De Groote Pyramide

Chapter 8

Chapter 83,660 wordsPublic domain

Verder zullen velen het met mij eens zijn--vooral zij die verstaan--dat hetgeen wij door de Inwijdingen zoeken is: _Licht_; het Licht, dat wil zeggen, de kennis van den aard der dingen in ons stelsel, of in het algemeen gezegd: hoogere kennis. In ons stelsel is het stoffelijk lichaam der zon het laagste aanzicht van dit _Licht_. En dit Licht kunnen wij ook verzinnebeeld vinden in de Pyramide. Merken wij nog op dat _geluid_ of _klank_ evenzoo noodzakelijk is voor het _leven_. Adams zegt terecht: "het licht is het eerste beginsel van het geschapen leven. Zonder licht bestaat geen groei; er is geen groei zonder licht. Kleur, reuk, smaak, ieder voorwerp der zinnen verdwijnt wanneer het licht afwezig is. Iedere straal is een afzonderlijke hemelsche gift, rechtstreeks van de hand van den Schepper; zooals is aangegeven in het basrelief op het graf te Thebe, ontdekt door Stuart, waar de uiteenloopende stralen een pyramide van licht vormen, en aan iederen straal is een hand van zegening verbonden." [59]

In de Pyramide vinden wij dus verzinnebeeld den vorm en het leven in openbaring, den Logos als [symbool voor Zon]. En hoe is dit licht maçonniek in het bouwwerk uitgedrukt? Door dezelfde pi-symbologie. Ik kan het niet beter weergeven dan Adams dit doet. Hij schrijft:

Het Licht zelf geeft ons een antwoord. Want indien wij, zooals op het basrelief te Thebe, den uiteensplitsenden stralenbundel voorgesteld vinden, zooals die zich uitstort op den middag van de zomersolstitie, den aanvangsdag van het Egyptisch jaar, zullen wij één zijvlak van de Pyramide van Licht hebben. Veronderstel nu dat een rechthoekige pyramide wordt opgetrokken met vier zoodanige zijden die elk respectievelijk tegenover de kardinale punten des hemels staat. Dan volgt hieruit dat, daar elke zonne-omwenteling der aarde een vierde aswenteling later voltooid wordt dan de voorafgaande, elk vierde- of groot-jaar hetzelfde zijvlak naar de zon gekeerd zal zijn wanneer de zonne-omwenteling van de aarde voleindigd is; en aldus is de Egyptische Groot-cyclus (van vier jaar) maçonniek uitgedrukt. Juist zulk een vorm vinden wij in de Groote Pyramide, daar de zijden zóó georiënteerd zijn dat zij oorspronkelijk tegenover de kardinale punten stonden, en haar top zoodanig was afgeplat dat de zon één dag in het jaar 'met al haar stralen' er op rust, zoodat het bouwwerk 'zijn eigen schaduw verslindt'.

Welke verhouding moeten de afmetingen hebben, nu de algemeene vorm bepaald is, of met andere woorden, welken hoek moeten de zijden naar den onzichtbaren top hebben? De aarde in haar loopbaan geeft het antwoord. Want daar die planeet in een (benaderd) cirkelvormig pad om de zon heen beweegt, terwijl elke straal naar haar toe in een rechte lijn valt, kan de verhouding tusschen de lichtgevende kracht en het verlichte lichaam uitgedrukt worden door de verhouding tusschen den straal en den omtrek van een cirkel. [60]

Laten wij thans nog nagaan op welke wijze wij een eenheid van maat kunnen verkrijgen, die ons de juistheid aantoont van de verzinnebeelding der astronomische verhoudingsgetallen in het bouwwerk. Ook deze maat kunnen wij aan de aarde ontleenen en wel aan de as.

De engelsche duim is 250,250,000 maal in de aardas begrepen; wanneer wij deze duim met een duizendste deel van hare lengte vergrooten, verkrijgen wij eene duimmaat die als Pyramideduim gebezigd wordt en bekend staat. Deze duim is dan in de aardas 250 millioen maal begrepen.

De deksteenen der Pyramide, waarvan er een opgemeten werd door Dixon, zijn 25.025 Eng. duim lang; of 25 van de gemelde duimen. De lengte van den steen is dus 10 millioen maal in de aardas begrepen, en nu wordt door Smyth en Adams deze maat als eenheid aangenomen. Deze maat of liever verhouding staat op zichzelf. Doch wat bleek verder?

