De H. Nikolaas in het folklore
Part 3
De voorrijder, met of zonder stoet, draagt in Beneden-Duitschland den naam van _Wode_, _Jaue_, _Goi_ of _Joe_, in Mecklenburg _Waur_, in Beieren _Wotn_, _Wutan_, _Wut_ of _Wode_[108]. In Zwaben worden hem, buiten de algemeene betiteling van _Schimmelreiter_, dezelfde bijnamen gegeven, waarmee men eertijds Wôdan placht aan te duiden: _Breithut_, _Langhut_, _Schlapphut_. In Oostenrijk is hij in een langen mantel gehuld en draagt een hoed met breeden rand[109]. Het zou echter eene dwaling zijn te meenen, dat het volk aan Wôdan het monopolie, den bewusten schimmel te berijden, zou hebben afgestaan. Over heel Duitschland is de sage van een vervloekten jager verspreid, die wegens het schenden van den Zondag gedoemd werd, door zijne honden gevolgd, door het luchtruim te jagen tot den jongsten dag. Hij draagt den naam Hackelberg[110], uit _hackel bärend_ "mantel dragend" verbasterd. Het Limburgsche Folklore kent deze figuur onder de benaming van "Hänske met de hond"[111]. In Hessen is het de _Schnellertsgeist_[112]. Veelal ook zijn het _historische persoonlijkheden_: In den Harz en in de Lausnitz _Dietrich von Bern_ (Theodorik de Groote) ook wel _Berndietrich_ genoemd; in Oostenrijk dezelfde koning onder den naam van _Banadietrich_[113]; te Eisleben _Eckhart_[114]; in Engeland koning Artur, in Skandinavië koning Waldemar, in Sleeswijk koning Abel. Frankrijk heeft de Germaansche voorstelling overgenomen en op Karel den Grooten en Karel V toegepast; volgens een Bourgondisch gedicht uit de XVIIde eeuw rijdt Charlemagne aan de spits van het geestenheer, terwijl Roland het vaandel draagt[115].
[108] MEYER, l. l., pp. 236, 237.
[109] VERNALEKEN, l. l., pp. 25, 26, 30, 31, 47.
[110] KUHN, l. l., pp. 19, 25, 101, 187.
[111] _Overblijfselen_, l. l., p. 12.
[112] J. W. WOLF, _Hessische Sagen_. Göttingen-Leipzig, 1853. P. 21.
[113] VERNALEKEN, l. l., p. 41.
[114] "Der treue Eckhart" of "Eckhart mit dem weissen Stab". GRIMM, l. l., II, pp. 779, 780.
[115] GRIMM, l. l., II, pp. 779-788.
Ook andere _Heiligen_, ja ook _Engelen_ deelen deze eer met den H. Nikolaas. Zoo in de XVde en XVIde eeuw de Aartsengel Gabriël; in Staffordshire noemt men nog heden de Wilde Jacht "Gabriel Hounds", en te Lembeck in Westfalen "de Engelske Jagd", d. i. de Jacht des Engels[116]. Zoo ook St. Hubertus, "la chasse St. Hubert" (door ontleening); zoo vooral St. Martinus. Hiermee bedoel ik niet de gewone ikonografische voorstelling van dezen Heilige die, te paard gezeten, zijn mantel in tweeën deelt; maar de volksvoorstelling van Sint Maarten (Limb.: _Sintermerte_), van _Junker Marten_, volgens welke deze, door zijn knecht begeleid, door het luchtruim raast. De Wilde Jacht op Sint Maartensavond draagt in Duitschland den naam van _Martinsgestämpf_[117].
[116] MANNHARDT, l. l., p. 251.
[117] MEYER, l. l., pp. 132, 237. Of ook St. Kristoforus ooit als voorrijder der Wilde Jacht heeft dienst gedaan? Enkele voorstellingen, zooals die, bedoeld door Prof. V. D. VLIET, _Tweemaandelijksch Tijdschrift_, IV, 2, Nov. 1897, p. 191 Aanm., laten de zaak in alle geval zeer twijfelachtig. En wat het verband tusschen dezen Heilige en Sint Nikolaas betreft, dit kan m. i. bepaald _niet_ worden afgeleid uit het feit, dat Myra's bisschop patroon der schippers was. (Zie b. v. SIMROCK, _Rheinsagen_. Bonn, 1850. P. 23; SCHNELL, l. l., pp. 22, 23, 56, 65.) Dit attribuut kan zeer goed zijn ontstaan te danken hebben aan het bekende verhaal der zeevaart, al mag de echtheid van dit en soortgelijke verhalen met recht worden betwijfeld.
