De Groote Pyramide

Chapter 5

Chapter 53,450 wordsPublic domain

In de voorgaande hoofdstukken heb ik, zij het ook onvolledig, in hoofdtrekken aangegeven wat ons uit gezaghebbende bronnen bekend is geworden omtrent het tijdstip van den bouw, omtrent de(n) bouwer(s) en de wijze van bouwen; en ik heb slechts hier en daar aangestipt wat deze schrijvers dachten met betrekking tot het doel, voor hetwelk de Pyramide gebouwd zoude zijn. Mijne lezers moeten het voorgaande geheel beschouwen als eene lange inleiding tot de eigenlijke bedoeling van deze verhandeling, namelijk het beschouwen van de bestemming van dit merkwaardige bouwwerk. En hetgeen thans volgt als een algemeen overzicht van de verschillende theorieën over die bestemming, moet eveneens weer beschouwd worden als een overgang tot het nagaan van die theorie, welke voor Theosofen--hetzij krachtens geloof, gezag of overtuiging--de meeste waarde heeft, namelijk die theorie, welke ik aanduidde als de Theosofische en welke men eveneens kan beschouwen als een maçonnieke theorie.

Het zou onmogelijk zijn, alle theorieën die omtrent de vermoedelijke bestemming der Pyramide bestaan, hier ter plaatse volkomen te behandelen; ik moet volstaan met ze kortelijks weer te geven, en zelfs kan ik enkele alleen vermelden, daar ze volstrekt van geen waarde of belang zijn voor ons eigenlijk doel. Een ieder die belang stelt in de eene of andere speciale theorie, kan deze voor zichzelf nagaan in de daarover geschreven werken, en de meeste dezer theorieën zijn zelfs te technisch om in een populaire verhandeling als deze een plaats te vinden. Ik moet dus slechts de minst technische behandelen.

De meest bekende, thans ook meest gezaghebbende theorie is die welke de Groote Pyramide evenals alle pyramiden maakt tot een praalgraf van Egyptische Pharaoh's.

De andere schrijvers laten zich, zooals ik reeds vermeldde, weinig uit over het doel en men kan dus weinig steun bij hen vinden, zoowel voor deze als voor eene andere theorie.

Jomard zegt in zijn verhandeling _Sur les Pyramides d'Egypte_ [41]:

Indien wij in eene bijna volkomen duisternis verkeeren met betrekking tot het tijdstip van den bouw der Pyramide en de namen van hare Bouwers, hangt er een bijna even dichte sluier over de bestemming dezer bouwwerken, en het zou ook niet anders kunnen zijn; want de geschiedschrijvers der oudheid en de Arabische schrijvers hebben niet de middelen gehad om die te kennen, de een zoo min als de ander. Het was natuurlijk dat men deze bouwwerken beschouwde als te behooren tot graven, praalgraven. Dit denkbeeld is in den grond geheel in overeenstemming met _de waarschijnlijkheid en bovenal met die welke een gevolg is van analogie_ [ik cursiveer; v. G.]; omdat het Lybisch gebergte te Memphis niet zooals te Thebe hoogopstaande zijwanden aanbood, die geopend werden voor de graven der koningen, zou men daarom niet getracht hebben daarin te voorzien door bouwwerken? En zou men dan misschien door de reusachtige afmetingen, door de ontzagwekkende moeilijkheden van de onderneming, hebben willen wedijveren met den rijkdom van de koninklijke onderaardsche begraafplaatsen?

Maar met dit gegeven, hoe waarschijnlijk het zij, zou men nooit het werk der Pyramiden verklaren en alles wat een nauwgezet onderzoek er ontdekken moet; en in de eerste plaats het denkbeeld van de keus van den pyramidalen vorm."