De lengte van de onderste deklaag der Pyramide bedraagt juist 1/20 van een geografische mijl. Wanneer wij nu de pyramide-eenheidsmaat hierop afmeten, bevinden wij dat deze 365.25 maal in deze lengte begrepen is en 1461 of 4 maal 365-1/4 maal in den geheelen omtrek van het grondvlak. Blijkbaar is dus hier eene symbolische voorstelling van het aantal dagen van het zonnejaar en van den grooten cyclus van vier jaren.

Adams zegt met betrekking tot deze symbolische voorstelling:

"Het schijnt daarom niet onredelijk te denken dat, alvorens de deksteenen ten slotte het geheim afsloten, de betrekkingen van zon en maan tot den stand van Sothis en de Poolster in overeenstemming zouden gebracht zijn met de trappenreeksen van de Pyramide op de juist beschreven wijze; en aldus is een uitgangspunt voor alle bewegingen der aarde, hetzij in hare betrekking tot de maan, de zon, de equinoxen, of de sterren, onveranderlijk in het maçonnieke licht vastgelegd".

Ik zou nog tal van voorbeelden kunnen geven van de wijze waarop astronomische waarheden in verband met het bouwwerk der Pyramide symbolisch zijn voorgesteld, doch dan zouden voor een populaire verhandeling als deze te veel technische punten aangevoerd moeten worden. Ik vrees zelfs dat het voorafgaande vele lezers zal doen terugschrikken voor een verder ingaan op deze punten. Aan hen die echter daarin belang stellen, raad ik aan daarover na te slaan _Our Inheritance in the Great Pyramid_ en bovenal Marsham Adams' _House of the Hidden Places_; dit laatste werk vooral aan Theosofisch studeerenden. Over de symbologie der Pyramide in verband met de maçonnerie kan men lezen in de navolgende lezenswaardige brochures _The Great Pyramid and Freemasonry_ door John Chapman. P. P. G. D. en _A Lecture on the Great Pyramid in Egypt, suggesting an intimate relationship with the Probable Foundation of Freemasonry_, door W. Charles Langley.

Hoewel dus over dit punt vrij wat meer te zeggen valt dan ik hier deed, laat ik dit na om de gemelde reden en zal er toe overgaan de mystieke theorieën te behandelen, welke volgens mij van het meeste belang zijn.

HOOFDSTUK VIII.

MYSTIEKE THEORIEËN.

Onder de schrijvers van jongeren datum over ons onderwerp bekleedt Marsham Adams eene plaats, welke geheel afgescheiden is van die der ouderen. De meeste theorieën, welke wij tot dusver nagingen, vertoonden een punt van overeenstemming met elkander en berustten vaak op een gemeenschappelijk uitgangspunt. Marsham Adams echter heeft ons in zijn beide werken _The Book of the Master_ en _The House of the Hidden Places_ een geheel nieuwe richting van denken aangeduid, welke ik thans beschrijven zal. De godsdienstige denkbeelden der Egyptenaren zijn in hoofdzaak weergegeven in _Het Boek der Dooden_ en de Egyptenaren, wel wetende dat de papyrus, waarop de denkbeelden neergeschreven zijn, vergankelijk is, wenschten deze denkbeelden aan de latere geslachten bekend te maken en na te laten. Vandaar hun onvermoeide ijver om in schoonen kunstvorm op de muren van de tempels en van hunne andere bouwwerken hunne godsdienstige denkbeelden en geschiedenis weer te geven. Doch ook hiermede was de vergankelijkheid dezer mededeelingen aan het nageslacht niet overwonnen.

Eén middel was nog mogelijk, en wel een dat bij dit volk van groote bouwwerken zeer voor de hand lag, namelijk het in een bouwwerk in symbolischen vorm weergeven van deze leeringen. Een tweede doel werd hiermede gediend, want een belangrijk kenmerk van den godsdienst van dit volk was, dat de profanen, zoowel als de trapsgewijze opklimmende graden van priesters, de zedeleer en wijsheid van hun godsdienst leerden door symbolen en ritueel. Het bouwwerk kon dan tevens dienst doen als een tempel van inwijding in de mysteriën van den godsdienst.