De opgenoemde persoonlijkheden zijn toch niet allen Middeleeuwsche bisschoppen geweest; wel is het aantal der heilige Middeleeuwsche bisschoppen, bij welke geen spoor van paard te bekennen valt, _legio_. Veeleer was de schimmel van Wôdan na de overwinning van het Kristendom in de IXde en Xde eeuw, toen het _werkelijk_ geloof aan een Wôdan was verloren gegaan, eene _res derelicta primi occupantis_, nog slechts bereden door eene half goddelijke, half demonische schim, die zich nog hier of daar in het Folklore vertoont[118], maar welke het niet moeielijk viel voor edeler, meer reëele figuren te doen wijken. Op dien schimmel heeft het volk in den loop der tijden aan allen, die het hoog hield, omdat zij eene groote rol in kerkelijke- of staatkundige geschiedenis of sage hadden gespeeld--Heiligen, koningen, legerhoofden en anderen--eene eereplaats gegund; en zoo heeft Wôdan's Sleipnir ook "als _substratum_ gediend voor de vereering van Sint Nicolaas"[119].
[118] Zie p. 26.
[119] BROM, l. l., p. 161. Zie over dit onderwerp ook de belangrijke studie van den Bollandist J. VAN DEN GHEYN, getiteld: _Le Personnage d'Arlequin_, in zijne _Essais de Mythologie et de Philologie comparée_. Bruxelles-Paris, 1885. Pp. 107-131.
Nog eene opmerking. Niet slechts _dat er sprake is_ van het paard des Heiligen; aan dit paard wordt als het ware _een zekere kultus gebracht_, die slechts dan te verklaren is, wanneer men denkt aan den hoogen rang, dien Sleipnir in de vereering der oude Germanen bekleedde: _daar_ had die vereering ook beteekenis, wijl Wôdan met zijn paard, beiden verpersoonlijkingen van den wind, als vereenzelvigd gedacht werden. Beiden werden in één adem genoemd; "Oden und sein Pferd", "Wôdan und sein Pferd" is nog thans eene in vele Zweedsche en Duitsche sagen, zegenspreuken en gebruiken gangbare uitdrukking. Vergelijk ook de bede, die in het Lubecksche z. g. _Schwerttanzspiel_ (stedelijke en landelijke tooneelvertooning) _Starkader_ in den mond wordt gelegd: "Heilige Wode, nû lên mi dîn pêrd"[120].
[120] _Zeitschr. für deutsches Altertum_, XX, p. 13. De _Schwerttanzspiele_ waren van de XVde tot XVIIde eeuw over heel Duitschland verspreid.
Vorm en kleur van het bewuste paard hebben hier en daar eenige wijzigingen ondergaan. Oorspronkelijk is het achtbeenig en wit; in het moderne Folklore verschijnt het niet zelden drie- of tweebeenig en zwart[121]. In Oostenrijk duikt nog een schimmel met acht pooten op[122].
[121] VERNALEKEN, l. l., pp. 34, 35, 50.
[122] VERNALEKEN, l. l., p. 83.
Het paard is voor den Heilige het onmisbare vervoermiddel op zijn verre tochten. Soms is hij gedwongen, de reis te onderbreken en zijn paard te laten beslaan; de smid wordt rijkelijk beloond[123]; aldus ook Wôdan en de Wilde Jager[124]. Het paard van Sinterklaas laat ook niet zelden een hoefindruk achter, evenals de schimmel van _Karel Quinte_, als deze uit den _Gudinsberg_ (_Wuodenesberg_) komt[125]. Van een Sinterklaas_wagen_ spreken onze volksrijmpjes, en het Oostenrijksche Folklore[126]; van een wagen bedienen zich ook de Wilde Jager[127], St. Thomas en het Kerstkind[128]. De Wôdanswagen is genoegzaam bekend[129].