En verder:

"Hoe dit zij, indien wij toestemmen, dat het denkbeeld van een pyramide dat van een graf medebrengt, zou men dan gedwongen zijn te besluiten, dat geen enkele andere bedoeling voorgezeten heeft bij de oprichting van deze grootsche bouwwerken? Wij gelooven het niet. Hoe kunnen wij bijvoorbeeld als waar erkennen, dat bij een volk dat zoo godsdienstig was als de Egyptenaren, de godsdienst en zijne mysteriën vreemd waren aan het doel dat men zich stelde bij het oprichten van de Pyramiden? Zou dit aan den anderen kant niet zijn een geheel terzijde stellen van de verklaring, die de diepzinnigste waarnemer der oudheid, Aristoteles, van deze bouwwerken geeft, die ze toeschrijft aan de politiek der vorsten? Ten slotte, wanneer men denkt over de keuze van den vorm die aan de bouwwerken gegeven is, over de afmetingen en het onderling verband der deelen, over de nauwkeurige oriëntatie der zijden, en tal van andere niet minder treffende omstandigheden, kan men dan verzekeren, dat de wetenschappen en wetenschappelijke doeleinden bij hare samenstelling niet hebben voorgezeten? Deze veronderstellingen zouden alle gelijkelijk onaannemelijk zijn. Ik stem toe dat de volmaaktheid van den arbeid en de samenstelling verklaard kunnen worden door den graad van volmaking waartoe de bouwkunde toen gevorderd was, en dat iedere soort openbaar bouwwerk met de grootste aandacht uitgevoerd moest worden; maar hier is een over-overvloed van zorgen, voorzorgen tot in de kleinste bijzonderheden voor de hechtheid, voor het afwerken van het geheel; de architect is geleid door den sterrekundige, en de samensteller door den wiskundige. _Anderen vóór mij hebben er aan getwijfeld, dat de pyramide gebouwd was om als graf te dienen_ [42], maar men heeft ongelijk te ontkennen dat een enkel deel van het gebouw of der nabuurschap deze bestemming ontvangen zou hebben; dit is een onderscheid dat mij belangrijk schijnt vast te stellen."

Uit het hier aangehaalde ziet men dat deze _savant_ niet boudweg beweerde, dat de Pyramide niets dan een graftombe was, en hij gaat zelfs verder, zooals wij later zullen zien. Ik haal dezen schrijver uitvoerig aan, omdat onder de _gezaghebbende_ schrijvers niemand zoo in den breede dit onderwerp bespreekt en op zulk eene wijsgeerige en waarlijk wetenschappelijke wijze. Niet louter beweringen, maar een onder de oogen zien van feiten en een ruimte laten voor de meeningen van andere schrijvers en denkers.

Hij gaat er vervolgens toe over, de schrijvers der oudheid na te gaan met betrekking tot dit deel van het onderwerp: Diodorus, Strabo en Herodotus zinspelen op de Pyramide als een graf (Herodotus echter minder rechtstreeks; hij zegt dat Cheops in de rots waarop de Pyramiden gebouwd zijn verscheidene onderaardsche kamers gedolven had, die bestemd waren als zijn graf te dienen; dit graf was geplaatst op een eiland dat gevormd werd door een kanaal, dat met de rivier in gemeenschap stond); Plinius spreekt niet over de bestemming der Pyramide, en met betrekking tot hetgeen de Arabische geschiedschrijvers mededeelen, zegt hij:

"Het is waar dat verscheidene Arabische schrijvers de groote pyramiden als graven beschouwd hebben; maar zij zijn ongetwijfeld tot die meening gekomen om reden van de kleinere pyramidale bouwwerken in den omtrek, die sarcofagen en gebalsemde lijken bevatten, en die inderdaad niets anders konden zijn dan graven. De vraag was, en is nog, te weten of de bouwers van de Groote Pyramide een ander doel gehad hebben dan er een mummie van een koning te plaatsen: wij zullen weldra elders zien dat de Oostersche schrijvers niet allen van dat gevoelen zijn".

En, verder, na uitgeweid te hebben over het inwendige der Pyramide:

"Er is ongetwijfeld niets onwaarschijnlijks in, te denken dat men in een dergelijk gebouw mysteriën vierde, of dat men misschien inwijdingen volbracht in de onderste zalen, en in het algemeen kultus, ceremoniën en godsdienstige riten....."

