De Groote Pyramide

Chapter 7

Chapter 73,584 wordsPublic domain

Natuurlijkerwijs heeft H. P. Blavatsky kennis genomen van hetgeen Piazzi Smyth en Ralston Skinner beweerden en betoogden met betrekking tot dit punt en wij vinden, zooals ik reeds bemerkte, in de _Geheime Leer_ deze zaak vrij uitvoerig behandeld.

Wij lezen dan:

"Niettemin is bewezen dat het stelsel van eerstgenoemden (de Joden) in deze bijzondere afdeeling der symboliek--namelijk de sleutel tot de geheimenissen der sterrekunde in haar verband met die der voortbrenging en ontvangenis--identiek is met die denkbeelden der oude godsdiensten, welke het phallische element in de theologie hebben ontwikkeld. Het Joodsche stelsel van heilige maten, toegepast op godsdienstige symbolen, is voor zoover het meetkundige en numerieke combinaties betreft, hetzelfde als dat van Griekenland, van Chaldea en van Egypte, want de Joden namen het aan gedurende de eeuwen hunner slavernij en gevangenschap onder beide laatstgenoemde volkeren. Waaruit bestond dit stelsel? De schrijver van _The Source of Measures_ is er innig van overtuigd dat: 'de boeken van Mozes ten doel hadden door eene soort van kunstmatige taal een meetkundig en numeriek stelsel van exacte wetenschap te verkondigen, dat als oorsprong van maten zoude moeten dienen.' Piazzi Smyth is van dezelfde meening. Eenige geleerden vinden dat bedoeld stelsel en die maten identiek zijn met die, welke bij den bouw der Groote Pyramide gebruikt zijn, maar dit is slechts voor een deel het geval. 'De grondslag dezer maten was de verhouding van Parker', zegt Ralston Skinner in _The Source of Measures_.

De schrijver van dit zeer buitengewone werk heeft, zooals hij zegt, dien grondslag ontdekt in het gebruik van de verhouding van de middellijn van den cirkel tot den omtrek, in geheele getallen uitgedrukt, ontdekt door John A. Parker. Deze verhouding is 6561 voor de middellijn en 20612 voor den omtrek. Verder heeft hij gevonden dat deze meetkundige verhouding de zeer oude en waarschijnlijk goddelijke oorsprong was van wat nu door exoterische behandeling en praktische toepassing, de Britsche lengtematen geworden zijn, 'welker grondeenheid, nl. de _duim_, evenzeer de grondslag geweest is van een der koninklijke Egyptische _ellematen_ als van den Romeinschen _voet_." [49]

Hoewel H. P. Blavatsky het niet eens is met de theorieën van Parker en Piazzi Smyth, en zelfs vrij uitvoerig de beweringen van Parker met betrekking tot de quadratuur van den cirkel bestrijdt, en bemerkt dat de opmetingen van Smyth ook niet ten volle vertrouwen verdienen, zegt zij dat Ralston Skinner onmiskenbaar _een_ of zelfs _twee_ der sleutels tot dit stelsel ontdekt heeft, maar meer ondanks de theorieën der beide genoemde schrijvers en dank zij zijn eigen genie.

"Evenmin wordt Ralston Skinner's esoterische opvatting van den _Bijbel_ alleen daardoor onjuist, dat de afmetingen van de Pyramide wellicht niet overeenstemmen met die van den tempel van Salomo, van de arke Noachs, enz., of doordien de wiskundigen Parker's kwadratuur van den cirkel verwerpen. Immers Skinner's meening berust oorspronkelijk op de Kabbalistische methoden en op de rabbijnsche getalswaarde der Hebreewsche letters. Daarentegen is het van het uiterste belang na te gaan of de maten, gebruikt bij de ontwikkeling van den symbolischen godsdienst der Ariërs, bij den bouw hunner tempels, bij de in de _Purâna's_ vermelde getallen, en in het bijzonder bij hunne tijdrekening, hunne sterrekundige symbolen, den duur hunner cyclussen en bij andere berekeningen, al dan niet dezelfde waren." [50]

Wij zouden dus, na hetgeen H. P. B. ons zegt omtrent Skinner, met reden kunnen nagaan welke sleutels hij gevonden heeft om tot een oplossing te komen van de pi symbologie in de Pyramide. Ik zal dit echter hier ter plaatse moeten nalaten wegens mijne eigene tekortkomingen op het gebied der Kabbalistiek en tevens omdat dit wederom tot te uitvoerige beschouwingen zou leiden die hier niet ter plaatse zijn. Doch zeker raad ik ieder, die de waarde van getallen en letters op de juiste waarde schat, ten zeerste aan Skinner's werk te bestudeeren.