[123] _Overblijfselen_, l. l., p. 14.
[124] VERNALEKEN, l. l., p. 46.
[125] MEYER, l. l., p. 242.
[126] VERNALEKEN, l. l., p. 286.
[127] VERNALEKEN, l. l., p. 55.
[128] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 436, 453.
[129] _Overblijfselen_, l. l., pp. 18, 19.
Aan verre tochten te paard of in zijn wagen is de H. Bisschop gewend, evenals Wôdan, die den bijnaam draagt van _vegtamr_ "aan verre tochten gewend". Sinterklaas komt van verre, en wel van het land van licht en zonneschijn, vanwaar hij appelen, kastanjes enz. medebrengt. Dit rijk schijnt voorheen _Engeland_, de _Insula pomorum_[130], geweest te zijn[131]; in onze Sinterklaasliedjes is het meestal _Spanje_, dan ook _Condé_:
Drie appelkens van _Condé_ Breng mijn broerkens ook wat mee. (West-Vlaanderen).
Om appelkens van _Condé_ Breng er mij een g'heel schootjen (schuitjen?) mee. (Oost-Vlaanderen)[132].
[130] Het Appeleneiland.
[131] EELCOO VERWIJS, l. l., p. 77.
[132] Ons "appeltjes van Oranje" is aan het Fransch ontleend. Bij KILIAEN vindt men "aranienappel", vgl. het _Ital._ arancio uit het _Arab.-Perz._ nârandj.
Te Venloo keert Sinterklaas weer terug naar _Picardië_:
Gank ût rije, No 't lendje van _Picardië_[133].
[133] MEYER, l. l., p. 256.
Na hetgeen boven over het everzwijn gezegd is[134] zal het niemand verwonderen, dat de Schimmelrijder somwijlen den naam van _Ebermann_ draagt. Dan beschouwt men hem vooral als den "gever van goed geluk", en deelt hij, op een schimmel gezeten, zijne gaven uit. De Schimmelrijder verschijnt in die hoedanigheid onder den vorm van zeer verschillende persoonlijkheden, waarover in het volgende hoofdstuk, en op verschillende dagen. In Silezië is het met St. Maarten, te Kranowitz en Ratibor met _St. Nikel_[135], te Osnabrück o. a. met Kerstmis en Nieuwjaar: de schimmel heet dan de "Spaansche hengst"[136]. Zoo ook in Mecklenburg[137]; te Schorau (Preussen) daarentegen slechts op Kerstavond[138], evenals in Engeland. Zou het volgende nog op een samenhang van Sinterklaas met de Wilde Jacht kunnen wijzen? "Auf der Schelfe [Mecklenburg] umreitet in der Neujahrsnacht ein Reiter auf weissem Schimmel dreimal die Kirche. An der stelle derselben stand eine schon vor 1211 erbaute Kapelle des heiligen Nikolaus". (BARTSCH, l. l., I, p. 16).
[134] Zie p. 12.
[135] SCHNELL, l. l., I, pp. 65, 66.
[136] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 448.
[137] BARTSCH, l. l., II, pp. 224, 233, 234.
[138] SCHNELL, l. l., I, p. 50.
[Decoratieve illustratie]
IV.
VORMVERANDERINGEN.
Wie stout is of boos, Sint Niklaas hoort alles, Hij luistert altoos! Hem kan men niet foppen, Geloof mij oprecht, Wat hij niet gezien heeft, Vertelt hem zijn knecht. (Uit SCHENKMAN'S prentenboek).
Om het in dit hoofdstuk te behandelen Folkloristische materiaal eenigermate te kunnen ontwarren, zullen wij enkele beginselen vooropstellen. De lezer moge dan naderhand zelf oordeelen, of de gevolgtrekking juist was.
Gedurende het tijdperk van vruchtbaarheid treden in het Folklore verschillende persoonlijkheden op den voorgrond; zoo voornamelijk:
I. VAN HEIDENSCHEN OORSPRONG.
1º _Wôdan_, windgod, voorrijder der Wilde Jacht, god der vruchtbaarheid.
