Chapter 6
En hij vulde de Pyramiden met talismans, en met vreemde dingen, rijkdommen en schatten en dergelijke. Hij graveerde alle dingen er in, die hem door wijze menschen verteld waren en evenzoo alle diepgaande wetenschappen. De namen van alakakirs, de gebruiken en gevaren er van, de wetenschappen van astrologie en wiskunde, van geometrie en natuurkunde, alle deze kunnen weergegeven worden door hen, die de karakters en taal kennen.--Nadat hij bevelen gegeven had voor dit gebouw, sneden zij groote kolommen en wonderlijke steenen uit. Zij haalden machtige steenen van de Ethiopiërs en maakten daarvan de grondslagen van de drie Pyramiden, terwijl zij ze samenvoegden met lood en ijzer. Zij bouwden de poorten er van 40 ellen onder den grond en maakten de hoogte der Pyramiden 100 koningsellen = 500 van onze ellen. Bij den aanvang van dezen bouw was een gelukkige horoskoop. Nadat hij ze geëindigd had bedekte hij ze van boven tot beneden met gekleurd satijn (marmer) en deed een plechtig feest plaats vinden, waar alle inwoners van het rijk bij tegenwoordig waren. Toen bouwde hij in de westelijke Pyramide 30 schatkamers, gevuld met rijkdommen en werktuigen, en met handteekeningen gemaakt uit edelsteenen en met ijzeren werktuigen en aarden vaten en met een _mes_ dat niet verteert en met glas dat gebogen en niet gebroken kan worden, en met vreemde betooveringen en met verscheidene soorten alakakirs, enkele en dubbele, en met doodelijke vergiften en vele andere dingen. Hij maakte ook in de oostelijke Pyramide hemelsche Sferen en sterren, en hunne verscheidene aspekten en werkingen en geuren die daarbij gebruikt worden en de boeken die over deze zaken handelen.
Hij plaatste ook in de gekleurde pyramide (de derde) de verklaringen van de priesters in marmeren blokken en bij elken priester een boek, waarin de wonderen van zijn ambt en van zijne daden en zijne geaardheid en wat in zijn tijd gedaan werd en wat is en wat zijn zal van het begin tot het einde van tijd. Hij plaatste in elke Pyramide een schatbewaarder. De schatbewaarder van de westelijke Pyramide was een standbeeld van marnier, dat rechtop stond met een lans en op zijn hoofd kronkelde een slang. Hij die er nabij kwam en stil stond, dien beet de slang in de zijde, en kronkelde zich om zijn keel en doodde hem en keerde daarna naar hare plaats terug.
Tot schatbewaarder van de oostelijke Pyramide maakte hij een afgod van zwart agaat met open en schijnende oogen, die met een lans op een troon zat. Wanneer iemand naar dezen opzag, hoorde hij een stem aan zijne zijde, die zijne zinnen wegnam, zoodat hij bewusteloos op zijn gelaat viel en niet ophield totdat hij stierf. Tot schatbewaarder van de gekleurde Pyramide maakte hij een standbeeld genaamd Albut, zittende. Hij die naar dit beeld zag, werd er naar toegetrokken tot hij er tegen aankleefde en kon er niet van afgehaald worden voor en aleer hij stierf."
Saurid schreef op de Groote Pyramide:
"Ik liet deze Pyramide opbouwen in zes jaren. Afbreken is gemakkelijker dan opbouwen. Wie deze Pyramiden in zeshonderd jaren afbreekt is knapper en waardiger dan ik en gereed mijne plaats in te nemen".
HOOFDSTUK VI.
OVER DE BESTEMMING DER PYRAMIDE II.
Wij zullen er thans toe overgaan enkele van de meer belangrijke en tevens meer bekende theorieën met betrekking tot de bestemming der Groote Pyramide te beschouwen, en zullen dan bij het kiezen van die theorieën zoodanige nemen, welke rechtstreeks tot onze eigene leiden zullen.
In de eerste plaats dan komt de theorie van Piazzi Smyth, die zijne denkbeelden en opvattingen uiteengezet heeft in zijne bekende werken _Three years labour at the Great Pyramid, Our Inheritance in the Great Pyramid_ en _New Measures of the Great Pyramid_. Zeker heeft niemand meer dan Piazzi Smyth er toe bijgedragen om de Groote Pyramide populair te maken en stellig is er nooit zooveel over dit onderwerp geschreven en gesproken als sinds hij zijne beschouwingen uiteenzette. Deze laatste waren eigenlijk geen oorspronkelijke, want reeds in 1859 had John Taylor in zijn werk _The Great Pyramid, Why was it built? Who built it?_ dezelfde meeningen en opvattingen te berde gebracht en verdedigd. John Taylor had de Pyramiden nooit bezocht en had tot vorming en staving zijner theorie de gegevens ontleend aan de geschriften van vroegere bezoekers als John Greaves, De Monconys, Thévenat, Davison, Howard Vyse, Caviglia enz. Zijn 30-jarige studie vond geene belooning in groote populariteit van het resultaat dat wij opgeteekend vinden in vermeld werk, en eerst in latere jaren trok het meer de aandacht. Piazzi Smyth, die het gelezen had en er zoodanig door getroffen werd dat hij overtuigd was van de waarheid der daarin vervatte meeningen, oordeelde het van groot nut zich persoonlijk ter plaatse er van te overtuigen en John Taylor's meeningen te verdedigen en te bevestigen, en gaf hierdoor eene algemeene bekendheid aan het werk, doch dit was eerst in 1864. In de jaren 1864-1880 verschenen 5 uitgaven van Piazzi Smyth's werk _Our Inheritance in the Great Pyramid_, zeker wel een bewijs voor de populariteit van het onderwerp. In latere jaren zijn de theorieën van Taylor en Piazzi Smyth uitvoerig uitgewerkt door Professor Ch. Lagrange, wis- en sterrekundige, directeur van de sterrenwacht te Brussel. Zie o.a. _Mathématique de l'Histoire_, par Ch. Lagrange.
Wat dan is eigenlijk de meening van deze schrijvers over de bestemming der Groote Pyramide? Dit zullen wij thans trachten weer te geven zonder ons te veel in de bijzonderheden hunner theorieën te verdiepen, daar alleen een breede opvatting van hunne hoofddenkbeelden waarde voor ons kan hebben.
Het zal verder geheel voldoende zijn na te gaan wat Piazzi Smyth schrijft, daar hij in zijn werken alles vermeldt wat John Taylor in zijn werk opteekende en dit bovendien zeer uitvoerig uitwerkt en geheel op wetenschappelijke leest schoeit, zoodat de lezer van zijn werken volkomen op de hoogte kan zijn van hetgeen Taylor wilde aantoonen. Taylor had over zijne theorie eene briefwisseling met Piazzi Smyth en om aan te toonen wat hun gemeenschappelijke theorie was, kan ik niet beter doen dan het volgende aan te halen uit Smyth's werk:
"Dit nieuwe denkbeeld, hetwelk met een tot nu toe onbekende zekerheid het grootste bestaande mysterie voor de beschaafde wereld door alle tijden heen oplost, heeft genoemde wereld te danken aan John Taylor in een boek, dat uitgegeven is in 1859 en getiteld "_The Great Pyramid; why was it built? and who built it?_" Hij had de Pyramide zelf niet bezocht, maar had dertig jaren daaraan voorafgaande al de uitgegeven verslagen verzameld en vergeleken en voornamelijk al de best vastgestelde metingen (want er waren enkele inderdaad zeer slecht) die gedaan waren; en terwijl hij aldus bezig was, opende de nieuwe theorie zich op het onverwachtst (zooals hij mij in een brief schreef) voor hem.
Hoewel hoofdzakelijk een strenge afleiding van tastbare feiten van wetenschappelijken aard, werd Taylor's gevolgtrekking ongetwijfeld gesteund door het verstandelijk en geestelijk gezichtspunt, van waaruit hij zijne onderzoekingen begon, en hetwelk in hoofdzaak eenvoudig dit is:
Dat, terwijl andere schrijvers algemeen gedacht hebben dat een zeker grootsch doch onbekend wezen, waarvan zij allen in hun geschiedkundig onderzoek het bestaan erkennen, het bouwen van de Groote Pyramide leidde (en wien de Egyptenaren in hunne vroegste overleveringen en eeuwen later een onzedelijke en zelfs afschuwelijke geaardheid toedichten), daarom inderdaad zeer slecht moet geweest zijn,--zoodat de wereld van dien tijd af tot op heden er steeds belust op is geweest dien dooden leeuw waarvan zij werkelijk niets afweten, te beleedigen en te vertrappen--hij, John Taylor, daar hij in iedere kenmerkende vermelding die van hen in den _Bijbel_ gedaan werd, zag hoe godsdienstig slecht de afgoden-uitvindende Egyptenaren zelf waren, er toe geleid werd te besluiten dat de onbekende leider en Bouwmeester dien zij haatten, misschien buitengemeen _goed_ was geweest; of in ieder geval van een _zuiverder godsdienstig geloof was_ dan dat van de Misraïtische zonen van Ham. [46]
Hierop verder ingaande komen beide schrijvers tot de gevolgtrekking dat de leiders van de bouwlieden vreemdelingen waren uit een _uitverkoren_ volk, menschen die door goddelijke genade in staat waren gesteld het denkbeeld weer te geven, dat de Groote Pyramide bestemd was uit te drukken, want dit is juist de kern van hunne theorie n.l. dat de Pyramide bestemd was zekere goddelijke denkbeelden uit te drukken in haar bouw en afmetingen welk kerndenkbeeld saamgevat wordt in hunne zienswijze: de Groote Pyramide te beschouwen als _een grondslag der maten_.
Met betrekking tot dit punt schreef Piazzi Smyth:
"Op dit algemeene standpunt plaatste Taylor zich; en na met de langgevormde publieke meening van te lijdelijke gehoorzaamheid aan de profane Egyptische overlevering gebroken te hebben en daarbij tevens enkele van de door den tijd geëerde vooroordeelen van hedendaagsche Egyptische geleerden niet in aanmerking nemende, zoodat hij een volledig en onpartijdig onderzoek van den beginne af aan gaf, kondigde hij aan dat hij in enkele der rangschikkingen en afmetingen van de Groote Pyramide--wanneer zij naar behooren verbeterd waren wegens verminderingen en afbrekingen door den verloopen tijd--zekere wetenschappelijke gevolgtrekkingen vond, welke van Egyptische noch Babylonische, en minder nog van Grieksche of Romeinsche kennis spraken, maar van iets dat hooger was dan deze, zoowel als geheel verschillend van de menschelijke methoden van de wetenschappelijke stelsels zijner tijdgenooten". [47]
Want
".....de werkelijke feiten van de Groote Pyramide,--in den vorm van gebouwde bewijzen van een nauwkeurige numerieke kennis van het grootschere kosmische verschijnsel van zoowel aarde als hemel--gaan de uiterst beperkte en nagenoeg kinderlijke kennis, die menschelijkerwijs bereikt werd door de beschaafde rassen van 4000, 3000, 2000 of zelfs 300 jaren geleden niet alleen te boven, en ver te boven, maar zij gaan in zooverre zij van toepassing zijn op de groote physische natuurgeheimen, de beste kennis der wijsgeeren van onzen eigen tijd even zoo goed te boven".
Dit alles kunnen wij zeer zeker geheel eens zijn met Piazzi Smyth, en al rust onze beschouwing op andere gronden, zoo is het resultaat er van hetzelfde. Waar hij als bouwers aanneemt door God bezielde hoogstaande wezens van een ras dat in niets overeenstemming had met de toenmalige Egyptenaren, nemen wij aan, overeenkomstig hetgeen wij reeds vermeldden in den aanvang dezer verhandeling, dat Adepten uit Atlantis onder leiding van eene manifestatie van den Logos de bouwlieden leidden. En dan zien wij alleen verschil in terminologie en opvatting van begrippen, geen verschil in kern.
En waar beide theorieën in dezen (namelijk de goddelijkheid van de bouwers) overeenstemmen, kan het ons ook niet verwonderen dat beide de graftheorie verre verwerpen en in de eerste plaats niet alleen bevinden en erkennen dat groote natuurgeheimen en groote waarheden symbolisch belichaamd zijn in dit bouwwerk, maar tevens dat een dergelijk bouwwerk om een dieper reden tot stand kwam dan louter om als graf van een Pharaoh te dienen. Ook is er geen verschil met betrekking tot het punt dat de Groote Pyramide zich in dezen onderscheidt van de latere Egyptische Pyramiden.
Maar wel is er een groot verschil tusschen de theorie van P. Smyth en de Theosofische, waar het er op aankomt het doel en de bestemming er van te bepalen. Want waar de Theosofische theorie, zooals ik reeds aanduidde, de Groote Pyramide als een tempel voor hooge inwijdingen beschouwt, maakt P. Smyth haar tot een grondslag der maten en een sleutel tot de geschiedenis der menschheid--verleden, heden en toekomstig--in verband met het Oude en Nieuwe Testament. Bijdoeleinden worden ook hier dus weer tot hoofddoeleinden verheven. In de laatste kwaliteit noemt hij de Groote Pyramide een datum-lijst van de menschelijke (Christelijke) geschiedenis, van welke datum-lijst Flinders Petrie opmerkt, dat geen enkele datum deugt.
Doch hoe dit laatste ook zij, het kan ons van geen belang zijn, daar het eene dogmatische en onkritische uitwerking is van de gegevens die hij in het overige deel van zijn werken geeft. Wij kunnen echter in ieder geval niet dan dankbaar zijn voor de massa's materiaal die ons daar geboden worden om iets van de symboliek van het gebouw te begrijpen, en om die reden raad ik elk ernstig bestudeerder van dit onderwerp aan het werk te bestudeeren, daar niets er meer toe kan bijdragen de Groote Pyramide te leeren beschouwen als een grootsch bouwwerk.
Het gaat natuurlijk niet aan, hier ter plaatse Piazzi Smyth's beschouwingen in haar geheel te overwegen, doch ik wil mij er toe bepalen enkele der meest belangwekkende feiten aan te halen die hij met betrekking tot de symboliek aan het licht heeft gebracht. Echter verzoek ik mijn lezers te bedenken dat al deze feiten ten zeerste bestreden werden door Egyptologen en wel voornamelijk op grond hiervan: dat nl. Piazzi Smyth eerst zijn theorie opvatte, overnam van Taylor, en later opmetingen en beschouwingen hieraan aanpaste. Op deze beschuldiging antwoordde hij weder, in een kleiner, later verschenen werkje, waarin hij betoogde dat zeer nauwgezette en wetenschappelijke opmetingen van anderen de zijne staafden.
Dat het mogelijk is over _afmetingen_ zulk een onderlinge oneenigheid te vinden, is natuurlijk alleen te begrijpen wanneer wij weten dat feitelijk geen enkele afmeting ongeschonden bewaard is gebleven, en dat verder alle opmetingen met de grootste moeite gepaard gaan wegens de belemmerende puinhoopen, zandmassa's en dergelijke. Echter heeft noch het lezen van de werken van Smyth, noch ook van die welke er tegen geschreven waren, mij kunnen bevredigen, wat aangaat hunne werkelijke gronden van waarheid.
Hoewel er onder de werken van de Pyramide geen enkel werk is dat zoozeer de symboliek van het bouwwerk tracht aan te toonen als dat van Piazzi Smyth, en ik in den eersten tijd van de bestudeering van dit onderwerp geheel medegesleept werd door de overtuigende bewijsvoering dat deze verklaring der symbolische woorden de ware was, kan men op de exoterische bewijsgronden die hij aanvoert niet tot de conclusiën komen, die hij trekt. Doch ik twijfel niet of vele zijner conclusiën bevatten waarheid; men kan echter tot deze alleen komen door esoterische redeneering, niet door exoterisch wetenschappelijke bewijsvoering, en hoewel aan Piazzi Smyth's theorieën groote afbreuk gedaan is door latere, zeer nauwkeurige opmetingen o.a. van Flinders Petrie, heeft deze laatste in een later werk veel van Smyth's theorie aanvaard o.a. de pi-hoek-theorie.
Een der stellingen echter van Taylor, door P. Smyth herhaald, is op esoterische gronden evenzeer verdedigbaar als hij ze tracht aan te toonen door exoterisch wetenschappelijke bewijsvoering; ik bedoel de stelling dat de Groote Pyramide in haar bouw de waarde pi symbolisch zou voorstellen. En deze stelling is met betrekking tot de symboliek van de Groote Pyramide van zulk een typische waarde dat ik mij even bepalen zal bij dit punt, teneinde het uitvoeriger te kunnen behandelen dan het geval zou kunnen zijn indien ik in de bijzonderheden der symboliek van het bouwwerk, zooals Smyth die uitwerkt, verviel. Ook kan alleen deze stelling waarde hebben voor ons doel, en dan nog als wij haar gaan beschouwen van een esoterisch standpunt. Want hoe bekrompen vat Smyth ook deze stelling op!
Hij dan ziet in deze symboliseering van de pi waarde niets dan een praktische oplossing van de beruchte quadratuur van den cirkel, die nachtmerrie van alle degelijk denkende wiskundigen, en beroept zich in zijne argumentatie meestal op de stellingen van John Parker, een Amerikaan, die beweerde een oplossing daarvan gevonden te hebben. Hetgeen Piazzi Smyth zegt is het volgende:
De vertikale hoogte van de Groote Pyramide is de straal van een theoretischen cirkel, van welks omtrek de lengte gelijk is aan de som van de lengten der vier rechte zijden van de feitelijke basis van het geheele bouwwerk, en dit nu is niets meer of minder dan een praktische oplossing van het beroemde vraagstuk der middeleeuwen en der daaraan volgende tijden nl. de quadratuur van den cirkel. Want de bouwer(s) der Pyramide bepaalden dat de hoogte zich zoodanig moest verhouden tot de breedte der basis, dat deze verhouding de nauwkeurigste praktische waarde van het meergemelde getal pi zou doen uitkomen. Genoemd getal pi is zelfs bij benadering niet te vinden in de dertig andere voornaamste pyramiden in Egypte.
Indien daarom kan bevonden worden dat deze pi met de daardoor teweeggebrachte grootte van hoek werkelijk in de Groote Pyramide is ingebouwd, en daardoor het geheel van het reusachtig beslagen oppervlak kenmerkt, dan onderscheidt het bouwwerk zich niet alleen van alle andere dergelijke bouwwerken, maar toont tevens aan de groote wiskundige kennis van de Bouwer(s). Want het getal pi werd eerst veel later, duizenden jaren later, ontdekt door de wiskundigen der latere tijden en tevens is dat getal een der onmisbaarste getallen in de wiskunde.
Dit getal pi is berekend tot in 707 decimalen, en er worden allerlei benaderingswaarden voor aangegeven, variëerend van 3.23 tot 3.125. Echter kunnen wij voor praktisch gebruik volstaan met de breuk 22/7, met de waarde 3.14159 enz.
John Taylor toonde het bestaan van het ware getal pi in de Groote Pyramide aan, en deed dit voornamelijk door het wijzen op en het gebruiken van de verhouding van de hoogte en basis-breedte, welke echter slechts met moeite te verkrijgen zijn wegens den geschonden staat van het bouwwerk. Het zou duizenden werklieden vereischen, om de massa vuil en puin op te ruimen, die de juiste opmetingen belemmeren, en dus zien wij wel in, dat een of meer geleerden of een paar daar weinig toe kunnen doen.
Het is dus beter, willen wij veel moeite en onnauwkeurigheid voorkomen, om dit vraagstuk, dat louter den vorm betreft, meer dan de absolute grootte, op te lossen door het meten van den rijzingshoek, welke dus geheel en al onafhankelijk is van lengte-metingen. De hoek van een pi-vormige, vierhoekige pyramide moet, om de zijden aan het toppunt ineen te doen loopen, zijn 51° 51' 14''.3.
Dit nu bleek de juiste waarde te zijn van den gemetselden hoek, tenminste wat praktische waarde aangaat, aangezien een gemetselde hoek niet den graad van juistheid zou kunnen geven van een geteekenden of theoretischen hoek.
Kolonel Howard Vyse had in 1837 aan de noordzijde twee van de buitenste laagsteenen (deksteenen) opgegraven, na honderden werklieden het puin te hebben laten opruimen. Hij vroeg toen verlof, ze naar het British Museum te mogen laten vervoeren, en bedekte ze tijdelijk met puin, doch in de daaraanvolgende nachten vernietigden Arabieren deze eenige overblijfselen van de deksteenen met hunne hamers, of wel hij kon ze niet terugvinden. In elk geval heeft hij ze niet meer gezien.
Maar hoewel de latere onderzoekers tot op 1884 dus dezen hoek niet meer konden zien in de steenlagen, zoo bedacht Piazzi Smyth toch, dat onder de verspreid liggende vergruisde deksteenen nog stukken moesten zijn, waarin de pi-hoek bewaard gebleven was, en werkelijk bleek dit het geval te zijn; aan een van de helpers van den professor uit dien tijd werd door dezen het geval van den merkwaardigen hoek uitgelegd en deze man (Gabri genaamd), die later als gids dienst deed bij de Pyramide, deed zeer goede zaken met het verkoopen van "steenen met den hoek" die hij uit het puin bijeenzamelde en aan de bezoekers verkocht.