In ieder geval zien wij dat de pi symbologie niet _toevallig_ is, zooals reeds beweerd werd door enkele geleerden; daar zijn te veel feiten tegen. H. P. Blavatsky geeft dan ook eene verklaring er van, en al schijnt die bij den eersten aanblik niet de volledige oplossing dezer symbologie te bieden, zoo doet zij dit toch wel degelijk. Zij schrijft:

"Zij hebben die kennis stellig bezeten; en het is op deze kennis [51] dat het programma van de Mysteriën en van de reeks Inwijdingen gegrond was; daaruit vloeide de bouw van de Pyramide voort, de blijvende oorkonde en het onvernietigbare symbool van deze Mysteriën en Inwijdingen op aarde, gelijk de banen der Sterren zulks aan het Uitspansel zijn.

De cyclus van Inwijding was eene nabootsing op kleine schaal van die groote reeks cosmische veranderingen, waaraan de sterrekundigen den naam van Tropisch of Siderisch Jaar gegeven hebben. Evenals de hemellichamen bij het einde van den cyclus van het Siderisch Jaar (25.868 jaren) onderling dezelfde positiën innemen als bij het begin daarvan, zoo heeft de Innerlijke Mensch bij het einde van den cyclus van Inwijding den oorspronkelijken toestand van goddelijke reinheid en kennis weder bereikt, dien hij verliet toen hij den cyclus van aardsche belichaming aanving.

Mozes, een Ingewijde in de Egyptische Mystagogie, grondde de godsdienstige mysteriën van het nieuwe volk dat hij schiep, op dezelfde, van dezen Siderischen cyclus afgeleide, _abstracte formules_, verzinnebeeld door _den vorm en de afmetingen_ van den Tabernakel, dien hij, naar men veronderstelt, in de Woestijn bouwde. Op deze gegevens grondden de latere Joodsche Hoogepriesters de allegorie van den Tempel van Salomo--een gebouw dat in werkelijkheid nooit bestaan heeft evenmin als Koning Salomo zelf, die evenzeer een zonnemythe is als de nog latere Hiram Abif der Vrijmetselaars, hetgeen Ragon zoo duidelijk aangetoond heeft. Indien derhalve de afmetingen van dezen allegorischen Tempel, het symbool van den cyclus van Inwijding, overeenstemmen met die der groote Pyramide, is dat een gevolg daarvan dat eerstbedoelde door middel van den Tabernakel van Mozes aan laatsbedoelde ontleend zijn". [52]

Tot een nader begrip van hetgeen hier gezegd werd en ter verklaring van het hier gegevene in verband met de pi symbologie vestig ik in de eerste plaats de aandacht op het laatste gedeelte van het boven aangehaalde. De woorden zonnemythe en het feit, dat het verhaal van het bouwen van Salomo's Tempel eene allegorie is, zou ik zóó willen verklaren, dat hier door tempel bedoeld wordt het lichaam van den Zonnelogos in zijn uitgebreidsten zin, dus in en met zijn aura, den Zodiak, diagrammatisch voorgesteld in zijn openbaring als de cirkel met de middellijn [cirkel met horizontale balk].

Deze openbaring in haar getalwaarde op dit stoffelijk gebied voor te stellen kan niet anders geschieden dan door een formule en deze formule of verhouding zou dan mijns inziens pi zijn. Want indien wij een bouwwerk hebben waarin wij deze waarde belichamen bij de samenstelling, hebben wij den zich openbarenden Logos symbolisch weergegeven. En evenzeer als wij weten, dat pi eene oneindig voortloopende breuk is, die zich nimmer volkomen doch alleen bij benadering uit kan drukken, zoo weten wij ook dat de Logos zich nimmer geheel kan uitdrukken in de stof, aangezien er steeds in die openbaring eene verhouding van stof tot geest moet blijven bestaan, hoe klein of hoe groot die verhouding ook zij. Ook hier gaat de symbologie dus op. [53]