Vervolgens gaat hij er toe over verschillende andere theorieën te beschouwen op eene zeer vrijzinnige wijze, theorieën die wij zoo dadelijk eveneens zullen vermelden; en ik kan niet beter doen, om mijn lezers de juiste houding van zijn denken aan te wijzen ten opzichte van de verschillende theorieën, dan zijn slotwoorden met betrekking tot dit deel van het onderwerp aan te halen:

"Wij laten het aan onzen lezer over, na deze laatste verklaringen die te verkiezen, welke hem het waarschijnlijkst lijkt.

Dat moeten wij eveneens doen ten opzichte van de andere vraagstukken die opgeworpen worden over het doel en de bestemming der Pyramiden, voornamelijk over het doeleinde voor hetwelk de Groote Pyramide opgericht werd. Indien het nagenoeg onmogelijk is, dit doel op zekere wijze aan te duiden, zou het volstrekt niet minder moeilijk zijn aan te toonen dat de bestemming van het gebouw louter was om als graf dienst te doen. Het staat aan den lezer, te oordeelen over de waarde der bewijsredenen en der beschouwingen die voor zijn oogen liggen, en ze te vergelijken met feiten en waarnemingen. Hij zal allereerst uit al deze feiten twee gevolgtrekkingen maken; de eerste, dat dit grootsche bouwwerk niet bestemd werd voor een éénig doeleinde; de tweede, dat de afmetingen van de Pyramide evenredige deelen zijn van de grootte van een lengte-graad in Egypte. Uit deze twee gevolgtrekkingen, die onbetwistbaar schijnen, zal de lezer misschien vervolgens deze gevolgtrekking afleiden, dat de Pyramide de afmetingen, die zij heeft, niet toevallig ontvangen heeft, maar ingevolge een plan, om de waarde van den graad en de gebruikelijke lengte der maten in Egypte vast te stellen."

Wij zouden de bestaande theorieën in enkele hoofdgroepen kunnen verdeelen, en wij zouden dan naast de graftheorie en enkele andere onbeduidende theorieën een sterrekundige, een godsdienstige, een wetenschappelijke, een symbolische en een mystieke groep hebben, en daar wij reeds voldoende over de graftheorie gesproken hebben in dit en voorgaande gedeelten, zullen wij thans overgaan tot het aanstippen van enkele onbelangrijke--ja, vaak belachelijke--theorieën en het meer uitvoerig vermelden der belangrijke.

Van de voor ons doel minder belangrijke theorieën is die van Fialin de Persigny er eene, die de meeste belangstelling verdient, daar zijne uitvoerige beschouwing, vervat in een tamelijk uitgebreid werk waarvan de titel luidt: "_De la destination et de l'utilité permanente des Pyramides_", duidt op eene ernstige overtuiging en studie.

Zijne theorie is, dat de Pyramiden gebouwd werden teneinde dienst te doen als bescherming tegen de zandstormen voor dat gedeelte van het Nijldal dat niet door de Lybische bergen beschut werd. Het gebrek van deze theorie valt ons reeds bij den aanvang in het oog, namelijk dat een toevallig nut van een gebouw niet de reden was tot het doen oprichten er van. Om dit te verduidelijken: eene kerk wordt gebouwd om daarin godsdienstige bijeenkomsten te houden, en al doet de spits van den toren, die bij dit gebouw behoort, nu dienst als een peilingspunt bij graadmetingen dan is de reden van het bouwen van dien kerktoren nog niet te zoeken in het nut van het bouwwerk bij laatstgenoemde metingen. De theorie van Ballard gaat zelfs in meer letterlijken zin aan dit euvel mank dan de theorie van De Persigny, want eerstgenoemde denkt werkelijk dat de drie pyramiden dienst deden als uitgangs-peilingspunten voor een uitgebreid stelsel van opmetingen teneinde het land van Egypte op de juiste wijze onder de bewoners te verdeelen. Zijn theorie is vervat in een boek genaamd "_The solution of the Pyramid Problem_". Het eerste boek is lezenswaard voor belangstellenden in dit onderwerp als een bewijs van de wonderlijke aberraties van het menschelijk vernuft.

