Chapter 9
De ziel, voor een oogenblik verlicht door de volheid van de Godheid, werd van dien tijd af bekwaam tot overeenstemmen met de goddelijke Kracht. De zinnen, wederom onbedorven, werden langzamerhand gevormd tot werktuigen, in staat om het opgaan der ziel in die oneindige kracht weer te geven, voor welke de grenzen van ruimte en tijd niet bestaan, maar voor welke verleden en toekomst gelijkelijk openstaan in een eindeloos heden; die alles te boven gaande vrijheid, waarin Handeling één is met Willen en Willen eenzelvig met Denken. Opdat de zinnen zoodanig belevendigd en verlicht mogen worden dat zij de werking van het Scheppend Denkvermogen in het uiterlijk heelal waar kunnen nemen, moet die vordering door den 'overledene' _in persoon_ doorgemaakt worden, welke de bestudeerder der wetenschap, terwijl hij nog niet bevrijd is van onderworpenheid aan de zinnen, vagelijk maakt door het verstand. Want wie het samengestelde bouwwerk van de hemelen zou willen begrijpen, het samenstel van de heilige verblijfplaats van den mensch, moet uitgaan van de poolster, en den horizon trekkende vanuit het punt der Equinoxen, hetwelk een gelijke verdeeling geeft tusschen het licht en de duisternis, moet hij begrijpen hoe de as der aarde voor den mensch de oorspronkelijke ruimtemaat is en de standaardmaat der Diepten. Indien hij het geheim van den levenden vorm zou willen kennen, zal de oceaan zijn leeraar zijn als hij van het strand tot de diepste diepten gaat en de geheime plaatsen van de kokende wateren peilt. De maat van de omloopen aan den hemel zal hem onthuld worden door de maan, daar hij door middel van dien wachter de draaiing en wenteling van onze planeet waarneemt. Om niet louter de beweging maar de ontwikkeling van onzen bol te begrijpen, moet hij de plaats van het centrale vuur der aarde trotseeren, onbevreesd voor de duisternis der grotten van de vlammende afgronden. En daar, terugziende over ontelbare eeuwen, zal hij temidden van aardbevingen en ondenkbare aardrampen den 'Heer der Wet' en de 'Ordewoorden' vinden; terwijl de reusachtige bergketenen hooger en hooger uit den chaos omhoogrijzen om de oppervlakte der aarde voor te bereiden tot woonplaats van den mensch. Vervolgens strekt zich voor hem de schaduw der aarde uit in dat vaag verlichte en uitgestrekte uitspansel, waar de majesteit der open hemelen in nacht omhuld is; en hij neemt waar hoe de samenstanden der eclipsen te danken zijn aan dezelfde macht als de omloopen van verlichting, en hoe het uur der duisternis afgemeten wordt door den Gever van het Licht. Wanneer hij die schaduw doorgegaan is, treft hem een nog meer ontzag inboezemend gezicht, de vreeselijke pracht van de zonnebron in al hare volheid; en als hij langs den zevenvoudigen opgang van de planetensfeer omhoogstijgt, blikt hij onverblind op de reusachtige lichtbundels en vlammenstralen, die plotseling duizenden en myriaden mijlen hoog te voorschijn schieten. Dan, verre in de oneindige diepten en ruimten, zoeken zijne oogen, thans schitterend 'als de oogen van Hator', den veelgeliefden Sothis [Sirius], den brenger van de nieuwe dageraad, het portaal van de onbegrensbare hemelen, 'dat land van millioenen sterkten'. [71]
Uit het hier aangehaalde blijkt wel, dat Adams meent dat de kennis van het zonnestelsel en het heelal een deel vormde van de wijsheid, die den kandidaat voor kennis medegedeeld werd in de Groote Pyramide, en wel voornamelijk door _aanschouwing_.