In hoeverre deze pi verhouding nu te maken heeft met den cyclus van Inwijding is ook eenigermate na te gaan. De ontwikkeling van den Logos in zijn stelsel wordt symbolisch voorgesteld door Zijn doorloopen van den Dierenriem, zijnde de groote stroom van ontwikkeling gaande door de 12 teekens van Zijn geheel. Dit is exoterisch. Esoterisch bestaat er eene ontwikkeling die sneller tot hetzelfde resultaat leidt, nl. het terugkeeren naar het uitgangspunt na het doorloopen van 6 teekens. De Evolutie loopt dan langs de middellijn als het ware. De verhouding van de ontwikkelingsphasen van iemand die dezen weg betreedt tot die van hen die de gewone evolutie volgen is die, welke symbolisch zich verhoudt als de middellijn tot den omtrek of als één tot pi. Evenals de Logos in zich bevat deze pi waarde, zoo bevat ook de mensch op het Pad van Inwijding deze waarde in zich.

Skinner geeft als formule deze 113 : 355 = 6561 : 20612, zijnde eene symbolische getallenvoorstelling van de verhouding van den mensch op het kruis (113 : 355) tot de geopenbaarde Godheid Jehovah, Elohim.

Verder wensch ik hier echter op dit punt niet in te gaan daar deze waarheden alleen _gevoeld_ en nimmer _verstandelijk uitgedacht_ kunnen worden en dus nimmer kunnen worden gegeven van intellect tot intellect, maar alleen begrepen door verdere uitwerking in onszelf.

Voldoende zal men echter inzien, dat de zoogenaamde "pi symbologie" en "de oorsprong der maten" een diepere beteekenis hebben dan Piazzi Smyth er aan wenscht toe te kennen. Hoe belachelijk ver hij ging met zijne theorie, blijkt ons wanneer wij lezen, dat "de porfiersarcofaag in de Koningskamer" _de eenheid van maat_ was voor de twee meest verlichte volkeren op aarde, Engeland en Amerika, en niets meer dan een "korenmaat".

H. P. Blavatsky merkt met betrekking tot deze uiting van Smyth op:

"In _Isis Unveiled_, dat juist in dien tijd verscheen, hebben wij dat krachtig ontkend. Toen liep de New-Yorksche pers (in het bijzonder de nieuwsbladen _The Sun_ en _The World_) te wapen tegen onze aanmatiging om zulk een ster van geleerdheid te willen verbeteren of fouten bij hem te ontdekken. In dat werk hadden wij gezegd dat Herodotus bij het bespreken van de Pyramide:.... er wel had kunnen bijvoegen dat zij uiterlijk _het scheppende beginsel der natuur_ verzinnebeeldde, en ook eene afbeelding was van de _beginselen der meetkunde, wiskunde, astrologie en sterrekunde_. Van binnen was zij een majestueus heiligdom, in welks duistere schuilplaatsen de mysteriën volbracht werden, en welks muren dikwijls getuigen geweest waren van tooneelen van inwijding van leden der koninklijke familie. De porfieren sarcophaag, welke Professor Piazzi Smyth, Astronomer Royal of Scotland, tot een graanbak verlaagt, was de _doopvont_; na daaruit te zijn gestegen was de neofiet 'wedergeboren en werd hij een adept [54].'

Om onze mededeeling werd in die dagen gelachen. Men beschuldigde ons onze denkbeelden ontleend te hebben aan de 'zotte denkbeelden' van Shaw, een Engelsch schrijver, die volgehouden had dat de sarcophaag gebruikt was bij het vieren der mysteriën van Osiris, hoewel wij nooit van dien schrijver gehoord hadden. En thans, zes of zeven jaren later (1882), schrijft Staniland Wake het volgende:

'De zoogenaamde koningskamer.... was waarschijnlijk _de plaats waar de in te wijden persoon toegelaten werd nadat hij door de enge opwaartsche gang en de groote galerij met haar laag eindgedeelte was gegaan, hetgeen hem gaandeweg voorbereidde voor het slotbedrijf der Heilige Mysteriën_' [55].

Ware Staniland Wake een Theosoof geweest, dan had hij er wellicht aan toegevoegd, dat de enge opwaartsche gang, die naar de Koningskamer leidt, inderdaad een 'enge poort' had; dezelfde 'enge poort' die 'tot het leven leidt', of tot de nieuwe geestelijke wedergeboorte, waarop Jezus in Mattheus VII : 13 zinspeelt, en dat het aan deze poort van den Tempel van Inwijding was, dat de schrijver dacht, die de woorden opgeteekend heeft, welke naar beweerd wordt door een Ingewijde gesproken zijn". [56]

Wij zijn eenigermate afgedwaald van ons eigenlijk punt, nl. de symbologie der Pyramide, doch deze hangt zoo nauw met dit alles samen dat ik niet in staat ben ze te scheiden, en ik zal thans van dit gedeelte van het onderwerp afstappen om enkele andere theorieën te behandelen.