Met betrekking tot deze zeer uiteenloopende wijzen om hun godsdienstige begrippen voor het nageslacht te bewaren, merkt Adams op:

Het is moeilijk een grooter tegenstelling te bedenken dan die welke geboden wordt door de beide vormen, waarin het verslag der Egyptische leer bewaard werd. De papyri zijn vergankelijk, talrijk, afwisselend in lengte en volgorde. Het monument in steen is eenig tot het onvergankelijke toe, niet onderhevig aan afwijking, en het staat daar onveranderd en onveranderend, onverschillig voor de aanvallen van tijd of mensch. [61]

In beide genoemde werken handelt Adams eveneens over andere aanzichten van het vraagstuk der Pyramide, doch deze aanzichten zijn meerendeels verkorte overzichten van de sterrengodsdiensttheorie, terwijl zijn opvattingen van enkele verzinnebeeldingen van natuurfeiten in het bouwwerk zeer oppervlakkig en geenszins te bewijzen zijn. Dit is jammer, daar het natuurlijk afbreuk moet doen aan de waarde van het geheel zijner theorieën. Nochtans is het hoofddenkbeeld van zijne uiteenzetting van groote waarde voor Theosofen, omdat zij in verband met andere gegevens uit hunne literatuur hier steun vinden voor hunne bewering dat de Groote Pyramide een tempel van inwijding was. Waarschijnlijk is het dan ook om deze reden, dat zijne werken den Theosofischen studeerende van bevoegde zijde steeds ter bestudeering aanbevolen werden. Stellig kunnen wij veel schoons vinden in zijne theorie, en om deze reden wil ik ze hier dan ook uitvoerig vermelden. Tot een beter begrip van hetgeen wij zullen aanhalen, dienen wij ons in de eerste plaats echter een denkbeeld te vormen van wat het _Boek der Dooden_ is.

De algemeene wetenschappelijke verklaring is deze. Het _Boek der Dooden_ bestaat uit een groot aantal bijeenverzamelde hoofdstukken, waarvan de tekst zoowel op tempelmuren ingegrift, als op papyri gevonden werd. Deze papyri werden ontdekt, verborgen in de gewaden van mummie's. Naar het tijdperk, waarin de verschillende afschriften werden opgeschreven, hetzij op tempelmuren of op papyri of op een andere wijze, worden zij verdeeld in vier verzamelingen, namelijk de Heliopolische in hieroglyphen, de Thebaansche eveneens in hieroglyphen [62], dan die van de twintigste Dynastie, geschreven in hieratisch schrift, en ten slotte de Saïtische of die van de zes en twintigste Dynastie [63]. Op deze papyri zou dan vermeld staan de levensgeschiedenis van de mummie, zijne zonden, deugden en daden, zijne verwachtingen voor een toekomst na dit leven, wat hem overkwam of overkomen moest aan gene zijde des doods, en voornamelijk de smeekbeden van de nagelaten betrekkingen aan "den God van de stad" en andere goden om den doode voort te helpen op zijn vredespad aan gene zijde, hem te steunen en te beschermen, welke smeekbeden uitgesproken werden door "de priesters van de _ka_" (het dubbel). Deze smeekbeden werden op papyri opgeteekend en met de mummie begraven. Toen dit gebruik in verval raakte, werden papyri geschreven waarop alleen de plaats voor den naam opengelaten werd. Deze werden verkocht en wanneer iemand stierf werd de naam ingevuld en de papyrus bij de mummie ingewikkeld. Waarschijnlijk was dit om tijd en geld te sparen. Met betrekking tot de geschiedenis en den oorsprong van het _Boek der Dooden_ zegt Budge in zijn vertaling van de Thebaansche verzameling van dit werk:

Noch onderzoekingen, noch ontdekkingen hebben ons tot nog toe eenigerlei inlichting verschaft aangaande het tehuis, den oorsprong en de vroegste geschiedenis van het _Boek der Dooden_. Het schijnt vrij duidelijk dat, zooals boven gezegd werd, de allereerste vorm van het _Boek der Dooden_ bestond uit de woorden of smeekbeden, door verwanten en vrienden gericht tot den "god der stad" en tot een verzameling bovennatuurlijke machten, ten behoeve van den afgestorvene.... [64]

en verder

Waar en door wien de teksten van het Boek der Dooden werden samen gesteld, is eveneens onbekend. [65]

terwijl wij lezen:

Sinds onheuglijke tijden werd de God Thoth, die zoowel het goddelijke verstandswezen, dat bij de schepping de woorden uitte welke ten uitvoer gebracht werden door Ptah en Khnemu, als de schrijver der goden was, in verband gebracht met de voortbrenging van het _Boek der Dooden_, en hoewel hij oorspronkelijk de god van den tijd en de tijdaanteekenaar van hemel en aarde was, verschijnt hij vaak als de raadgever en helper van den afgestorvene. [66]

In het _Boek der Ademhalingen_ (een deel van het _Boek der Dooden_) lezen wij:

Thôth, de machtigste god, de heer van Khemenna, komt tot u en hij schrijft voor u het _Boek der Ademhalingen_ met zijn eigen vingers.