Alvorens nu echter verder te gaan, kan het goed zijn dat wij ons eerst een denkbeeld trachten te vormen van hetgeen onder die Mysteriën begrepen _kan_ worden. Van de hoogere mysteriën, al weten wij niet wat zij geven, kunnen wij toch zeggen, dat zij eene inwijding zijn in de hoogste kennis aangaande den mikrokosmos en den makrokosmos en het verband tusschen beide. Hoe hoog die kennis gaan kan, kunnen wij met ons lagere verstand niet bevatten. Maar alleen zou ik denken dat veel, wat nu als geopenbaarde kennis aan de wereld gegeven is, in die tijden der oudheid behoorde tot de mysteriën. Wij zijn rijp geworden voor kennis, waarvoor de menschen van dien tijd niet rijp waren. Ik grond deze meening op een feit, dat ook vermeld wordt in de _Geheime Leer_. Enkele ingewijden of dichters, die aan deze kennis kwamen door hunne intuïtie, wisten van de werkelijke bewegingen der aarde, zon en in het algemeen van de ware inrichting van het zonnestelsel, toen de massa nog niet beter wist, dan dat de aarde het middelpunt der schepping was en alles om haar wentelde. Zoodra zij (de ingewijden of de dichters) dit feit onbedacht aan de wereld mededeelden, volgde daarop de straf: dood of verbanning. Thans zijn deze dingen niet meer geheim of verborgen. In het algemeen kunnen wij ons voorstellen dat de leer van den bouw des heelals en de wetten van de regeling er van een deel der mysteriën uitmaakten, en wel een zeer voornaam deel. Waarschijnlijk werden de eenvoudigste wetten en waarheden in symbolischen vorm den volke verkondigd in de tempels, en dan zien wij dus dat de sterrenleer der ouden, n.l. de sterrenwichelarij, de sterrenvergoding enzoovoorts, de exoterische vormen waren, waarin de machtige wetten van den makrokosmos verzinnebeeld werden. De sterrenleer was schoon en waar maar de kern was nog schooner en machtiger.
Zoo kan ik mij dus denken, dat in de mysteriën verklaringen gegeven werden van deze uiterlijke symbolen en sterrenleer en meer dan dat, dat ook de leer der cyclussen, als de groote wet van de regeling van den makrokosmos, daar werd geleerd en verklaard.
Als dit zoo is, zien wij in waarom de siderische cyclus zulk een groote rol speelt in de theorieën over de Pyramide, en tevens waarom zulk een nauw verband gezocht wordt tusschen de Pyramide en de sterrenkunde, sterrenwichelarij en sterrengodsdienst in het algemeen.
H. P. Blavatsky zegt: "De slangen van wijsheid hebben hunne verslagen goed bewaard, en de geschiedenis van de menschelijke evolutie staat opgeteekend _aan de Hemelen_ zoowel als op _ondergrondsche muren_. De menschheid en de sterren zijn onverbreekbaar verbonden, vanwege de Verstandswezens, die de laatste besturen."
Zouden deze _ondergrondsche muren_ niet op muren van de Pyramidekamers doelen? Ik denk van wel, want verder zegt H. P. Blavatsky dat Staniland Wake gelijk heeft met te zeggen: "Het is onbetwistbaar dat de Zondvloed in de legenden van Oostersche volkeren verbonden geweest is, niet alleen met de _Pyramiden_, maar ook met de _sterreteekens_." Dit schijnt rechtstreeks op het voorgaande te doelen.
Het is ook niet onnoodig op te merken, dat het volgens de Egyptische denkwijze niet voldoende was de grondkrachten van het heelal te kennen, benevens al de verschijnselen des hemels en de samenstelling van de meest verwijderde zonnen. Ook was het niet mogelijk de wetenschappelijke kennis zoodanig uit te breiden dat men door den wil een bewerktuigde wereld scheppen kan uit de atomen van de peillooze diepte, enkel en alleen door uitbreiding van het aanzicht van kennis van het bewustzijn. Neen, niet alleen deze uitbreiding van het verstand was voldoende tot inwijdingen in de mysteriën, en de afmetingen en verhoudingen van het verborgen Huis werden niet verklaard zonder dat hij die ingewijd wenschte te worden, _wijsheid_ had, de leeringen van Thoth (den God der wijsheid) in zich had opgenomen.
Geen mensch kan de Godheid aanschouwen wanneer hij niet in de waarheid onderricht is, ook kan niemand de inwijding ontvangen tenzij hij _dood_ voor het vleesch is.
HOOFDSTUK IX.
MYSTIEKE THEORIEËN II.