HOOFDSTUK VII.

NOG ENKELE THEORIEËN OVER DE BESTEMMING EN SYMBOLIEK DER GROOTE PYRAMIDE.

Meer nog dan met eenigerlei andere wetenschappen, is de Groote Pyramide in verband gebracht met de sterrekunde. Niet alleen dat velen beweerden dat zij een sterrekundig observatorium was, maar bovenal dat vele der bekende waarheden uit deze wetenschap symbolisch in haar bouw belichaamd waren, waaruit dan tevens blijken zou dat de Egyptenaren van dien tijd reeds bekend waren met verscheidene astronomische gegevens, die op betrekkelijk jongen datum heeten ontdekt te zijn. Reeds sedert lang werd door enkele schrijvers over dit onderwerp beweerd dat de Groote Pyramide zou gebouwd zijn met het doel de sterren te observeeren, en enkele schrijvers zeggen dat het juist om deze reden was, dat de Pyramide een platform op den top had, waar de sterren-waarnemende priesters hunne instrumenten konden plaatsen; verder wordt beweerd dat de benedenwaarts leidende gang der Groote Pyramide dienst deed als meridiaan-teleskoop. Vandaar de nauwgezette oriëntatie der Pyramide. Afgescheiden van alle mogelijke andere bezwaren, welke wij zullen nagaan wanneer wij den voornaamsten hedendaagschen voorstander van deze theorie, Rich. Proctor, over dit onderwerp zullen aanhalen, zien wij al dadelijk enkele bezwaren die ons aan de waarheid van deze theorie doen twijfelen. In de eerste plaats dan is het onmogelijk geweest om ooit op dit platform te komen wanneer wij aannemen wat ons gezegd wordt, dat het uitwendige der Pyramide geheel met gepolijst marmer bedekt was; en in de tweede plaats is het zeker dat de ingang van de benedenwaartsche gang afgesloten was. Alleen wanneer wij vooropstellen dat dit niet zoo was (en er is meer reden om het tegendeel aan te nemen) kunnen wij de mogelijkheid der theorie erkennen. Maar dan nog rest de vraag waarom er juist een Pyramide en niet een gewone toren werd gebouwd.

Zien wij thans wat Rich. Proctor zegt met betrekking tot deze theorie. In de eerste plaats erkent hij, dat Piazzi Smyth en anderen met recht beweren dat zekere sterrekundige waarheden in het bouwwerk belichaamd zijn; "maar dat zijn _louter_ toevallige overeenkomstigheden". Wij zeiden echter reeds vroeger bij dit bouwwerk niet te kunnen gelooven aan toevalligheden.

Hoe verklaart Proctor dan zelf de sterrekundige kenmerkende eigenaardigheden van bouw en samenstelling der Groote Pyramide? Hij zegt [57] dat aan alle Egyptische Pyramiden het een of ander sterrekundig plan ten grondslag ligt en dat zulk een plan bij de Groote Pyramide met bijzondere nauwgezetheid uitgevoerd werd, welke er op duidt dat het een vereischte was het bouwwerk zelf en eveneens de onderdeelen in een bepaalden astronomischen stand te plaatsen, en wel voornamelijk om deze reden, dat de Pyramide "bedoeld was dienst te doen als een sterrekundig observatorium". Deze bedoeling vooropstellende is het duidelijk dat de bouwers de gangen van het bouwwerk benutten om den juisten stand en de plaats van elk deel van het geheel te bepalen. De benedenwaarts leidende gang werd gericht naar de Poolster. Nadat deze benedenwaarts leidende gang het noordelijk zijvlak bereikt had werd het bij het bouwen van de opwaarts leidende gang (zie de teekening van het inwendige) noodzakelijk op eene andere wijze de Poolster te observeeren. Dit werd tot stand gebracht door de nieuwe gang te bouwen in zoodanige richting, dat de lichtstralen van de Poolster hierin opwaarts vielen, na weerkaatst te zijn op een horizontale oppervlakte. Om deze weerkaatsende horizontale oppervlakte te verkrijgen werd de benedenwaarts leidende gang afgesloten aan het ondereinde, en daarna gedeeltelijk gevuld met water, op welks stilstaande oppervlakte de stralen van de Poolster weerkaatst werden. De bouwers werkten dus met betrekking tot het meridiaanvlak.

