De H. Nikolaas in het folklore

Part 1

Chapter 13,304 wordsPublic domain

Produced by The Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net

+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn | | hernummerd en verplaatst naar het eind van de alinea met de | | verwijzing. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. Letters uit het griekse alfabet zijn omgezet en | | weergeven als [Grieks: woord]. | | De letter o met macron is als [=o] weergegeven. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: | | MEYER/MEIJER. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op https://www.gutenberg.org/ | | | +----------------------------------------------------------------+

DE H. NIKOLAAS IN HET FOLKLORE

DOOR

Dr. JOS. SCHRIJNEN,

_leeraar aan het Bisschoppelijk Kollege te Roermond, bibliothekaris van het Genootschap "Limburg"._

[Illustratie: Limburgs provinciewapen]

ROERMOND,

J. J. ROMEN EN ZONEN.

1898.

De H. Nicolaas in het Folklore.

"Folk-lore," zegt Prof. Paul Alberdingk Thijm[1], "is op alle gebied de wapenkreet geworden. Wee dengene, die zich daartegen kant! Hij worstelt tegen den stroom. Folk-lore in de raadzalen! Folk-lore in de school! Folk-lore in alle kunstuitingen!" En zoo is het Folklore in engeren zin, dat wil zeggen, de wetenschappelijke behandeling van gewoonten, zeden en gebruiken, spreekwijzen en uitdrukkingen, liederen, sprookjes, sagen, legenden en voorstellingen, die voortleven in den boezem des volks, niet alleen eene moderne wetenschap, maar tevens eene wetenschap, die uitdrukking verleent aan den geest, die beantwoordt aan de behoeften des tijds. Immers: "men wendt zich weder tot de natuur; de volksaard wordt ondervraagd. Men spoort op waarin die bestaat, omdat men dien bijna had vergeten; men graaft oude legenden, sagen, spreuken uit het dikste stof en beoefent een vak, dat men met den nieuwen naam van _Folk-lore_ bestempeld heeft, d. i. _volkskunde, volkswetenschap_."[2] Aan hare verhouding tot de tijdsomstandigheden dankt de wetenschap van het Folklore zonder twijfel hare rassche verspreiding. Met koortsigen ijver zette men zich in alle beschaafde landen aan het werk, om den schat van overleveringen op te teekenen, te schiften, te groepeeren, en met verbazende snelheid zag men allerwegen Folkloristische vereenigingen en bibliotheken verrijzen; en de naam der jonge wetenschap zelf--voor het eerst door Mr. Thoms, Sekretaris der _Camden Society_ in het Athenæumnummer van 22 Augustus 1846 gebruikt--had slechts enkele tientallen van jaren noodig, om zich een onbetwist Europeesch burgerrecht te verschaffen.

[1] In de _Lettervruchten_ v. h. Taal- en Letterlievend Studentengenootschap "Met Tijd en Vlijt". Leuven 1892. P. 4.

[2] P. ALBERDINGK THIJM, l. l., ib.

Van meet af betrad deze wetenschap ook reeds den weg, dien hare zusterwetenschappen--Mythologie, Geschiedenis, Ethnologie en Linguïstiek--deze eeuw vooral zijn ingeslagen: als _vergelijkende_ wetenschap zag zij het licht. Niet tevreden op beperkt terrein eene reeks van min of meer samenhangende verschijnselen op een gegeven oogenblik op het leven te betrappen of ook hooger opwaarts te vervolgen, zoekt de Folklorist analoge sagen en gebruiken bij verwante stammen op te sporen; hij ontdoet het aldus verkregen materiaal van alle heterogene bestanddeelen, vergelijkt, en tracht zoodoende tot hun kern en hunne oorspronkelijke beteekenis door te dringen.

Deze door elk wetenschappelijk Folklorist te volgen gedragslijn doet duidelijk zien, hoe juist het verwijt van eenzijdigheid was, door Dr. G. Brom onlangs tot zeker iemand gericht, die onder het pseudoniem van Joës a Leydis schuil gaat[3]: "Maar de verschijning van Sint-Nikolaas als _Bisschop_ pleit toch, zoo men wil, voor den zuiver katholieken oorsprong en zin van zijn feestviering. Zeker, indien zulk een optreden _overal_ in gebruik was; maar dat is voornamelijk het geval in ons eigen vaderland. Hierop alleen acht gevende, zouden wij de berisping niet ontgaan, welke Tacitus aan de geschiedschrijvers van zijn tijd toediende: "qui sua tantum mirantur." Op zijn Hollandsch gezegd: die niet verder zien dan de gezichteinder reikt boven hun eigen onderdeur, en meenen, dat hun beperkt kringetje de gansche wereld omvat."