Aleer ik mij waag aan een verdere uiteenzetting van deze theorieën, wil ik hier nogmaals uitdrukkelijk vermelden dat ik deze hier geheel geef als _persoonlijke_ opvatting, en geenszins beweren wil, of trachten het te bewijzen, dat deze de juiste is. Ik kan dan ook hier slechts een beroep doen op het intuïtief gevoel van mijne lezers bij het maken van gevolgtrekkingen uit de _feiten_, die ons in ruime mate door verschillende schrijvers verschaft worden. Deze opmerking is te meer noodig aangezien ik, hoewel de theorie van Adams geheel volgende (en hoewel ik het in dezen volkomen met hem eens ben) enkele onderdeelen meer in bijzonderheden kan uitwerken nu de Theosofie ruimere en diepere begrippen over dergelijke zaken heeft verspreid, doch hiermede tevens een zeer gevaarlijk terrein betreed, waar het moeilijk is bewijzen aan te voeren die _wetenschappelijke_ waarde zouden hebben, omdat ik grootendeels persoonlijke opvattingen moet geven en deze moet laten steunen op enkele aanwijzingen, in de _Geheime Leer_ en andere Theosofische werken gegeven; en hoewel deze natuurlijk voor mij en vele anderen grooter waarde hebben dan menig geleerd wetenschappelijk betoog, kan ik hier nochtans niet van een betrouwenswaardige theorie spreken: het is en blijft louter een persoonlijke uitlegging van gegevens.
Thans het _Boek der Dooden_ ter hand nemend wil ik alvorens, over te gaan tot het bespreken van de inwijding in de Groote Pyramide, er nog aan toevoegen dat ik thans dit werk alleen in zooverre wensch te volgen, als noodig is voor het verband met het onderwerp, _De Groote Pyramide_, en dus niet op een bijzondere beschouwing van den tekst van het werk zelf kan ingaan. Dit zou op zichzelf een te zware taak zijn.
In het _Boek der Dooden_ dan vinden wij allereerst enkele inleidende hymnen, lofzangen op Ra, ontleend aan den papyrus van Ani. Volgens de gewone opvatting werden deze hymnen over de mummie uitgesproken door de priesters, om den doode in staat te stellen zijn "geestelijk lichaam" naar den hemel te doen opstijgen. Mijn gevoelen hieromtrent echter is dat de candidaat door het opzeggen van deze hymnen in een soort trance-toestand kwam, en dat zijn hoogere lichamen hierdoor van het grofstoffelijk lichaam of _khat_ bevrijd werden, daar de hoogere inwijdingen niet plaats vonden in het stoffelijk lichaam, maar in het astraal (_ba_ en _ka_) en in het oorzakelijk lichaam (_Sahu_.)
Gedurende deze ceremonie verliet dus Osiris (de ware mensch), in zijn _Sahu_, de _khat_, waarna het fysiek lichaam in een mummiekist geplaatst werd in een sarcofaag, in de crypt onder de pyramide. In deze crypt werd het Nijlwater langs ondergrondsche kanalen gevoerd, zoodat de sarcofaag geheel omringd werd door dit water dat tevens diende als beveiliger tegen het indringen van invloeden van buiten in het in trance verkeerende lichaam. De crypt waarin het lichaam geplaatst werd, is waarschijnlijk nog lager gelegen dan de ondergrondsche kamer in de pyramide.
De _Sahu_ wordt gezegd gedurende zijn verblijf buiten het lichaam gehuld te zijn in een lichtgevend doorzichtig lichaam of _Khu_. Dit _Khu_ schijnt mij toe de zoogenaamde _Augoeïdes_ te zijn, en aangezien dit punt niet van belang ontbloot is, wil ik voor deze meening eenige gronden aanvoeren. In Annie Besant's _Esoterisch Christendom_ lezen wij:
Het glanspunt van de Mysteriën was wanneer de Ingewijde een God werd, hetzij door vereeniging met een goddelijk wezen buiten hemzelf, _of door de verwezenlijking van het goddelijk zelf_ in hem. Dit werd genoemd vervoering en was een toestand van wat de Indische Yogi hooge Samâdhi zou noemen, waarbij _het grove lichaam in trance is_ en _de bevrijde ziel haar eigen vereeniging met het Groote Eene_ tot stand brengt. [72]
en Mead zegt:
"Vervoering is niet een eigenlijk zoogenaamde eigenschap, zij is een _toestand_ van de ziel, die haar op zulk eene wijze vervormt, dat zij dan _waarneemt wat tevoren voor haar verborgen was_." [73]
In deze aanhalingen vinden wij mijns inziens hetzelfde weergegeven als hetgeens Adams met betrekking tot de inwijding in de pyramide uitdrukt in Egyptischen symbolischen zeggingsvorm.
Alvorens de kandidaat echter gekomen is tot het punt in zijn evolutie, waarop wij hem thans denken om hem te kunnen volgen bij zijne inwijding in de Pyramide, moet hij vele eigenschappen verkregen hebben, die hem geschikt maken kandidaat voor deze mysteriën te worden, welke laatste hem in hun derden graad willen maken tot een Christos, en het kan nuttig zijn, alvorens het ritueel van het _Boek der Dooden_ bij de Pyramide-inwijding te volgen, eerst na te gaan wat de weg is, dien de kandidaat tot op dat oogenblik van zijn evolutie moet hebben afgelegd.
En hier nu zou ieder Br.·. Vr.·. mij geheel kunnen volgen indien hij het slechts eens met mij was dat de mysteriën der Vrijmetselarij eene weerspiegeling zijn op dit gebied van de inwijdings-ceremoniën, en dat de kandidaat in het ritueel der symbolische graden op zinnebeeldige wijze de verschillende stadiën der inwijding doorloopt. Want zegt Annie Besant niet:
"Voornamelijk werden zij (de kleine mysteriën) als nuttig beschouwd ten opzichte van het bestaan _na den dood_, daar de Ingewijde dat leerde wat zijn toekomstig geluk verzekerde." [74]
En is het niet duidelijk dat dit nut voor den kandidaat bewerkt werd in het doorloopen van de symbolische reizen, die wel degelijk, volgens mijne theorie, het doorloopen van het bestaan na den dood door de ziel verzinnebeelden, al weet ik zeer goed dat bijna geen Br.·. dit met mij eens zal zijn, en men mij zal zeggen dat het een gaan door dit leven verzinnebeeldt. Zeer wel, maar dan beweer ik dat zijn reizen zeer wel reden van bestaan vinden in een dusdanige zedelijke verzinnebeelding van het leven, maar dat mijne opvatting van een hooger orde is. En dan hebben wij beiden gelijk. H. P. Blavatsky maakt ook deze onderscheiding en zegt dat er in die tijden was: een vrijmetselarij _in den tempel_ en een vrijmetselarij _in de Crypt_. [75]
Hoe dit zij, het is mijn vaste overtuiging dat de vrijmetselarij in dien tijd als bedoeling had door hare symbolische en andere leeringen verdedigers en kenners van den godsdienst te vormen en dat een meester vrijmetselaar _in de crypt_ degene was, die de hoogste inwijding had doorgemaakt en een Christos was geworden.
Echter is het hier niet de plaats op deze dingen in te gaan, doch tot zoover had ik eene vermelding er van noodig, om er op te wijzen dat de vrijmetselarij een verklaring van haar ritueel geheel moet zoeken langs de hier aangegeven lijnen, om ten slotte in het ritueel van het _Boek der Dooden_ haar hoogste uiting te vinden; en hoewel ik, zooals ik reeds schreef, hier niet verder op wensch in te gaan, ben ik gaarne bereid ieder Br.·. die belang stelt in deze theorie, mijn gevoelen nader uiteen te zetten.
Geheel zonder steun van Theosofische zijde is de bewering, dat er eene opeenvolging van mysteriën was in verschillende graden en scholen, aleer eene inwijding in de Pyramide plaats vond, niet. Een goed verstaander moet echter in dezen aan een half woord genoeg hebben, daar eene uitlegging van de woorden licht te veel kan onthullen. Na verschillende deugden en hare wijze van verkrijging beschreven te hebben, schrijft Annie Besant in _Esoterisch Christendom_, blz. 30.
Deze deugden waren noodig voor de Groote Mysteriën, daar zij betrekking hadden op het louteren van het ijle lichaam, waarin de ziel werkte, wanneer zij buiten het grove lichaam was. De gedrags- of praktische deugden behoorden tot het gewone leven van den mensch en werden tot op zekere hoogte vereischt alvorens hij een kandidaat kon zijn zelfs voor een zoodanige school als hierna beschreven wordt.
In deze aanhaling zien wij de vereischten die noodig waren om als leerling aangenomen te worden. Ook in andere boeken wordt er op gezinspeeld dat in die tijden een der vereischten voor _alle_ inwijdingen was dat men in het astraal lichaam werkzaam kon zijn.
Nu komt iets verder:
...Dan kwamen de zuiverende deugden, waardoor het ijle lichaam, dat van de aandoeningen en het lager denkvermogen, gelouterd werd.
Dit vond plaats gedurende de evolutie van den kandidaat als leerling.
Ten derde de verstandelijke, die behoorden tot den augoeïdes of den lichtvorm van het verstand.
De ontwikkeling van deze eigenschappen kenmerkten den tweeden graad, en ten slotte hebben wij:
Ten vierde de bespiegelende of vóórbeeldige, waardoor vereeniging met God verwezenlijkt werd,--
kenmerkende het doorloopen van de laatste kenbare inwijding, waarbij de volmaakte mensch als Christos wedergeboren wordt. Dat het mogelijk is bij deze laatste inwijdings-ceremonie wederom een verdeeling in drie graden te maken zooals Adams dit doet is mijns inziens volkomen logisch wanneer wij aannemen, dat in een hoogere school eene herhaling plaats vond van wat in de voorgaande scholen was geschied, en dat het nu op een hoogeren trap plaats vond, terwijl dan de hoogste graad verder opwaarts voerde.
Men kan uit deze gegevens tot de gevolgtrekking komen dat het lichaam _Khu_, waarin Osiris verblijft vóór zijn vereeniging met God-Osiris, hetzelfde lichaam moet zijn als dat hetwelk door de Theosofen Augoëides genoemd wordt.
Thans kunnen wij ons een denkbeeld vormen van den kandidaat en zijn evolutie tot op het oogenblik van zijn inwijding in de Pyramide, en dat deze inwijding daar plaats vond kan (behalve de vele bewijzen die wij vroeger reeds vermeldden) ook in het aangehaalde werk van Annie Besant gevonden worden:
Alleen zij konden erkend worden als kandidaten voor Inwijding, die reeds goed waren zooals menschen goedheid rekenen, volgens de gestrenge maat van de wet. Rein, heilig, zonder bezoedeling, zuiver van zonde, levende zonder overtreding--zoodanig waren enkele van de beschrijvende gezegden die omtrent hen gebruikt werden. Verstandig ook moeten zij zijn, met welontwikkeld en welgeoefend denkvermogen. De ontwikkeling die in de wereld leven na leven voortgezet wordt, het ontwikkelen en meester worden van de vermogens van het denkvermogen, de aandoeningen en den redelijken zin, het leeren door exoterische godsdiensten, het uitoefenen van plichtsvervulling, het streven anderen te helpen en op te heffen--dit alles behoort tot het gewone leven van een ontwikkeld mensch. Wanneer dit alles gedaan is, is de mensch "een goed mensch" geworden, de Chrêstos van de Grieken, en dit moet hij ook zijn vóór hij de Christus, de Gezalfde kan worden. Het exoterisch leven goed vervuld hebbende, wordt hij een kandidaat voor het esoterisch leven en vangt de voorbereiding tot Inwijding aan, hetgeen bestaat in het vervullen van zekere voorwaarden. De voorwaarden bepalen de eigenschappen die hij verkrijgen moet en terwijl hij hard werkt om deze te scheppen, zegt men soms van hem dat hij het Proefpad betreedt, het Pad dat tot de _Enge Poort_ leidt, aan gene zijde waarvan de _Smalle Weg_ is, of het _Pad van Heiligheid_, de _Kruisweg_." [76]
En wanneer wij in verband hiermede lezen hetgeen H. P. Blavatsky in de _Geheime Leer_ vermeldt, (reeds vroeger door ons aangehaald) namelijk:
"En thans, in 1882, schrijft Staniland Wake het volgende: 'De koningskamer... was waarschijnlijk de plaats waar de in te wijden persoon toegelaten werd nadat hij door de enge opwaartsche gang en de groote galerij met haar laag eindgedeelte was gegaan, hetgeen hem gaandeweg voorbereidde voor het slotbedrijf der Heilige Mysteriën.'