De Groote Galerij is volgens Proctor echter het stelligste bewijs van den astronomischen aard van de bedoeling der bouwers. Deze Groote Galerij toont door hare dubbele geaardheid aan dat zij bedoeld was voor sterrenkundige waarnemingen. Hare muren als geheel zijn hellend, maar elk deel er van is volstrekt vertikaal, zooals ook het geval moet zijn voor nauwkeurige waarnemingen. Om deze waarnemingen mogelijk te maken, zijn in de galerij aan weerszijden steenen, hellende, verhoogde banken aangebracht, waarin op gelijke afstanden gaten zijn om verplaatsbare zetels te plaatsen. Aan het boveneinde der galerij zou de zoogenaamde Voorkamer de plaats geweest zijn waar de tijdopnemer zat. Proctor is verder ten zeerste overtuigd van het nut dat getrokken kan worden uit deze wijze van waarnemen. Hij zegt o.a.:

"Indien een teleskopist van onzen tijd een plan zou willen vormen voor eene methode om de declinatie en rechte klimming van sterren te bepalen (bijvoorbeeld met het doel om een betrouwbaren sterrencatalogus op te stellen) zonder een teleskoop te gebruiken, zou hij door zulk een waarnemingsplaats te gebruiken als de Groote Galerij, spoedig zien hoeveel daar gedaan kan worden voor zooverre het equatoriale en zodiakale sterren betreft; en deze zijn de meest belangrijke, zelfs nu, en waren dit te meer in de dagen toen men veronderstelde dat de sterren in hun loop het lot van menschen en volkeren regelden." [58]

Deze redeneering van Proctor nu is zeer zeker op zichzelf beschouwd heel fraai, maar weinigen zijn er door overtuigd geworden dat de Groote Pyramide niets dan een sterrenkundig observatorium was. Enkelen erkennen de waarde der aangevoerde bewijsgronden voor het doel, doch slechts als bijkomstig. Proctor zelf doet dit echter ook, want een graf blijft de Koningskamer toch. Blijkbaar is hij bang zijn wetenschappelijken naam afbreuk te doen door een wetenschappelijk gehandhaafde theorie niet als van zelf sprekend aan te nemen; wenscht echter toch een eigen theorie en lapt er de observatoriumtheorie aan vast. Hij ziet echter daarna zelf in dat deze niet geheel en al opgaat, en zegt dan dat de bouwer niet alleen wetenschappelijke bedoelingen had, maar zelfs eene die boven het gebruik als graf staat! Dit doel kan men begrijpen wanneer men het feit erkent dat "de sterrenkunde uit den tijd van Khufu uiteraard astrologie was, en dat de astrologie een belangrijk deel van den godsdienst vormde". Zijn eindconclusie is dan dat de Groote Pyramide als astrologisch bouwwerk een reuzenhoroskoop in steen van Cheops is. "Aangenomen een volstrekt geloof in astrologie (en wij weten dat er zulk een geloof bestond), was het de moeite waard zelfs een zoodanig gebouw als de Groote Pyramide op te trekken".

Ik meen dat er, zooals ik reeds zeide, weinigen zijn die Proctor's theorie ernstig opvatten en wij zullen dan ook niet in bijzonderheden er van afdalen, doch liever nagaan welke astronomische gegevens in het bouwwerk symbolisch vervat zijn. Sommige er van zal ik hier alleen _vermelden_, slechts enkele _verklaren_, daar de meeste te technisch zijn om hier aan den algemeenen lezer uiteengezet te worden.

Voor hen die belangstellen in dit gedeelte van het onderwerp is het raadzaam daarover Dufeu, Piazzi Smyth en J. Wilson na te lezen. Vooral de laatste heeft dit punt, het verband tusschen de maten aan de Pyramide en het zonnestelsel, uitvoerig uitgewerkt in zijn boek _The Solar System of the Ancients_. De groote moeilijkheid echter blijft in de quaestie welke maat men gebruikt heeft, daar de meeningen over de gebruikte elle- en duimmaat nogal uiteenloopen.

Na veel geschrijf over de maten-quaestie, hetgeen een geheele bibliotheek vormt, is er echter op dit punt overeenstemming gekomen en zien wij thans enkele der eigenaardige kenmerken vastgesteld.