Van een Theosofisch standpunt zouden wij gaarne een andere opvatting willen aanvoeren over dit _Boek der Dooden_. Adams denkt eveneens anders over het werk. Gaarne zou hij zien dat men vooral den Turijnschen papyrus niet het _Boek der Dooden_ zou noemen, of beter (zooals Champollion deed) _Begrafenis Ritueel_, maar dat men er den titel aan gaf, dien het zich zelf geeft. "_Het Boek van den Meester van het geheime huis is zijn naam_" [67]. Mijn gevoelen nu is dit. Ik zou in plaats van louter _Dooden_ willen lezen: _Dooden voor het vleesch, Ingewijden_; of kortweg _Boek der Ingewijden_ of _Boek over de Ingewijden_.

Thôth toch is mijns gevoelens de groote leeraar Hermes, [68] die als onderrichter in de mysteriën van het oude Egypte optrad, en uit bovengenoemde aanhalingen blijkt vrijwel dat er hier sprake van kan zijn, dat aan den leerling een geschrift gegeven werd, waarin de ritueele wijsheid opgeteekend stond tot zijn verdere voorlichting, en dat als bewijs diende dat hij tot een zekeren graad bevorderd was.

Adams dacht reeds in deze zelfde richting, hoewel niet zoo ver gaande, doch hij merkt op dat de titel van het werk zeer ongelukkig gekozen is,

want hij geeft het denkbeeld, de heilige afgestorvenen te beschouwen als dood, terwijl de geheele opvatting van de leer de onderrichting in het Leven en het Licht was. [69]

Wij kunnen thans, nu wij weten wat bedoeld wordt met het _Boek der Dooden_, en geholpen door de kennis die wij bijeenverzameld hebben omtrent de Groote Pyramide, overgaan tot het opbouwen van eene theorie waarin deze beide gegevens de hoofdfactoren zijn tot het in overeenstemming brengen van hetgeen Adams ons mededeelt in zijn werken, hetgeen maçonnieke schrijvers (voorstanders van het beginsel dat de Vrijmetselarij haar oorsprong vindt in de Mysteriën) ons verkondigen als hunne meening, en hetgeen door Theosofische schrijvers is beweerd. Het komt mij voor, dat ik deze theorieën niet afzonderlijk kan behandelen, daar zij te veel gemeen hebben en de een de andere steunt. Ik zal mij dus in dezen er toe bepalen aan de hand van hetgeen Adams mededeelt als zijn opvatting, de maçonnieke en Theosofische lezingen op dit punt te beschrijven.

In zijn _Boek of the Master_ zegt Adams:

Alleen wanneer wij het Geheime Huis vergelijken met het Geheime Boek van zijn Meester, begrijpen wij de beteekenis van zijn geheime plaatsen--duisternis die duisternis verlicht en mysterie dat mysterie onthult. En alleen dan kunnen wij opmerken hoe wij in deze plaatsen den sleutel bezitten tot de 'Ordewoorden' van het Geheime Boek. Zoo wordt dan de bepaling van de Egyptische Theosofie gebracht uit het gebied van de archaeologische bespiegeling en teruggebracht tot de vergelijking van twee bestaande en duidelijk omschreven verslagen. Hier is een papyrus die beweert de geheime schriftrol te zijn welke behoort aan den Meester van het Geheime Huis; daar is een geheim huis, waarin, volgens de Egyptische overlevering, de geheime wijsheid, waarop die schriftrol betrekking heeft, aan den kandidaat werd medegedeeld. Die schriftrol vangt aan met den Ingang tot het Licht; en het Licht was de naam waaronder dat huis bekend was. De schriftrol is vol verwijzingen naar geheime gangen en kamers; en geheime kamers en gangen maken het geheele inwendige van dat huis uit. De voornaamste van de in de schriftrol genoemde kamers is de Dubbele Zaal van Waarheid; en de voornaamste van de kamers van het huis is de Dubbele Zaal van gebeeldhouwde Pracht. In de schriftrol verhaalt het laatste hoofdstuk van de wederopstanding van het Lichaam, en in het huis is de laatste kamer de kamer van het Open Graf. En terwijl het eene verslag in overeenstemming is met het andere in het uitdrukken van de Waarheid in Licht, zijn de beelden die de vastgelegde waarheid der leering in het Ritueel uitdrukken, in overeenstemming met de verhoudingen van wetenschappelijke waarheid die in het gebouw hare uitdrukking vinden." [70]