Ware Staniland Wake een Theosoof geweest, dan had hij er wellicht aan toegevoegd, dat de enge opwaartsche gang, die naar de Koningskamer leidt, inderdaad een 'enge poort' had; dezelfde 'enge poort' die 'tot het leven leidt', en dat het aan deze poort van den Tempel van Inwijding was dat de schrijver dacht, die de woorden opgeteekend heeft, welke naar beweerd wordt door een Ingewijde gesproken zijn." [77]
dan zal het duidelijk zijn dat de Christus-Inwijding inderdaad in de Pyramide plaats vond; temeer waar er ook gezegd wordt:
"Want Egypte is een van de wereldmiddelpunten der ware Mysteriën gebleven...." [78]
Wij kunnen thans overgaan tot eene beschouwing van het Ritueel van het _Boek der Dooden_. De in trance verkeerende kandidaat werd geplaatst, zooals wij reeds zeiden, in de kamer onder de Pyramide. Hij werd op een kruis geplaatst, soms van den gewonen kruisvorm, soms van den vorm van de Tau. Zijn handen werden met een touw bevestigd aan het kruis, doch het eind van dit touw werd losgelaten, om aan te duiden dat de kandidaat vrijwillig dezen figuurlijken kruisdood doormaakte. De doode verliet thans in zijn "_ba_" of astraal lichaam zijn "_Khat_", en ging buiten zijn lichaam de verschillende voorbereidende beproevingen doormaken.
Wij moeten om deze na te gaan, opslaan hfdst. XVII van het _Boek der Dooden_, waarvan de tekst luidt:
(I) Hier begint de lof en verheerlijking van het uittreden en het ingaan tot de heerlijke onderwereld welke is in het schoone amentet, van het uittreden (II) bij dag in alle vormen van bestaan welke hem ["den doode"] behagen, van damspelen en in de zaal zitten en te voorschijn komen (III) als een levende ziel.
Zooals ik reeds zeide is het onmogelijk diep in te gaan op eene volledige uitlegging dezer teksten; slechts de breede beteekenis er van kan hier gegeven worden in verband met het geheel. Hier slaat de tekst op een bekend feit. De kandidaat moest bij zijne inwijding eerst afdalen in de onderwereld: hij "daalde neder ter helle". Belangrijk is tot een juist begrip, hetgeen C. W. Leadbeater zegt in de _Christelijke Geloofsbelijdenis_.
"De formule door de beoefenaren van Atlantische Magie in overoude tijden aan de Egyptenaren overgeleverd, luidde aldus:
'Dan zal de kandidaat op het houten kruis gebonden worden, hij zal sterven, begraven worden en nederdalen in de onderwereld; na den derden dag zal hij teruggebracht worden van de dooden en ten hemel worden opgenomen om de rechterhand te zijn van Hem uit Wien hij kwam, daar hij geleerd heeft de levenden en de dooden te besturen.'
De hal der Inwijding was dikwijls onder den grond in een Egyptischen tempel--vermoedelijk vooral om hare ligging geheim te houden, ofschoon het ook bedoeld kan zijn als deel der symboliek van de nederdaling in de stof, die zulk een groote rol speelde in al die oude mysteriën. Het is mogelijk dat er een dergelijke hal _in of onder de Groote Pyramide_ was, want nog slechts een zeer klein deel dier ontzaglijke massa is onderzocht of zal denkelijk ooit onderzocht worden." [79]
C. W. Leadbeater vermeldt daarna hetgeen wij reeds zeiden omtrent het binden op het kruis, en vermeldt tevens dat het lichaam dan in "een nog lager gelegen gewelf" gebracht werd. Een ieder leze dit gedeelte van het bedoelde werkje dus aandachtig na in verband met deze verhandeling. Vooral ook hetgeen volgt op blz. 81-85. Een kort overzicht van hetgeen daar gezegd wordt moge hier voldoende zijn voor een juist begrijpen van hetgeen wij verder zullen vermelden.
De zoogenaamde "doode" bevond zich dus op het astrale gebied vol leven en bewustzijn. Gedurende zijn verblijf aldaar moest hij vele ondervindingen opdoen om hem tot een nuttig wezen in die wereld te maken. Deze nederdaling in de onderwereld (Amentet) bij een inwijding geschiedt opdat de kandidaat zal trachten aan de vele ongelukkigen op dit lage astrale gebied (Kama Loka) hulp te brengen door hen te wijzen op hunne kansen tot verbetering. Tevens moest volgens Egyptisch gebruik de kandidaat gedurende deze "nederdaling ter helle" de zoogenaamde aard-, water-, lucht- en vuurproeven ondergaan--_tenzij hij die reeds in een vroeger stadium zijner ontwikkeling doorstaan had_. Hij leerde dus dat geen dezer elementen hem deren kan in zijn astraal bestaan. Ook moest hij om deze reden (en ook thans moet dit nog) de vreeselijkste verschijningen in de afschuwelijkste omgeving ontmoeten om vertrouwd te worden met alle omstandigheden dezer gebieden. Ziedaar het nut van dit oude Egyptische ritueel.