[3] In zijne kritiek van een kortelings onder dit pseudoniem bij Borg, Amsterdam, verschenen werkje, getiteld: _Sint Nikolaas, zijn Feest en Gebruiken_. Zie _De Katholiek_, Dl. CXIII, p. 154.

En inderdaad, worden er tusschen de Katholieken Folkloristen gevonden, die beweren in de volksfeestviering van den H. Nikolaas niet-kristelijke bestanddeelen, te ontdekken, dan is dit

1º omdat zij tusschen volksgebruiken en volksvoorstellingen, die met het feest in betrekking staan, en andere gebruiken en voorstellingen, hetzij op eigen bodem, hetzij elders, eene verwantschap meenen te speuren, _die niet aan ontleening van het St. Nikolaasfeest haar oorsprong kan te danken hebben_; en

2º omdat geen enkel kerkelijk leerstuk, geen enkele kerkelijke wet hen verplicht, al wat op het oogenblik met de feestviering van den H. Nikolaas in verband staat, als van _zuiver_ kristelijken oorsprong te beschouwen.

Wel zullen zij niet altijd langs den weg eener klemmende bewijsvoering tot onwraakbare resultaten kunnen geraken,--vaker door de overtuigingskracht van een voldoend aantal feiten tot eene _moralis certitudo_ wellicht; in ieder geval zal het hun echter vrijstaan in den knecht Ruprecht b. v. liever een elfische gedaante te zien, dan Marmorinus, den zwarten koning der Agareniërs, en wel zonder gevaar, _het spoor der orthodoxie bijster te raken_.

Hij, die dergelijke beginselen huldigde, zal hierin niet weinig versterkt zijn geworden door de zooeven geciteerde meesterlijke kritiek van Dr. Brom in de l.l. Januari en Februarinummers van _De Katholiek_. Niet slechts de eer der katholieke historiografie, ook die van het katholieke Folklore is daar van bevoegde zijde op schitterende wijze gewroken. Het feit en goed recht eener z. g. "verkerstening" zijn er aangetoond, de banen, die de katholieke geschiedvorscher te volgen heeft, afgebakend, het blazoen der katholieke Volkskunde is er gezuiverd van alle smet en blaam. Uitteraard kon de schrijver echter bij de behandeling van zijn vierde punt niet tot meer bijzonderheden afdalen, zonder de eenheid van het geheel te schaden;--en toch is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat menig Katholiek naar eene nadere kennismaking met de zienswijze der Folkloristen in deze verlangt. Ik neem dus de taak op, door Dr. Brom zelf l. l., p. 152 den Folkloristen overgelaten met de woorden: "aan hen de taak, zoo mogelijk eene volledige oplossing te brengen". In de volgende bladzijden stel ik mij voor, een zeker aantal gegevens tot eenige rubrieken terug te voeren, en deze, meer als _specimina_ dan als volledige verzameling, het belangstellend publiek aan te bieden. Niet zelden echter zal ik hierbij gedwongen zijn in eene herhaling te vallen, van hetgeen reeds in mijne meer algemeene verhandeling over de "_Overblijfselen van den Wôdankultus in Limburg_", Vde Jaargang, IIIde Afdeeling van het Genootschap "Limburg" is gezegd. Ook duide men het mij niet ten kwade, zoo ik voor het meerendeel gedwongen ben uit ongeloovige of althans niet-katholieke schrijvers te putten. Gave God, dat ik meer werken van katholieke Folkloristen als bronnen kon aanhalen!

[Decoratieve illustratie]

I.

HET VRUCHTBAARHEIDSTIJDPERK.

Sinte Klaas, die goede man, Die ook alles bakken kan, Suikergoed en taaie man, Ja, daar krijg ik ook wat van. (DR. EELCOO VERWIJS, _Sinterklaas_, 's Gravenhage, 1863. P. 74.)