Van de minderwaardige theorieën, die eigenlijk in 't geheel den naam theorie niet verdienen, maar louter als een buitensporige of bekrompen opvatting van haar opsteller kunnen worden beschouwd, noemen wij de volgende. Sir Thomas Browner schreef ten tijde van Elisabeth, dat de donkere holen en bergplaatsen voor mummies de "schuilplaats van Satan" waren, zijne redeneering grondende op eenige opmerkingen in Egyptische papyrussen over "de onderwereld" en eveneens op eenige gezegden in het Oude Testament. Welke deze laatste waren, weet ik niet, doch ik denk dat hij die bedoelde welke H. P. Blavatsky eveneens aanhaalt in de _Geheime Leer_:

"De groote breuk, die tusschen de zonen van het Vierde Ras ontstaan is zoodra de _eerste Tempels_ en _Zalen van Inwijding onder de leiding der 'zonen van God' gebouwd waren_ [43], wordt allegorisch voorgesteld door de Zonen van Jacob.

De stervende Jacob beschrijft zijne zonen als volgt: 'Dan', zegt hij, 'zal een _slang_ zijn aan den weg, een _adderslang_ in het pad, bijtende de verzenen des paards, dat zijn rijder achterover valle' (_d. w. z._ hij zal den candidaten _Zwarte Magie_ leeren).

Omtrent Simeon en Levi merkt de aartsvader op dat werktuigen van _wreedheid_ in hunne _woningen_ zijn: 'O mijn ziel, kom niet in hun _geheim_ (lees Sod), tot hunne _vergadering_'.

Nu is Sod de naam van de Groote Mysteriën" [44].

Wij kunnen hieruit lezen, dat er eveneens pyramidale (?) tempels van inwijding in zwarte magie waren en daar behoeven wij natuurlijk niet aan te twijfelen; bovenstaande aanhaling zegt genoeg, maar ik vrees, dat Browner te ver ging met zijn verklaring, indien ik hem al een dergelijk diepzinnig denken over het vraagstuk mag toeschrijven.

Bonwick in zijn _Pyramid Facts and Fancies_ geeft deze theorie slechts even aan, en vermeldt ook enkele zeer belachelijke theorieën, die den naam theorie in het geheel niet waard zijn, o.a. een van een Zweedsch wijsgeer (?!), die als zijn meening te kennen geeft, dat de Pyramiden eenvoudig gebouwd waren als middel om het water van den troebelen Nijl te zuiveren, dat door de gangen er van gevoerd zou worden. Ik heb het boek, waarin deze meening toegelicht wordt, niet kunnen bemachtigen, en dat spijt mij, aangezien het mij zeker eenige aangename oogenblikken zou bezorgd hebben, en ik in geen geval overgehaald zou kunnen worden om aan te nemen, dat de Pyramiden een soort "watertorens" der oudheid waren. Verder vinden wij in dit werkje _Facts and Fancies_ vermeld de meening van Gable, die zijne lezers vergast op het volgende belangwekkende item: "het blijkt niet, dat de stichters eenigerlei lofwaardig plan hadden, aan de nakomelingschap wetenschappelijke afbeeldingen na te laten", zooals enkelen veronderstellen; "daarom schijnen zij niet met een geometrisch doel opgericht te zijn"; doch daar volgens Gable vastgesteld is (op welke wijze zegt hij niet) "dat zij opgericht werden door hen 'die na hun huwelijk met de dochters der menschen niet alleen ontaarde verachters van nuttige kennis werden, maar zich geheel aan weelde overgaven'", is het niet te verwonderen, dat zijn eindconclusie is, _dat zij gebouwd werden om de vrouwen te behagen_!

Wathen schreef in 1842: "de geschenken van de koningin van Scheba aan de Egyptenaren worden nu aanschouwd in de onvernietigbare massa's der Pyramiden", terwijl Benjamin van Toledo en Vossius beweerden, dat zij de graanpakhuizen van Jozef waren. Reeds in 1330 beweerde Maundeville hetzelfde, zegt Bonwick. Bewijzen en zelfs bewijsredenen ontbreken echter ten eenenmale.

Een theorie van meer waarde, en die ook zeer grondig is uitgewerkt en beredeneerd, is die van Thomas Yeates, die in 1833 over dit onderwerp eene dissertatie uitgaf [45]. In deze dissertatie maakt hij eene vergelijking tusschen de Pyramiden en de ark van Noach, voornamelijk wat betreft de afmetingen. Hij zegt: "de afmetingen van de Groote Pyramide benaderen in de oude ellematen de ark van Noach op zulk een wijze, dat ik niet kan aarzelen, hoe nieuw het denkbeeld ook is, eene vergelijking te trekken".

Aangezien wij later op de maten-theorie zullen terugkomen, zullen wij deze theorie alsdan nogmaals in verband met deze beschouwen.

Reeds maakten wij, toen wij Jomard aanhaalden, melding van de denkwijze van Aristoteles over het doel van het bouwen der Pyramide. Deze denkwijze is er eene, die door velen aangehangen werd. Hij dan zegt, dat zij louter een vertoon van koninklijk despotisme vereeuwigde, doch dat dit vertoon een dieperliggende politieke reden had. In dit vruchtbare land (sprekende van de Nijldelta, die volgens Theosofische opvatting nog niet aangeslibd was tijdens den bouw) zou het volk weinig te werken gehad hebben en was er dus veel tijd tot muiterij en opstand tegen koninklijk en priesterlijk gezag. De priesters zouden dan den koning overtuigd hebben, dat er slechts één uitweg bestond om rust onder het volk te brengen, namelijk het te dwingen tot het bouwen van reusachtige bouwwerken, en aan deze reden zouden de Pyramiden haar ontstaan hebben te danken.

Plinius is vrijwel van dezelfde opvatting, alleen meent hij, dat de werklieden de krijgsgevangenen waren, die niet nutteloos gevoed en gekleed konden worden en dus aan het werk moesten worden gehouden.

Greaves bespreekt de meeningen van deze beide schrijvers der oudheid. Hij zegt: "Maar waarom de Egyptische koningen zich zulke reusachtige onkosten getroost zouden hebben om deze Pyramiden te bouwen, is een vraag van hoogeren aard."

Aristoteles zegt dat zij het werk van tyrannie zijn; en Plinius beweert dat de heerschers ze deels uit praalzucht en deels uit politiek bouwden, om het volk bezig te houden en het te bewaren voor muiterij en opstand.

Sandijs dacht "dat het was uit vrees dat hunne groote schatten (die van de Pharaoh's) hunne opvolgers zouden doen ontaarden".

Hoe men dezen Koningen tegelijkertijd toe kan schrijven dat zij tyrannen, hoogmoedige despoten enz. waren, en tevens zulke een vrees koesterden voor de ontaarding hunner opvolgers, is mij weer een raadsel!

Mariette Bey is verontwaardigd over deze theorie en verwerpt haar; en Hekekyan Bey merkt terecht op: "Het is welbekend dat een tyran bijna nooit een werk voltooit dat door zijn voorganger onafgewerkt gelaten is. Het is duidelijk dat deze Pyramiden eene nationale onderneming waren; dat tot het plan er voor en de uitvoering er van werd besloten na rijp beraad; wetten werden gemaakt en in inkomsten werd voorzien om wat het publiek beslist had door de uitvoerende gezaghebbers tot stand te doen brengen."

Dufeu beweert het tegengestelde van Aristoteles. Hij zegt: "Verre van het werk te zijn van den trots en het despotisme van de Pharaoh's, zijn zij integendeel bewijzen van hun verheven wijsheid en de diepe kennis hunner priestercolleges."

Eindigen wij dit hoofdstuk met een paar der bekendste Arabische schrijvers over dit punt te hooren:

Mustadi (te Gihe in Arabië) zegt in 992:

Er was een koning, genaamd Saurid, zoon van Salahx, 300 jaren voor den zondvloed, die op een nacht droomde dat hij de aarde met hare bewoners omvergeworpen zag, de menschen op hun gelaat neergeworpen, terwijl de sterren van den hemel vielen en tegen elkaar aanstieten en afschuwelijke en vreeselijke kreten slaakten terwijl zij vielen.

Hij ontwaakte daarop zeer verontrust en verhaalde zijn droom aan niemand en was in zichzelf overtuigd dat een of ander groot ongeluk aan de wereld zou overkomen. Een jaar daarna droomde hij weder dat hij de vaste sterren op de aarde zag neerkomen in den vorm van witte vogels, die de menschen wegsleepten en hen tusschen twee groote bergen wierpen, welke zich zoo goed als samenvoegden en hen bedekten en toen werden de heldere, schijnende sterren donker en werden verduisterd. Daarop ontwaakte hij, buitengewoon verbaasd en trad in den Zonnetempel en begon te weenen. Den volgenden morgen beval hij dat alle vorsten der priesters en de toovenaars van alle provinciën van Egypte tezamen zouden komen; hetgeen zij deden tot een aantal van 130 priesters en waarzeggers, naar welke hij toeging en hun zijn droom verhaalde, dien zij van groot belang vonden; en de verklaring die zij er aan gaven was, dat een zeer groot ongeluk aan de wereld overkomen zou.

Onder anderen zeide de priester Aclimon, die de grootste van allen was, en voornamelijk zijn verblijf hield in het hof van den koning, tot dezen:

'Heer, uw droom is bewonderenswaardig en ikzelf zag een anderen, ongeveer een jaar geleden, die mij verschrikte en dien ik aan niemand geopenbaard heb'.

'Zeg mij welke hij was', zei de koning. 'Ik droomde', sprak de priester, 'dat ik met Uwe Majesteit op den top van den vuurberg was, welke in het midden van Emsas is, en dat ik den hemel beneden zijn gewone ligging zag zakken, zoodat hij bij de kruin onzer hoofden was, terwijl hij ons bedekte en omringde als een groot omgekeerd bassin; dat de sterren met de menschen vermengd waren in verscheidene figuren; dat de menschen Uwe Majesteit hulp afsmeekten en in menigten tot u snelden als hun toevlucht; dat gij uwe handen boven uw hoofd ophieft en trachttet den hemel terug te werpen en hem tegenhield, en dat ik, toen ik zag wat Uwe Majesteit deed, hetzelfde verrichtte.

Terwijl wij in die houding waren, buitengemeen verschrikt, dunkt mij, dat wij een gedeelte van den hemel zich zagen openen en een helder licht daaruit zagen komen; dat daarna de zon op die plaats opkwam en dat wij haar om bijstand smeekten, waarop zij tot ons zeide: "De Hemel zal tot zijn gewone standplaats wederkeeren wanneer ik driehonderd rondloopen volbracht heb". Daarop ontwaakte ik buitengewoon verschrikt.'

Toen de priesters aldus gesproken hadden, beval de koning hun de hoogte der sterren te nemen en te overwegen welk ongeluk zij voorspelden. Waarop zij verklaarden dat zij eerst den Zondvloed en daarna het vuur voorspelden. Toen beval hij dat de Pyramiden gebouwd zouden worden en dat zij alles wat zij als waarde schatten, daarin zouden brengen met de lichamen van de koningen en hunne weelde, en de aromatische geuren, en dat zij hunne wijsheid er op zouden schrijven, opdat de wateren deze niet zouden vernietigen".

Dit is een gewijzigde vorm van het Bijbelsche verhaal waar Sem de kennis van de wereld der oudheid op twee pilaren laat graveeren: Jachin en Boaz.

De geschiedschrijver Ibn Abd Alhokm is de volgende van wien ik een gedeelte wil aanhalen. De aanvang van het verhaal van dezen komt ongeveer op hetzelfde neer als het verhaal van Mustadi.

Daarna gaat hij verder:

"Toen de priesters gezegd hadden, dat de zondvloed ook in zijn land zou komen binnen enkele jaren, beval de koning dat de Pyramiden gebouwd zouden worden en dat een kelder (grot) zou worden gemaakt, waarin de Nijl moest loopen, vanwaar hij in de westelijke landen stroomen zou en in het land van Al Saïd.