Het is wellicht noodzakelijk, op te merken dat Adams hier in beeldrijke spraak en volgens eigen opvatting andere dan de gebruikelijke benamingen bezigt. Zijn boek van den Meester van het verborgen Huis is het Boek der Dooden, zijn verborgen Huis is de Groote Pyramide, de zaal van gebeeldhouwde Pracht is de Groote Galerij.

Wij zien uit het zooeven aangehaalde wel in, dat Adams denkt dat de godsdienstige leeringen der Egyptenaren vervat waren in het _Boek der Dooden_, en dat de Pyramide de Tempel is waarin de leeringen in steen verzinnebeeld zijn, maar dat deze tevens de plaats was waarin deze leeringen werden medegedeeld. De wijze van mededeeling is dan in hoofdzaak de volgende. De kandidaat ziet zekere begrippen verzinnebeeld of doorloopt in zinnebeeldigen vorm enkele dezer. Daarna wordt hem de beteekenis medegedeeld van hetgeen hij zag en van hetgeen hij doormaakte. Dit is in hoofdzaak waar, en komt geheel overeen met de nog bestaande maçonnieke inwijdingsgebruiken, waarbij de leerling de reizen in de Loge aflegt, en de Achtbare Meester hem daarna de beteekenis van dezen symbolischen omgang uitlegt. Het verschil tusschen de opvatting van Adams en die der vrijmetselaren omtrent het doormaken van deze reizen moet noodzakelijkerwijze bij eenig nadenken een ieder duidelijk zijn. Bij de reizen van den kandidaat voor inwijding in de Pyramide doorliep hij symbolisch de gebieden aan gene zijde des doods en hem werden bij de uitlegging dezer reizen vele belangrijke dingen onthuld omtrent die gebieden. Dit was natuurlijk bij de lagere inwijdingen het geval. Bij verdere inwijdingen werd hij onderricht omtrent de verschillende lichamen van den mensch, hun ontstaan en werking en ten slotte hun verband tot den Logos van dit stelsel. Voor den ernstigen bestudeerder is dit alles na te gaan in het _Boek der Dooden_, zooals wij zouden kunnen aantoonen.

En nu is het mijn gevoelen, dat de reizen bij de inwijding van den kandidaat voor Vrijmetselarij oorspronkelijk hetzelfde beteekenden, doch dat met het verdwijnen van de kennis omtrent de waarde en beteekenis der symbolen bij de leden dier orde, ook het juiste begrip hieromtrent verdwenen is. Het is mijne ernstige overtuiging, dat indien een vrijmetselaar, die grondig bekend is met de verschillende symbolen en oude gebruiken der Orde, het _Boek der Dooden_ ernstig bestudeerde in verband met deze, hij de analogie zou vinden en een hoeksteen zou hebben bijgebracht tot het bewijs van een verband dier orde met de oude Priesterkasten in Egypte. Want hoewel het mijn en veler anderen persoonlijk gevoelen is, dat de vrijmetselarij in verband staat met de oude Egyptische mysteriën, is mijns inziens het _bewijs_ nog nimmer volkomen geleverd en is er dus nog steeds een ruim veld van arbeid voor de voorstanders dezer bewering. G. Oliver zegt in zijn werk _Geschiedenis der Inwijdingen_: "Zonder twijfel zijn de pyramiden kort na de verstrooiing daargesteld als afbeeldingen van den grooten toren in de vlakte van Shinar, en evenals de laatste diende om de inwijdingen te verrichten zoo dienden daartoe ook de eersten." Nu is Broeder Oliver een man van gezag onder de Broederen; de lezing van zijn werk echter is wel bevredigend voor wie zijn gevoelen deelt, doch levert geen bewijs voor een tegenstander der theorie. Evenmin kan men als bewijs aanhalen hetgeen Clavel zegt omtrent inwijdingen in de Pyramide in zijn werk _Geschiedenis der Vrijmetselarij_. Het denkbeeld is aan velen gemeen, doch het bewijs moet nog geleverd worden.