2º _Hruodperaht_, een bekende huisgeest, kobold of kabouter, die meestal onder den naam van Ruprecht verschijnt. Hij neemt deel aan de Wilde Jacht--gedurende den Joeltijd drijven immers de geesten hun spel--en is, evenals zijn kollega's, nu eens vrijgevig en goedig, dan weer boosaardig en streng. Deze figuur ontmoeten wij slechts op Germaanschen bodem.
3º _Perchta_ of _Bertha_[139], eene godin, die in karakter het meest met de godin Holda[140] overeenkomt. Als "die wilde Bertha" vaart zij door de lucht, en verleent vruchtbaarheid aan de akkers[141]. Haar heilig was de _Perchtenabend_, aan het einde der Twaalf Nachten. In een langen, witten sluier is zij gehuld[142]. Nog heden laat men in Tirol eten voor haar staan.
[139] Zie p. 8.
[140] Zie over deze godin KNAPPERT, l. l., pp. 123 vlg.
[141] MOGK, l. l., pp. 1107, 1108.
[142] Van haar en Holda stammen onze "Witte Juffers". Somtijds vertoont zij zich echter, onder den vorm van _Berchtel_, in zwarte lompen gehuld en met een roetgezicht. Vgl. V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 483.
II. VAN KRISTELIJKEN OORSPRONG.
1º De _H. Nikolaas_, de vrijgevige kindervriend, de groote bisschop van Myra.
2º De _H. Martinus_, bisschop van Tours, volksheilige.
3º Het _Kerstkind_, dat de wereld door Zijne geboorte verblijdt.
4º De _H. Driekoningen_, die hunne offergaven aan de kribbe des Verlossers nederlegden.
5º De _H. Lucia_, Maagd en Martelares.
Nu doet zich niet alleen het verschijnsel voor, dat attributen van heidensche figuren op kristelijke zijn overgegaan, maar ook, dat kristelijke dragers derzelfde attributen, volgens plaatselijke omstandigheden, wezenlijk van elkaar verschillen; en eindelijk, dat men, door onderlinge ontleening van verschillende Folkloristische _centra_, personen, namen en attributen op de meest grillige wijze heeft gekombineerd.
1º Sint Maarten verschijnt in het Limburgsche Folklore, te paard door de lucht rijdend, begeleid door zijn knecht. Als Wilde Jager heet hij _Junker Marten_[143]. In Zwaben noemt men hem _Pelzmärte_, vroeger in Beieren _Pelzmartle_. Deze samenstellingen met _Pelz-_ zijn niet zeldzaam; ik vermoed, dat zij hun oorsprong te danken hebben aan eene vermomming door middel van vellen van een den god der vruchtbaarheid heilig dier: eene vermomming van dien aard treft men aan in den Joelbok.--
[143] Zie p. 27.
Ook Sint Maarten ontvangt hooi voor zijn paard[144]. In gezelschap van St. Nikolaas begeleidde hij eertijds het Kerstkind op Kerstavond, zooals blijkt uit een edikt van Gustaaf Adolf van 25 Nov. 1682[145]. In het Freudenthal (Oostenr. Silezië) brengt hij op een schimmel gezeten allerlei geschenken aan grooten en kleinen[146]. In de Rijnprovincie, IJperen en het kanton Aalst speelt hij de rol van Sinterklaas[147].
[144] Zie p. 23. Dat de indruk van zijn voet in een steen zou zijn blijven staan, evenals die van den hoef van het Wôdanros, zooals MEYER, l. l., p. 257 beweert, berust op eene dwaling. WOLF toch spreekt t. a. p. (_Niederländische Sagen_. Leipzig, 1843. P. 435) uitdrukkelijk van "Martin, ein Sohn des Grafen von Namur, der siebente Bischof von Tongern".
[145] BARTSCH, l. l., II, p. 222.
[146] Zie p. 11.
[147] Zie p. 14.
2º Sint Nikolaas is in Nederland meestal bekend onder den vorm van een eerbiedwaardig bisschop. In Oost-Friesland treedt hij op, niet als bisschop gekleed, maar als een grijsaard met witten baard en in een pelsmantel gehuld[148]. Te Quedlinburg waarschuwt men de kinderen voor den _Nikelmann_; ieder jaar haalt deze zich een offer[149]. Dergelijke sombere eigenschappen dankt de Heilige óf aan Ruprecht, in diens hoedanigheid van boosaardigen huisgeest, óf aan het feit, dat Wôdan vaak met den duivel op ééne lijn werd gesteld[150]. Duidelijk blijken althans zijne elfische attributen uit eene legende van het kanton Wallis, volgens welke hij--evenals de berggeesten--uit de rotsspelonken te voorschijn komt[151]. In Beieren en in de Rijnpalts noemt men hem _Pelznikel_ (ook wel _Nikel_ of _St. Nikel_). In Tirol heet de vooravond van Sinterklaas _Klaubautag_[152].
[148] BROM, l. l., p. 155.
[149] SCHNELL, l. l., I, p. 29.
[150] Zie p. 13.
[151] SCHNELL, l. l., I, p. 73.
[152] = _Klaubauftag_. _Klaubauf_ is de naam van den kobold.
3º In Duitschland rijdt het Kerstkind rond op een schimmel[153], evenals Father Christmas in Engeland, die daar ook een bosje hooi en een wortel vindt voor zijn paard[154]. In het graafschap Rupin verschijnt een naamlooze ruiter op een schimmel, terwijl eene in het wit gekleede figuur een grooten zak draagt, en de _Christmann_ of _Christpuppe_ heet[155].
[153] MEYER, l. l., p. 257.
[154] POL DE MONT, _Dietsche Warande_, X, 1, 1897. P. 30.
[155] KUHN, l. l., p. 346.
4º Buiten zijn eigen attributen ook nog met die van Sinterklaas of van het Kerstkind voorzien, treedt _Hruodparaht_ op, óf zelfstandig, óf aan één van beiden dienstbaar. In ons land heet hij Pieterman, in de Rijnprovincie _Hans Muff_, in den Elzas _Hans Trapp_, anders elders. De benaming _Ruprecht_ heeft als wisselvorm _Rupel_[156]; ook de Wilde Jager heet Ruprecht[157]. Op den _Hutberg_ bij Herrnhut huizen twee Wilde Jagers: _Ulrich Ruprecht_ en _Bernhard Dietrich_[158]. Het uiterlijk dezer persoonlijkheid is min of meer gedrochtelijk: verschijnt Ruprecht als kwaadaardige elf, dan is hij trouw gewapend met zak en roedachtig dan is zijn gezicht zwart _van het roet_. Ook de zak op zijn rug is een roetzak: _Schmutzbartel_ heet hij om zijn roetachtig uitzicht. Ook de _Perchteln_ d. i. vermomde gestalten, die op _Perchtenabend_[159] rondloopen, de _Pfingstlümmel_ in het Ansbachsche, de pijpers in het gevolg van den Pingstkoning, treden op met een roetig gezicht[160]. Dit zwart maken, zegt Mannhardt, is "keineswegs bedeutungslos und zwar scheint sie [die Schwärzung] mir in roher Weise ausdrücken zu wollen, dass der dargestellte Dämon[161] ein nicht sichtbares, für menschliche Augen dunkles unheimliches Wesen, ein Schatten, ein Gespenst sei"[162].
[156] GRIMM, l. l., I, p. 417.
[157] MEYER, l. l., p. 237.
[158] MEYER, l. l., p. 242.
[159] Zie p. 33.
[160] MANNHARDT, l. l., pp. 162, 314, 321, 365, 548.
[161] Als het Grieksche [Grieks: daimôn], half goddelijk, half menschelijk wezen, op te vatten.
[162] L. L. p. 322.
In Noord-Duitschland verschijnt op Kerstavond eene baardige, in pels en erwtenstroo gehulde figuur, die appelen, noten, enz. onder de jeugd ronddeelt. Deze heet in de Middel-Mark _der hele Christ_, _Ruprecht_ of _Hans Ruprecht_; in Mecklenburg _der ru Clas_ of _Ruklas_ in de Oud-Mark, Brunswijk, Hannover en Oost-Friesland _Clas_, _Glas Bur_, of _Buller Clas_. In Beieren kent men een goeden en kwaden _Klas_[163]. In de Oud-Mark trekt eenige dagen vóór Kerstmis de afschuwelijke gedaante van _Klas Bur_ met de lieflijke figuur van het Kerstkind rond, ondervraagt de kinderen, laat ze bidden, en geeft hun naar verdienste loon of straf[164]. In Mecklenburg heet _Rug-klas_ "des heiligen Christ Vorposten"; hij rijdt op een schimmel en is met aschzak en roede voorzien[165]. Te Lucern rammelt hij met kettingen en draagt den naam van _Schmutzli_[166]. In een pelsmantel gehuld, het gezicht met roet bedekt, treedt hij in Luxemburg op onder den naam van _Huosecker_[167], in Tirol onder dien van de _Wauwe_[168]. Omstreeks het jaar 1850 verscheen deze figuur in talrijke plaatsen rondom Bamberg als _Hel-Niclas_, in erwtenstroo gehuld en rammelend met hare ketens[169]. Nog draagt zij in Hohenzollern de namen: _Sparmundi_, _Pelzebub_, _Pelznikel_, _Butzemann_[170]. Dit _Butzemann_, waarmee men ons "boezeman" of "boeman" kan vergelijken, is eene benaming van den huisgeest[171]. _Pelzoppel_ heet hij in Hessen-Nassau. In Beneden-Oostenrijk wordt de taak van knecht waargenomen door eene vrouw, _Berchtel_, _Buzebergt_ of _Eiserne Bertha_ genaamd; _Berchtel_ en _--bergt_ staan blijkbaar in betrekking tot den naam Perchta, evenals _--bartel_. In Oberhausen zei men eertijds: "Heut kommt der Klas, morgen de Buzebercht"[172]. In het Bohemerwoud verschijnt den 12den December 's avonds de H. Lucia, die aan de brave kinderen ooft uitdeelt, maar de ondeugende dreigt, hun den buik open te rijten. Gewoonlijk vertoont zij zich onder den vorm eener geit, waarover een bedlaken hangt, en is zij door een soort _Nikolo_ begeleid. "Da der Name der heiligen Lucia", zegt v. Reinsberg-Düringsfeld[173], "welcher aus _lux_, Licht, entstanden sein soll, dem der heidnischen Perchta, Lichte, entspricht, so ist es natürlich, dass die Heilige im Volksglauben viele Züge der alten Göttin angenommen hat." Ook door _Wode_ wordt niet zelden de rol van Ruprecht gespeeld, zoo te Mecklenburg[174]; in de Thuringsche kerstsage van de 17de eeuw doet dit "der treue Eckhart"[175]. Ook wordt Ruprecht veelal door den _Julbuk_ of _Julbock_ vervangen, d. i., een knecht in boksgedaante; te Leipzig noemt men soortgelijke gestalte _Klapperbock_[176]. In erwtenstroo gewikkeld gaat hij de laatste dagen vóór Kerstmis rond. Over den bok als symbool der vruchtbaarheid is reeds gesproken; over den ever insgelijks[177], zoodat het ons niet moeilijk zal vallen den omgang met den beer of tammen ever, meestal in erwtenstroo gehuld (_Erbsenbär_), die gedurende het Joeltijdperk plaats heeft, te verklaren. Dit gebruik is bijna over heel Duitschland en Tirol verspreid; hieraan dankt de uitdrukking: "Jemand einen Bären aufbinden" haar ontstaan. De beer wordt door Klas of Ruprecht geleid. Te Breslau is _Nicolo_ vergezeld van _Bartel_, tot wien de kinderen roepen:
Bartel, Bartel, wilder Bär, Leg mir ein, was i beger, enz.[178]
Bartel wordt ook _Strohbartel_ genoemd; hier en daar draagt Ruprecht het epitheton _Strohbart_[179], als hij zich nl. in stroo gewikkeld vertoont.
[163] SCHNELL, l. l., I, p. 22.
[164] KUHN, l. l., p. 345.
[165] Zou tot deze verschijning wellicht _Klas Rugebart_ in betrekking staan, die in het Lubecksche _Schwerttanzspiel_ voorkomt? Zie _Zeitschr. für deutsches Altertum_, XX, p. 10.
[166] SCHNELL, l. l., I, p. 73.