Toen de keizerin van Frankrijk in 1869 de Pyramide bezocht, werd een weg voor haar aangelegd naar het bouwwerk toe en de grondstoffen voor dezen weg werden uit de Pyramide gebroken. Onder deze uitgebroken blokken bevond zich ook een geschonden deksteen en Waynman Dixon schonk dezen aan prof. Piazzi Smyth, die hem onder een glazen stolp in het officieel verblijf van den Koninklijken Sterrekundige voor Schotland bewaarde. Dit is de eenige bekende overgebleven deksteen. Hij is natuurlijk geschonden, maar de hoek is bevonden te zijn tusschen 51° 53' 15'' en 51° 49' 55'', en komt dus zeer nabij den typischen pi-hoek van 51° 51' 14''.
Geen enkele der deksteenen van de andere pyramiden komt dezen hoek nabij.
Maar nu komt het merkwaardigste. Prof. Flinders Petrie, die de beste der tot dusver bekende opmetingen deed en een groot tegenstander was van Ralston Skinner's en Piazzi Smyth's theorieën, vond op de historisch bekende plaats de deksteenen waarvan gesproken was door Kol. Vyse, en die, naar deze dacht, verwoest waren door de Arabieren. Fl. Petrie nam toen den hoek van rijzing op en bevond dat deze 51° 52' ± 2'' was en kon dus niet meer twijfelen aan de beroemde pi hoekopstelling.
Toen wierpen hij en Proctor de theorie op, dat dit alles te danken is aan _louter toeval_.
Maar hiertegen kan onmiddellijk het volgende worden aangevoerd:
Waren de pyramidebouwers wezens, die zich lieten leiden door _toeval_, wanneer wij de nauwkeurige en fijne afwerking van het geheel beschouwen? Zie wat Fl. Petrie zelf zegt aangaande deze fijnheid en nauwgezetheid van bouw en hoe hij zichzelf tegenspreekt, door alles van dien aard te wijten aan louter toeval.
"Verscheidene opmetingen heb ik gedaan van de voegen der steenen. Deze varieeren van 0.012 tot 0.045 inch in dikte; op sommige plaatsen is de dikte slechts 0.011 inch. De _gemiddelde dikte_ is dus _0.020 inch_. De rand van den steen wijkt van een rechte lijn slechts 0.01 inch af op een lengte van 75 inches. Deze nauwkeurigheid staat gelijk met de gemiddelde nauwkeurigheid van de rechte snijkanten van een glasslijper van dezen tijd. De voegen strekken zich uit over een oppervlakte van 35 vierkante voet, en waren over deze geheele oppervlakte met cement bedekt. De gemiddelde opening der voeg was 1/50 inch en soms zelfs zoo klein als 1/500 inch. En wanneer wij in aanmerking nemen dat de steenen 16 ton wegen, kunnen wij begrijpen, met welk een nauwkeurigheid gewerkt moest worden, om tot zulke resultaten te komen, dat de buitenste laag een glad geheel was." [48] En toch zou dit alles louter toeval zijn! Bedenken wij dan nog dat deze steenen uit prachtig graniet bestonden en alle verdere bouwwerken uit dien tijd en ook de latere pyramiden slechts uit in de zon gebakken kleisteenen, dan zien wij wel in dat deze wijze van bouwen meer dan louter toeval was.
Wij hebben gezien wat Piazzi Smyth zegt over de pi waarde in de Pyramide en tevens welke groote waarde hij daaraan hecht voor zijne verdere redeneering. Ik meen ook te mogen aannemen, dat hij, wat deze stelling betreft, op vrij vaste gronden staat. Maar het gebruik dat hij er van maakt om hierdoor aan te toonen, dat de Pyramide zou moeten dienen als een standaard van maten voor het nageslacht is mij te bekrompen, en dit verwerp ik.
Wat mij in de literatuur over dit punt verbaasde, was dat Ralston Skinner in zijn _Source of Measures_, waar hij toch groote blijken gaf van intuïtief esoterisch weten, een gedeelte van dit werk aan hetzelfde denkbeeld wijdt. En toch was het voor mij zeker, dat de symboliseering van de pi waarde in de pyramide een diepere beteekenis moest hebben. Deze diepere beteekenis nu geeft H. P. Blavatsky ons in de _Geheime Leer_, wanneer wij vasthouden aan de daartoe noodige erkenning van hetgeen zij ons reeds mededeelde omtrent de bouwers en omtrent het doel van het bouwwerk.