Verreweg de meeste gebruiken en volksvoorstellingen, die met het feest van den H. Nikolaas in verband staan, behooren m. i. tot de derde groep in de waarlijk "onmisbare distinctie," door Dr. Brom in zijn eerste artikel vastgesteld[4]. Zelfs dan, als de Kerk _wilde_ afschaffen, gelukte het haar bij lange niet volkomen, het ingekankerde heidendom uit te roeien. Om zich hiervan te overtuigen, behoeft men slechts den _Indiculus superstitionum et paganiarum_[5] na te gaan, en aldra zal men tot de ontdekking komen, dat verschillende nummers, zoo b. v. _De incantationibus_[6] (No 12), en _De divinis vel sortilegis_[7] (No 14) nog in het huidige bijgeloof voortbestaan. Opmerking verdient het, dat zich dit bijgeloof vooral aan kristelijke feesten, zoo b. v. Kerstdag en St. Thomasdag vasthecht;--en aan _deze_ opvattingen en praktijken zal toch wel niemand een kristelijken oorsprong willen toeschrijven. Ook vind ik reeds het eerste nummer eener vragenlijst uit de XVde eeuw, ten behoeve der priesters voor biechtelingen uit de gewone volksklasse, in het Limburgsche Folklore terug: _Qui exercent supersticiositates cum acu qua cadaver est consutum_[8].

[4] L. L., p. 83.

[5] Bij MORITZ HEIJNE, _Kleinere altniederdeutsche Denkmäler_. Paderborn, 1877. Pp. 89, 90.

[6] Over tooverij.

[7] Over zieners en waarzeggers.

[8] Die bijgeloovigheid plegen met eene naald, waarmee een doodshemd genaaid is. Bij HERMANN USENER, _Christlicher Festbrauch._ Bonn, 1887. P. 84. Dit punt van het bijgeloof is reeds door mij opgeteekend in mijne studie, getiteld; _De Doode in het Limburgsche Folklore_, in het Jaarboek van "Limburg". I, p. 192.

Maar wat zeggen van gebruiken als het geven van geschenken, het zetten van den schoen, van volksfantasieën als het rijden over de daken, het werpen door den schoorsteen? Zou men niet veilig kunnen aannemen, dat de Kerk ten opzichte hiervan steeds strikt onpartijdig gebleven is, daar zij er volstrekt geen gevaar in zag, zoo sommige heidensche attributen al door het volk op een H. Nikolaas werden overgedragen? Men moge dan met nog zooveel ijver de oudste dokumenten doorwroeten en het dichtste stof der archieven doen opdwarrelen, ten sterkste zou ik het betwijfelen, of men er ooit in zal slagen, eene kerkelijke veroordeeling van het geloof aan een Sleipnir aan het daglicht te brengen.

Aan Wôdan, de verpersoonlijking der bewogen lucht, den windgod en bijgevolg den god der vruchtbaarheid, behoorden de Winterfeesten; hem op de eerste plaats werd dan geofferd; andere chtonische- en windgodheden, zooals Holda en Perchta, speelden dan slechts eene ondergeschikte rol. Nu mag men met Grimm aan een driedeeling des jaars en, in verband hiermee, aan het voormalig bestaan van drie hoofdoffertijden blijven vasthouden, ofwel--wat waarschijnlijker is--met Weinhold en Phannenschmid, door Mogk gevolgd[9], het Germaansche jaar in vieren indeelen,--het bestaan der beide Winterfeesten wordt door niemand ontkend. Het eerste dezer feesten, hetwelk een geruimen tijd duurde, begon omstreeks het begin van November; het tweede z. g. Midwinterfeest of Joelfeest, ontegenzeglijk het hoogste feest der oude Germanen, viel in de tweede helft van December en in de eerste van Januari. Dit wordt het tijdperk der "Twaalf Nachten" genoemd; onze oostelijke naburen spreken van de _Zwölften_, _Unternächte_, _Rauchnächte_ of _Losstage_. Volgens sommigen moet men door de _Rauchnächte_ de drie Donderdagen vóór Kerstmis verstaan[10]. De Tirolsche boerenalmanak geeft als zoodanig 6, 25 en 31 December, en 6 Januari aan. Het woord "Joel", afkomstig van het Oud-Noordsche _jol_ (= _*jul_), hangt waarschijnlijk niet met het Angel-Saksische _hveol_ = rad, samen, maar komt waarschijnlijk van eene Indo-Germaansche wortel JEKU, en beteekent "scherts", "vroolijkheid", zoodat dit feest, naar zijne etymologie te oordeelen, het "jolige" bij uitstek was[11]. Inderdaad, het karakter der beide Winterfeesten bestond in eene uitgelaten vroolijkheid, veroorzaakt 1º door het genieten der offergaven, gedurende dien tijd aan Wôdan c. s. en ook aan de zielen der afgestorvenen gebracht; en 2º--reden van oekonomischen aard--door de twee groote slachttijden, die met de winterfeestviering samenvielen, wanneer deze niet, zooals Tille beweert[12], zelfs de hoofdaanleiding tot de winterfeestviering gegeven hebben.