[167] SCHNELL, l. l., V, p. 59.
[168] VERNALEKEN, l. l., p. 62.
[169] TILLE, l. l., p. 49.
[170] SCHNELL, l. l., I, p. 21.
[171] MOGK, l. l., p. 1034. Vergelijk ook den naam _Klaubauf_, boven p. 34.
[172] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 433.
[173] L. L. p. 434.
[174] GRIMM, l. l., II, pp. 781, 782.
[175] TILLE, l. l., p. 29. Vgl. boven p. 27.
[176] SCHNELL, l. l., I, p. 62.
[177] Ib. De ever speelt ook eene voorname rol in de Wilde Jacht. Zie MEYER, l. l., p. 244.
[178] SCHNELL, l. l., I, p. 63.
[179] GRIMM, l. l., III, p. 149.
De beteekenis van het stroo moet hierin gezocht worden, dat het _erwten_stroo is. Onder de vruchten is vooral de erwt vruchtbaarheidssymbool[180]. Om veel ooft te krijgen worden gedurende het tijdperk der Twaalf Nachten de ooftboomen met erwtenstroo omwonden; gedurende dit tijdperk mogen geen erwten gegeten worden[181]; op Silvesteravond worden de hoenders met erwten gevoerd: zooveel erwten eene kip eet, zooveel eieren zal ze 't volgend jaar leggen[182]. In het Bohemerwoud werpt het Kerstkind een handvol erwten door de kamerdeur[183]; gedurende de z. g. _Knöpflinsnächte_ (de Donderdagnachten vóór Kerstmis) trekken in Zuid-Duitschland volwassenen en kinderen van huis tot huis en werpen erwten tegen den vensterruiten[184]. Aldus zal het mogelijk zijn eene vreemde bijzonderheid te verklaren in het bericht van Eelcoo Verwijs: "In Zug in Zwitserland werd de Kinderbisschop eerst in 1797 op hooger bevel afgeschaft. Telkens verscheen den 6den December een scholier als bisschop gekleed, voorafgegaan door een bisschop met zijn staf, en gevolgd door een nar, die insgelijks met een staf was gewapend, waaraan eene _blaas met erwten_[185] was bevestigd"[186].
[180] MEYER, l. l., p. 103.
[181] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 464.
[182] BARTSCH, l. l., II, p. 233.
[183] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 453.
[184] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 424, 425.
[185] Wij kursiveeren.
[186] L. L., p. 29.
Of zouden ook de erwten soms eene specifiek kristelijke beteekenis hebben?
[Decoratieve illustratie]
V.
BEL EN ROEDE.
St. Niklasawen, denn geit wi nâ baben, _denn klingelt de klokken_, denn danzen de poppen. (MANNHARDT, l. l., p. 327 Aanm. 2).
Zoo zingt men te Friedrichstadt a/d Eider. De komst van Sinterklaas wordt door belgeklingel aangekondigd. Knapen doen dit reeds eene week te voren in het kanton Bern[187]; in Hohenzollern trekken op den vooravond van het feest, mannen en vrouwen, z. g. _Niclause_, onder ketting- en belgerinkel door de straten[188]; in het kanton Unterwalden gaat eenige dagen te voren een als hanstworst gekleed man _Samichlausen-Geiggel_ genaamd, met bellen van huis tot huis[189].
[187] SCHNELL, l. l., I, p. 95.
[188] SCHNELL, l. l., I, p. 22.
[189] SCHNELL, l. l., I, p. 73.
Dat de bel den Heilige ook in ons land niet vreemd is, blijk uit het volgende rijmpje:
Sint Niclaes Bisschop, goed heylich man, Wil je wat in mijn schoentje geven, God loont u dan, Geefftemen een beurs _met bellen_[190], Soo sal ickje niet meer quellen, So langhe als het God geliefft, Heb ik Sinte Niclaesje lieff[191].
[190] Wij kursiveeren.
[191] EELCOO VERWIJS, l. l., p. 73.
Maar in den Dantziger Werder is de bel een attribuut van den Zaligmaker; daar hoort men:
Heilige Krist du gôde mann, trek dîn besten tabbert an[192], komm veer onse deer, _klinger ons wat veer_[193].