Van een Theosofisch standpunt zou ik zoowel tegen de theorie van Adams als tegen die der vrijmetselaars willen opmerken dat ik het niet eens kan zijn met hunne opvatting dat deze inwijding _doorgemaakt_ werd in het _stoffelijk_ lichaam. Ik meen te mogen opmaken dat alle ons gedane mededeelingen van Theosofische gezaghebbenden er op duiden dat deze inwijdingen doorgemaakt werden in het astrale of in hoogere lichamen. Het fysieke lichaam werd wel uit den tempel langs ondergrondschen weg naar de Pyramide geleid en daar in trance bewaard tot na afloop der ceremonie, doch de inwijding werd van A tot Z doorgemaakt in het astraallichaam. Is dit zoo, dan begrijpen wij eveneens waarom er geen bezwaar aan verbonden was dat de ingang der Pyramide afgesloten was door de marmeren deklaag. De eerste proef was of de entiteit zoodanig bewust was in zijn astraallichaam dat hij wist dat hierin geen hinderpaal van zijn voortgang bestond. Dit feit is in overeenstemming met hetgeen ons ook medegedeeld wordt door andere schrijvers over dit onderwerp.

Hierin vinden wij ook de oplossing voor de tegenwerping dat er geen licht zoude zijn. Astraal licht was er toch, en zouden de aura's der hierofanten niet voldoende licht geven voor den kandidaat? Bij eene stoffelijke inwijding zou dit bezwaar zeker bestaan, tenzij kunstlicht in voldoende mate bekend was, hetgeen naar enkele schrijvers beweren, wel het geval was.

Hebben wij eenigszins uitvoerig hierbij stilgestaan, het was noodig tot een juist begrip van veel dat volgen zal. Gaan wij thans verder met het eigenlijke punt van behandeling, namelijk het doorloopen van het inwijdingsceremoniëel in de groote Pyramide volgens het _Boek der Dooden_.

In de Juni- en Juli-aflevering van _The South African Theosophist_ heeft Br. G. D. Stonestreet in een verhandeling over _The Origin of Freemasonry_ gezegd dat hij het onnoodig vond, voor vrijmetselaars de overeenkomsten aan te toonen die er bestaan tusschen hetgeen Adams schrijft en hetgeen de Vrijmetselarij leert. Dit is zeer zeker waar; en voor hen die niet met de symbolen en gebruiken der Vrijmetselarij bekend zijn, is het verband niet aan te toonen. Het is derhalve voldoende uitvoerig te vermelden hetgeen Adams schrijft.

Adams verdeelt de inwijdingsceremonie in die van drie graden, namelijk:

Eerste graad: _De Inwijding van den Kandidaat_, welke graad verzinnebeeld werd door een scarabee--het symbool van den "Eeuwige", het zelfgeschapen wezen dat geen Begin, en geen Einde kent.

Tweede graad: _De verlichting in Waarheid_, welke graad voorgesteld werd door een figuur, staande voor "Amen", de verborgen godheid.

Derde graad: _De Meester van het geheim_, welke graad voorgesteld werd door een grafsteen.

Voordat wij thans overgaan tot de beschrijving van het ceremoniëel van _De Inwijding van den Kandidaat_ volgens het _Boek der Dooden_, willen wij eerst iets mededeelen over enkele Egyptische begrippen in verband met deze dingen.

Volgens de leer der Egyptenaren werd de vereeniging van den innerlijken mensch met de Godheid op zeer langzame wijze voorbereid om ten slotte door een daad van groot ceremoniëel plotseling tot stand te komen in haar uiterste instantie. De Mensch-God Osiris werd met den God Osiris vereend in bewustzijn, doordien die innerlijke mensch tot de gestalte van Osiris wies. Vandaar dat wij in het ritueel steeds goed moeten letten op het onderscheid tusschen den ingewijden Osiris of den waren mensch en de Godheid Osiris. Zoodra de Mensch-God Osiris deze gestalte verkregen had, deelde hij in het bewustzijn van de Godheid. Met deze vereeniging ging gepaard een verkrijgen van hoogere kennis omtrent den mikrokosmos en den makrokosmos.

Adams geeft in wonderschoone bewoordingen weer hoe dit verkrijgen van kennis geschiedt, en voor degenen die geen Engelsch lezen, is het zeker de moeite waard dit stuk hier in zijn geheel aan te halen: