volgens deze wet kunnen dus placeurs van vreemde nationaliteit het land uitgezet worden op grond, dat zij "la tranquillité publique" in gevaar brengen. Te betreuren is de omslachtige weg, die het artikel aanwijst om tot de verwijdering te geraken.--Volgens den Heer de Leval is het plichtsgevoel en de zucht om den meisjeshandel te onderdrukken bij de politie zeer aangewakkerd na de openbaarmaking van de schandalen van 1880. Een gelukkig verschijnsel, want vóór 1880 was van beiden niets te bespeuren.--De nationale wetgeving in België heeft dus nog geen afzonderlijke bepalingen in het leven geroepen ter bestraffing van placeurs en consorten. Wij hebben evenwel reeds gezien dat zij toch al een open oog heeft gehad voor de belangen van de inlandsche meisjes in het buitenland en van misleide meisjes uit den vreemde in België. Hiervan getuigen de reeds behandelde verklaringen, die België met Nederland en Duitschland respectievelijk den 18 Dec. 1886 en den 4 Sept. 1890 (goedgekeurd door de wet van 27 July 1891) uitgewisseld heeft.

§ 4. FRANKRIJK.

Wij hebben het artikel dat in den Franschen Code Pénal onze aandacht vraagt reeds meer dan eens ontmoet. Art. 334 C. P. is toch de grondslag geweest voor de bestraffing van de koppelarij in vele andere strafwetgevingen.

Het luidt aldus:

Art. 334. Quiconque aura attenté aux moeurs en excitant favorisant ou facilitant habituellement la débauche ou la corruption de la jeunesse de l'un ou de l'autre sexe au dessous de l'âge de vingt et un ans sera puni d'un emprisonnement de six mois à deux ans, et d'une amende de cinquante francs à cinq cents francs.

Si la prostitution ou corruption a été excitée, favorisée ou facilitée par leurs père, mère, tuteur ou autres personnes chargées de leur surveillance, la peine sera de deux ans à cinq ans d'emprisonnement, et de trois cents francs à mille francs d'amende.

Art. 335 geeft eenige nadere voorschriften voor de straf; ook politietoezicht kan opgelegd worden.

Ad. Chauveau en Hélie Faustin geven in hun Théorie du Code Pénal een historische ontwikkeling van de koppelarij, zooals deze nu in het Fransche Code-artikel aan te treffen is. Het blijkt dat art. 334 C. P. beoogt te treffen hetzelfde feit, dat het Romeinsche Recht als lenocinium strafbaar stelde; d. i. vooral het door (directe) bemiddeling teweegbrengen van iemands ontucht. (Lenocinium facit, qui quaestuaria mancipia habuerit; sed et qui in liberis hunc quaestum exercet, in eadem causa est. L. 4 § 2 D. De his qui not. infam. III 2).

Dat er verder nog sprake is van favoriser en faciliter doet tot de zaak niets af. Het exciter bedoelt de causa movens, het favoriser en faciliter, het in de hand werken van het reeds bestaand voornemen van een derde.

De blanke slavinnenhandelaar, wiens indirecte bemiddeling de vrouw of het meisje tot de ontucht drijft, is dus niet als hoofddader van art. 334 C. P. te straffen. Hij verleent slechts zijne medewerking tot de handelingen van dezen, en is te vervolgen als medeplichtige, indien zijn eigen handelingen op te vatten zijn als deelnemingshandelingen, zooals art. 60, 2de en 3de lid C. P. ze omschrijven.

Art. 60. (Seront punis comme complice d'une action qualifiée crime ou délit).

2o. Ceux qui auront procuré des armes, des instruments ou out autre moyen, qui aura servi à l'action, sachant qu'ils devaient y servir;

3o. Ceux qui auront, avec connaissance, aidé ou assisté l'auteur ou les auteurs de l'action dans les faits, qui l'auront préparée ou facilitée, ou dans ceux qui l'auront consommée, sans préjudices des peines, qui etc. etc.

Dat met de achterhaling dezer wandaden op deze wijze niet volstaan kan worden, is dan ook geruimen tijd door sommige staatslieden ingezien. Frankrijk heeft aan Bérenger te danken een wetsvoorstel, waarvan art. 5 dezen inhoud heeft:

"L'embauchage par violence ou par fraude pour la prostitution, l'emploi des mêmes moyens pour contraindre une personne, même majeure, à se livrer à la prostitution, seront punis d'un emprisonnement de six mois à deux ans et d'une amende de 100 à 2000 francs.

En cas de récidive dans les conditions prévues par l'article 2, la relégation pourra être prononcée."

Dit artikel werd in 1895 door den Franschen Senaat aangenomen in een wetsontwerp in zake de prostitutie; [16] het wordt nu voor de Fransche Kamer van Afgevaardigden behandeld. (1899 Rapport Bérenger op 't Engelsche Congres). Bérenger achtte het in zijn rapport in ieder geval noodzakelijkheid, dat aan dit artikel nog werden toegevoegd de woorden ("or by abuse of authority") "ou par abus d'autorité" waardoor zouden getroffen worden zoowel de man of de ouders die hun vrouw of dochter aan de prostitutie overleveren als ook hij, die het meisje, dat hij verleid heeft, noodzaakt zich te prostitueeren, opdat hij bestaan kan van 't loon van haar ontucht.

Het artikel, zooals het reeds in eerste lezing aangenomen is treft hem,

1º. qui embauche par violence ou par fraude pour la prostitution,

2º. qui contraint par violence ou par fraude une personne, même majeure, à se livrer à la prostitution.

In het eerste geval mag men aannemen, dat in zoo ruim mogelijk gestelde bewoordingen sprake is van den meisjeshandel.

Wanneer de hier gestelde vereischten aanwezig zijn mag voorzeker het oogmerk om aan de prostitutie over te leveren als bij den placeur bestaand aangenomen worden.

Zoowel de minderjarige als de meerderjarige vrouw wordt hier beschermd. De enkele daad van het verkoopen van eene vrouw wordt reeds getroffen.

Het motief doet niets ter zake: winstbejag en andere motieven staan gelijk.

Ik kan echter niet verhelen, dat de bepaling mij niet voldoet, daar ik, omdat het de bedoeling geweest is den meisjeshandel te treffen, de bestanddeelen van een daad van meisjeshandel niet duidelijk weergegeven vind. Onder de bepaling vallen ook andere gevallen: 't is toch mogelijk, dat de vrouw niets weet van hetgeen men met haar zal doen, en hieronder valt de ware meisjeshandelsdaad; aan den anderen kant kan het bedrog ten opzichte van andere omstandigheden bij de daad in concreto gepleegd zijn, zoodat daardoor niet verhinderd wordt, dat de vrouw zich bewust is, dat zij zich gaat prostitueeren.

Het 2de geval straft hem, die eene vrouw door geweld of bedrog dwingt zich te prostitueeren.

Dit gedeelte zal vooral den bordeelhouder treffen, die een gekochte vrouw met geweld of door bedrog (waaronder ook zou kunnen vallen b. v. het bedwelmen door dranken) dwingt zich aan een man over te geven. In sommige gevallen wellicht een medeplichtigheid aan verkrachting. Door dit tweede geval wordt in tweeërlei opzichten eene uitbreiding gegeven aan het koppelarij-artikel van den Code Pénal, dat slechts straft het exciter habituellement la débauche d'une mineure. In dit ontwerp-Bérenger wordt de strafrechterlijke bescherming uitgestrekt tot iedereen hetzij meerderjarig of minderjarig; behoeft het exciter niet habituellement te geschieden maar moet het par violence ou par fraude geschieden.

Het drijven van handel in vrouwen en meisjes, wordt niet aan strafverzwaring onderworpen, wel de recidive van de enkelvoudige daad. Op den buitenlandschen handel wordt echter niet speciaal gelet.

Mijn opinie is, dat dit artikel aan de behoeften der praktijk zal kunnen voldoen, mits de toepassing goed verzekerd worde. 't Komt hier dus aan op ruime politiebevoegdheden om gelegenheid te hebben op 't spoor te komen van die misdrijven, en vereischt is eene degelijke plichtsbetrachting van de zijde der politie.

Hierop schijnt vooral in Frankrijk de nadruk gelegd te moeten worden. Yves Guyot beschouwt het in zijn rapport op 't Congrès Pénitentiaire, in 1895 te Parijs gehouden, als het kardinale punt. Hij slaakte deze verzuchting: "Sa répression et sa suppression sont bien plus une question de police que de législation. A quoi bon avoir des lois sur le papier, si la police les viole? A quoi bon l'article 334 dans le Code Pénal, si la police inscrit elle même des mineures sur ses régistres et profite de leur misère et de leur inexpérience pour les enfermer dans des maisons de tolérance?"

Juist dit is het zwakke punt. Een macht van wetten en dekreten, zoowel van jongeren als van ouderen datum, tot voor een eeuw her, op het prostitutie-vraagstuk betrekking hebbende vigeeren in Frankrijk, doch de uitvoering ontbreekt. Gewapend met de bevoegdheden haar ter dezer zake in die wetten en dekreten toegekend, is de politie in ruime mate in staat mede te werken tot de bestrijding van den meisjeshandel [17].

De strenge reglementatie der prostitutie is in dit land dus een indirect middel voor de politie om het euvel tegen te gaan. Verder moet opgemerkt worden, dat de politiebevoegdheden, op dit punt betrekking hebbende, slechts in zeer algemeene bewoordingen gesteld zijn. Gedetailleerde bepalingen ontbreken, doch juist deze omstandigheid werkt er toe mede om de politie in staat te stellen hare taak ruim op te vatten, niet gebonden aan nauwkeurig gestelde voorschriften die in deze kwestie slechts kunnen uitmunten door ondoelmatigheid wegens de ontelbare variaties der gevallen, die zich kunnen voordoen.

De politie, die in deze zaak bevoegd is, is eene afzonderlijke afdeeling van de Administration de police, de zoogenaamde "service des Moeurs" die het toezicht heeft op alles wat de prostitutie raakt en zoowel preventief als repressief kan optreden ten opzichte van de ongerechtigheden, waartoe de prostitutie zoo bij uitstek aanleiding geeft.

De Fransche afgevaardigde op 't congres te Londen (1899) de Heer Bérenger, vermeldt, dat minderjarige meisjes geen buitenlandsch paspoort kunnen verkrijgen dan op uitdrukkelijk verzoek der ouders. Dat deze bepaling gemakkelijk kan ontdoken worden, wanneer de meisjeshandelaar het noodig vindt, behoeft geen verder betoog. Uit 't rapport van denzelfden afgevaardigde blijkt, dat de consuls van Frankrijk in 't buitenland gevestigd ook hun aandacht vestigen op dit kwaad en pogingen in het werk stellen om het te voorkomen. Hij haalt althans het voorbeeld aan van een consul in Rusland gevestigd, die er op opmerkzaam maakte, aan welke gevaren emigreerende vrouwen en meisjes blootgesteld werden, hetgeen blijkt uit de bij dat consulaat ingekomen talrijke aanvragen om onderstand en om terugzending naar Frankrijk.

§ 5. ZWITSERLAND.

Men acht zich gelukkig in den Zwitserschen Bondsstaat, dat de tijd wellicht niet meer verre zal zijn, die een einde maken zal aan den onhoudbaren toestand, dat binnen een betrekkelijk klein territoir een twee en twintigtal verschillende strafwetten heerschen. Deze wijken zeer van elkander af: de Duitsche kantons hebben hun strafwetten naar Duitschen leest geschoeid, de Fransche kantons hebben zich den Code Pénal tot voorbeeld gekozen. Groote verscheidenheid heerscht vooral op 't gebied der zedenmisdrijven.

Wanneer wij het begrip der koppelarij in het dagelijksch leven aangeven als het teweegbrengen of bevorderen van de ontucht van derden, die evenwel in deze algemeenheid bijna nergens strafbaar is, dan hebben wij een juiste maatstaf om aan te stippen, in hoeverre in de verschillende kantons de koppelarij gestraft wordt. (De cijfers, die ik hierbij aangeef, wijzen de artt. aan uit de verschillende strafwetboeken.)

Thurgovie straft koppelarij, indien 't uit gewoonte of of uit winstbejag geschiedt. Strafverzwaring indien manoeuvres frauduleuses gebezigd zijn. (art. 121-124).

Schwyz: art. 94 vordert het gewoonlijk handelen.

Schaffhausen: art. 183 conform aan de desbetreffende bepalingen van Thurgovie.

Bern: art. 168 vordert het koppelen uit gewoonte. Strafverzwaring, indien door prétextes frauduleux eerbare vrouwen tot de prostitutie verleid worden, zelfs dan wanneer 't doel niet bereikt is.

Grisons: Iedere koppelarij wordt gestraft; de strafmate verschilt al naar gelang er eene gewoonte of niet te constateeren valt of al naar gelang er eene persoonlijke betrekking bestaat met de verleide persoon of niet. (art. 146).

Argovie: dit kanton heeft geen repressie van koppelarij.

Valais: art. 199 vordert een gewoonlijk handelen.

Obwalden: proxénétisme voor de tweede maal bedreven wordt gestraft, art. 70. Eveneens de begunstiger, die eene gelegenheid verschaft, waar ontucht bedreven kan worden. (art. 112 Code de Police).

Glarus: art. 83 is identiek met art. 146 van het strafwetboek van Grisons.

Freiburg: art. 396 vordert dat de koppelarij uit gewoonte bedreven zij.

Bazel, (stad en land). Gewoonte of winstbejag moet bewezen worden, (art. 96).

Genève: Gewoonte of winstbejag maakt de koppelarij strafbaar, doch slechts dan wanneer deze in 't openbaar plaats heeft. (Loi pénale concernant les délits et contraventions contre la morale publique du 26 Nov. 1888).

Zug: art. 99 bevat dezelfde vereischten als art. 146 van Grisons en art. 83 van Glarus.

St. Gall: art. 170 straft koppelarij in de eenvoudigste gedaante, doch strafverzwaring bij gewoonte, winstbejag of verleiding van jeugdige, eerbare personen.

Lucerne: art. 149 treft alle koppelarij en verder het in de gelegenheid stellen of er toe medewerken dat op eenige wijze in het huis van den dader of elders ontucht gepleegd wordt.

Soleure: koppelarij is strafbaar indien het uit winstbejag geschiedt. (art. 105.)

Neuchâtel: iedere koppelarij wordt gestraft; strafverzwaring heeft plaats, indien eerbare vrouwen buiten haar weten in een huis van ontucht gebracht worden door hen, die de verleiding tot ontucht als bedrijf uitoefenen. (art. 292.)

Tessin: 't eenige kanton, dat de strafbaarheid der koppelarij beperkt tot die der minderjarigen (20 jaar.) mits gewoonte of winstbejag bewezen zij. (art. 263.)

Appenzell: een gewoonlijk handelen wordt in art. 101 gevorderd.

Vaud. De wet van 20 Nov. 1896 heeft een nieuw artikel over de koppelarij in 't leven geroepen. Iedere koppelarij is nu in art. 198 (nieuw) strafbaar gesteld.

Zürich. De wet van 30 Maart 1897 om verandering te brengen in het strafwetboek van 8 Jan. 1871 heeft nevens de oude artikelen 121 en 122, die handelen over het proxénétisme, eenige nieuwe bepalingen gevoegd. De toestand is nu aldus: koppelarij uit gewoonte of uit winstbejag is strafbaar. Strafverzwaring bij aanwending van manoeuvres frauduleuses of bij verleiding van eerbare personen. Bordeelen zijn op straffe verboden. Verder bevatten de artt. 121, 121a, 122, 122a, 122b nog verschillende bepalingen, die deels het begrip koppelarij nader uitwerken, deels omstandigheden bevatten, die de straf verzwaren.

Dit is in het kort de inhoud der koppelarijartikelen uit de strafwetboeken der Zwitsersche kantons, voorzoover ze ons belang kunnen inboezemen.

Eerlang zal, zooals ik reeds even aanstipte, een strafwetboek ontstaan voor geheel Zwitserland.

Het herziene ontwerp van Professor C. Stooss is gepubliceerd in Maart 1896.

Wat de misdrijven tegen de zeden betreft, kan men niet ontkennen dat het ontwerp zeer streng is. Wat moderne moralisten op dit gebied kunnen verlangen geeft het ruimschoots.

Artt. 116 en 117 van het ontwerp handelen over proxénétisme 117 speciaal in bordeelen en art. 118 over den meisjeshandel.

Art. 118 luidt aldus in den Franschen text:

Sera puni de la réclusion celui qui, par la ruse, la menace ou la violence, aura cherché à livrer une femme à autrui dans un but de débauche.

La peine sera la réclusion pour 5 ans au moins: si la femme est mineure; si elle est l'épouse, la fille ou la petite fille de l'auteur ou si elle avait été confiée à ses soins, à sa protection ou à sa surveillance; si l'auteur a cherché à la livrer à une maison de prostitution; si c'est à l'étranger qu'elle devait être livrée à la débauche.

La peine sera la réclusion pour 10 ans au moins où la réclusion à vie:

Si la femme était de réputation intacte et si elle a été effectivement livrée à débauche.

Deze laatste omstandigheden zijn niet strafbepalend, doch strafverzwarend.

Dit artikel is m.i. zeer nauwkeurig, wat betreft de afdaling in détails en voor zoover die omstandigheden als strafverzwarend in aanmerking komen. Daar het ontwerp nog geen wet is, wil ik mij van vele op- en aanmerkingen onthouden. Doch éene, m.i. belangrijke, moet mij uit de pen. Wordt dit artikel aldus aangenomen, dan voorzie ik de mogelijkheid dat vele tusschenpersonen, n.l. degenen, die na hem, die door middel van de opgesomde middelen te werk gaat, zich belasten met de taak de vrouw aan hare bestemming te brengen, eene veroordeeling zullen ontloopen, al is hun schuld of opzet nog zoo duidelijk!

Eene bepaling in den geest van het 2de lid van art. 48 van het Duitsche Auswanderungsgesetz ware wel aan te bevelen.

Verder is het onjuist, al zou dit artikel uitsluitend den meisjeshandel treffen; daarvoor is het te algemeen gesteld. De essentiëele bestanddeelen van een dergelijke daad treft men daarin niet aan.

Voor den buitenlandschen handel is het melden waard een wet van 24 Dec. 1880 op de emigratiebureaux en agenten geldend in geheel Zwitserland.

In 't kort is de inhoud van de wet deze:

Om als emigratie-agent op te treden moet men vergunning bekomen.

Met ieder, die het land wil verlaten moet een contract gesloten worden, waarvan de vorm door de wet voorgeschreven is. Overigens bevat de wet nog verschillende verplichtingen van welke ik vermeld het verbod om minderjarigen beneden de 18 jaar behulpzaam te zijn in hun vertrek naar het buitenland, wanneer deze niet vergezeld zijn van betrouwenswaardige personen. De minderjarigen moeten in hun onderhoud kunnen voorzien op de plaats van bestemming en verder is toestemming noodig van hen die gezag over hen uitoefenen. Verboden is personen behulpzaam te zijn, die na betaling van hun reisgeld, op de plaats van bestemming geheel van middelen zouden ontbloot zijn. Verder nog eenige bepalingen voor de zekerheid van hen, die over zee emigreeren.

De Zwitsersche Consuls in de zeehavens van het buitenland zijn belast met 't onderzoek van alle klachten van Zwitsersche émigré's, die betrekking hebben op de niet vervulling van de contractsvoorwaarden. (Rapport van den Heer de Meuron op het Congres te Londen 1899.)

Vermeld moet nog worden een interkantonaal tractaat van 1875: "Concordat entre les cantons de Berne, Fribourg, Vaud, Valais, Neuchâtel et Genève pour la protection des jeunes gens placés à l'étranger." De bureaux de placement worden onder toezicht van de overheid geplaatst. Ze moeten restitueeren de kosten van de terugkeer van jonge meisjes die zij in den vreemde geplaatst hebben, zoodat haar terugkomst noodzakelijk is. De plaatsing in een huis van ontucht wordt hier uitdrukkelijk als voorbeeld genoemd. Verder wordt nog een opdracht gegeven aan den Consul in het land, waarheen het meisje zich begeeft. De overheid verstrekt aan de jeugdige personen, die emigreeren, een boekje met raadgevingen. (Rapport de Meuron.)

De Zwitsersche politie gaat krachtig preventief te werk door aankondigingen in dagbladen, waarschuwingen tegen verdachte personen.

Het Rapport van den Heer de Meuron vermeldt in dien geest eenige waarschuwingen, afkomstig van het "Département de Justice et Police du Canton de Vaud."

§ 6. OOSTENRIJK-HONGARIJE.

In Oostenrijk dateert het vigeerende strafwetboek van 27 Mei 1852. In zulk een oud wetboek behoeven we voorzeker niet veel te verwachten, dat ons kan voldoen. Vorm en sanctie zijn in dit wetboek zelfs nog in afzonderlijke bepalingen neergelegd.

§ 132 IV verklaart "Kuppelei in Beziehung auf eine unschuldige Person" een strafbaar feit. IV Kuppelei, woferne dadurch eine unschuldige Person verführt wurde, (oder wenn sich Eltern, Vormünder, Erzieher oder Lehrer derselben gegen ihre Kinder, Mündel, oder die ihnen zur Erziehung oder zum Unterrichte anvertrauten Personen schuldig machen). Dit is een Verbrechen. Eene Uebertretung is neergelegd in art. 512c, zooals dit door de wet van 24 Mei 1885 (B. d. L. no. 89) veranderd is. Het artikel straft hen als schuldig aan koppelarij, "welche sonst sich zu Unterhändlern in unerlaubten Verständnissen dieser Art gebrauchen lassen."

Het Verbrechen zou ik willen beschouwen als het teweegbrengen van de ontucht van een onschuldig persoon, de Uebertretung als het bevorderen van de ontucht van een derde, al dan niet onschuldig. Deze beide artikelen zijn nog minder ruim dan de gelijksoortige artikelen uit de huidige strafwetgevingen. Dat een placeur in generali hieronder zou vallen, daarvan is geen sprake.

In 1861 is men in Oostenrijk begonnen met het ontwerpen van een nieuw strafwetboek. In 1889 geëindigd heeft het tot nu toe nog geen resultaat opgeleverd.

§ 198 ontwerp luidt: Wer der Unzucht anderer Vorschub leistet wird wegen Kuppelei bestraft;

5. Wenn eine Person in das Ausland befördert wird um sie daselbst dem umzuchtigen Gewerbe mit ihrem Körper zuzuführen [18].

Straf: hoogstens 5 jaar tuchthuis of gevangenis.

Hier wordt dus een zeer ruwe interpretatie gegeven van het begrip koppelarij. De buitenlandsche meisjeshandel wordt hier getroffen doch daarnevens vele andere handelingen, die buiten het bereik der strafwet moesten vallen. De meest eigenaardige elementen van den meisjeshandel zijn hier genegligeerd. Het artikel is bepaald af te keuren. Het is veel te ruim gesteld.

Art. 207 IV. van het strafwetboek van Bosnië en Herzegovina is gelijkluidend met art. 132 IV van het Oostenrijksche strafwetboek.

Oorspronkelijk was het met het Hongaarsche strafwetboek treurig gesteld. Het strafte slechts den zwaarsten vorm van koppelarij.

Art. 247 is van dezen inhoud:

"Derjenige, welcher seine eheliche oder natürliche Tochter zum Beischlafe mit einem Anderen, oder welcher sein eheliches oder natürliches Kind zu geschlechtlicher oder widernatürlicher Unzucht mit einem Anderen verleitet, begeht das Verbrechen der Kuppelei und ist mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren zu bestrafen.

Dieselbe Strafe trifft auch denjenigen, welcher eine seiner Vormundschaft, Curatel, Erziehung, seinem Unterrichte oder seiner Aufsicht anvertraute Person zu einer solchen Handlung verführt."

Aan dien ondragelijken toestand werd in 1892 een einde gemaakt door den Minister van Justitie Desiderius von Szilágyi, wiens ontworpen novelle art. 247a van het wetboek werd.

Art. 247a. "Das Vergehen der Kuppelei verübt derjenige und wird mit Gefängnis bis zu einem Jahre und mit Geldstrafe bis zu tausend Gulden bestraft, wer eine unbescholtene Frauensperson dazu überredet, mit einem andern einen ausserehelichen Beischlaf zu vollziehen oder Unzucht zu verüben oder wer eine solche Frauensperson einem Bordelle oder einem ähnlichen unmoralischen Geschäft zuführt--insofern derartige Kuppelei gewohnheitsmässig betrieben wird."

"Die Kuppelei wird mit Kerker bis zu fünf Jahren und mit Geldstrafe bis zu 2000 Gulden bestraft, wenn dieselbe mit Anwendung von hinterlistigen Kunstgriffen verübt wurde, oder wenn ein unbescholtenes Mädchen behufs Zuführung in ein Bordell oder in ein ähnliches unmoraliches Geschäft in das Ausland beförderd wird. Der Versuch des Vergehens der Kuppelei ist strafbar."

In 't kort wil ik mijne opmerkingen over dit artikel laten hooren. Uitvoerige bespreking van de strafwetgeving van ieder land, voor zoover het dit punt aangaat, zou mij veel te ver voeren. Slechts eerbare vrouwen worden beschermd. Dit is te beperkt. Alinea 2 is blijkbaar bestemd de koppelarij het karakter te geven van den meisjeshandel; het zijn verzwarende omstandigheden voor het delikt van al. 1. Doch het omvat veel meer dan den blanke slavinnenhandel; ook hier zijn de essentiëele elementen van dit strafbare feit niet aangegeven.

Het artikel is evenwel te beperkt en omvat in zooverre niet iedere daad van meisjeshandel, als het hier slechts--zooals ik reeds opmerkte--de bescherming van eerbare vrouwen aangaat en voor de strafbaarheid het gewoonte-element gevorderd wordt.

In Hongarije heeft de meisjeshandel zulk een grooten omvang bereikt, dat het wel verbazing moet wekken, dat op zulk een onvolledige wijze in deze materie voorzien is.

De rapporteur van het 4de onderwerp "Die internationale Bekämpfung des Mädchenhandels", op 't congres te Budapest in 1899 behandeld, Dr. Ludwig Gruber, vermeldt eene ministeriëele circulaire, die de strekking heeft eenige voorschriften te geven met 't oog op deze kwestie. Jonge vrouwen, die zich naar het Oosten willen begeven, onder welk voorwendsel het ook zij, kunnen slechts een pas bekomen, indien zij blijk geven na haar aankomst in haar onderhoud goed te kunnen voorzien. De plaatselijke overheid wordt gewezen op haar plicht alle moeite te doen tot opsporing der handelaars. Ouders moeten op 't gevaar gewezen worden. Hij, die deze koppelaars aan de overheid aanwijst, geniet eene belooning. De koppelaars kunnen gestraft worden volgens de strafwet of volgens politieverordening. Vreemdelingen kunnen na 't ondergaan van hun straf uit 't land gezet worden. De wet betreffende "die Auswanderungs-Agenturen" van 1881 vordert eene vergunning om als emigratieagent op te treden.

Zoowel de overheid aan de grensplaatsen, als de ondernemers van stoomschepen voor het Oosten en de consuls aldaar worden steeds op hun plicht gewezen en voortdurende waakzaamheid wordt haar aanbevolen.

§ 7. HET SKANDINAVISCHE NOORDEN.

Het strafwetboek van Denemarken dagteekent van 10 Febr. 1866. Zoowel deze omstandigheid, dat het wetboek reeds van zoo'n ouden datum is, als het feit, dat in de Noordelijke landen, zoowel Denemarken als Zweden en Noorwegen niet in die mate de blanke slavinnenhandel gedreven wordt, als in het overige Europa, is wel reden dat wij geen hooge verwachtingen omtrent de wettelijke maatregelen ter bestrijding van dit euvel behoeven te koesteren.

Van Swinderen geeft in zijn Esquisse du Droit Pénal Actuel dans les Pays-Bas et à l'étranger, als geldende strafbepaling tegen de koppelarij in het Deensche wetboek aan § 182, waarvan de inhoud is:

"Ceux, qui auront fait le métier de proxénète de même que ceux qui, moyennant paiement auront donné accès dans leurs demeures à des personnes de sexe différent pour s'y livrer à la débauche, ou qui malgré la défense de la police, auront logé chez eux des femmes vivant de la prostitution seront punis des travaux forcés dans une maison de correction, ou de l'emprisonnement de pain et à l'eau."

Art. 182 treft dus het teweegbrengen van de ontucht van anderen als causa movens, doch slechts bij een gewoonlijk handelen, verder het bevorderen daarvan, uit winstbejag in zoover als de anderen reeds het plan gevormd hebben, doch slechts als eene woning of kamer daarvoor beschikbaar gesteld wordt. Ten slotte blijkt uit het artikel, dat zij, die kamers verhuren aan prostituées, daarvoor vergunning moeten bekomen van de politie. Het artikel treft dus den blanke slavinnenhandelaar niet.

Het strafwetboek van Zweden geldt sedert 1 Jan. 1865. Art. 11 van Hoofdstuk 18 "Des attentats aux moeurs" is van dezen inhoud (van Swinderen, Esquisse etc.; Rapport Tamm, Congres Londen 1899)

"Quiconque aura favorisé la débauche par maquerellage ou aura tenu une maison de prostitution, sera puni de 6 mois à quatre ans de travaux forcés. La femme qui se sera livrée à la débauche dans une telle maison sera condamnée à un emprisonnement...."

"Maquerellage" zal in de gewone taalkundige beteekenis moeten opgevat worden en niet uitgebreid mogen worden tot het geval, dat de dader slechts het bestaand voornemen van anderen begunstigt.

De bordeelen zijn verboden; inzooverre is de binnenlandsche handel juridisch onbestaanbaar, en kunnen juridisch geen vreemde meisjes in Zweden ingevoerd worden. Van 2 zijden wordt het bestaan van bordeelen onmogelijk gemaakt, daar behalve de bordeelhouder ook de zich aldaar prostitueerende vrouw getroffen wordt. [19]

Groote contrôle oefent sedert eene wet van 1884 de overheid uit op de bureaux de placement. Deze kunnen slechts door een Zweed gehouden worden.

Met 't oog op het feit dat westelijk Finland als 't ware overstroomd werd door prostituées, die daarheen gingen uit Stockholm, is den 16 April 1861 een tractaat tot stand gekomen tusschen Zweden en Rusland om hulpbehoevenden en zwervelingen te repatrieëeren. [20]

Het strafwetboek voor Noorwegen bestaat reeds sedert 20 Aug. 1842, alhoewel het na dien tijd verschillende veranderingen ondergaan heeft.

Hoofdstuk 18 draagt als titel "De l'impudicité" (v. Swinderen "Esquisse"). Het artikel, dat onze aandacht vraagt is art. 27. Het straft hem, die teweegbrengt dat een vrouw of meisje vleeschelijke gemeenschap heeft met een derde. Eveneens hem, die een bordeel houdt of zijn huis, geheel of gedeeltelijk voor ontuchtige doeleinden beschikbaar stelt. Art. 27 straft dus weer alleen koppelarij door directe bemiddeling. Juridisch is de binnenlandsche- en de import-handel onbestaanbaar, wegens het verbod van bordeelen. Bij Koninklijk Besluit van 14 Nov. 1885 werd eene commissie benoemd voor het ontwerpen van een nieuw strafwetboek voor Noorwegen. Artt. 191-214 uit 't ontwerp bevatten de "Verbrechen wider die Sittlichkeit." Ik zal enkele artikelen in de Duitsche vertaling citeeren, voorzoover ze bij mijn onderwerp te pas komen.

Art. 200. Wer jemanden zu unzüchtigem Verkehr mit einem andern verführt oder dazu mitwirkt, dass jemand zu unzüchtigem Verkehr mit einem andern verführt wird ist mit Gefängnis bis zu einem Jahre zu bestrafen. Die öffentliche Verfolging tritt nur auf Antrag des Verletzten ein.

Art. 201. Strafverzwaring indien de verleide beneden de 16 jaar oud is.

Art. 202. Wer eine Person dazu verleitet aus der Feilhaltung ihres Körpers zur Unzucht ein Gewerbe zu machen oder wer zu einer solchen Verleitung mitwirkt, wird mit Gefängnis bis zu vier Jahren und wenn die verleitete Person unter 18 Jahren ist oder zu solchem unzüchtigem Zwecke in das Ausland verbracht wird, mit Gefängnis von einem bis zu sechs Jahren bestraft.

Art. 204. In de voorgaande gevallen heeft strafverzwaring plaats wanneer gehandeld wordt uit winstbejag, uit gewoonte, met dwang, bedreiging of misleiding.

Art. 206. Wer aus Gewinnsucht den unzüchtigen Verkehr andrer befördert oder wer diesen Verkehr zu gewinnsüchtigem Zwecke ausnutzt, wird mit Gefängnis bis zu zwei Jahren bestraft ...... Strafverzwaring: Wenn die Person, deren Unzucht befördert wird unter 18 Jahren ist oder zu unzüchtigen Zwecken in das Ausland verbracht wird.

Wird das Verbrechen in Ausübung eines Berufes oder Gewerbes begangen, so kann dem Thäter das Recht aberkannt werden, den Beruf oder das Gewerbe fortzusetzen.

Laat ik beginnen de artt. 200 en 202 in oogenschouw te nemen. Ons frappeert allereerst het groote verschil in strafmate; deze is daaraan toe te schrijven, dat in art. 200 de verleiding geschiedt tot een enkele daad van ontucht, in art. 202 tot een ontuchtig leven. Art. 200 straft den meisjeshandelaar niet. Het vordert in ieder geval toestemming van de persoon tot de handeling, al is ze door misleiding of beloften verkregen. De meisjeshandel vordert, dat het meisje integendeel niet weet, dat er ontucht met haar gepleegd zal worden.

De uitdrukking "verleitet" in art. 202 verhindert mijns inziens eveneens, dat in het algemeen de meisjeshandel in dit artikel eene gerechte straf vindt. Hoe bovendien in art. 204 sprake kan zijn dat de voorgaande strafbare feiten gepleegd worden door dwang of bedreiging is mij niet duidelijk. 't Ware wel mogelijk, indien in plaats van verführen en verleiten stond: "er toe gebracht werd" of althans een werkwoord, dat niet a priori het begrip dwang of bedreiging uitsluit.

Art. 206 straft den bordeelhouder. In zooverre is dus volgens het ius constituendum van Noorwegen juridisch de meisjeshandel, zoowel binnenlandsche- als importhandel, onmogelijk, althans in zijn heden ten dage meest voorkomende gedaante als levering van vrouwen en meisjes aan bordeelen.

Eene wet van 1896 heeft een toezicht op de zgn. "bureaux de placement" in het leven geroepen.

In het kort zijn de bepalingen van deze wet de volgende: Vergunning wordt vereischt; deze kan ingetrokken worden. Borgstelling is voorgeschreven, evenwel facultatief. Slechts burgers van Noorwegen kunnen de vergunning bekomen. De overheid kan tarieven vaststellen en andere nadere voorschriften en reglementen uitvaardigen. De bureaux of agenten zijn verantwoordelijk voor valsche inlichtingen. Bij bezorging van een dienst in den vreemde moet een schriftelijk contract in duplo worden opgemaakt. (Rapport van den Heer Faerden, Congres Londen 1899). Verder oefent volgens eene wet de overheid eene speciale contrôle uit op de emigratie naar landen buiten Europa gelegen. (Rapport Faerden).

§ 8. RUSLAND.

Het positieve strafrecht van het Russische Rijk biedt weinig stof ter bespreking aan.

De artt. 998, 999 en 1000 van het strafwetboek van 1866 treffen iedere koppelarij, onafhankelijk van den leeftijd van de beschermde persoon, alhoewel voor personen beneden den leeftijd van 14 jaar speciale beschermingsvoorschriften bestaan. Er is evenwel éen restrictie: de genoemde artikelen treffen alleen het lenocinium, de directe koppelarij. (Zie rapport Sabouroff, Congres Londen 1899.)

Evenwel valt het feit op te merken, dat de Russische rechter de daad van den meisjeshandelaar toch tracht te straffen door haar in de bepaling van art. 1410 te wringen, welk artikel straf stelt op het verkoopen van Russische onderdanen in slavernij, (c. f. cass. arr. Senaat, dos. Nordkovitch 1874 no. 395.) (Zie Rapport Jelatchitch Pénit. Congres Parijs 1895)

Er bestaat evenwel een ontwerp voor een nieuw strafwetboek. De eerste hoofdstukken van het bijzondere deel, ontworpen door Prof. N. Tagánzeff te St. Petersburg, zagen omstreeks 1885 het licht. Aan de Duitsche vertaling van Dr. X. Gretener te Bern ontleen ik art. 70, dat over de koppelarij handelt. Het luidt aldus:

Art. 70. "Die Verkuppelung

1.) eines Mädchens von zwölf bis zu sechszehn Jahren ohne Missbrauch seiner Unschuld;

2.) eines Mädchens von 16 bis zu 18 Jahren mit Kenntniss seiner Jungfräulichkeit;

(3.) der Ehefrau Tochter oder einer in der Erziehung oder unter der Fürsorge des Schuldigen stehenden Frauensperson unter einundzwanzig Jahren;

4.) von Personen deren Beischlaf das in den art. 67 u. 68 vorgesehene Vergehen der Blutschande bildet, zum Beischlafe wird mit Gefängniss bestraft.")

Binnen zeer enge perken is de koppelarij in dit ontwerp gehouden. Er is geen sprake van dat de meisjeshandel hieronder zou kunnen vallen want we hebben te doen met directe koppelarij. Zelfs als medeplichtige kan de placeur niet getroffen worden, als de vrouw, tusschen de 16 en 18 jaar oud zijnde, reeds haar maagdelijkheid verloren heeft. Indien de vrouw boven de 18 jaar oud is, dan is er geen sprake meer van strafbaarheid buiten de zeer buitengewone gevallen van art. 70 3o en 4o. Ik acht de oude bepalingen zonder twijfel beter.

Noch de tegenwoordige, noch de toekomstige Russische wetgeving,--indien het ontwerp althans niet aanmerkelijk gewijzigd wordt--voorziet dus in het geval, dat vrouwen en meisjes met een ontuchtig doel in een bordeel (het meest voorkomende geval) hetzij in 't binnenland hetzij in het buitenland gelokt worden.

Administratieve maatregelen zijn evenwel reeds getroffen om het kwaad zooveel doenlijk te keeren. Ten bewijze hiervan b. v. de aanstelling van een opzettelijk daarvoor bestemd dienaar van politie te Odessa om een wakend oog te houden op de aan boord gaande vrouwelijke passagiers en hare begeleiders. De resultaten van dezen maatregel zijn volgens den heer Sabouroff (Rapporteur Londen 1899) zeer gunstig; menige arrestatie heeft er reeds plaats gehad en verschillende vrouwen zijn van een wissen ondergang gered.

Eveneens draagt de strenge reglementeering in Rusland er toe bij, dat de politie in de gelegenheid is zich op de hoogte te stellen of onder de ingeschreven vrouwen ook eenige aanwezig zijn die op de bedoelde wijze tot het leven van prostituée geraakt zijn.

§ 9. FINLAND.

Kapitel 20 van het strafwetboek voor het grootvorstendom Finland van 19 Dec. 1889 handelt over Beischlaf und andre Unzucht. Art. 10 van dit hoofdstuk luidt naar de Duitsche vertaling van Joh. Ochgvist te Helsingsfors in Z. f. d. Ges. Strfr. W. 11e deel (Beilagen):

Art. 10. Wer ein Haus unterhält um daselbst Unzucht zu treiben, oder wer eine Frau zur gewerbsmässigen Unzucht verleitet, wird wegen Kuppelei mit Zuchthaus bis zu drei Jahren und Verlust der bürgerlichen Ehrenrechte bestraft.

Der Versuch einer solchen Verleitung ist strafbar.

Eine Frau, die sich in einem solchen Hause oder sonst öffentlich zur gewerbsmässigen Unzucht brauchen lässt, wird mit Gefängnis bis zu zwei Jahren bestraft.

Blijkbaar heeft dit artikel ten doel het houden van bordeelen strafbaar te stellen.

Juridisch is hier de meisjeshandel onbestaanbaar, daar behalve het verbod van bordeelen ook het zijn van prostituée een strafbaar feit is.

C. q. zou mogelijk (dit hangt af van de feitelijke omstandigheden en van de speciale wettelijke bepalingen omtrent de leer der uitlokking en medeplichtigheid) een placeur gestraft kunnen worden wegens provocatie tot of hulpverleening aan 't misdrijf van art. 10 derde lid.

§ 10. ITALIË.

Sedert 1 Januari 1890 vigeert in Italië het strafwetboek van 30 Juni 1889.

De artt. 345 en 346 die de koppelarij straffen zijn van dezen inhoud:

Art. 345. "Chiunque, per servire all'altrui libidine, induce alla prostituzione una persona di età minore, o ne eccita la corruzione, è punito con la reclusione da tre a trenta mesi, e con la multra da lire cento a tremila."

Strafverzwaring heeft plaats: Si il delitto sia commesso:

1º. Sopra persona che non abbia compiuto gli anni dodici.

2º. on inganno.

3º. da ascendenti da affini in linea retta ascendentale etc.

4º. abitualmente o a fine di lucro etc.

Art. 346. Chiunque, per servire all'altrui libidine favorisce o agevola la prostituzione o la corruzione di una persona minorenne, nei modi o nei casi indicati nel primo capoverso dell'articolo precedente, è punito etc; e nel caso preveduto nel secondo capoverso, la reclusione etc.

Art. 345 straft het teweegbrengen van de prostitutie of de ontucht van een minderjarige. Art. 346 het begunstigen en gemakkelijk maken daarvan. In beide gevallen met strafverzwaring, indien de feiten geschieden door bedrog (2º) of uit gewoonte of winstbejag. (4º) Mij komt 't voor, dat deze artikelen ook slechts de directe koppelarij willen treffen en wel van minderjarigen hetzij als causa movens hetzij als begunstiger.

Ten opzichte van minderjarigen kan dus de placeur als medeplichtige van den hoofddader gestraft worden met de gewone beperking en wel dat er minstens strafbare poging aanwezig zij. M. i. vordert het artikel, dat voor de voltooiing hetzij de prostitutie hetzij het bederf der minderjarigen moet plaats gehad hebben.

§ 11. SPANJE EN PORTUGAL.

Het Spaansche strafwetboek, nog van 1848 dateerende, alhoewel sedert Januari 1871 gewijzigd, bevat als strafbepaling tegen koppelaars art. 367, dat volgens van Swinderen in zijn Esquisse van den volgenden inhoud is: "Celui qui, habituellement ou par abus d'autorité ou de confiance, excitera ou facilitera la prostitution par la corruption de mineurs pour satisfaire les désirs d'autrui sera puni de la peine de la prison correctionnelle."

Het lijkt mij vrij wel overbodig tot de bespreking van dit art. 367 over te gaan. Ik zoude slechts in herhalingen vervallen, van hetgeen ik reeds vroeger bij andere strafwetten opmerkte. De blanke slavinnenhandelaar kan niet als dader op grond van dit artikel gestraft worden.

Art. 406 van het Portugeesche strafwetboek (10 Dec. 1852, omgewerkt 14 Juni 1884 en 16 Sept. 1886.) straft het uit gewoonte teweegbrengen of bevorderen van den onzedelijken levenswandel of van de verleiding van minderjarigen beneden de 21 jaren.

Hetgeen ik zooeven in verband met art. 367 van het Spaansche strafwetboek zeide, zij ook hier gezegd.

§ 12. TURKIJE EN BULGARIJE.

Art. 201 van het Turksche strafwetboek van 25 Juli 1858 bevat eene strafbepaling tegen de koppelarij; hoe deze luidt is mij niet bekend. We behoeven er evenwel niet te veel verwachtingen van te koesteren--althans ten opzichte van den handel in blanke slavinnen--als wij in het oog houden--zooals in het feitelijk gedeelte van dit proefschrift werd aangetoond--hoe de Turksche overheid de placeurs en consorten duldt en hun praktijken tolereert.

In Bulgarije gold tot 1895 Turksch recht. Sedert 4 Maart 1896 werkt er evenwel een nationaal wetboek. Art. 228 van dit wetboek bestraft de koppelarij. Het luidt aldus:

Art. 228. Quiconque se rend coupable de proxénétisme en vue d'impudicité et de coït:

1. envers une personne au-dessous de 16 ans;

2. envers une fille honnête de 16 à 20 ans, dont le proxénète connaît l'honnêteté.

Verder komen er nog 3 nummers voor om aan te geven de koppelarij gepleegd tegenover personen, tot wie de dader in zekere betrekking staat.

De strafbaarstelling van het proxénétisme in art. 228 is binnen zeer enge perken gehouden. De uiterlijke grens is 20 jaar, doch bij koppelarij van meisjes tusschen 16 en 20 jaar is men slechts strafbaar, indien men haar maagdelijken staat kende.

Art. 228 van het Bulgaarsche strafwetboek treft den meisjeshandelaar als dader niet.

§ 13. AMERIKA.

Van de Amerikaansche strafwetgevingen is het mijn plan slechts die aan te stippen, welke m. i. de aandacht vorderen in verband met het feit, dat onder het werkingsgebied van die wetgevingen de handel in blanke slavinnen op uitgebreide schaal gedreven wordt.

Ik heb 't oog op de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, en van Mexico en uit Zuid-Amerika op Brazilië (Rio de Janeiro), Uruguay (Monte Video) en Argentinië (Buenos Ayres).

Mr. van Swinderen vermeldt in zijn Esquisse bij de bespreking van de misdrijven tegen de goede zeden, dat de wetgevingen der verschillende Vereenigde Staten van Noord-Amerika wat de koppelarij, speciaal het houden van huizen van ontucht, betreft in zulke bijzonderheden afdalen en vooral de wetgeving van New-York, dat het voor iemand een groot waagstuk is zich aan een dergelijk feit schuldig te maken zonder onder 't bereik der strafwet te vallen. Daarom wil ik hier citeeren de strafbepalingen uit het op den 1sten Dec. 1882 in werking getreden strafwetboek voor New-York (voltooid 26 Juli 1881), en wel de Duitsche vertaling zooals die te vinden is in de bijlage van het 4de deel van het Zeitschrift für die gesamte Strafrechtswissenschaft.

Art. 282. Wer

1º. ....

2º. eine bisher unbescholtene unverheiratete Frauensperson unter fünfundzwanzig Jahren in ein Haus von schlechtem Rufe oder in ein Hurenhaus oder an einen andern Ort zum Zwecke der Prostitution oder des fleischlichen Verkehrs verlockt oder verführt;

3º. ...

ist der Entführung schuldig und mit Einsperrung bis zu fünf Jahren oder mit Geldstrafe bis zu 1000 Dollars allein oder in Verbindung mit einander zu bestrafen.

Art. 322. Wer ein übelberüchtigtes Haus oder ein Bordell irgend welcher Art oder ein Haus oder einen Ort für Personen hält, welche zum Zweck unerlaubten fleischlichen Verkehrs oder zu irgend einem andern liederlichen, unzüchtigen oder unabständigen Zweck besucht werden, oder wer ein unordentliches Haus oder einen allgemeinen besuchten Ort hält, wodurch der Friede, die Behaglichkeit oder der Anstand der Nachbarschaft regelmässig gestört wird, oder wer als Agent oder Eigentümer ein Gebäude oder ein Teil eines Gebäudes, wissend dass dasselbe zu einem der in diesem Paragraphen bezeichneten Zwecke gebraucht werden soll, vermietet, oder einen solchen Gebrauch eines Gebäudes oder eines Teils eines Gebäudes zulässt, ist eines Vergehens schuldig.

(Art. 385. Gemeinschaden ist ein Verbrechen gegen die Ordnung und Wirtschaft des Staates und besteht in einer ungesetzlichen Handlung oder Unterlassung, welche 2º. den öffentlichen Anstand verletzt.)

Art. 322 maakt het bestaan van bordeelen juridisch onmogelijk. Juridisch is dan ook onmogelijk de binnenlandsche- en de importhandel.

Art. 382 2° stelt het strafbare feit der "Verführung" daar; ik zou het met de koppelarij willen gelijkstellen.

Het artikel geeft evenwel aanleiding tot de meening, dat het teweegbrengen (of bevorderen) van de ontucht zonder dat het opzet bestaat, dat dit geschiedt op een bepaalde plaats, buiten het bereik der strafwet valt. Anders waren toch de woorden "in ein Haus von schlechtem Rufe oder in ein Hurenhaus oder an einem andern Ort" geheel overbodig. Valt nu de meisjeshandelaar onder het bereik van dit artikel? In mijn oog is dit wel mogelijk, voorzoover de vrouw eerbaar, ongehuwd en beneden de 25 jaar oud is. De interpretatie van het woord "verlockt" belet deze meening mijns inziens niet; doch tevens vallen de gevallen er onder, dat de vrouw wel degelijk weet, dat zij in een huis van ontucht belandt. De buitenlandsche handel wordt natuurlijk op gelijke wijze getroffen; processueele moeilijkheden zullen hier natuurlijk dikwijls vrijspraak ten gevolge hebben.

Het Mexicaansche wetboek van 7 Dec. 1871 (Z. f. d. g. Srtr. W. 14e deel) geldend voor het Bondsdistrict en het Territoir Neder-Californië wat de gemeene delikten betreft en voor de geheele Republiek wat de vergrijpen tegen den Bond aangaat, bevat de volgende strafbepalingen, in verband met mijn onderwerp te vermelden:

Art. 803. Das vergehen der Verführung Minderjähriger wird nur bestraft wenn es vollendet worden ist.

Art. 804. Wer gewohnheitsmässig die Verführung Minderjähriger unter 18 Jahren bewirkt oder unterstützt, oder die letzteren dazu anregt, um die schändlichen Eigenschaften eines andern zu befriedigen, wird u. s. w.

Strafverzwaring, indien de minderjarige beneden de 11 jaar is.

Als gewohnheitsmässig gilt dies Vergehen, wenn der Angeklagte es drei oder mehrere Male ausgeübt hat, auch wenn es sich jedesmal um ein und denselben Minderjährigen gehandelt hat.

Art. 805 stelt afzonderlijke straffen, indien het delict uit winstbejag begaan wordt, terwijl 't dan geen delictum collectivum behoeft te wezen; Art. 806, strafverzwaring in de gevallen van artt. 804 en 805 bij 't bestaan van zekere betrekkingen.

Het komt mij overbodig voor deze artikelen te bespreken, daar ze zóo veel overeenkomst toonen met de koppelarij-artikelen van vele andere strafwetten, dat het duidelijk is dat de blanke slavinnenhandelaar evenmin door gene getroffen wordt als hij onder het bereik van deze laatst bedoelden zoude vallen, zooals de bespreking van deze te rechter plaatse ons aantoonde.

Het Braziliaansche Wetboek van 11 Oct. 1890 straft de koppelarij in art. 278, dat in de Fransche vertaling van dezen inhoud is:

"Induire des femmes en abusant de leur faiblesse ou de leur misère, ou en les contraignant par des intimidations ou des menaces à s'employer dans le trafic de la prostitution; leur prêter pour compte propre ou d'autrui, sous sa propre responsabilité ou sous celle d'un tiers, assistance habitation et secours dans le but d'obtenir, directement ou indirectement, un profit de cette spéculation.

(Peine--prison cellulaire d'un à deux ans et une amende de 500 $ 000 à 1000 $ 000)."

Dit art. 278 betreft niet den meisjeshandel, want volgens den duidelijken tekst is de vrouw op de hoogte van het feit dat zij zich aan de prostitutie overlevert, alhoewel zij zich slechts ten gevolge van de praktijken die het artikel aangeeft aan de ontucht overlevert. In de Strafgesetzgebung der Gegenwart, etc. (II) vind ik als inhoud van de artt. 277 en 376 het volgende aangegeven: "Kuppelei (lenocinio, art. 277, 278) is die Herbeiführung, Begünstigung oder Erleichterung der Prostituierung einer Person, um die unsittlichen Absichten oder unkeuschen Gelüste eines Anderen zu befriedigen; gewohnheitsmässige oder gewerbsmässige Begehung ist zur Strafbarkeit nicht erforderlich."

De Nederlandsche Consul-Generaal van Brazilië, die mij ook den bovengenoemden tekst van art. 278 verschafte, zegt in zijn schrijven, dat de politie een vreemdeling, zoodra zij weet, dat hij placeur is, maar daarvoor de wettige bewijzen niet te bekomen zijn, aan boord van eene naar het buitenland vertrekkende boot brengt en aldus dwingt het land te verlaten.

Op welke wijze de koppelarij in het wetboek van Uruguay van 1889 precies strafbaar gesteld is, is mij onbekend. In de Strafgesetzgebung der Gegenwart II vind ik onder de "Delikte gegen die guten Sitten" o. a. vermeld "die Verführung Minderjähriger." Ook dit wetboek voldoet dus blijkbaar niet aan het verlangen, dat het ook den meisjeshandel kunne treffen.

Tot mijn leedwezen moet ik hetzelfde opmerken aangaande de voorziening van bepalingen tegen deze handelingen in het wetboek van Argentinië uit 't jaar 1886. In de Strafgesetzgebung der Gegenwart wordt slechts aangegeven dat het bijzondere deel van deze strafwet ook strafbare feiten "gegen die Geschlechtsehre" bevat. Algemeener kan het werkelijk niet aangeduid worden. Ik moet mij natuurlijk onthouden uit deze algemeene aanduiding conclusies te trekken.

§ 14. AZIË.

Wat de strafrechterlijke bepalingen in Azië geldende betreft wensch ik mij op hetzelfde standpunt te stellen als bij Amerika en mij te occupeeren met die landen, waar zooals de feiten aantoonen de meisjeshandel een zekeren omvang bereikt heeft. Het zijn Nederlandsch Oost-Indië, Japan, Hongkong en de Straits Settlements en Britsch Oost-Indië.

Art. 250 van het Ned. Ind. Wetb. voor Europeanen gearresteerd bij Koninklijk Besluit van 10 Febr. 1866 No. 54 (Staatsblad 55) luidt: "Ieder, die zich tegen de zeden vergrijpt door er zijn werk van te maken de ontucht of de onzedelijkheid van jonge lieden van de een of andere kunne beneden de 21 jaren op te wekken, te begunstigen of gemakkelijk te maken, wordt gestraft etc."

Art. 252 van het Wetboek van Strafrecht voor Inlanders (en Inlandsche Christenen--Ord. van 6 Mei 1872, ingevoerd 1 Mei 1873) is gelijkluidend met het juist geciteerde artikel 250 met uitzondering dat voor Europeesche minderjarigen de leeftijd van 21 jaar, voor Inlandsche die van 18 jaar gevorderd wordt. Buitendien bestaat er verschil in strafmate.

Het behoeft voorzeker niet nader aangetoond te worden, dat bovengenoemde artikelen niet aan onze wenschen kunnen voldoen.

Het Japansche strafwetboek bestaat sedert Juli 1880; in werking getreden 1 Jan. 1881.

Art. 233 van dit wetboek luidt:

"Wer gewerbsmässig unbescholtene Frauenspersonen zum geschlechtlichen Verkehre veranlasst, wird mit Zuchthaus bis zu einem Jahre oder mit Geldstrafe Bakkin bis zu einhundert Yen bestraft."

(Duitsche vertaling uit das Z. f. d. Ges. Strafr. W. 1899.) Het is werkelijk niet veel, dat het Japansche wetboek ons biedt. Dit artikel is dan ook volkomen ontoereikend om een placeur te kunnen treffen, al ware het alleen omdat de vrouw ten opzichte van hetgeen er met haar gaat geschieden niet onwetend is.

In Hongkong geldt "The Women and Girls Protection Ordinance 11" sedert 1890, die krachtige maatregelen treft tegen den handel met Chineesche vrouwen en meisjes met 't oogmerk ze aan de prostitutie over te leveren. (Die Strafges.geb. der Gegenwart II).

Het is mij niet mogen gelukken een exemplaar van deze verordening machtig te worden: in Engeland was ze niet verkrijgbaar, in Hongkong zelf was ze uitverkocht.

Eene wet van 1891 (Ord. 7) verbiedt het houden van bordeelen, indien zij tot last strekken der omwonenden.

Van de Straits Settlements heb ik vooral het oog gevestigd op Singapore. "Hier geldt volgens die Strafg. geb. der Gegenwart II een strafwet (Ord. IV van 1870) die op een enkele uitzondering na volkomen gelijkluidend is met het strafwetboek van Britsch Oost-Indië.

De strafwet, die in deze koloniën geldt, dateert van 1860. Hier stelt de leeftijdgrens van 16 jaar een scheidspaal vast. Beneden de 16 jaar kan slechts sprake zijn van "kidnapping" om zoo te zeggen "schaking". Boven de 16 jaar kan er slechts van verleiding sprake zijn (abduction); dwang of bedriegelijke middelen moeten aangewend zijn.

Art. 372 en 373 straffen volgens de Strafges.geb. der Gegenw. II de koop en verkoop van minderjarige meisjes met 't oogmerk ze aan de ontucht over te leveren. Hoe de tekst dezer artikelen luidt is mij onbekend.

Ik wil nog vermelden, dat in Britsch Oost-Indië sedert 1883 (Wet No. XXI) een wet vigeert, die de emigratie regelt.

§ 15. AFRIKA.

In Afrika vragen de Zuid-Afrikaansche Republiek en de Kaapkolonie een oogenblik onze aandacht.

In de Transvaal werkte sedert 1897 eene wet "tot het tegengaan van ontucht in de Zuid-Afrikaansche Republiek". Deze wet is vervangen door eene wet van betrekkelijk zeer recenten datum, te vinden in de Staatscourant der Zuid-Afrikaansche Republiek van den 11 Oct. 1899. Deze wet van 11 Sept. 1899 zijnde "de Wet op Ontucht" bevat de volgende in verband met dit onderwerp te vermelden artikelen:

Art. 2, 4, 5, 9.

Art. 2 al. 1 verbiedt het houden van bordeelen. Een zevental nummers van art. 2 al. 2 werkt het begrip bordeelhouder zeer uit en stelt met dezen de meest verschillende personen gelijk b.v. ook den souteneur. Ik veronderstel, dat de minder juiste redactie op 't oog had de in die nummers genoemde personen onder dezelfde strafbepaling als den bordeelhouder te willen laten vallen, zonder hem nu juist met dezen gelijk te stellen.

Art. 4 straft de vrouw die zich prostitueert. Art. 5 treft dezelfde feiten, die de Engelsche Crim. Law Amendment act van 1885 in art. 8 straft. Art. 9 bevat eene strafbepaling tegen de gewone koppelarij uit winstbejag ten opzichte van minderjarigen. In art. 2 al. 2 sub. c wordt als de houder van een bordeel beschouwd:

Art 2.c "Eenig persoon, die eene vrouw of vrouwen van elders invoert of van de eene plaats naar de andere in deze Republiek vervoert of laat vervoeren voor onzedelijke doeleinden."

Onder deze strafbepaling valt de placeur; doch het artikel is veel ruimer gesteld, zoodat het ook treft feiten, die in veel mindere mate ingrijpen in de samenleving en in de rechtssfeer van den individu. Voor de bepaling der straf wordt evenwel geen onderscheid gemaakt. Zij is evenwel ruim genoeg gesteld om den placeur naar behooren te straffen: gevangenisstraf met of zonder harden arbeid van ten hoogste 5 jaren met of zonder verbanning uit de Republiek. Welk een verschil toch tusschen de daad van hem, die een eerbare vrouw met 't oogmerk haar aan de prostitutie over te leveren in een bordeel lokt, haar evenwel dat oogmerk bedriegelijk verzwijgende, en de daad van hem, door wiens tusschenkomst eene beroepsprostituée uit 't eene bordeel naar het andere overgebracht wordt!

Voor de voltooiing behoeft de ontucht niet gepleegd te zijn. De exporthandel wordt niet in 't bijzonder zwaarder getroffen; ze zal er ook niet dikwijls voorkomen; dit zal wel de reden zijn van de niet bijzondere vermelding in het artikel.

Wat de Kaapkolonie aangaat, zoo vermeldt de Strafges.geb. der Gegenwart II, dat de grondslag van het aldaar geldende strafrecht is het Hollandsch-Roomsche Recht. We hoeven hier dus geen strafrechtelijke bepalingen te zoeken tegen moderne maatschappelijke euvels. Trouwens vind ik in Hugo de Groot "Inleydinge tot de Hollandsche Regtsgeleerdheid" door van Groenewegen bewerkt in het 35ste deel van het 3e boek, dat het opschrift "Van Hoon" draagt (§ 1 Misdaed jegens de Vrijheyt werd genoemt Hoon) zeer weinig variatie in de misdrijven tegen de zeden. Koppelarij is hier in 't geheel niet te vinden.

§ 16. AUSTRALIË.

Bij 't nagaan, wat de strafwetten van Australië ons bieden in zake koppelarij en meisjeshandel, ben ik aan zeer beperkte bronnen gebonden. Die "Strafgesetzgebung der Gegenwart II" biedt toch niet veel, en wat ze ons geeft, is zeer beknopt.

Het strafwetboek van Victoria geldt sedert 1 Aug. 1890 (The crimes act 1890). Het bijzondere deel straft in §§ 42-52: Notzucht, Kuppelei, Entführung und Verführung. (Gegenwart II). Ik zou mij overigens wel kunnen onthouden om na te gaan in hoeverre N. Z. Wales, Queensland, Nieuw-Zeeland, Tasmania in dit onderwerp voorzien; behalve Melbourne treedt geen andere plaats ter zake van den handel in blanke slavinnen op den voorgrond. Evenwel wil ik niet nalaten te vermelden dat volgens Gegenwart II de strafwet van Nieuw-Zeeland uit 't jaar 1893 in Titel IV Deel XIV het houden van huizen van ontucht verbiedt.

HOOFDSTUK VIII.

CONCLUSIE.

Lombroso in "Das Weib" (pag. 587) de slachtoffers van den blanke slavinnenhandel onder de rubriek der gelegenheidsprostituées stellende en de wijze aanstippende, waarop de placeur haar in zijn netten vangt, laat zich over deze feiten in dezen zin uit: "Unser invalides Strafrecht weiss diese Scheusslichkeiten nicht zu verhindern." In de vorige pagina's toonde ik, dat deze uitspraak in hoofdzaak waarheid bevat. Verschillende pogingen zijn evenwel aangewend om de wetgevende machten aan te sporen in dit gemis te voorzien. Het geschiedde op verschillende congressen, die deels dit onderwerp in een der behandelde vraagpunten mede aanroerden, deels uitsluitend met 't oog op den handel in blanke slavinnen bijeengeroepen werden. Ik wil vermelden:

1º. het 5de internationale congres van de Féderation Britannique, continentale et générale den 10-13 Sept. 1890 te Genève gehouden. De H.H. van Swinderen, van Schermbeek en Bunting waren de rapporteurs over "l'importante question de la traite des blanches" zooals de voorzitter het noemde.

2º. het 5de internationale pénitentiaire congres in 1895 te Parijs gehouden. De meisjeshandel werd behandeld door de 1ste sectie in het 7de vraagpunt, dat luidde: "Quels seraient les moyens repressifs à adopter contre ceux, qui à l'aide de manoeuvres fallacieuses, déterminent des jeunes filles à s'expatrier dans le but de les livrer à la prostitution?"

Afgevaardigden van Engeland, Frankrijk, Rusland en Zwitserland brachten hier rapporten uit.

3º. het internationale congres voor den blanke slavinnenhandel op initiatief van de National Vigilance Association den 21-23 Juni 1899 te Londen gehouden. Hier waren vertegenwoordigd Oostenrijk, België, Denemarken, Frankrijk, Holland, Noorwegen, Rusland, Zweden, Zwitserland, Engeland en de Vereenigde Staten.

4º. het Congres van de Union Internationale de Droit Pénal in Sept. 1899 te Budapest vergaderd. Rapporteurs in zake de internationale bestrijding van den meisjeshandel (4de vraagpunt) waren de H.H. Ludwig Gruber en Ferdinand Dreyfus.

Het onder I genoemde congres te Genève heeft bij de behandeling van het onderwerp de materie van den meisjeshandel mijns inziens niet voldoende afgebakend: het ruime veld der prostitutie wordt herhaaldelijk betreden. In de resoluties komt dit ook uit. Het congres uitte den wensch:

1º. Que dans toutes les législations des dispositions pénales soient prises pour réprimer le fait de tirer un profit direct de la prostitution d'autrui.

2º. Que des traités internationaux interviennent entre les divers pays pour le repatriement des filles mineures se livrant habituellement à la débauche.

3º. Que des traités internationaux soient passés dans le but de supprimer la traite des blanches, sans égard aux pays dans lesquels le crime a été commis ou à la nationalité du criminel.

Ten slotte worden nog eenige wenschen geuit aan 't adres van het comité intercantonal des dames suisses de la Féderation.

Slechts het onder 3º gestelde votum, dat tijdens de debatten voorgesteld werd, raakt het onderwerp direct. Doch het hierin neergelegde verlangen is zoo vaag en onzeker gesteld, dat ik met den besten wil niet zou kunnen verklaren, wat er precies mede bedoeld wordt. Juridisch mist dit votum alle nauwkeurigheid. Hetgeen hier later volgt zal dit aanwijzen. De wenschen onder 1º en 2º raken natuurlijk het onderwerp ook, doch die onder 1º is veel te ruim gesteld en verraadt haren oorsprong op een congres van eene vereeniging, die zich tot haar arbeidsveld de bestrijding der prostitutie in 't algemeen gekozen heeft. Die onder 2º is te beperkt door de invoeging van het woord "mineures", dat in het oorspronkelijke voorstel niet voorkwam; te ruim doordat iedere minderjarige prostituée in aanmerking komt om gerepatriëerd te worden.

Het onder II bedoelde Pénitentiaire Congres te Parijs vereenigde zijne conclusies op vraagpunt 7 van de 1ste sectie met die op vraagpunt 8 van de 4de sectie, handelende over de bestrijding van de prostitutie van minderjarigen en van die meisjes, die door misleiding buitenslands aan de ontucht overgeleverd worden. Vraag 7 van de 1ste sectie, die ik supra citeerde, betreft den buitenlandschen handel.

De conclusies van 't congres waren als volgt:

1º. L'embauchage par réclame ou par fraude pour la prostitution, l'emploi des mêmes moyens pour contraindre toute personne même majeure à se livrer, à la prostitution, doivent être sévèrement réprimés, avec aggravation de la peine en cas de récidive.

2º. Il y a lieu de provoquer une conférence des délégués des gouvernements pour prendre des mesures internationales contre la traite des blanches.

De eisch onder 1º gesteld wil den meisjeshandel treffen en wel eerst de enkelvoudige daad. Doch de wensch is niet scherp weergegeven, want gevallen, waarin de vrouw ook op de hoogte is van het leven, dat zij gaat leiden, vallen er ook onder. Het bedrog moet juist gericht zijn, b. v. op den aard der eventueel aangeboden dienstbetrekking; de vrouw weet dan niet, dat zij zich aan een leven van ontucht gaat overgeven. Deze eisch is ongeveer geredigeerd als het Fransche ontwerp-Bérenger, dat ik te rechter plaatse behandelde. Verder nog éen opmerking. De enkelvoudige daad wil men treffen, doch den handel zwaarder. 't Komt mij voor dat men hier wil identificeeren den handel met de recidive van de enkelvoudige daad. Niets is onjuister. Qua meisjeshandelaar kan men zwaarder gestraft worden dan de gelegenheidspleger van dit strafbaar feit, ook reeds bij de eerste handeling mits alles wijst op het uitoefenen van een beroep. Niets verhindert evenwel, dat de gelegenheidspleger aan de gewone recidivebepalingen onderworpen wordt, doch hij die handelt in de uitoefening van een beroep moet zwaarder gestraft worden als de recidivist van de enkelvoudige daad.

De eisch onder 2º is een zeer gerechtvaardigde wensch en juist gesteld zonder nadere bijzonderheden aan te duiden.

Zeer belangrijk is 't congres (III) dat in Juni 1899 te Londen bijeenkwam. Het had uitsluitend ten doel de bespreking van de bestrijding van den blanke slavinnenhandel. Dit geschiedde op tweeërlei wijze. Het eerste gedeelte van het congres was gewijd aan de aanwijzing van bestaande en te nemen maatregelen van juridische zijde beschouwd, het andere deel aan de aanduiding van die maatregel van philanthropische zijde.

Het Criminalistische Congres (IV), dat in Sept. 1899 te Budapest vergaderde, vereenigde zich met de resoluties genomen op het voornoemde Londensche Congres.

Zij luiden als volgt: (wat het juridisch deel aangaat.)

The Congress expresses the desire:

A. That an Agreement should be come to among the Governments--

1. To punish, and as far as possible by penalties of equal degree, the procuring of women and girls by violence, fraud, abuse of authority, or any other method of constraint, to give themselves to debauchery, or to continue in it; and in cases, where persons are accused of this crime:

2. To undertake simultaneous investigations into the crime, when the facts, which constitute it occur in different countries.

3. To prevent any conflict of jurisdiction by determining the proper place of trial.

4. To provide by International Treaties for the extradition of the accused.

Ik zou mijn betoog vooruitloopen, indien ik reeds naast deze resoluties mijne kantteekeningen plaatste. Slechts enkele opmerkingen wil ik mij veroorloven. Vooreerst de zoo vaak elders gemaakte, dat ook hier niet het ware karakter van den meisjeshandel voldoende in 't oog is gehouden. Men heeft zich verder weer laten verleiden--en hoe gemakkelijk geschiedt dat hier niet--de grenzen van deze materie te overschrijden. De vermelding van "abuse of authority" doet niets ter zake, daar de gevallen, waarin b.v. ouders misbruik maken van hun gezag, buiten den eigenlijken meisjeshandel staan. [21]

Zeer terecht wordt op strafrechtelijke repressie aangedrongen. De gewraakte feiten brengen een rechtsbelang van groote waarde in gevaar, en wel gevaar voor algeheele vernietiging. De ervaring toont aan, dat de omvang van het kwaad van dien aard is, dat repressie volkomen gewettigd is.

In ons land vallen verschillende nationale pogingen te vermelden om het euvel op die wijze te keeren, zoowel in den boezem der wetgevende macht zelve als daarbuiten. Van de laatste vermeld ik de reuzenpetitie kort na de onthullingen van de Pall Mall Gazette in 1885 aan de 2de Kamer der Staten-Generaal gericht met 't doel internationale maatregelen te verkrijgen tegen den "uitgebreiden handel in vrouwen, die zich over een groot gedeelte van Europa en zelfs over andere werelddeelen uitstrekt." Er wordt gewezen op de aanwezigheid van "Nederlandsche vrouwen in publieke huizen in het buitenland, tot in Marseille toe." Het adres was onderteekend door een 15000 tal vrouwen van Nederland, daartoe uitgenoodigd door den Nederlandschen Vrouwenbond tot verhooging van het Zedelijk Bewustzijn.

In den boezem der wetgevende macht zelve is voldoende gelegenheid geweest om op krachtige maatregelen aan te dringen ter gelegenheid van de bespreking van de door Nederland met andere mogendheden uitgewisselde verklaringen, die ik reeds vroeger besprak. Laatstelijk is het nog geschiedt bij de behandeling van de staatsbegrooting voor 1900. In 't voorloopig verslag lezen we: "Opnieuw maakte de handel in vrouwen en meisjes, die over de geheele wereld bestaat en door elke verbetering der verkeersmiddelen wordt in de hand gewerkt, in eene afdeeling een punt van bespreking uit." Aangedrongen werd op medewerking van onzen Staat om vooral eenige internationale regelen, zooals het congres te Londen ze wenschte, tot stand te brengen. Bij de openbare beraadslaging in de 2de Kamer geschiedde het o.m. ook nog met aandrang door den afgevaardigde Graaf van Bylandt. Bij beide gelegenheden was het antwoord van den Minister in dien zin, dat ik er uit moet begrijpen, dat van onze Regeering het initiatief tot regeling dezer materie niet behoeft verwacht te worden. Een voorstel van een buitenlandsche regeering tot het treffen eener regeling in den geest van de wenschen door de "National Vigilance Association" te Londen in Juni l.l. uitgesproken, zou zeker in ernstige overweging worden genomen.

Opmerking verdient het feit, dat slechts de aandacht gevestigd wordt op den buitenlandschen handel; slechts op internationale maatregelen wordt aangedrongen. Al moge het waar zijn, dat de nationale handel niet in dezelfde mate op den voorgrond treedt en zoodoende in mindere mate het rechtsbewustzijn schokt, als gevolg waarvan krachtige aandrang geboren wordt om doeltreffende maatregelen in 't leven te roepen, toch kan de wenschelijkheid niet verheeld worden, dat de opname van een strafbepaling in ons strafwetboek om de bedoelde handelingen te keeren niet lang meer op zich moge laten wachten. Is dit geschied, zoo wordt het individu, dat zich met den buitenlandschen handel occupeert, ook in de meeste gevallen vervolgbaar. Het voorloopige gemis van internationale overeenstemming wordt daardoor wel niet volkomen gedekt, doch op enkele resultaten valt dan toch reeds te wijzen. De vraag blijft nu op welke wijzen moet eene dergelijke strafbepaling geredigeerd worden? Dat deze vraag niet van moeielijkheid ontbloot is, blijkt uit menige poging elders reeds gedaan om den meisjeshandel als delict in een artikel te belichamen, en dat zoowel door officieele strafrechtelijke commissies als door vergaderingen en congressen. Doch meestal zonder gunstige resultaten. Ik wees hierboven passim meer dan eens daarop. Men begrijpe mij niet verkeerd. Zeer zeker wordt de placeur door de meeste dier bepalingen getroffen; in zoover is 't doel bereikt. Doch beoogd was eene strafbepaling uitsluitend tegen placeurs. Door onnauwkeurige ontleding hunner handelingen ontstaat een veel te ruim gestelde bepaling. In zooverre wraak ik de resultaten der bovenvermelde pogingen, dat daardoor ook achterhaald worden feiten, die men zich niet ten doel gesteld had te achterhalen.

Om een goede bepaling te verkrijgen is het noodig de handelingen der placeurs te ontleden, ontdaan van alle bijomstandigheden, die niet tot 't wezen der zaak behooren. We krijgen dan successievelijk de feitelijke bestanddeelen van het delikt voor oogen.

Doch vooreerst nog enkele andere opmerkingen. Ik sprak van het delikt. Zou het niet de voorkeur verdienen door verruiming der grenzen van het huidige artikel 250 2º Sw. zoodanig, dat de meisjesverkooper ook vervolgd kan worden, een nieuw zelfstandig delikt overbodig te maken? Hierop het volgende ten antwoord.

Dat aan art. 250 2º Sw. gebreken kleven, hebben reeds velen betoogd. De vereischten der minderjarigheid en der gewoonte maken het onvoldoende. Doch het blijft een open vraag of ook bij weglating van deze vereischten het artikel den meisjeshandel wel in zich sluit, of dat althans de placeur als medeplichtige kan getroffen worden. Is dit laatste mogelijk, dan rijzen de gewone bezwaren, dat de handelingen van den placeur eerst strafbaar zijn, wanneer de bevordering van ontucht voltooid of, binnen de grenzen der wet, gepoogd is. Bij geval men echter de interpretatie van genoemd artikel zoover mocht drijven dat men daden van meisjeshandel als indirecte bevordering van ontucht daaronder zou willen brengen--wat m. i. niet kan, daar ook bij weglating van de twee genoemde feitelijke deliktsbestanddeelen toch niets veranderd wordt aan het historisch begrip lenocinium, dat ook art. 2502º bedoelt te treffen en dat dusdanige indirecte bemiddeling uitsluit--dan staan wij voor de vraag, of de wetgever zoo doende zijn goedbedoelde bescherming niet te ver zou uitstrekken, door meerderjarigen in alle gevallen en onafhankelijk van omstandigheden als die welke den meisjeshandel karakteriseeren, onder de hoede van de strafwet te stellen. Mijn bezwaar is dus, dat art. 2502º. niet dusdanig kan veranderd worden, dat een daad van meisjeshandel daardoor alleen er bij zou kunnen gestraft worden. En de beoordeeling of het wenschelijk is, dat ook andere feiten nog strafbaar gesteld zouden moeten worden, ligt buiten mijn bestek. Ook vordert het behandelen van deze kwestie bij de wetgevende macht te veel tijd, dan dat een strafbaarstelling van den handel in vrouwen en meisjes daarop zoude kunnen wachten. Het strafwetboek is nog niet lang genoeg in werking om met vrucht deze oude zaken weer te berde te brengen, die bij de behandeling van het wetboek dezelfde stof tot gedachtenwisseling aanboden als nu. Daarom wensch ik afzonderlijke strafbaarstelling van daden van meisjeshandel.

Ter wille der duidelijkheid resumeer ik de feitelijke bestanddeelen van een daad van meisjeshandel aldus: Iemand wil een vrouw aan de prostitutie overleveren. Bij volkomen bewustheid van wat men met haar voor heeft, is zij niet over te halen. List, misleiding is noodig, het oogmerk moet dus verzwegen worden. Hoe de misleiding plaats heeft is onverschillig, meestal door 't aanbod van een gefingeerde dienstbetrekking. Dit is de quintessens.

In verband hiermede zou ik dan willen aanbevelen het volgende artikel, dat ik als artikel 250bis in het strafwetboek zou willen vragen:

Art. 250bis. Als schuldig aan eene daad van handel in blanke slavinnen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren

1º. hij die opzettelijk wederrechtelijk eene vrouw, met 't oogmerk haar aan de prostitutie over te leveren en dit oogmerk verzwijgende, voor de prostitutie aanwerft;

2º. hij die opzettelijk, wetende welk oogmerk de dader heeft en voor de vrouw wederrechtelijk verzwijgt, dit oogmerk in de hand werkt.

Daarna volge een art. 250ter, dat ik infra zal behandelen en een art. 250quater van dezen inhoud:

250quater. Als schuldig aan handel in blanke slavinnen kunnen de in de artikelen 250bis en 250ter bepaalde straffen worden verdubbeld, voor hem die van het plegen der daar omschreven misdrijven een beroep maakt.

Art. 251 zou ik wenschen in dezen geest te wijzigen en aan te vullen:

Art. 251. "Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 239 en 241-250quater omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 No. 1-5 vermelde rechten worden uitgesproken.

"Indien de schuldige aan een der misdrijven in de artikelen 249-250quater omschreven het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

"Bij veroordeeling wegens een der misdrijven in artikel 250quater bedoeld, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten.

"Indien tijdens het plegen van een der misdrijven in de artikelen 250bis-250quater omschreven nog geen 5 jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens een der misdrijven in de voornoemde artikelen bedoeld onherroepelijk is geworden, kunnen de straffen met een derde worden verhoogd.

Toelichting. Het eerste lid van artikel 250bis omschrijft een daad van meisjeshandel duidelijk; het omvat alle feitelijke bestanddeelen. Het oogmerk bestaat om de vrouw aan een leven van ontucht over te leveren terwijl haar dit oogmerk verzwegen wordt. Deze verzwijging kan niet geschieden, terwijl er geen intentie bestaat om daardoor het bewuste oogmerk te bevorderen.

Het verzwijgen heeft plaats met dit vooropgestelde doel en kan niet onwillekeurig geschieden, b.v. omdat de dader in de meening verkeerde, dat de vrouw van de feitelijke omstandigheden op de hoogte is, en hij dus de vermelding van de feiten zooals zij zijn, onnoodig achtte. Het vereischte dat de aanwerving geschiede zonder dat de vrouw zelve met bewustheid daartoe medewerkt, wordt uitgedrukt door het woord "wederrechtelijk", dat den eigen, vrijen wil van de vrouw ten eenenmale uitsluit, terwijl bij minderjarigen het gebrek aan medeweten en toestemming van ouders en voogden, daarin mede begrepen wordt. De plaatsing van het woord opzet zorgt er voor, dat de dader niet, te goeder trouw in de meening verkeerende, dat de vrouw werkelijk weet, dat zij zich aan een leven van ontucht gaat overgeven (b.v. bij overplaatsing van een prostituée uit 't eene bordeel naar het andere), veroordeeld kunne worden. Het opzet beheerscht door de plaatsing al hetgeen volgt. Door ruime erkenning van het opzet bij mogelijkheidsbewustzijn worde bewerkt, dat de dader zich niet met een Franschen slag over zijn twijfel heenzet, of de vrouw al dan niet weet, dat zij een leven van ontucht gaat leiden. Zoo het blijkt, dat hij geen positieve gronden had om dat aan te nemen of b.v. aan te nemen, dat zij reeds prostituée was, moet, indien overigens de vereischten daarvoor aanwezig zijn, veroordeeling volgen. De ondubbelzinnige erkenning en toepassing van deze schakeering van het opzet maakt het bestaan van een culpoos delikt naast dit doleuze overbodig en is hier ook onnoodig.

Het delikt is voltooid, zoodra de aanwerving heeft plaats gehad; het bijkomende oogmerk behoeft niet bereikt te zijn. Dus zoodra er een bepaalde afspraak, verbintenis bestaat tusschen de vrouw en den placeur, dan hebben we het delictum consummatum van art. 250bis eerste lid.

We nemen hier het verschijnsel waar, dat de dader bijna altijd voor het voltooide delikt zal terechtstaan; de gevallen van strafbare poging zullen zich betrekkelijk in gering aantal kunnen voordoen, want dikwijls zal als onbewezen moeten aangenomen worden het vereischte, dat uitvoering alleen ten gevolge van omstandigheden van den wil des daders onafhankelijk niet is voltooid.

De medeplichtige is strafbaar volgens de gewone regelen b.v. de houder van een dienstkantoor, die de vrouw willens en wetens in relatie brengt met een hem bekend placeur, met wien hij volgens afspraak meer verbintenissen van dezen aard sluit.

Doch er bestaan nog een reeks van helpers, die, omdat zij hun hulp verleenen na de voltooiing van het delikt, eene gerechte straf zouden ontloopen. Het zijn degenen, die na de aanwerving, na het sluiten van de verbintenis tusschen de vrouw en den placeur om b.v. de gefingeerde dienst aan te nemen, de noodzakelijke keten vormen om het bijkomende, hun welbekende oogmerk van den dader te doen bereiken. Het zijn de begunstigers van het delikt, die ik in navolging van art. 48 tweede lid van de Duitsche wet op het Auswanderungswesen door art. 250bis 2de lid heb willen treffen. O. a. alle personen, die, onder de vereischten in dit lid gesteld, successievelijk behulpzaam zijn de vrouw in dien toestand te brengen, dat zij zich aan de prostitutie overgeeft door haar b.v. in het bordeel te brengen. In de meeste gevallen zal het bewijs gemakkelijk te leveren zijn of het vereischte opzet, opzet bij mogelijkheidsbewustzijn inbegrepen, aanwezig is.

Art. 250quater omschrijft het misdrijf "handel in blanke slavinnen". Art. 250bis treft de enkelvoudige daad van aanwerven. "Handel in blanke slavinnen" veronderstelt echter 't verrichten als beroep. Daarvoor is niet noodig dat er reeds meer daden verricht zijn, ook een enkele kan een beroepsdaad wezen, mits aanwezig en bewezen zij de wil om dergelijke daden te herhalen. Dit is het karakter van een zgn. "beroeps-delikt" in tegenstelling van een "gewoonte-delikt". De straf wordt hier verdubbeld, omdat hier een anti-sociale wil voor den dag treedt, die juist wegens zijn permanentie op zijn krachtigst moet onderdrukt worden.

De invoeging dezer nieuwe artikelen maakt eene aanvulling noodzakelijk in beide leden van art. 251. Vooral het 2de lid is dan van belang om b.v. aan dienst- en huurkantoren een verder bestaan te ontzeggen. Deze juist stichten veel kwaad.

Tevens wensch ik aan art. 250 de boven aangegeven 3e en 4e alinea toe te voegen.

De openbaarmaking der uitspraak is gewenscht in tweeërlei opzicht. Vooreerst om in 't algemeen het publiek op het speciëele geval opmerkzaam te maken zoodat het zich weer helder voor oogen kan stellen aan hoeveel gevaren de jonge vrouwen blootgesteld zijn; ten tweede om wantrouwen op te wekken tegen de praktijken van den dader en zijne eventueele helpers, zoodat 't hun na 't ondergaan van hun straftijd moeilijker zal vallen vrouwen en meisjes te misleiden.

Art. 251 vierde lid bepaalt een zwaardere straf bij recidive van de voorgaande misdrijven. Indentiteit is niet vereischt, analogie voldoende. De recidive verjaart in 5 jaar.

Op deze wijze wordt naar mijne meening op de beste wijze een repressie voor de bedoelde daden geschapen. Mijns inziens vormt, en vooral voor onze strafwetgeving, het bovenstaande een deugdelijke basis om op te bouwen een stelsel van repressie van den buitenlandschen meisjeshandel.

Voor ik verder ga, moet ik blijven stilstaan juist om eenige algemeene beschouwingen te geven ten opzichte van de bestrijding van deze internationale wandaden. "Aux maux internationaux il faut des remèdes internationaux" zegt Bluntschli. Het is juist de vraag: "wat hebben wij hier te verstaan onder maux internationaux, wat onder remèdes internationaux?" De beantwoording van deze vragen moet eenigszins in elkaar vloeien. Met de remèdes hebben we hier te verstaan strafrechtelijke bepalingen. Met bepalingen van internationaal strafrecht kan men drieërlei bedoelen.

I. De rechtsregelen, die den omvang van de werking van het inlandsche strafrecht afbakenen ten aanzien van feiten buiten het territoir begaan.

II. De rechtsregelen, die de internationale rechtshulp op strafrechtelijk gebied vaststellen.

III. De door internationale overeenstemming vastgestelde rechtsregelen, die ten doel hebben de bescherming van internationale rechtsbelangen.

Strafrecht heeft ten doel bescherming van rechtsbelangen. Internationaal strafrecht, zooals dat onder III aangegeven wordt, bescherming van internationale rechtsbelangen. Hebben wij hier te doen met een internationaal rechtsbelang? Wanneer wij ons een internationaal rechtsbelang voorstellen als een, waarvan een geheel van staten als de dragers van dat rechtsbelang zich de bescherming moet aantrekken, dan moet een beslist ontkennend antwoord volgen. Met een voorbeeld wordt dit duidelijker. Het geven van regelen met betrekking tot de bescherming van de onderzeesche telegraafkabels, van de internationale waterwegen zooals dat nu reeds geschied is, ten opzichte van de bestrijding van het anarchisme, waartoe Spanje [22] het initiatief heeft genomen, doch dat het heden nog niet geschied is, is op een deugdelijken rechtsgrond gebaseerd; we hebben hier te doen met waarachtig internationale rechtsbelangen. Doch bij den blanke slavinnenhandel hebben wij te doen met zuiver nationale rechtsbelangen, die evenwel in ruimeren zin door de omstandigheden internationaal kunnen heeten. Von Liszt drukt dit aldus uit: "Durch internationale Angriffe kann eine internationale Solidarität der nationalen Interessen entstehen, und durch diese das an sich nationale Rechtsgut zu einem internationalen werden."

Doch nog om eene andere reden zou ik niet wenschen op deze wijze internationale strafrechtelijke bepalingen in het leven te roepen. Ons internationale publiekrecht heeft nog niet die vlucht bereikt, waarop het internationale privaatrecht kan bogen. Doch beiden moeten zich steeds met een palliatief behelpen, waar het geldt het in leven roepen van internationale bepalingen. Dit palliatief bestaat daarin, dat eene conferentie van gedelegeerden uit verschillende landen de grondslagen vaststelt, volgens welke de Regeeringen beloven aan de wetgevende macht hunner landen voorstellen voor eene wettelijke regeling in te dienen of er worden resoluties genomen in den vorm van wettelijke bepalingen, die de bedoelde Regeeringen aannemen door de respectieve wetgevers tot wet te doen verheffen. Er is geen ander middel mogelijk. De zuiverste wijze van handelen zou zijn, dat een centraal gezag of centrale wetgever over die landen bevoegd is de wettelijke bepalingen uit te vaardigen, die in het internationaal belang noodig blijken te zijn. Doch tot zulk een hoogte is het internationaal recht nog niet gevorderd, een dergelijk centraal gezag ontbreekt vooralsnog. Daarom ben ik eenigszins afkeerig van het gebruik van een dergelijk palliatief (tot welke punten van verschil dit aanleiding geeft heeft nog onlangs het internationale tractaat van 1897 voor de regeling van eenige bepalingen van formeel privaatrecht aangetoond) en zou ik mij wenschen te houden aan andere onder I en II aangegeven beginselen, die den grondslag vormen voor een deugdelijke regeling.

De omvang van de werking van ons strafrecht is nauwkeurig aangegeven in de artt. 2-7 Wetboek van Strafrecht en wel voornamelijk volgens het territorialiteitsbeginsel. Iedereen is strafbaar voor feiten op ons territoir gepleegd. Verder onder bepaalde voorwaarden en beperkingen ieder Nederlander voor in het buitenland gepleegde misdrijven. Ten slotte ook de vreemdeling, die bepaald aangegeven misdrijven in het buitenland pleegt. Deze beginselen heerschen in zekere mate meer of minder verschillend in de meeste strafwetten. In ieder geval ware 't anders wenschelijk, dat zij op gelijke wijze in alle landen bestonden. Dit zou een gezonde grondslag vormen om de criminaliteit tegen te gaan, waarnaast tevens een ruime erkenning van het onder II aangegevene, met name van het instituut der uitlevering, moest bestaan.

Eene dergelijke uniforme regeling en vaststelling van uitleveringstractaten voor zoover zij nog niet bestaat, zou ik in alle moderne strafwetboeken ingevoerd wenschen te zien. Dit is van belang voor de bestrijding van de internationale criminaliteit in het algemeen, van den internationalen meisjeshandel in het bijzonder.

Doch hiermede hebben wij ons doel nog niet bereikt. Waar het territorialiteitsprincipe overheerschende is, is het van het grootste gewicht aan te geven waar het gepleegde feit berecht moet worden, m. a. w. er mag geen twijfel bestaan aangaande den locus delicti commissi. Daarom moet zoowel om 't feit, dat ik, zooals blijken zal, de mogelijkheid van meerdere loci delicti commissi aanneem, als ten gevolge van de omstandigheid dat in bijna iedere strafwet naast het territorialiteitsbeginsel nog andere principes gehuldigd worden, in acht genomen worden, dat er geen botsingen ontstaan tusschen de strafvordering der verschillende staten. Hiertegen zouden bij eene internationale conferentie maatregelen te nemen zijn. Van den buitenlandschen handel wensch ik niet te maken een delictum sui generis. M. i. voldoet art. 250bis voldoende aan de behoefte, indien wij het oogmerk om de vrouw of het meisje in ontucht buiten het rijk te doen leven als verzwarende omstandigheid aannemen. Te meer, daar de punten van internationaal strafrecht, die ik hierboven aanstipte, in onze wet reeds grootendeels gevonden worden.

Ik zou deze gequalificeerde daad van meisjeshandel dan willen neerleggen in art. 250ter, dat dan aldus zou luiden:

Art. 250ter "De schuldige aan een der in het vorige artikel omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien het oogmerk van den dader daarop gericht was de vrouw in het buitenland aan de prostitutie over te leveren." De hierop volgende artikelen zijn ook op dit artikel van toepassing, zooals reeds gebleken is.

Ook hier is voor het voltooide delikt natuurlijk hetzelfde van toepassing, wat ik supra over art. 250bis zeide. M. i. is de strafbaarstelling van den buitenlandschen handel op deze wijze correcter dan ze in art. 48 van het Duitsche Auswanderungsgesetz van 9 Juni 1897 plaats heeft. Daar heet het toch: "Wer eine Frauensperson zu dem Zwecke sie der gewerbsmässigen Unzucht zuzuführen mittelst arglistiger Verschweiging dieses Zweckes zur Auswanderung verleitet," u. s. w. Wat is toch de kwestie? De Verleitung zur Auswanderung kan plaats gehad hebben om de reis korter te maken b. v. van Maastricht over Hasselt naar Amsterdam, verder om niettegenstaande het bedoelde oogmerk als einddoel de vrouw of het meisje in het buitenland eerst in een overgangsstadium te doen verkeeren. M. a. w. er is hier niet aangegeven, dat de "gewerbsmässige Unzucht" in het buitenland moet plaats hebben.

Inzooverre acht ik mijn artikel beter.

De schuldige van art. 250bis tweede lid moet weten, dat de dader dit oogmerk koestert.

Het strafbare feit is gepleegd. Waar moet het berechting vinden m. a. w. welke strafwet moet worden toegepast? Wanneer het strafbare feit gepleegd, voltooid is, gaf ik reeds aan.

Onder A 3 van de resoluties van het Congres te Londen werd besloten: "To prevent any conflict of jurisdiction by determining the proper place of trial." Welke redenen aanleiding kunnen geven tot eenig conflict gaf ik reeds hierboven aan.

Neem aan dat de meisjeshandel zoowel in Nederland als Duitschland op denzelfden grondslag strafbaar gesteld is; in beide landen heerschen dezelfde bepalingen ten opzichte van den omvang van de werking der strafwet. De verleiding van een Hollandsch meisje om in een Duitsch bordeel te gaan is in Nederland voltooid. Zonder twijfel moet dan de berechting in ons land plaats hebben. Heeft evenwel het misdrijf van art. 250bis jo 250ter 1º deels in Nederland, deels in Duitschland plaats gehad, dan zou ik van het volgende beginsel wenschen uit te gaan. Waar een misdrijf deels in het eene land, deels in het andere land is gepleegd, mag de rechtsorde in beide landen zoodanig daarbij betrokken geacht worden, dat berechting in beide landen gerechtvaardigd is. Zoolang dus slechts een deliktsbestanddeel in het eene land gepleegd is, is ook de rechter van dat land bevoegd in te grijpen. Heeft b. v. het misdrijf plaats van 250 bis 2e lid: de begunstiger neemt in Keulen het meisje van den placeur of het plaatsbureau onder zijn hoede en reist met haar naar Amsterdam, waar zij in een bordeel geplaatst wordt. Zoowel de Duitsche als de Nederlandsche rechter zijn dan bevoegd. Aan welken moet dan evenwel de berechting overgelaten worden? Dit geschilpunt zou ik wenschen, dat ook op een internationale conferentie uitgemaakt werd. Bij slot van rekening zal, dunkt mij, de processueele opportuniteitsvraag den doorslag moeten geven. Welke rechter zal het dan wel moeten zijn? Zeer moeilijk is het in weinige woorden de wenschelijkheid van 't een of andere beginsel te bepleiten. Is de rechter bevoegd der lex originis van den dader of van de vrouw? Soms de rechter van 't land, waar de vrouw zich aan de ontucht overgeeft? Of wellicht van het forum deprehensionis? Deed ieder geval zich zeer eenvoudig voor, dan zou ik het laatste beginsel verkiezen, om mij aan 't bovengenoemde voorbeeld te houden: de dader wordt te Amsterdam gevat. Om processueele redenen zou ik n. l. in dit geval aan het forum deprehensionis den voorkeur geven. Doch dit beginsel is ook niet vol te houden, daar juist wegens het ambulante van de bezigheid van den dader deze wellicht na 1 of 2 dagen in België, Frankrijk, Oostenrijk of Engeland verblijft en daar gevat wordt. Dan moet er uitlevering plaats hebben, doch aan wien?

Aan Nederland of aan Duitschland? Na nauwgezette overweging komt 't mij voor, dat bij internationaal tractaat de rechter van dat land tot de berechting bevoegd is, waar de vrouw thuis behoort; ik bedoel hier niet hare nationaliteit, maar daar waar zij woont, van waar men dus mag verwachten, dat in de meeste gevallen de verleiding begonnen is. En processuëele redenen op den achtergrond schuivende omdat zich toch steeds moeilijkheden zullen voordoen, die bij tractaat moeten opgelost worden, geef ik dit voor de aanneming van gemeld beginsel als hoofdargument op, dat juist daar, waar de vrouw thuis hoort het rechtsbewustzijn het meest geschokt is door het plegen van het misdrijf tegen iemand, die alom meer of minder bekend is.

Voor de strafprocedure is vooral met 't oog op 't bewijs van eminent belang de rechtshulp van het andere land b.v. om te weten te komen of de dader werkelijk het bewuste oogmerk bezat.

't Is buitendien van het hoogste belang voor de ontwikkeling van het internationaal strafrecht in 't algemeen, voor de berechting van den meisjeshandel in 't bijzonder, dat tractaten regelen, in hoeverre vreemdelingen gedwongen kunnen worden als getuigen gehoord te worden, of en in welke gevallen zakelijke bewijsmiddelen ten dienste van een strafproces afgestaan kunnen worden, in hoeverre rogatoire commissiën toelaatbaar zijn en de dwang voor den vreemde rechter bestaat om aan de verzoeken te voldoen. De consulaten zouden in deze kwesties ook een rol kunnen vervullen. Wie de kosten der rechtshulp moet dragen en de regeling hiervan moet alsdan ook vastgesteld worden.

Daar bij deze strafbare feiten dikwijls meer dan een persoon betrokken is, die ieder zelfstandige feiten plegen waarvan het complex de vrouw ten val moet brengen, zal in 't belang van het onderzoek in vele gevallen voeging noodig blijken te zijn. Voor den Nederlandschen rechter geeft het wetboek van strafvordering eenige gevallen van connexiteit (art. 87-91). Aldus zou een tractaat ook voor connexiteit in gevallen van internationalen meisjeshandel voeging kunnen ordenen.

Voor het geval een Nederlander in het buitenland een der strafbare feiten van art. 230bis-250quater begaat, zijn de artt. 52º en 68 van het Wetb. v. Str. in acht te nemen.

Ten opzichte van de toepassing van art. 251 vierde lid n.l. de recidive van daden van verkoop van vrouwen wensch ik het groote belang te betoogen, dat individuën, reeds in een anderen staat een strafvonnis ter zake van een dergelijk feit ten hunne laste hebbende, in onzen staat, als recidivisten zullen veroordeeld worden en omgekeerd.

Wanneer eens als gevolg van eene internationale conferentie de bedoelde feiten op denzelfden grondslag strafbaar gesteld zullen zijn, dan kan er geen bezwaar bestaan bij tractaat, dat daarna voor onzen Staat wettelijk goedgekeurd zal zijn, aan het buitenlandsche strafvonnis internationale rechtskracht te verleenen, althans voor zoover dat voor de recidive noodig zal blijken te zijn.

In aanmerking nemende, dat de boven ontworpen strafbepalingen, hoe streng zij ook zijn, dikwijls niet bij machte zullen zijn preventief te werken uit hoofde van het feit, dat de te behalen winsten van dien aard zijn, dat men hare strengheid durft trotseeren, verder dat degenen, te wier behoeve de werving geschied is, evenzeer een groote mate van criminaliteit openbaren, wensch ik nog aan te bevelen een nieuw artikel, dat als art. 250quintus een geval van gequalificeerde koppelarij moet opleveren. Het luidt aldus:

Art. 250quintus. Hij die opzettelijk het plegen van ontucht door eene op de wijze in art. 250bis of ter omschreven voor de prostitutie aangeworven vrouw met een derde teweegbrengt of bevordert, wordt als schuldig aan begunstiging van handel in blanke slavinnen gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. [23]

Ten slotte acht ik voor het behoud van art. 452 Sw. geen gegronde argumenten aanwezig. In Hoofdstuk VI § 1 bij de behandeling van de wetgeving in Nederland besprak ik dit artikel uitvoerig. Ik wil daarom hier niet in herhalingen vervallen door deze mijne meening nog maals te argumenteeren.

Doch hoe te zorgen dat deze strafbepalingen geen doode letter blijven? Hier moet de politie aan 't woord komen. In deze materie heeft zij een groote rol te vervullen. Hare taak is tweeledig; preventief: ter voorkoming en afwending van deze gevaren; repressief: ter opsporing van deze gepleegde delikten. Op dit laatste deel van haar taak doelde ik zooeven. Laat ik evenwel de justitiëele politietaak aanstonds behandelen.

Duidelijk heb ik reeds in het begin dezer proeve doen uitkomen, dat ik niet veel heil verwacht van opheffing van bordeelen ten opzichte van deze feiten. Integendeel streng toezicht op de bordeelen acht ik van meer nut. Zoowel preventief als repressief kan de politie werkzaam zijn, als zij een onbeperkt recht van toegang heeft in deze huizen. In die gemeenten, waar het houden van een bordeel op straffe verboden is, moest de wet verlof verleenen, dat de dienaren der politie bij vermoeden van overtreding zoo ruim mogelijke bevoegdheid verkrijgen, b. v. met schriftelijke toestemming van het hoofd der plaatselijke politie, de verdachte huizen binnen te treden.

Van groot belang acht ik, dat de politie op de hoogte gekomen van verdachte handelingen van suspecte individuën openlijk waarschuwingen richt aan het publiek. Particuliere vereenigingen kunnen haar groote diensten bewijzen.

Met enkele woorden wil ik wijzen op enkele punten, die Dr. Gruber in zijn rapport op 't Criminalisten Congres te Budapest, Sept. 1899, onder zijn desiderata rangschikte. Eventueele uitreiking van een buitenlandsche pas moest geweigerd kunnen worden aan minderjarige vrouwen, die 't land onder verdachte omstandigheden verlaten willen. Uitschrijven van belooningen aan de aanbrengers van deze gewraakte praktijken. M. i. een zeer af te keuren beginsel. Bewaking van stations en stoombootaanlegplaatsen, rondreizende vrouwelijke politiedienaren. Photographieën en metingen volgens Bertillon genomen van de bekende de koppelarij uitoefenende individuën aan de politieoverheden der groote steden te zenden en verder van deze stukken een internationaal ruilsysteem in 't leven te roepen, zou Dr. Gruber wel willen aanbevelen.--Ofschoon dit laatste votum meer als een algemeene wensch voor eene doortastende bestrijding der internationale criminaliteit mag aangemerkt worden, ontken ik haar groot belang niet voor de bestrijding van den meisjeshandel in 't bijzonder. Onderlinge civiliteit van de politiemagistraten der verschillende landen is juist, behoudens enkele uitzonderingen, in deze materie het eenige, dat dienstbaar gemaakt wordt aan 't keeren van deze internationale criminaliteit. Doch van groot gewicht moet geacht worden zoowel voor de repressie als voor de preventie van deze misdrijven eene op internationale overeenstemming berustende wederzijdsche verplichting der politieoverheden elkaar de noodige inlichtingen, gevraagde hulp--deze laatste nader te omschrijven--te verleenen om deze euveldaden af te wenden, de gevolgen ervan te keeren. (Zonder twijfel is ook voor de bestrijding van de internationale misdadigheid in 't algemeen van belang, dat dergelijke politieëele bevoegdheden en verplichtingen in algemeene bewoordingen omschreven worden.)

Wat nu reeds als internationaal collegiale vriendelijkheid wel betracht wordt behoorde een wettelijken, althans een bij tractaat vastgestelden grondslag te hebben; b.v. het wederzijds op de hoogte brengen van doen en laten van beruchte individuën, van verdachte lieden, voorzoover dit tenminste volgens 't oordeel der politieoverheid zelve haar voor de handhaving der rechtsorde in ruimeren zin doeltreffend voorkomt. Wat deze materie speciaal aangaat kan der overheid van de plaats van bestemming, indien deze bekend is, verzocht worden een oogje in 't zeil te houden in gevallen waarin personen onder min of meer verdachte omstandigheden, die evenwel nog tot geen ingrijpen aanleiding kunnen geven, het land verlaten.

Wanneer eenmaal het strafbare feit gepleegd is, (of wanneer men vermoedt dat er een gepleegd is) treedt de politie als justitiëele op. Zij staat hier onder het gezag der justitiëele ambtenaren zelve. Hare bevoegdheid en plicht om hier in het belang der internationale bestrijding van den meisjeshandel op te treden hangt dus af van de bevelen haar gegeven door de justitie zelve, wier bevoegdheid, van internationaal formeel strafrechtelijk karakter, om bevelen uit te vaardigen, weer afhangt van de op tractaten of wetten steunende bevoegdheden en plichten om in dezen werkzaam te wezen. Welke desiderata hier te vervullen zijn, besprak ik reeds hierboven.

Waar het misdrijf gepleegd is, kan het kwaad reeds geleden zijn en is 't ook mogelijk, dat de gevolgen nog niet zijn ingetreden. In 't eerste geval moeten de verdere gevolgen gekeerd worden, in 't tweede, het intreden afgewend. Met andere woorden het slachtoffer moet in bescherming genomen worden. Dit gebiedt ons ook art. 4 eerste lid van onze Grondwet. Hier bij den buitenlandschen handel komt dan vooral in aanmerking de zorg, dat de vrouw gelegenheid hebbe het land te verlaten en naar haar eigen land terug te keeren, dat zij te kwader ure zonder volkomen vrijheid van toestemming (in den meest ruimen zin) verliet.

Bij tractaat moeten de zich aansluitende staten de verplichting op zich nemen iedere vrouw, die aan de ontucht overgeleverd is door misleiding van anderen op haar verzoek weder naar het land, waar zij woonde (natuurlijk, mits zij onderdaan was van een der staten onderteekenaars van het tractaat) terug te leiden. Doch ieder land moet dan voor zich zelve regelen stellen om uit te maken, dat van dit favoriet-voorschrift geen misbruik gemaakt worde, b.v. door eene vrouw, die wel als slachtoffer van een placeur gevallen is doch zich binnen korter of langer tijd volkomen verzoend heeft met het ontuchtig leven. 't Zou toch mogelijk zijn, dat een dergelijke vrouw na langen tijd den aandrang in zich voelde opkomen om kosteloos naar haar land terug te keeren. Hiertegen moet gewaakt worden. Het verdrag moet dan voorschrijven, dat hierop nauwkeurig toegezien moet worden, en de nationale wetgeving hiertegen doeltreffende regelen moet geven.

Ten opzichte van minderjarigen moet dan nog dit beginsel aangenomen worden, dat zelfs tegen haar wil de meisjes op verzoek der personen die volgens de wetten des lands gezag over haar hebben, kunnen teruggevoerd worden, natuurlijk slechts dan, wanneer zij door toedoen van placeurs prostituées zijn geworden. (wenschelijk is 't, dat 't ook in alle andere gevallen geschiede, doch dit raakt de materie, die ik behandel, niet.) De status ante moet toch zooveel mogelijk hersteld worden.

Dit terugvoeren naar het land, waarvan de vrouw herkomstig is, is zuivere politietaak. Bij de behandeling der drie verklaringen tusschen Nederland eenerzijds en België, Oostenrijk en Duitschland anderzijds sprak ik over de zoogenaamde "uitleiding" uitvoerig.

Ik wees er daar reeds op, dat in het laatste geval de politie optreedt als gevolmachtigde der gezaghebbenden, hetzij ouders of anderen. In het eerstgenoemde geval, dus daar waar zij de terugkeer bewerkstelligt van haar, die in den val gelokt zelf verzoekt uitgeleid te worden, treedt eene taak der politie op den voorgrond, die een uitvloeisel is van haar algemeene bevoegdheid en plicht op te treden en in te grijpen waar de zorg voor de veiligheid der rechtsorde en voor de bescherming van het individu dergelijk ingrijpen rechtvaardigen. Grondwettelijken steun vindt deze zorg voor vreemdelingen in art. 4 Grondwet.

Om reciprociteit te waarborgen en efficaciteit van den maatregel te bewerkstelligen is vaststelling en nadere regeling bij tractaat gewenscht. Wat de financiëele lasten betreft, die mogelijkerwijze op den Staat zouden kunnen drukken, is nadere wettelijke goedkeuring vereischt in volge art. 59 tweede lid van onze Grondwet.

Met nadere regeling van de uitleiding bij tractaat bedoel ik juist eene regeling, die ten doel heeft te zorgen, dat met de uitleiding werkelijk gevolgen bereikt worden, die haar in waarheid den naam kunnen geven van een maatregel te zijn ter bescherming van het slachtoffer van den meisjeshandel.

Men heeft getracht in de respectieve drie verklaringen zooeven genoemd, ook aan dezen eisch te voldoen. M.i. zou dit het beste resultaat opleveren. Daar waar het verzoek geschiedt door de vrouw of het meisje zelf, moet bij tractaat de verplichting opgelegd worden, dat de politie van het land, waar de vrouw zich tijdelijk bevindt, aan de politie van het land, waarheen de vrouw uitgeleid wordt (in casu b.v. van de plaats, waarvan zij herkomstig was) kennis geeft van plaats en tijd der uitleiding; nadere inschikkelijkheden moeten geheel afhangen van het plichtsgevoel der betrokken autoriteiten en van haar onderlinge overeenstemming. Waar beide staten niet aan elkander grenzen, moet deze zelfde hoofdregel in acht genomen worden. De overheid van den anderen staat kan dan of zelf aan de plaats van uitleiding de hoede over de vrouw op zich nemen of zij kan schikkingen treffen met den staat van doorreis om het terugbrengen zoo doeltreffend en economisch mogelijk te bewerkstelligen.

De staat, waar het meisje zich bevindt, moet op zich nemen in de gevallen, waarin de personen die gezag over de minderjarige hebben het verzoek tot de overheid richten, hun zelf bericht te geven van de plaats en tijd der uitleiding. Nadere afspraken kunnen tusschen de politie en deze personen gemaakt worden. En de ouders of anderen kunnen aan de politie van hun eigen land het verzoek richten als hun gemachtigden op te treden.

Doch in het laatste geval is de kostenkwestie een belangrijke factor. Van welk standpunt moeten wij uitgaan? Er bestaan slechts 2 mogelijkheden: òf de respectieve staten dragen alle kosten òf de belanghebbenden doen dit. Een derde mogelijkheid dat beiden ze zullen dragen moet reeds aanstonds verworpen worden bij gebreke van hoegenaamd iederen maatstaf, die voor deze deeling geschikt zou kunnen zijn. Ik ga hier vooral uit van de rechtsbeginselen geldend in onzen Nederlandschen Staat. En dan pleit m.i. het beginsel waarom in deze materie ingegrepen wordt, n.l. de bescherming van hoogst gewichtige rechtsbelangen, geheel voor de beslissing dat de staat of staten de kosten zullen dragen. En verder nog een negatief argument, dat in het tegenovergesteld geval de ouders door te hooge kosten ervan afgeschrikt kunnen worden het belang hunner kinderen te bevorderen door hun uitleiding te verzoeken. De kosten zouden bovendien in vele gevallen wegens insolventie der betrokken personen niet te verhalen zijn.

Elders wees ik reeds op de gewichtige taak, die in deze stof de consulaire ambtenaren te vervullen hebben; daarheen verwijs ik in hoofdzaak op deze plaats (zie pagg. 77, 128-130.)

Dit zijn de desiderata, waarvan de vervulling, naar het mij voorkomt, in werkelijkheid de koop en verkoop van meisjes in dien zin, dat er werkelijk ernstig gevaar voor de integriteit van gewichtige rechtsbelangen ontstaat, en welke ik in deze proeve behandelde, zal kunnen tegengaan. Met alle bescheidenheid bied ik deze te nemen maatregelen de bevoegde machten dan ook ter overweging aan.

Bestaat er evenwel een gegrond motief voor onzen Minister van Justitie om niet het initiatief te willen nemen tot de internationale bestrijding van dit kwaad? Dat de binnenlandsche handel niet in die mate bestaat, dat zij een dergelijk initiatief zou rechtvaardigen geef ik toe, maar daarvoor wordt ze ook niet verlangd. Doch de import is omvangrijk genoeg om krachtige maatregelen van internationalen aard te treffen. Iedere staat toch heeft een roeping te vervullen zoowel ten opzichte van zijn ingezetenen als van de op 't gebied van dien staat komende vreemdelingen. Ik verwijs nogmaals naar art. 4 eerste lid van onze Grondwet.

Dit artikel heeft een dieperen zin, dan de eerste lezing zou doen vermoeden. Gelijke aanspraak hebben allen, die zich op 't grondgebied van het Rijk bevinden, op bescherming van persoon en goederen. Het valt niet te ontkennen, dat het de plicht van iederen staat tegenover zijn eigen onderdanen is de verwezenlijking van hun geluk zooveel mogelijk te bevorderen door hun belangen voorzoover het kan geschieden zonder dat de staat zijn werkkring overschrijdt, in bescherming te nemen.

Het grondwetsartikel gebiedt dit ook ten opzichte van vreemdelingen. Men interpreteere het dus niet te eng door er slechts in te lezen, dat op den vreemdeling behalve de in art. 4 tweede lid genoemde gevallen geen uitzonderingsgevallen op de positief bestaande beschermingsvoorschriften toelaatbaar zijn.

