De H. Nikolaas in het folklore

Part 4

Chapter 42,128 wordsPublic domain

Vandaar dat het Kerstkind ook de benaming van _Klinggeest_[194] en _Klingjes_[195] draagt. Ook in den Elzas en in het Bohemerwoud kondigt het Kerstkind Zijne komst door het luiden eener zilveren klok aan[196]. Maar het is toch vooral de in pels en erwtenstroo gehuldigde gedaante, waarvan op blz. 35 sprake was--Ruprecht, Clas of anders geheeten--die met bellen en ketenen behangen optreedt. Te St. Vith (Rijnprovincie) is Hans Muff van bellen voorzien[197]; in Mecklenburg heet de Schimmelrijder _Klingklas_[198]; klokjes en belletjes draagt ook _Aschenklas_[199]. In het Noorden treden de Joelbokken met schelletjes op[200].

[192] Volgens J. A. LEYDIS stelt de tabberd het pallium voor!

[193] MANNHARDT, l. l., p. 327 Aanm. 2.

[194] MANNHARDT, l. l., p. 326.

[195] BARTSCH, l. l., II, p. 224.

[196] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 446, 453.

[197] SCHNELL, l. l., I, p. 61.

[198] BARTSCH, l. l., II, p. 324.

[199] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 448.

[200] MEYER, l. l., p. 218.

Mijns inziens is de bel evenals het roetgezicht den _huisgeest_ eigen; niet van Wôdan maar van den kant der elfen gewerd Sinterklaas dit attribuut; Wôdan is trouwens de _Elfenkönig_ of _Ellenkönig_[201]. Een _Pück_ (kobold), zoo verhaalt Ern. Joach. Westphal[202], diende dertig volle jaren bij de monniken van een klooster in Mecklenburg, in keuken, stal en elders. Tot loon bedong hij: _tunicam de diversis coloribus et tintinnabulis plenam_[203]. In Schotland huisde eertijds een kobold, die den naam van _Shellycoat_ droeg; ook de dwergen der Middeleeuwen hielden veel van bellen; de bellen aan het pak van den hofnar pleiten voor zijn verwantschap met den lustigen huisgeest[204].

[201] VAN DEN GHEYN, l. l., p. 115 vlg.

[202] Bij GRIMM, l. l., I, pp. 423, 424.

[203] Een veelkleurig kleed vol bellen.

[204] GRIMM, l. l., I, pp. 385, 424; III, p. 148.

Ook de op verschillende tijden en onder verschillende benamingen zich voordoende vertegenwoordiger van den woudgeest--_Grüner Georg_, _Pfingstl_, _Pfigstbutz_, enz.--vertoont een roetgezicht en rinkelt met eene koeschel[205]. Gedurende de _Rauchnächte_ loopen de Perchteln met _koeschellen_ en _lange zweepen_ rond; op Kerstavond loopen op vele plaatsen van Duitschland knapen met riemen vol koeschellen door het dorp; op Donderdag vóór Vastenavond bestaat plaatselijk de vermomming hoofdzakelijk uit een bedlaken, eene hanenveder, en een riem met paardenschellen[206]. De bel schijnt dus tevens met de vruchtbaarheid in verband te staan, wat verder nog o. a. hieruit blijkt, dat in het Beneden-Inndal de jongelieden bij het begin der lente "das Gras ausläuten", d. i. met bellen het veld doorkruisen, om den groei van het gras te bevorderen; en in de Vingstau den 22sten Februari de jeugd, met groote bellen en koeklokken omhangen, van huis tot huis gaat: dit noemt men "den Langas (lente) wecken"[207].

[205] MANNHARDT, l. l., p. 608.

[206] MANNHARDT, l. l., pp. 542, 543.

[207] MANNHARDT, l. l., p. 540.

Uit dusdanige feiten trekt Mannhardt het besluit[208], "dass Glocke und Schelle zur ursprünglichen Darstellung des Wachstumsgeistes gehörten und eine notwendige Seite seines Wesens andeuten sollten". Kon de huisgeest als _geest_ zich anderszins kenbaar maken, zoo b. v. door te suisen, te sissen, te fluiten, te rammelen met ketens, of door het homerische [Grieks: trizein]--de taal der geesten in het algemeen--bel en klok zijn hem wel als daemon der vruchtbaarheid eigen.

[208] L. L., p. 327.

[Decoratieve illustratie]

* * * * *

Ein Schatten schleichet um das Haus, Und horch, welch Kettengeklirre! Fürwahr das ist Sanct Nicolaus, Das Ruthen-Männlein von Myra. (SCHNELL, l. l., I, p. 15).

Een enkel woord ook over de roede of gard. Sinterklaas, St. Maarten, Ruprecht en diens varianten, alle die persoonlijkheden, welke geschenken uitdeelen, zijn ook gewapend met het bewuste tuchtmiddel, waarvoor men de kinderwereld zulk een heilzaam ontzag weet in te boezemen. Gewoonlijk is dezer roede van _berkenhout_; in Tirol vindt men de hazelaarsgard, met welke de Butzemann, behoorlijk in erwtenstroo gewikkeld, alwie hij op zijn weg ontmoet onmeedoogend kastijdt[209]. In Zwitserland draagt de H. Nikolaas plaatselijk een opgesmukt boompje, in Hamburg voorheen een groene twijg[210]. Hiermee komt de z. g. _Martinsgerte_ overeen, die de Beiersche herder den 10den November zijn meester ter hand stelt: achter krib of staldeur gestoken schut zij gedurende den winter het vee tegen alle onheil, en in de lente drijft men er de koeien mee naar de weide. Hierbij bedient men zich in Etzendorf (Beieren) van de volgende spreuk:

Kommt der heilig St. Märten (Mirte) Mit seiner Gerten; _Soviel Kranewitbeeren, Soviel Ochsen und Stiere. Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!_ Steckt sie hinter den Kühbarn, So wird auf's Jahr keine Kuh verloren, Und steckt sie hinter die Stalltür, Treibt sie auf's Jahr mit Freuden herfür.

[209] MANNHARDT, l. l., p. 269.

[210] TILLE, l. l., pp. 130, 131.

En in Beneden-Oostenrijk:

Kommt der Sanct Mirt mit seiner Ruten; _Soviel als die Rute Zweige hat, Soviel soll auch der Bauer Vieh haben._ Nehmt ihr die Ruten in eure Hand, Steckt ihr 's wol auf ober der Wand, Wol hinter das Dach, Am Sankt Gregoriustag Treibt das arme Vieh aus, Durch alle Engeln aus[211].

[211] MANNHARDT, l. l., pp. 273, 274; vgl. MEYER, l. l., p. 254.

Blijkbaar staat deze twijg met de vruchtbaarheid in verband, en is haar elke verhouding tot eene tuchtroede vreemd. Hetzelfde kan gezegd worden van de zweepen der Perchteln[212] en der boerenknapen, die te Mähren (Oostenrijk) op den vooravond van Sinterklaas door de velden trekken[213]. Zou dus de meening van Tille[214] het ware treffen, volgens welke de levens- en vruchtbaarbeidsroede van Sinterklaas door het Protestantisme tot ware slagroede, tot strafinstrument, tot plak hervormd is? Dan waren de bordjes verhangen, en zou men den juisten toestand nog b. v. in de Orlagau aantreffen, waar de kinderen op den derden Kerstdag hunne ouders en peetooms met rozemarijnstengels slaan, terwijl ze roepen:

_Frisches Grün! Langes Leben!_ Ihr sollt mir 'n blanken Taler (Nüsse u. s. w.) geben[215].

[212] Zie p. 41.

[213] VERNALEKEN, l. l., pp. 285, 286.

[214] L. L., p. 195 et passim.

[215] MANNHARDT, l. l., p. 265; TILLE, l. l., p. 196. Mannhardt vooral heeft over dit onderwerp in zijn _Baumkultus_ onder den titel van: "Der Schlag mit der Lebensrute" eene meesterlijk gedachte en keurig uitgewerkte verhandeling geleverd. Dat de daar besproken gebruiken met de gard van Sinterklaas zouden samenhangen is eene _zuivere hypothese_, en we geven ze dan ook slechts als zoodanig. Men vergelijke nog een feestgebruik der _Lupercalia_, te Rome den 15den Februari gevierd. Naar den schijn te oordeelen was het slaan met riemen, dat de _Luperci_ zich tegenover de Romeinsche vrouwen veroorloofden, eene tuchtiging; en toch stond dit gebruik veeleer met de vruchtbaarheid in verband (JORDAN-PRELLER, l. l., p. 390), zoodat de vrouwen den _Lupercis_ zelfs den weg versperden, om zich in de vlakke hand te doen treffen. Vgl. JUV., _Sat._ II, v. 4: _Nec prodest agili palmas præbere luperco._

En het baat niet den vluggen Lupercus de vlakke hand te bieden.

De feestdag der Onnoozele Kinderen heet in Zwaben _Pfeffertag_, wijl dan de kinderen met roeden of groene twijgen door de straten trekken, de voorbijgangers slagen toedienen en de huizen binnendringen, om appelen, noten en peperkoek te eischen. Bij Lichtefels (Beieren) slaan de jongens de meisjes met rozemarijnstengels, al zeggend:

Da komme ich her getreten mit meiner frischen Gerten, mit meinem frischen Mut. Schmeckt der Pfeffertag gut?[216]

[216] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 467.

Wat hiervan zijn moge, het blijft onze innigste wensch, dat de afstraffing, door Dr. Brom aan Joës a Leydis met de roede van Sinterklaas toegediend, een "slag met de levensroede" moge geweest zijn!

[Decoratieve illustratie]

* * * * *

En nu de gevolgtrekking: dat de oorsprong van het Sinterklaasfeest uitsluitend in het heidendom te zoeken is? Geen haar op mijn hoofd, dat er aan denkt. Trouwens, noch Dr. Brom, noch andere "mannen van naam en groote kennis", die men "helaas ook in ons eigen vaderland" dezelfde meening vindt toegedaan, hebben ooit iets dergelijks beweerd. Dit echter meen ik uit het bijgebrachte materiaal te mogen besluiten:

De zuiver wetenschappelijke, IN CASU Folkloristische stelling, dat sommige volksvoorstellingen en volksgebruiken, die heden ten dage met de feestviering van den H. Nikolaas in verband staan, door het volk van heidenschen op kristelijken bodem zijn overgebracht, kan door eene menigte van feiten worden gestaafd.

Niet dat ik deze meening aan iemand zou willen opdringen, aan een Joës a Leydis het allerminst; maar men verkettere dan ook niet hen, die haar mochten zijn toegedaan, men betitele hen niet als napraters van Renan en Faustus den Manicheër! De eer der Kerk zal evenzeer gehandhaafd blijven, ook al mochten knecht en paard en gard den Heiligen Nikolaas definitief worden ontzegd! En wat de grootheid van Myra's bisschop betreft--op zuiver historische gronden niet genoegzaam gewaarborgd, straalt zij ons schitterend tegen van de hooge eereplaats af, die de verheven kindervriend in het Folklore inneemt. Zijne attributen mogen van kristelijken of van heidenschen oorsprong zijn, dit ééne staat vast: de H. Nikolaas zou de groote rol, die hij in de volksvereering speelt, niet hebben verworven, zou het aureool van populariteit niet om zijne slapen gevlochten hebben, ware hij niet werkelijk groot geweest in de oogen van het kristelijke volk.

Blijven aldus de eer van Gods Kerk, de grootheid Zijns lieven Heiligen ongerept, zou het dan niet verkieslijker zijn, in vrije geschillen als dit den moker te laten rusten, opdat het vertrouwen in den kampioen niet geschokt worde, wanneer ter verdediging van 's Heeren _ware_ glorie, ter bestrijding van _wezenlijke_ dwaalbegrippen het slagzwaard dient te worden opgevat?

[Decoratieve illustratie]

INHOUD.

Pagina.

VOORREDE 3

I. HET VRUCHTBAARHEIDSTIJDPERK 7

II. SCHOORSTEEN EN SCHOEN 17

III. DE SCHIMMELRIJDER 25

IV. VORMVERANDERINGEN 32

V. BEL EN ROEDE 39

BESLUIT 44

[Decoratieve illustratie]

+-----------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: de Katholieken Fokloristen gevonden, | | C: de Katholieken Folkloristen gevonden, | | B: zich dit bijgeoof vooral | | C: zich dit bijgeloof vooral | | B: dichste stof der archieven | | C: dichtste stof der archieven | | B: speelden dan slecht eene ondergeschikte | | C: speelden dan slechts eene ondergeschikte | | B: "Joelfeest daar in Januari | | C: "Joelfeest" daar in Januari | | B: [16] JACOR GRIMM, _Deutsche | | C: [16] JACOB GRIMM, _Deutsche | | B: kinderen en volwassen op St. | | C: kinderen en volwassenen op St. | | B: Rijn: "Neujahrskränzchen) en de | | C: Rijn: "Neujahrskränzchen") en de | | B: II. p. 252); tot dit doeleinde | | C: II. p. 232); tot dit doeleinde | | B: [41] L. L., p. 157, | | C: [41] L. L., p. 157. | | B: in de Altmark gezonden: | | C: in de Altmark gezongen: | | B: VERNALEKEN, l. l., p. 62. Zie p. 117. | | C: VERNALEKEN, l. l., p. 62. Zie p. 11. | | B: [46] V, REINSBERG-DÜRINGSFELD, | | C: [46] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, | | B: zijn overgebleven, Beslister dan | | C: zijn overgebleven. Beslister dan | | B: "Mog dan ook het geven | | C: "Mogt dan ook het geven | | B: er krachtig toen hebben bijgedragen, | | C: er krachtig toe hebben bijgedragen, | | B: Berlin, 1891. Pp, 179, | | C: Berlin, 1891. Pp. 179, | | B: [80] REINSBERG-DÜRINGSFELD, | | C: [80] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, | | B: seinen Gewährsmann auführt, aber | | C: seinen Gewährsmann anführt, aber | | B: _Overblijfselen_, l. l, p. 24 | | C: _Overblijfselen_, l. l, p. 24. | | B: [99] BARTSCH, i. l., | | C: [99] BARTSCH, l. l., | | B: [109] VERN ALEKEN, l. l., | | C: [109] VERNALEKEN, l. l., | | B: Staffordhire noemt men nog | | C: Staffordshire noemt men nog | | B: 1850. P. 23; SCHNELL, l. l, pp. | | C: 1850. P. 23; SCHNELL, l. l., pp. | | B: lên mi dîn pêrd"[120] | | C: lên mi dîn pêrd"[120]. | | B: [131] EELCO VERWIJS, l. l., p. 77. | | C: [131] EELCOO VERWIJS, l. l., p. 77. | | B: het _Arab-Perz._ nârandj. | | C: het _Arab.-Perz._ nârandj. | | B: REINSBERG DÜRINGSFELD, l. l., p. 483. | | C: REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 483. | | B: verschijnsel voor, dat attribubuten van | | C: verschijnsel voor, dat attributen van | | B: [144] Zie p. 129. Dat de indruk | | C: [144] Zie p. 23. Dat de indruk | | B: Sinterklaas _Klaubautag_[152] | | C: Sinterklaas _Klaubautag_[152]. | | B: [150] Zie p. 3. | | C: [150] Zie p. 13. | | B: [155] KUHN, l. l., p 346. | | C: [155] KUHN, l. l., p. 346. | | B: Ruprecht als kwaad aardige elf, | | C: Ruprecht als kwaadaardige elf, | | B: [164] KUHN, l. l, p. 345. | | C: [164] KUHN, l. l., p. 345. | | B: [170] SCHNELL, l. l, I, p. 21. | | C: [170] SCHNELL, l. l., I, p. 21. | | B: p. 140. | | C: p. 34. | | B: l. l., p. 29. Vgl. boven p. 133. | | C: l. l., p. 29. Vgl. boven p. 27. | | B: der vensterruiten[184]. Aldus | | C: den vensterruiten[184]. Aldus | | B: [186] L. L, p. 29. | | C: [186] L. L., p. 29. | | B: daart hoort men: | | C: daar hoort men: | | B: op blz. 142 sprake was--Ruprecht, | | C: op blz. 35 sprake was--Ruprecht, | | B: in Meckenburg heet de Schimmelrijder | | C: in Mecklenburg heet de Schimmelrijder | | B: [201] VAN DEN GHEYN, l. l, | | C: [201] VAN DEN GHEYN, l. l., | | B: 265; TILLE, l. l, p. 196. | | C: 265; TILLE, l. l., p. 196. | | B: treffen. Vgl. JUV. _Sat._ II, | | C: treffen. Vgl. JUV., _Sat._ II, | | B: rozemarijnstengels, al zeggen: | | C: rozemarijnstengels, al zeggend: | | | +-----------------------------------------------+