De Pyramide dan symboliseert haar _breedtegraad_ (Wild, P. Smyth), haar _ouderdom_ (P. Smyth, Casey, Dufeu), den _omtrek der aarde_ (J. Wilson, P. Smyth, J. Taylor), den _vorm der aarde_ (P. Smyth, Dufeu), de _dichtheid der aarde_ (P. Smyth, Petrie), den _afstand van aarde en zon_ (P. Smyth, Petrie), de _dagen van het jaar_ (Smyth, Tracey, Petrie, Yeates, Adams), de _Wet der zwaartekracht_ (J. Wilson), _afstand tot zon en maan_ (J. Wilson), de _planetenafstanden_ (J. Wilson), de _praecessie der equinoxen_ (Casey, Wilson, P. Smyth.) Tal van andere astronomische en natuurkundige gegevens blijken volgens enkele dezer schrijvers in het bouwwerk belichaamd, doch deze zijn wel de voornaamste.

Om den lezer thans een denkbeeld te geven hoe deze astronomische waarden en verhoudingen in de pyramide-afmetingen belichaamd zijn, zullen wij enkele dezer symbologieën nagaan en trachten duidelijk te maken.

In de eerste plaats dienen wij dan na te gaan de redenen welke er bestaan kunnen hebben voor het feit dat de bouwers deze astronomische waarden in het bouwwerk belichaamden. Zooals wij reeds zagen is de meest voor de hand liggende exoterische reden die, welke van de Groote Pyramide een sterrekundig observatorium en astrologisch gedenkteeken maakt; vervolgens komt die reden in aanmerking, welke o.a. Taylor en Smith aanvoeren, namelijk dat de door God bezielde bouwers het menschengeslacht een grondslag van maten wilden geven en dezen grondslag natuurlijk in verband brachten met heelalsche maten wegens den goddelijken oorsprong van het denkbeeld van den bouw. Deze redenen kunnen natuurlijk dienen als logisch voor hen die het eens zijn met de theorieën der genoemde schrijvers, maar wanneer men een voorstander is van de theorie, dat de Groote Pyramide een tempel, een plaats van godsdienstige ceremoniën, een "berg van Inwijding" is geweest, welke reden kunnen wij dan aanvoeren voor het feit dat wij deze astronomische waarden in het bouwwerk belichaamd vinden? In de eerste plaats kan voor den spoedig bevredigden onderzoeker het antwoord dienen dat Proctor ons pasklaar geeft n.l. "dat de godsdienst der Egyptenaren grootendeels gegrond was op astronomische stellingen" en dat dit dus evenzeer het geval moet geweest zijn met hunne godsdienstige mysteriën. Doch voor hen, die met deze oppervlakkige reden niet geheel voldaan zijn met betrekking tot hun voorstaan van de inwijdingstempeltheorie, als ik het zoo noemen mag, zou ik gaarne de volgende redenen willen aanvoeren.

De groote Pyramide beschouwende als een tempel van inwijding, zie ik in haar beslist den _eersten maçonnieken tempel_, waarvan wij kennis dragen sinds het bestaan der maçonnieke orde, en schaar ik mij dus in dezen aan de zijde der broeders, welke erkennen dat de vrijmetselarij haar oorsprong vindt in de Egyptische mysteriën en niet in de bouwgilden der middeleeuwen. Voor ieder maçon nu is de Tempel (of moet hij dit zijn) ons zonnestelsel, het lichaam van den Logos van dit stelsel. Dit in verband met hetgeen wij reeds zeiden omtrent de Groote Pyramide leidt ons tot de volgende gevolgtrekking. De stoffelijke _Tempel_ op deze aarde moest in haar bouw alle waarden en vormen, welke in den waren _Tempel_ (het lichaam van den Logos, ons zonnestelsel) gevonden werden, weergeven om symbolisch--en wij weten dat de maçonnerie niets is dan een wijsbegeerte, gehuld in een gewaad van _symbolen_, om degenen wier ontwikkeling langs de ritueele lijn ligt, te leiden in hunne evolutie--deze waarheden en begrippen uit te drukken.

Hetgeen wij reeds zeiden omtrent de pi-symbologie, en dat steunt op wat H. P. Blavatsky zegt in de noot op blz. 468 van de _Geheime Leer_, Deel I, met betrekking tot deze pi-waarde, komt geheel (mijns inziens) met deze denkwijze overeen.