Neen, maar waar voor den onderdaan eventueel in hetzelfde geval verkeerende als de vreemdeling maatregelen ter bescherming zouden geschapen worden, daar moeten indien de vreemdeling in dat geval verkeert, dezelfde pogingen tot bescherming aangewend worden.

Daarom zou 't mij voorkomen, dat het met deze voorgaande beschouwingen in overeenstemming is, en niets er zich tegen verzet, dat van Nederland ook in deze materie het initiatief voor eene internationale regeling uitgaat en naar mijne bescheiden meening een regeling 't beste gebaseerd op de door mij in dit proefschrift voorgestane beginselen.

NASCHRIFT.

Na het afdrukken van dit proefschrift verscheen in het Zeitschrift für die gesamte Strafrechtswissenschaft (20ster Band 4es Heft) een artikel van Dr. jur. Karl Hatzig, getiteld "Der Mädchenhandel".

In de literatuuropgave, die boven het opstel staat, mis ik een van de voornaamste bronnen en wel de rapporten van het Pénitentiair Congres in 1895 te Parijs vergaderd. De tijd ontbreekt mij eene uitvoerige kritiek te leveren over dit opstel, dat een dertigtal pagina's druk bevat.

Nieuwe gezichtspunten in zake deze materie vind ik er niet in geopend. Integendeel de opvattingen, die de schrijver huldigt, stemmen in generali overeen met die, welke ik in mijn proefschrift neerlegde. Doch juist daarom bevreemdt het mij des te meer, dat het door Dr. Hatzig ontworpen artikel den indruk geeft als te zijn voorgesteld door iemand, wien het juiste karakter van den handel in blanke slavinnen onbekend is.

Zijn artikel luidt aldus:

"Wer gewerbsmässig eine Frauensperson zu Zwecken der gewerbsmässigen Unzucht anwirbt, wird mit Zuchthaus bestraft u. s. w."

Men ziet, dat de vermelding van het bedriegelijk element in dit artikel verwaarloosd is, ten gevolge waarvan ook vele andere handelingen, die geheel buiten den meisjeshandel vallen en wellicht geen misdadig karakter bezitten, onder deze strafbepaling zouden vallen.

Op zich zelf staande daden van meisjeshandel wil S. blijkbaar ongestraft laten.

AANTEEKENINGEN

[1] Bij het later gehouden onderzoek bleek, dat voor een 50-tal bordeelen van Frankrijk, België en Holland, Engelsche vrouwen en meisjes op dergelijke bedriegelijke wijze verhandeld werden.

[2] Hetgeen hier in dit hoofdstuk volgt, zal aan den eventueelen lezer wellicht de opmerking ontlokken, dat het in hoofdzaak bevat feiten van algemeene bekendheid. Dit geef ik gaarne toe. In welken moreelen en physieken toestand de prostituée en vooral de bordeel-prostituée zich bevindt mag van algemeene bekendheid verondersteld worden. Doch ter wille der volledigheid mocht ik niet nalaten toch nog een en ander duidelijk aan te geven. En de systematische wijze, waarop dit geschied is, toont den lezer aan, dat het niet zoozeer mijn doel was beschrijving van de positie der prostituée, als wel aanduiding van de meer of mindere mate, waarin de gezegde rechtsbelangen gekrenkt worden, indien het bewuste oogmerk bereikt wordt.

[3] Zie de onthullingen van de Pall Mall Gazette over de Belgische politie. Zie verschillende rapporten op het Pén. Congres '95.

[4] Op enkele uitzonderingen na zijn de door mij hierboven aangehaalde gevallen te vinden in het Bulletin Continental. Al mag verwacht worden, dat organen van vereenigingen, die zich met zgn. Prinzipienreiterei bezig houden, zich wel eens aan overdrijving zullen schuldig maken, zoo zal meestal toch de kern waarheid zijn. Het Bulletin Continental boezemt mij evenwel vooral door zijn bezadigdheid en verder door het nauwkeurig aangeven der gevallen, vertrouwen in. De Heer Yves Guyot doorspekt zijn geheele verslag op 't Pénitentiair Congres (Parijs) van 1895 met citaten uit dit maandelijks verschijnend blad. Ik achtte het echter mijn plicht een greep uit de door mij aangehaalde gevallen te doen en de meer of mindere waarheid daarvan te controleeren. Ik heb het laatst genoemd geval genomen en den Hoofdcommissaris van Politie te Rotterdam verzocht mij te willen melden, of het feit naar waarheid geschetst was. Ter contrôle citeer ik het daartoe betrekking hebbend deel uit diens antwoord.

»In Maart 1895 heeft een Belgische placeur in een bordeel alhier, gehouden door eene Oostenrijksche vrouw, een Belgisch meisje van 17 jaren gebracht, 't welk daar slechts eenige uren heeft vertoefd, nadat zij met dien placeur te zamen (in een kamer, ingeschreven als man en vrouw) den nacht in een groot hotel alhier had doorgebracht om daarna via Berlijn naar Riga te reizen, waar zij in een bordeel van eene Oostenrijksche vrouw, Rabuchin, zou worden geplaatst. Deze laatste vrouw werd in het bordeel van hare landgenoote aangehouden en door bemoeiingen mijner administratie de placeur met het minderjarige meisje gearresteerd, terwijl de Oostenrijksche bordeelhoudster bij terugkomst te Rotterdam werd aangehouden. Zij werd aan de Belgische justitie uitgeleverd evenals de bordeelhoudster van Riga en beide vrouwen werden tot vele jaren tuchthuis veroordeeld te Brussel, terwijl het bordeel werd opgedoekt. De Oostenrijksche bordeelhoudster, destijds hier gevestigd heette Anna Tabatz, hare collega uit Riga Alexandrina Rabuchin.

[5] Te vinden in een Duitsche correspondentie in een Handelsblad van den zomer 1899.

[6] N.B. 1. In Duitschland is het door misleiding verlokken van meisjes om zich in den vreemde aan de prostitutie over te geven met strenge straffen bedreigd: hoogstens 5 jaar tuchthuis, ten hoogste 6000 Mark boete, politietoezicht. 2. Sedert het verbod der bordeelen te Amsterdam is de verklaring met Duitschland uitgewisseld voor deze stad van geen waarde meer. (Doch hierover later.)

[7] "Das Strafgesetzbuch für das Deutsche Reich in seiner gegenwörtigen Gestalt" (Uitgave Heule en Schierlinger) art. 180. noot 6.

[8] Jaargang 1895 "Ueber den Einfluss der Kasernirung der Prostituirten auf die Ausbreitung der Syphilis."

[9] Velen onder hen vallen het artikel scherp aan o.a. op dezen evenzeer merkwaardigen als onjuisten grond als zouden de bordeelen door dit artikel een soort wettelijke sanctie verkregen hebben.

[10] Hier moet onderscheiden worden: dit verzet zal b.v. plaats hebben omdat de vrouw niet meer naar haren man terug wil; niet omdat zij in haar leven van ontucht wil blijven, want dan ontbreekt het vereischte voor de uitleiding dat zij tegen haar wil een ontuchtig leven leidt.

[11] Zie art. 17 van het door de wet van den 31 December 1897 (Stbl. no. 275) goedgekeurd op 14 Nov. 1896 te 's Hage gesloten verdrag tot het vaststellen van gemeenschappelijke regelen ten aanzien van sommige onderwerpen van internationaal privaatrecht op de burgerlijke rechtsvordering betrekking hebbende.

[12] Gemakshalve en ter bekorting zal ik in de volgende bladzijden in hoofdzaak spreken van de ouderlijke macht.

[13] Te vergelijken met het wetsontwerp over hetzelfde onderwerp, ingediend door Minister van der Kaay, doch bij verwisseling van Ministerie met Koninklijke machtiging ingetrokken, voordat het in de afdeelingen der Tweede Kamer was onderzocht.

[14] De wet is streng. Juist daarom is merkwaardig te vernemen wat Yves Guyot in zijn rapport op 't Penitentiair Congres te Parijs in 1895 gehouden over de werking van die wet vermeldt.

"Le Criminal law amendment act est en vigueur depuis 1885. Il a donné lieu à des dénonciations et à des chantages; il n'a supprimé ni les proxénètés ni les brothels, ni les rapports sexuels dans des maisons installées dans ce but, parce qu'il y a des hommes et des femmes, qui cherchent à avoir des relations entre eux, en dépit des dispositions législatives; et ils les éludent."

[15] Ik moet er nog op wijzen, dat de artt. 379 en 380 vorderen, dat het plegen van ontucht voor het voltooide misdrijf moet plaats gehad hebben.

[16] Proposition de loi "sur la prostitution et les outrages aux bonnes moeurs."

[17] Les femmes, qui exploitent des lieux de prostitution doivent faire enregistrer dans les vingt-quatre heures, au bureau administratif du dispensaire de salubrité, les filles qui se présentent chez-elles pour y demeurer et s'y prostituer. Les infractions à cette règle peuvent entrainer la suspension ou le retrait définitif de la tolérance. (Rapport van den Heer Lecour, op 't Pénitentiair Congres te Parijs 1895).

[18] De wet van 21 Jan. 1897 (R. Ges. Bl. 27.) geeft voor Oostenrijk voorschriften met betrekking tot de emigratiekantoren.

[19] De exporthandelaar kan mogelijk nog getroffen worden door de bepaling, waardoor hij die eene minderjarige of getrouwde vrouw met een ontuchtig doel aanzet het land te verlaten, gestraft wordt. (Hoofdstuk 15, art. 8 of 18).

[20] Tevens moet vermeld worden een Koninklijk Besluit van 28 Mei 1886; volgens dit besluit kan iedere vreemdeling zonder middelen van bestaan, en geen moeite doende om op eenige wijze werkzaam te zijn ter voorziening in zijn onderhoud, maar gevaar opleverende voor de algemeene zedelijkheid etc. naar het land, vanwaar hij afkomstig is, teruggezonden worden.

[21] Men verwijte mij geen inconsequentie. Zooals ik zeg, de gevallen van "abuse of authority" zijn niet onder den blanke slavinnenhandel te ordenen. Hier wordt toch gedoeld op "abuse of authority" als middel, waardoor de kinderen vallen. Waar ik hierboven in dit geschrift sprak van verwaarloozing of misbruik van gezag, was sprake van een der oorzaken, die de resultaten van den handel in vrouwen en meisjes kan bevorderen.

[22] Na den aanslag te Barcelona is een dergelijk voorstel uitgegaan van Spanje. Het is evenwel afgestuit op den tegenstand van Engeland, dat zich door zijn geïsoleerde ligging immuun genoeg gevoelde om het vooralsnog zonder dergelijke internationale strafrechtelijke regelen te kunnen stellen. "Les répressions des attentats anarchistes" par M. Albéric Rolin in de Revue de droit international et de législation comparée, tome 26, pag. 150.

[23] 't Is natuurlijk, dat, indien in een gegeven geval de vereischten voor strafbaarheid ter zake van medeplichtigheid aan verkrachting aanwezig zijn, in volge art. 55 de bepaling van art. 242 jo art. 48 toegepast moet worden.

STELLINGEN.

I.

Het Justiniaansche Recht vorderde niet, dat het pas geboren kind, om rechtssubject te kunnen zijn, levensvatbaar was.

II.

Door welke omstandigheden de verantwoordelijkheid van den voogd voor 't beheer van de goederen van een minderjarige ook moge verminderen, steeds zal vermindering van de hypotheekstelling toegestaan kunnen worden.

III.

De Ambtenaar van den Burgerlijken Stand is na verloop van den bij art. 29 B. W. gevorderden termijn van drie dagen niet meer bevoegd tot 't opmaken eener geboorteacte.

IV.

De aansprakelijkheid van den eigenaar van het schip en van de reeders krachtens art. 321 W. v. K. wordt beperkt door de bepaling van art. 372 W. v. K.

V.

Bij tweezijdige overeenkomsten, waaraan tijdens de faillietverklaring nog niet geheel is voldaan, heeft de tegenpartij het recht ontbinding te vragen ook dan, als de wanpraestatie na de faillietverklaring plaats heeft.

VI.

Het verlof tot dagvaarding op verkorten termijn ingevolge art. 7 B. Rv. kan in spoedeischende zaken worden verleend ook dan, wanneer op 't oogenblik, dat het verzoek wordt gedaan, de gewone termijn van dagvaarding tegen de eerstvolgende terechtzitting nog kan worden in acht genomen.

VII.

Onder het "rijk in Europa" in art. 2 Wetboek van Strafrecht moet ook begrepen worden de luchtruimte boven het grondgebied van den Nederlandschen Staat in Europa. Ergo is een strafbaar feit gepleegd in een luchtvaartuig, zich bevindend in die luchtruimte, te berechten volgens de Nederlandsche Strafwet.

Wenschelijk is het op luchtvaartuigen voor de toepassing der strafwet bepalingen in het leven te roepen gelijk aan die, welke voor gewone vaartuigen bestaan.

VIII.

Art. 452 W. v. Sr. is van geen kracht tegenover hem, die een bordeel houdt in eene gemeente, waar het houden van bordeelen bij politieverordening verboden is.

IX.

Art. 452 W. v. Sr. voldoet niet aan het doel, dat zich de Heer van Houten voorstelde, toen hij het initiatief nam tot de opname van een artikel, dat eene strafbepaling moest inhouden tegen hen die personen, vooral minderjarige vrouwen, wie de bestemming van het huis onbekend is, in een bordeel lokken.

X.

Er is geen strafbare poging tot diefstal aanwezig, in geval de beklaagde met 't oogmerk om diefstal te plegen een winkel is binnengetreden, zich over de toonbank heenbuigende, met 't oogmerk om zich het eventueel daarin bevindend aan een ander toebehoorend geld wederrechtelijk toe te eigenen, de toonbanklade opent en zijn hand daarin steekt, doch in de volvoering van zijn voornemen wordt verhinderd door de afwezigheid van geld in die lade.

Wanneer ceteris paribus een offerbus toevallig ledig is, kan er evenmin sprake zijn van strafbare poging tot diefstal.

XI.

Het is als gevolg van de uitbreiding en vergemakkelijking van het moderne internationale verkeer van het grootste belang, dat aan het buitenlandsche strafvonnis onder zekere beperkingen een voor de recidive van invloed zijnde kracht toegekend wordt.

XII.

Zoolang tractaten over internationaal strafprocesrecht de internationale rechtshulp nog niet op ruimeren grondslag geregeld hebben, is het wenschelijk uit art. 68 Swb. voor binnenslands gepleegde misdrijven in alinea 21º het geval van "vrijspraak" te laten vervallen.

XIII.

Bij de toepassing van art. 1 der wet van 13 Aug. 1849 (S. 39), "tot regeling der toelating en uitzetting van vreemdelingen", wordt steeds ten onrechte de uitdrukking "middelen van bestaan" geïnterpreteerd als te zijn synoniem met het uitoefenen van een beroep of ambacht e. d.

XIV.

Art. 6 van de wet van 1 Juni 1865 (S. 60), regelende de uitoefening der geneeskunst, verplicht den geneeskundige aan den inspecteur van het geneeskundig Staatstoezicht en aan B. en W. zijner gemeente kennis te geven van ieder geval eener ziekte, waardoor de volksgezondheid bedreigd wordt.

XV.

In strijd met de Gemeentewet is een veelvuldig in reglementen van orde voor gemeenteraden voorkomende bepaling, die bij de toepassing van art. 51 Gem. wet van deze gedachte uitgaat, dat de rijkswetgever den raad zou hebben vrijgelaten naar willekeur te bepalen, wanneer geacht moet worden, dat de stemmen staken hetzij dit plaats hebbe na de eerste, hetzij na eene volgende stemming.

XVI.

Het is onverklaarbaar, hoe art. 14 der wet op de Regterlijke Organisatie en het Beleid der Justitie, zooals het gewijzigd is door de wet van 4 Juli 1874 (S. 90) "tot wijziging van de wettelijke bepalingen omtrent de regterlijke tucht" spreken kan van het recht van waarschuwing van den procureur-generaal bij den Hoogen Raad tegenover de andere voor hun leven benoemde ambtenaren van het Openbaar Ministerie, welke immers sedert de Grondwet van 1848 niet meer bestaan.

XVII.

Wenschelijk is het niet aan den arbeidsduur voor volwassen mannelijke arbeiders wettelijke beperking te stellen.