[9] _Grundr. d. Germ. Philol._, her. v. H. PAUL. I, p. 1125.

[10] WILHELM MANNHARDT, _Der Baumkultus der Germanen und ihrer Nachbarstämme_. Berlin, 1875. P. 542.

[11] Vgl. ELARD HUGO MEIJER, _Germanische Mythologie_. Berlin, 1891. P. 197.

[12] ALEXANDER TILLE, _Die Geschichte der Deutschen Weihnacht_. Leipzig, 1893. P. 6 vlg.

Anders was het in het Noorden. De Oost-Germanen vierden hun hoofdfeest, het _Góiblót_, in Februari, "til gródhrar" voor den wasdom, terwijl het "Joelfeest" daar in Januari viel, "til árs" voor den oogst[13].

[13] MOGK, l. l., p. 1126; MEIJER, l. l., p. 196.

Gegeven dus, dat het eerste Winterfeest eene vrij groote rij van dagen in beslag nam; dat het Joelfeest meestal tusschen Kerstmis en Driekoningen, plaatselijk echter ook vroeger of later kon vallen; dat beide Winterfeesten hoofdzakelijk Wôdan, den god der vruchtbaarheid golden; dat eindelijk, gedurende heel den tijd, als de natuur schijnt uitgestorven en de winden het vaakst ontketend zijn, volgens de voorstellingen der oude Germanen de Wilde Jacht, met Wôdan als voorrijder, door het luchtruim joeg[14], dan krijgen wij een bijna aaneengesloten feesttijdperk, den god der goede gaven ter eere, dat zich ongeveer van het begin van November tot het midden van Januari uitstrekte. Wij bevinden nu, dat vele volksgebruiken en volksverhalen, welke met kristelijke feesten gedurende dit tijdperk samenhangen,--St. Martinus (11 November), St. Clemens (23 November), St. Andreas (30 November), vooral St. Andreas_nacht_, St. Barbara (4 December), St. Nikolaas (6 December), St. Lucia (13 December), St. Thomas (21 December), Kerstmis (25 December), St. Stefanus (26 December), het feest der Onnoozele Kinderen (28 December), Driekoningen (6 Januari)--veel overeenkomst blijken te bezitten met de gebruiken van het Winterfeesttijdperk en met de attributen van den god, die alsdan de hoofdrol vervulde. Zien wij dan anderdeels, dat zij in hun huidigen toestand eene groote objectieve verscheidenheid vertoonen en bedenken wij, dat in de feestkringen van andere tijdperken dergelijke overeenkomst vergeefs wordt gezocht, dan dunkt mij is de gevolgtrekking, zoo niet strikt bewijsbaar, dan toch alleszins te rechtvaardigen, dat het hier attributen geldt, van hun oorspronkelijk subjekt losgerukt, en door de volksfantasie, het eene vóór, het andere na, aan kristelijke instellingen en persoonlijkheden vastgehecht.

[14] _Overblijfselen_, p. 10.

Heidensche offers gingen steeds van offermaaltijden vergezeld. Wat hiervan in ons hedendaagsch Folklore kan zijn overgebleven? "In unserem Volksglauben", zegt Mogk[15] "sind in algemeinen die Opfer vergessen; gewisse Gerichte, die man in jenen Tagen isst, scheinen nur noch schwach daran zu erinnern"; en Grimm[16] beschouwt als offerresten vooral "das reiben der heiligen flamme, laufen durch die brände, werfen von blumen in das feuer, _backen und austheilen grosser brote oder kuchen_, und der reihetanz". Zoo ook v. Reinsberg-Düringsfeld: "Der Weihnachtsschmaus trat an die Stelle der alten Gastereien, die mit den Opfern verbunden waren, wie uns die verschiedenen Speisen, die noch üblich sind, sowie die Weihnachtskuchen, welche die Gestalt von Ebern, Pferden und anderen Tieren haben, deutlich bekunden"[17]. Men mag deze meening zijn toegedaan of niet, vreemd is het in ieder geval, dat juist gedurende den Joeltijd (in den meest uitgebreiden, boven aangeduiden zin) de meeste smulpartijen en gebaksvormen gevonden worden.

[15] L. L., I, p. 1125.

[16] JACOB GRIMM, _Deutsche Mythologie_. Berlin, 1875 (Vierte Ausg. bes. v. E. H. MEIJER) I. p. 35.

[17] _Das festliche Jahr der Germanischen Völker_. Leipzig, 1898. P. 4.

Met St. Maarten bakt men bij ons bijzondere koeken, St. Maartenshoorntjes genaamd; in Duitschland houdt men smulpartijen, Mogk althans spreekt van _Martinsschmäusen_[18]. In het Freudenthal (Oostenr. Silezië) krijgen kinderen en volwassenen op St. Maartensvooravond velerlei geschenken, maar vooral het _Martinshörndl_ mag niet ontbreken[19]. Met St. Andreas wordt te Reichenberg de _Andreaskranz_ gebakken[20]. In Hohenzollern begint men acht dagen vóór Sinterklaas reeds met het bakken van het _Klausenmannle_, een wittebrood in den vorm van een dansenden man[21]. Met Sinterklaas vergast zich in heel ons land oud en jong aan peperkoek onder de meest grillige vormen en benamingen. Te Seekirch (Würtemberg) bakt men alsdan lange, dunne koeken, die den vorm van pyramiden hebben; in het "Oberambt Ehingen" kleine, ronde suikerbroodjes, z. g. _Cloosen-Weckle_; te Dieburg (Hessen-Nassau) _Nicolaus-Lebkuchen_; te Leipzig _Pflaumentoffel_, eene eigenaardige lekkernij[22]. Dan volgt Kerstmis met zijn in het Limburgsche Folklore eigenaardige Kerstbroodje van Geleen[23], en tweede Kerstdag, waarop de kinderen te Neeroeteren (Belg. Limburg) op broodjes onthaald worden[24]; voorheen at men op Stefanusdag in den Eiffel tweeërlei brood, het eene zuur, het andere zoet, zooals nog thans in de Rijnlanden[25]. Ook zijn de _Weihnachtsstollen_ bekend. Kerstbrood geldt in Duitschland voor brandstillend[26]. Tusschen Kerstmis en Nieuwjaar kende men er eertijds een bijzonder soort brood[27]. Voeg hierbij nog het Nieuwjaarsgebak ("Nieuwjaarsmoppen", aan den Rijn: "Neujahrskränzchen") en de smulpartijen op Driekoningendag, die o. a. te Laerz (Mecklenburg) plaats vinden[28], en ge zult tot het besluit komen, dat de gastronomen gedurende het Joeltijdperk geen reden tot klagen hebben. Bovengemelde meening omtrent deze gerechten wordt dan ook, bepaaldelijk voor de Kerstkoeken, aannemelijk geacht, door den inzender van No 1178b der aangehaalde Bartsch'sche verzameling[29]: "Die gegen Weihnachten gebackenen sogenannten Kinnerges=Poppen, Has=Poppen, welche nach jetziger Denkung die Hirten von Bethlehem und deren Heerde darstellen sollen, _unsprünglieh aber Opfergaben gewesen sein mögen, die am Julfeste dargebracht wurden_ (Beyer in den Mekl. Jahrb. XX, 150), werden von manchen Bäckern mit Saffran bestrichen und heissen darum auch: Saffran=Pöppings". Ook Meyer is deze zienswijze toegedaan[30], met het oog vooral op het volgende: Buiten den wolf (en den raaf)[31] zijn Wôdan vooral de bok en de ever heilig; deze dieren vooral werden als _symbolen der vruchtbaarheid_ in den Joeltijd aan Wôdan den windgod, den god der vruchtbaarheid geofferd. "Veel wind, veel ooft," zegt een spreekwoord; wind schenkt vruchtbaarheid en doet het koorn, rijpen[32]. Vandaar 1º dat Wôdan als god der vruchtbaarheid vooral dan vereerd werd, als de winden heviger loeiden dan ooit. Het Joelfeest werd dan ook niet ter eere van den zonnegod, maar van den god der vruchtbaarheid gevierd[33]; en 2º dat om redenen van oekonomischen aard dit feest bij de Germaansche plattelandbewoners als het hoogste gold. Nu bakt men gedurende het _heele Joeltijdperk_, niet slechts met Sinterklaas, niet alleen koeken in den vorm van menschen en paarden, maar vooral van bokken en varkens. Ook met Kerstmis stellen in Mecklenburg de z. g. _Kinjes-Poppen_ meestal varkens voor[34]. In Zwaben bakt men met Kerstmis _Springerle_, d. i. koeken in allerhande soorten van diervormen. Dan ook wordt in het Noorden de _Julgalt_ gebakken en onder het zaadkoren gemengd; dit gebak heeft den boks- of zwijnsvorm. Op Nieuwjaarsmorgen brokt de Meklenburger een _Hörnstöter_ onder het voêr[35]. Ook in het Odenwald mengt men z. g. _Julkuchen_ onder het zaad; als eigenaardigheid diene echter hierbij te worden vermeld, dat de boksvorm hier met een hamer versierd is[36]. Dit mocht ons onverklaarbaar voorkomen, wisten wij niet, dat ook de hamer een hoofdsymbool der vruchtbaarheid is, wel niet aan Wôdan, maar aan Donar toegeschreven, die volgens Saxo Grammaticus door een slag van zijn hamer den bliksem deed geboren worden[37]. Waarschijnlijk hebben wij hier te doen met No 26 van den _Indiculus superstitionum_:[38] _De simulacro de consparsa farina_[39]. Ook anderszins nog wordt zulk een _simulacrum_ vervaardigd. In Oost-Gothland is het een met zwijnshuid overtrokken blok, _Julbucken_ genoemd; en in Silezië snijdt men schapen en geiten (niet veeleer bokjes?) uit hout, en overtrekt die met konijnsvel[40].

[18] L. L., I, p. 1127.

[19] THEODOR VERNALEKEN, _Mythen und Bräuche des Volken in Oesterreich_. Wien, 1859. P. 62.

[20] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l.l., p. 420.

[21] DR. EUGEN SCHNELL, _Sanct Nicolaus, der heilige Bischof und Kinderfreund_. Brünn, 1886. I. p. 17.

[22] SCHNELL, l. l., I, pp. 46, 51, 62.

[23] RUSSEL, _De heerlijkheid Geleen_, p. 73.

[24] H. WELTERS, _Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg_. Venloo, 1877. P. 12.

[25] TILLE, l. l., p. 47.

[26] MEIJER, l. l., p. 218. In Holstein wordt de avond van den 24sten December _Vulbuuksabend_ genoemd. Zie V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l.l., p. 464.

[27] TILLE, l. l., ib.

[28] KARL BARTSCH, _Sagen, Märchen und Gebräuche aus Meklenburg_. Wien, 1879. II, p. 250.

[29] II, p. 227.

[30] L. L., pp. 215, 218.

[31] _Overblijfselen_, p. 15.

[32] _Overblijfselen_, p. 22.

[33] MOGK, l. l., I, pp. 1125, 1126. Op Nieuwjaarsnacht schiet men in Meklenburg in de boomen, om ze vruchtbaar te maken (BARTSCH, l.l., II. p. 232); tot dit doeleinde worden in Engeland de boomen dien nacht met stokken geslagen (MANNHARDT, l. l., p. 279). "Is er wind in de Kerstdagen, dan zullen de boomen veel vruchten dragen," zegt men in Limburg; zoo ook: "Sneeuw in den Kerstnacht geeft een goeden hopoogst." En in Mecklenburg: "Als in de _Zwölften_ de boomen zich bukken, komt er veel ooft." (BARTSCH, l. l., II, p. 250).

[34] BARTSCH, l. l., II, p. 227.

[35] BARTSCH, l. l., II, p. 241.

[36] MEIJER, l. l., pp. 101, 103, 215, 211.

[37] GRIMM, l. l., II, pp. 835, 1021. Daar de geloofsverkondigers de afgoden als duivels voorstelden (_Overblijfselen_, pp. 5, 6, 16, 19, 34) werd Hamer tot synoniem van Donar, zoo b. v. in de verwensching: "Dass dîch der Hammer schlage!" De hamer is ook het symbool der macht en vernieling.

[38] HEIJNE, l. l., p. 90.

[39] Over den vorm van koekdeeg.

[40] SCHNELL, l. l., I, p. 65.

De Joeltijd is daarenboven het tijdperk, gedurende hetwelk, zooals Dr. Brom het zoo juist uitdrukt, "gegeven werd en tegenwoordig nog gegeven wordt"[41].

[41] L. L., p. 157.