De H. Nikolaas in het folklore

Part 2

Chapter 23,592 wordsPublic domain

Wederom wordt dit tijdperk door St. Maarten geopend. In de provincie Limburg, te Roermond en te Venloo vooral, wordt op het feest van dezen Heilige de jeugd op appelen, peren, noten, krakelingen en wat dies meer zij onthaald; ook in de noordelijke provinciën is dit gebruik niet heelemaal onbekend, zooals uit de door Schotel verzamelde gegevens blijkt[42]. Iets dergelijks vindt men in heel Mecklenburg[43], in de Altmark[44] en in Oostenrijksch Silezië[45]; daar geeft men alsdan ook aan volwassenen allerlei soort van geschenken. Op sommige plaatsen is St. Maarten zelfs het hoofdfeest en komt Sinterklaas of Kerstmis op de tweede plaats, zoo b. v. te Düsseldorf in Erfurt[46], waar men als te Venloo, te Utrecht[47] en voorheen in Oostfriesland[48] met lantaarns en lampions op den vooravond door de straten trekt, in de Rijnstreken, te IJperen, in heel het kanton Aalst[49] en voorheen te Augsburg[50]. Over de roede van St. Martinus in een volgend hoofdstuk. In Engeland is St. Clemensdag, te Reichenberg St. Andreasdag schenkingsfeest[51].

[42] _Martinus, Bisschop der Galliërs_, in zijne _Tilburgsche Avondstonden_. Amsterdam, 1850. Zie ook V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 406.

[43] BARTSCH, II, p. 222.

[44] ADALBERT KUHN, _Märkische Sagen und Märchen_. Berlin, 1843. P. 344. Als eigenaardigheid deelen we hier het begin van een St. Maartenslied mee, in de Altmark gezongen:

Märtiin Märtiins Vaegelken Mett siin vergült Snaevelken! Geft us watt un lat us gan, Datt wii hüüt noch wiier kamn; enz.

[45] VERNALEKEN, l. l., p. 62. Zie p. 11.

[46] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 406, 408.

[47] SCHOTEL, l. l., p. 55.

[48] SCHNELL, l. l., I, p. 36.

[49] BROM, l. l., p. 156.

[50] TILLE, l. l., p. 28.

[51] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 412, 414, 420.

Te Keulen is de H. Barbara (4 Dec.) met hare geschenken de voorloopster van Sinterklaas[52]. De gebruiken van 6 December zijn overbekend; in ons land is Sinterklaas het hoofdschenkingsfeest, evenals in Opper-Oostenrijk, waar het Kerstfeest weinig bekend is. Ooft en lekkers voor de kinderen schenkt Sinterklaas o. a. in Beieren en in de Zwitsersche kantons Luzern en Schwytz[53]. In Tirol speelt Lucia voor de meisjes de rol van Sinterklaas[54].

[52] BROM, l. l., ib.

[53] SCHNELL, l. l., I., pp. 22, 73, 78.

[54] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 434.

Dan volgt het Kerstfeest dat, behoudens den Kerstboom en eenige gebruiken van ondergeschikten aard, volkomen ons Sinterklaasfeest slacht; een verdienstelijk historisch overzicht der _Weihnachtsbescherung_ is door Tille geleverd[55]. In de Provincie Limburg worden dien dag aan de kinderen op hun geroep "heio" te Merkelbeek, Brunssum en Oirsbeek appelen toegeworpen. Te Echt gebeurt dit op Silvester-, te Roosteren, Buggenum en Nunhem op Nieuwjaarsdag[56]. In Mecklenburg schenkt de Schimmelrijder op 1 Januari appelen, noten en peperkoek[57]. Eindelijk, met Driekoningen, gaan op verschillende plaatsen van Limburg, zoo b. v. te Weert en omstreken, de kinderen om geschenken bedelen, en sluiten aldus het Joeltijdperk[58].

[55] L. L. pp. 189-219.

[56] WELTERS, l. l., pp. 12, 13.

[57] BARTSCH, l. l., p. 234.

[58] Enkele soortgelijke gebruiken, die buiten dit tijdperk vallen, zoo b. v. het "rijden" der Engelen op Palmzondag, staan waarschijnlijk met het Lentefeest in verband.

Laten wij hier de opmerking maken, dat dit geven van geschenken in enge verhouding staat tot het rijden door de lucht, eene verhouding, die door het verband tusschen "wind" en "vruchtbaarheid" in een helder daglicht treedt[59], en in de synonimie der termen "rijden" en "ten geschenke geven" hare uitdrukking vindt. Reden waarom ik meen, dat ook het in den grond der zaak éénvormige geven van geschenken gedurende het Joeltijdperk niet volstrekt van den persoon des voorrijders der Wilde Jacht, des "gevers der goede gaven", mag gescheiden worden. Iets meer dan de bloote namen van _Joel_tijd, _Joel_gebak, _Joel_bok, _Joel_knots, _Joel_stroo, _Joel_licht, _Joel_blok, enz. moet van het vóórkristelijke vruchtbaarheidstijdperk zijn overgebleven. Beslister dan ooit blijf ik dus de stelling handhaven, die ik in mijne _Overblijfselen_ neerschreef[60]: "Mogt dan ook het geven van geschenken op Sinterklaasdag voor een groot deel op de bekende liefdadigheid van den Heilige berusten, zeer waarschijnlijk is het toch, dat de op Germaanschen bodem bestaande Midwinterfeesten een niet onbeduidenden invloed op dit gebruik hebben uitgeoefend".

[59] Zie pp. 12, 13.

[60] P. 28.

Zelfs eene andere oorzaak nog moet er krachtig toe hebben bijgedragen, het Sinterklaasfeest den vorm te geven, dien het thans bezit. In bijna alle Germaansche volksfeesten zijn drie bestanddeelen: het Kristelijke, het Germaansche en het Romaansche innig versmolten; en zoo zal Rome's invloed ook op het Germaansche Winterfeest niet zonder uitwerking gebleven zijn. Uit het Romeinsche alfabet ontleenden onze voorouders in de eerste eeuwen na Kristus hun Runen-alfabet[61]; in navolging der Romeinen gaven zij namen van godheden aan de verschillende dagen der week; uit de Romeinsche Mythologie drong menig goden-attribuut in het Germaansche pantheon, werd het geloof aan de geestwerende kracht der _bivia_ en _trivia_ op onzen bodem overgeplant[62]. Met alle reden mogen wij dus aannemen, dat in het geven van geschenken gedurende het Joeltijdperk ook een overblijfsel der Romeinsche Kalendenviering is bewaard gebleven. Aldus wordt de god Janus "der dritte im Bunde", wien ter eere op 1 Januari allen elkander gelukwenschten en passende geschenken vereerden[63].

[61] E. SIEVERS, _Grundr. d. Germ. Philol._, I, p. 246.

[62] _De Doode_, enz., l. l., I, p. 191.

[63] JORDAN-PRELLER, _Römische Mythologie_. Berlin, 1891. Pp. 179, 180. Vgl. Ov., _Fast._, I, 71 vlg.

[Decoratieve illustratie]

II.

SCHOORSTEEN EN SCHOEN.

Sint Niklaas, dou goede bloed! Geefme een zakje vol suikergoed: Niet te veel en niet te min. Smijt het maar tot de schoorsteen in.

(EELCOO VERWIJS, l. l., p. 74).

Sinterklaas werpt veelal zijne gaven, "rijdt" door den schoorsteen. Niet alleen hij echter, ook St. Maarten, ook de Wilde Jager, al zijn diens gaven niet altijd even begeerenswaardig.

Eens, toen de Wilde Jacht voorbijreed, riep een vermetel timmerman in den Harz den voorrijder het bekende "hoho" achterna. Daar valt plotseling een zwarte klomp _door den schoorsteen_, dat de vonken er van opstuiven[64].

[64] GRIMM, l. l., II, p. 774.

In een dorp aan de Elbe woonde eens een man, die zich verstoutte, toen de Wilde Jager in den Kerstnacht door de lucht stormde, zijne deur te openen, en hem spottend om eene kerstgave te vragen. Hierop liet de Jager een zijner honden achter, die _door den schoorsteen_ op den haard viel[65].

[65] BARTSCH, l. l., I, p. 17.

Meermalen echter schenkt de nachtelijke ruiter ook goud[66], evenals zijne gemalin Frija, onder de benaming van _Fru Gor_[67].

[66] GRIMM, l. l., II, p. 770 vlg.; _Overblijfselen_, pp. 27, 28; DR. L. KNAPPERT, _Folklore_. Amsterdam, 1887. P. 167 Aanm.; VERNALEKEN, l. l., pp. 25, 38, 46. Goud als geschenk van woudgeesten: MANNHARDT, l. l., pp. 142, 152.

[67] BARTSCH, l. l., II, pp. 242, 243.

Inderdaad, de schoorsteen is de verbindingsweg tusschen de geestenwereld en de gewone stervelingen,--de ruime, ouderwetsche schoorsteen, zooals die nog thans op het platte land wordt aangetroffen. Is het dan wonder, dat hij eene groote rol in de tooverwereld speelt? Dat men op Silvesteravond, in het hartje van den Joeltijd, het toovertijdperk bij uitnemendheid, in den schoorsteen ziet, om de toekomst te doorgronden[68]? Dat toovermiddelen veelal in den schoorsteen worden opgehangen? Vooral de huisgeesten dalen door den schoorsteen tot den haard, het middelpunt des huisgezins, af[69].

[68] BARTSCH, l. l., p. 237.

[69] Niet slechts door den schoorsteen, ook door het _sleutelgat_ komt Sinterklaas binnen. Het sleutelgat immers speelt in Folklore eene niet onbeduidende rol: om b.v. van ziekte genezen te worden, moet men driemaal door het sleutelgat blazen. (BARTSCH, l. l., II, p. 103).

Nu is het in zich genomen wel niet onmogelijk, dat het volk aan "den overwinnaar van den duivel, den overwinnaar van het heidendom, den overwinnaar van Diana" bij diens komst door den schoorsteen, een groote geestes-schoonmaak toeschrijft of althans toeschreef.....

[Decoratieve illustratie]

* * * * *

Heiliger Sanct Nicolaus Wir stell'n dir unsere Schuh' hinaus, Leg uns doch was schönes ein, Wir woll'n recht fromm und fleissig sein,

zoo zong eertijds de jeugd te Weenen, en in dien geest zingt nog heden onze Nederlandsche _spes patriæ_. Onder den schoorsteen wordt de _schoen_ gezet: "een schoen bij iemand zetten" is synoniem van "iemand iets afbedelen". Nu bestond er in Italië aan de hoven van sommige vorsten eene plechtigheid, naar een Spaansch woord, dat schoen beteekent, _Zopata_ genoemd[70]. Dat ons dit gebruik uit Spanje is overgewaaid, acht SCHNELL bepaald onmogelijk; dan moest, zegt hij, ook ons geschenk dien naam dragen[71]. Daarenboven is Spanje een dier landen, waar de viering van het St. Nikolaasfeest het minst populair was. Laten we hier opmerken, dat men tot verklaring dezer bijzonderheid geene nadere verhouding van Nederland tot Spanje kan doen gelden; den schoen toch vindt men ook in het Duitsche en Oostenrijksche Folklore, en eene ontleening aan Nederland zou in dit geval hard te betwijfelen zijn.

[70] BRANDT bij EELCOO VERWIJS, l. l., p. 19.

[71] L. L., V, p. 42.

Maar de schoen kan van Italiaanschen oorsprong zijn. Toegegeven; doch al kon men dit bewijzen, dan was hierdoor de oplossing van het vraagstuk nog slechts verplaatst. Van waar dan de schoen in Italië? Hij "zal wel op niets anders doelen dan op de legende der drie maagden", zegt Eelcoo Verwijs[72]; de reden, dat nl. bedoelde maagden "bij het ontwaken telkens den schat onder hare kleederen, _als 't ware_[73] in de schoenen, vonden", komt ons echter meer grappig dan juist voor. Ook is in dit geval de verruiling van schoen en schotel, zooals wij die te Salzburg[74], in Tirol en in Vorarlberg vinden, vrij onverklaarbaar[75].

[72] L. L., p. 19.

[73] Wij kursiveeren.

[74] SCHNELL, l. l., p. 10.

[75] SCHNELL, l. l., III, p. 60.

De schoen van Sinterklaas staat niet alleen in het Germaansche Folklore. Ook de Wilde Jager, deze getransformeerde Wôdan, vult schoenen en laarzen met goud. Op zijn bevel trekt de boer in het Grimm'sche verhaal[76] zijne laarzen uit, en vult die met het bloed van een pas geschoten hert. Bij zijne tehuiskomst blijkt het bloed in goud veranderd te zijn. Ook in een Hessisch sprookje komt het vullen van laarzen met goud voor[77].

[76] L. L., II, pp. 770 vlg.

[77] _Overblijfselen_, p. 28.

Legt in Mecklenburg de bruid vóór de huwelijksplechtigheid in elken schoen een stuk geld, dan heeft ze later nooit geldgebrek; een slangentong in elken schoen gelegd maakt onkwetsbaar; wie 's nachts ruggelings drie stroohalmen uit het dak trekt en in zijn schoen legt, wordt niet door den hond aangeblaft[78]. Op Kerst- en Silvesteravond werpen zich in Oostenrijk en Mecklenburg jongens en meisjes een schoen of pantoffel over het hoofd, om te zien, of hun geluk of ongeluk is weggelegd[79]. Ook op St. Thomasavond komt het gebruik van schoenwerpen zeer veel voor[80].

[78] BARTSCH, l. l., II, 61, 349, 449.

[79] VERNALEKEN, l. l., pp. 349, 350; BARTSCH, l. l., 236.

[80] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 438.

Maar er is meer: de schoen van Sinterklaas dient op de eerste plaats _om het voeder te bevatten "voor Sinterklaas zijn paard"_. In heel Limburg en op verschillende plaatsen van onze noordelijke provinciën wordt haver en hooi voor het beestje gereed gezet. Zoo ook in de Rijnprovincie, Tirol en Vorarlberg[81]. Vergelijkt men nu hiermee het op vele plaatsen van Duitschland en Skandinavië heerschende oogstgebruik, eenige halmen op den akker te laten staan, zooals het uitdrukkelijk heet, _"voor W[=o]dan en zijn paard"_, dan dunkt me, dat de oorsprong van bedoeld Sinterklaasgebruik naar het land verlegd moet worden. En zijn dan meer aanknoopingspunten te vinden tusschen den met hooi of haver gevulden schoen en het oogstoffer, dan tusschen dienzelfden schoen en de legende der drie maagden, te meer daar wij weten, dat het Joeltijdperk het tijdperk der vruchtbaarheid is. In dit hooi toch zou ik een schamele, overigens onschuldige, rest willen zien van een voormalig offer aan den god, of liever aan het paard van den god der vruchtbaarheid, en wel een offer van hooi, dat immers reeds in de Edda "Sleipnis verdr"[82] genoemd wordt[83]. Dit hooi legt men soms op een bord, bij voorkeur echter in een schoen, wegens diens betrekking tot de tooverwereld.

[81] SCHNELL, l. l., p. 60.

[82] Sleipnir's spijs.

[83] _Overblijfselen_, l. l., p. 24.

Maar laten we eenige feiten aangeven.

In Schonen en Blekingen bleef het lang gebruik, dat de maaiers op den akker eene gave "für Odens pferde" achterlieten[84]; in Beieren, in den omtrek van Beilngries, is de korenschoof voor den _Waudlgaul_ bestemd; daarenboven zet men bier, melk en brood op den akker voor de _Waudlhunde_, die den derden nacht komen en de gaven verslinden[85]. Wat voorheen en thans in Mecklenburg geschiedde en geschiedt wordt ons het best en volledigst door Bartsch[86] meegedeeld, reden, waarom wij het stuk hier in zijn geheel laten volgen:

[84] GRIMM, l. l., I, p. 128.

[85] Overblijfselen, l. l., p. 24.

[86] L. L. l. l., pp. 307, 308.

"Früher allgemein und theilweise noch jetzt liess man beim Abmähen des Winterkorns auf jedem Felde einen Haufen stehn, und weihte ihn feierlich dem Wode. Das älteste Zeugniss für diesen merkwürdigen Gebrauch enthält der ausführliche Bericht des Rostocker Predigers Nicolaus Gryse aus dem Ende des 16. Jahrhunderts. ""Im Heidendome,"" erzählt derselbe, ""hebben tor tydt der Arne de Meyers dem Affgade Woden umme gudt Korn angeropen, denn wenn de Roggenarne geendet, hefft man up den lesten Platz eins ydern Veldes einen kleinen ordt unde Humpel Korns unafgemeyet stan laten, dat sulwe baven an den Aren drevoldigen thosamende geschörtet unde besprenget, alle Meyers syn darumme hergetreden, ere Höde vom Koppe genamen und ere Seyse na dersulven Wode unde geschrenckedem Kornbusche upgerichtet, unde hebben den Wodendövel dremal semplick lud averall also angeropen unde gebeden:

Wode, Hale dinem Rosse nu Voder, Nu Distel und Dorn, Thom andren Jhar beter Korn!

Welcker affgodischer gebruck im Pavestdom gebleven, darher denn ock noch an dessen orden, dar Heyden gewanet, by etlycken Ackerlüden solcher avergelovischer gebruck in der anropinge des Woden tor tydt der Arne gespöret wert"".

Diese Erzählung wird vollkommen bestätigt durch einen gleichzeitigen Bericht über den auf dem Lande herrschenden Aberglauben, wovon leider nur ein Bruchstück im Schweriner Archive enthalten ist. Darin heisst es ""Wan nemblich die Roggen-Ernte geendiget, lassen die Meyer auf dem letzten Humpel roggen stehen. Densulven unafgemeyten Roggen Stücke Ackers ein klein Plätzlein oder, wie mans nennet, schurtzen sie oben an den arndten dreyfach zusammen und besprengen ihn mit Wasser. Wan das geschehen, stellen sie sich mit gebloszeten Heuptern in einen beschlossenen Circul oder Kreyss herumb, richten ihre Seicheln auffwerts gegen den geschrenkten Kornbusch, rufen und schreyen uber laut:

Ho Wode, Ho Wode, du goder, Hale dinem Rosse nu voder, Hale nu Disteln und Dorn, Thom andern Jar beter Korn!""

Eben dieses Gebrauches erwähnt auch der Präpositus Frank zu Sternberg in der Mitte des vorigen Jahrhunderts, wobei er allerdings den Nicolaus Gryse als seinen Gewährsmann anführt, aber zugleich versichert, dass er selbst alte Leute gesprochen, welche sich dieser Feldlust aus ihrer Jugend erinnert hätten. Auch gibt er den Weihspruch etwas abweichend so an:

Wode, Wode, Hahl dinem Rosse nu Voder, Nu Distel und Dorn, Aechter Jahr bäter Korn!

Zu Franck's Zeit war also das eigentliche Wodensopfer schon ausser Gebrauch, aber gleichwohl haben sich noch bis auf den heutigen Tag unzweifelhafte Spuren desselben erhalten. Noch jetzt nämlich sind die angeführten Verse in den Dörfern der Umgegend von Rostock bekannt, wenn auch nur in dem Munde der Kinder, und noch jetzt ist es eben dort Sitte, am Ende des Feldes einen Büschel Korn stehen zu lassen, wenn man ihn auch nicht mehr in feierlichem Gesange und Tanze dem Gotte weihet."

In Oldenburg laat men een stuk halmen staan, waarom heen gedanst wordt[87]; volgens Schaumburgsche zede werd bij deze gelegenheid een rijmpje gezongen, dat aanhief met de woorden:

"Wôld, Wôld, Wôld[88]!"

[87] GRIMM, l. l., I, p. 128.

[88] _Overblijfselen_, l. l, p. 24.

Ook Wôdan's gemalin Frija werd een haveroffer gebracht. Nog in 1712 verzamelde men zich in Neder-Saksen om de laatste halmen, onder het roepen van: "Fru Gaue, haltet (_of_ halet) ju fauer[89]!" Te Kerstlingerode, in het Göttingsche, laat men den laatsten armvol aren ongemaaid staan "vor Fru Holle[90]"; in den omtrek van het voormalige klooster Diesdorf droeg deze schoof den naam van _Vergodendeelstruss_. Sommigen verklaren dit woord als "vergelding voor zwaren arbeid", anderen, met Kuhn[91], als "Frô Goden Deel Struuss". In deze laatste schoof schuilen ook de wolf en de bok, dieren, over wier Folkloristische beteekenis boven gesproken is[92].

[89] Neem uw voêr in ontvangst (_of_ haal uw voêr). Zie MEIJER, l. l., p. 291.

[90] KNAPPERT, l. l., p. 173.

[91] L. L., p. VI en pp. 337 vlg.; zie verder over dit gebruik MANNHARDT, l. l., pp. 190, 213, 393, 396; GRIMM, l. l., I, p. 209.

[92] Zie p. 12.

Te Hagenow (Mecklenburg) liet men vroeger eenige halmen staan "damit", zooals men zeide, "de Waur Futter für sin Pferd finde". Vergelijken wij nu hiermee het ook in Duitschland gebezigde: "Sankt Martin muss noch ein Heu für sein Rössl finden[93]". De synonimie springt in het oog, schoon het in deze laatste uitdrukking niet _Waur_, noch Sinterklaas, maar St. Maarten geldt. Immers, het hooioffer strekt zich buiten het oogstfeest en de Sinterklaasviering uit. Te Müggelsheim (Altmark) gelooven de kinderen, dat Kristus op een ezel komt gereden, en werpen het dier hooi voor de huisdeur[94]. Op Silvesternacht steekt men in een dorp bij Stavenhagen eene schoof op buurmans grondgebied; stilzwijgend wordt de schoof weer ingehaald en aan het vee gevoerd. Hierdoor gaat op het vee de zegen van 's nabuurs vee over[95]. In Oostenrijksch Silezië wordt op Kerstavond het vee met weit en erwten gevoerd[96]; ook in Mecklenburg werd dien nacht eertijds _Haferloses_ (losse haver) als veevoeder op tafel gelegd[97]. Eindelijk, bij het haver _zaaien_ laten de boeren op den Hesterberg (Sleeswijk) des nachts een zak vol haver staan voor het paard van koning Abel[98].

[93] TILLE, l. l., p. 23.

[94] KUHN, l. l., pp. 345, 346.

[95] BARTSCH, l. l., II, p. 233.

[96] MANNHARDT, l. l., p. 232. Over de erwten als symbool der vruchtbaarheid in een volgend hoofdstuk.

[97] BARTSCH, l. l., II, p. 227.

[98] MEIJER, l. l., p. 256. Over de verhouding van koning Abel tot de Wilde Jacht in het volgende hoofdstuk.

Nader moge het verband tusschen het Joel- en Oogstfeest nog blijken uit het feit, dat te Pölitz (Mecklenburg) het nabootsen van een schimmel door middel van een bedlaken, een gebruik dat men elders op Silvesteravond aantreft, gedurende den oogsttijd heerschende is[99]; dat het everzwijn bij beide feesten eene hoofdrol speelt, men denke aan den z. g. _Roggenbär_[100]; en eindelijk, dat men op beide tijden bijna algemeen de bekende stroopoppen (of stroovermommingen) ontmoet, die doen denken aan de _simulacra de pannis facta_[101], en aan het _simulacrun quod per campos portant_[102], resp. No 27 en 28 van den _Indiculus superstitionum_[103].

[99] BARTSCH, l. l., II, p. 306.

[100] MEIJER, l. l., p. 102; MANNHARDT, l. l., p. 421.

[101] Poppen uit lompen.

[102] Pop, die men door het veld draagt.

[103] HEIJNE, l. l., p. 90.

[Decoratieve illustratie]

III.

DE SCHIMMELRIJDER.[104]

[104] Bijnaam van Sinterklaas in Tirol en Vorarlberg (SCHNELL, l. l., II, p. 60).

Sinter Klaas, die goede heer, Hij komt alle jaren weer, Met zijn paardje voor den wagen, Daar komt Sinte Klaas aan jagen. (EELCOO VERWIJS, l. l., p. 74).

Een groote, krachtige figuur te paard, den staf in de hand, den mijter op het hoofd[105], een ruimgeplooiden bisschopsmantel om de schouders geslagen[106], die aan weerskanten statig langs het paard naar beneden hangt,--zoo stelt zich de kinderwereld den heiligen bisschop van Myra voor.

[105] Sinterclaes bisschop, Settie _hooghe mutse_ op! (Amsterdam.)

[106] Sinterklôs Gods (good?) heilig man, Trek dînen besten _tabberd_ aan. (Venloo.)

Sint Niklaes, o heilige man, Met uw _gespikkelden talfaerd_ aen. (Oost-Vlaanderen.)

Een persoon van hooge gestalte, met langen, witten baard, den breedgeranden hoed diep in de oogen gedrukt, de wonderlans _Gûngnir_ in de hand, het rijzige lichaam in een wijden, donkeren mantel gehuld, waarin hij zijne beschermelingen door de lucht draagt, en gezeten op zijn trouwen schimmel _Sleipnir_,--ziedaar het portret van Wôdan-Odhin, ons in de hoofdtrekken door Saxo Grammaticus geteekend.

Maar dit geeft u nog geen recht een parallel te trekken tusschen den Germaanschen hoofdgod en den geliefkoosden volksheilige.--Volkomen juist, wanneer deze trekken de eenige gemeenschappelijke waren, en de Wodanstype slechts in Sinterklaas hare uitdrukking vond. Maar wanneer zulke overeenkomst zich in meer dan één opzicht vertoont, en vooral, wanneer men, behoudens eenige afwijkingen van minder belang, die slechts op lokale verhoudingen berusten, de Wodansvoorstelling in tal van bekende persoonlijkheden buiten den H. Nikolaas, bij name in die des Wilden Jagers, wedervindt? Wanneer er van den anderen kant heel wat goede wil, laat ik zeggen _esprit de système_ vereischt wordt, om de volksvoorstelling van den H. Nikolaas zelfs met de overgeleverde legenden van dezen Heilige in overeenstemming te brengen? Zou het dan ongeoorloofd zijn, naar de zijde der Oud-Germaansche overlevering over te hellen? Ter zake dus.

Gedurende heel het Joeltijdperk met zijn gure, woeste buien en huilende windvlagen reed de Germaansche windgod op zijn Sleipnir door de lucht, door een talloos heer van geesten gevolgd. Deze stoet vormt het Wôdansheer of de z. g. "Wilde Jacht", die nog heden bij alle Germaansche stammen in de volksfantasie voortleeft. Zelfs de naam is op verschillende plaatsen, min of meer verbasterd, behouden gebleven. In den Eiffel heet deze Jacht het _Wudes-_ of _Wodesheer_; in Zwaben het _Wutes-_ of _Mutesheer_; in den Elzas het _Wütenheer_ (men vergete niet, dat de naam _Wôdan_ van dezelfde Germaansche wortel afkomstig is als het Oud-Hoogduitsche _wuot_, wat "woede" en "verstand" beteekent); in Zweden het _Odens här_. Daar zegt men, als het stormt, uitdrukkelijk: "Oden far förbi"[107].

[107] Odhin vaart voorbij.