De Groote Pyramide

Chapter 4

Chapter 43,769 wordsPublic domain

Perring in zijn werk _The Pyramids at Ghizéh_ zegt dat hij vermeent dat houten steigers gebezigd werden. Met betrekking tot de buitenlagen merkt Wilkinson op dat de uitstekende hoeken van de opgestapelde rechthoekige steenblokken van boven af naar beneden weggekapt werden en aldus het zijvlak glad maakten. Hij grondt deze meening op eene uitlating van Herodotus.

Dr. Lepsius heeft met betrekking tot den bouw eene theorie opgeworpen die vrij algemeen vermeld wordt en bekend is. Deze is als volgt:

"Bij den aanvang van de regeering werd de rotskamer, die voor het graf van den vorst bestemd was, uitgehouwen en één laag metselwerk er op aangebracht. Stierf de koning in het eerste jaar zijner regeering, dan werd een buitenlaag er op aangebracht en eene pyramide gevormd; maar indien de koning niet stierf, werd een andere laag metselwerk er aan toegevoegd en twee van dezelfde hoogte en dikte aan iederen kant; aldus nam in verloop van tijd het gebouw den vorm aan van een reeks regelmatige trappen. Deze werden overdekt met steenen, al de hoeken opgevuld, en steenen als trappen geplaatst. Dan, zooals Herodotus ons reeds lang geleden mededeelde, werd de Pyramide van boven af naar beneden gereed gemaakt doordien al de uitstekende hoeken weggehouwen werden en een volkomen driehoek overbleef."

Tegen deze theorie heeft Rawlinson bezwaren, want hij merkt terecht op dat dit glad maken van de buitenzijde een werk van jaren moest zijn en dat als een koning stierf, het zeer te betwijfelen viel of zijn opvolger dit werk op zich zou nemen; in ieder geval zou hij aan zijn eigen pyramide hebben moeten beginnen.

Wij hebben nu enkele der voornaamste schrijvers over dit onderwerp aangehaald, en het zal ons niet baten meerdere aan te halen aangezien zij geen nieuw licht werpen op de wijze van werken. Eene aardige samenvatting van de verschillende opvattingen van "de kleine houten werktuigen" en een beschrijving er van met vele platen vinden wij in een belangwekkend werkje van T. M. Barker, geheeten _The Mechanical Triumphs of the Ancient Egyptians_. Ook vinden wij hierin eene uitvoerige beschouwing van de werkwijze zooals die door Diodorus vermeld werd, namelijk met behulp van hellende vlakken, eene methode die ook in Indië werd gebezigd. Dit hellende vlak zou dan 3000 voet lang en 120 voet hoog zijn geweest en de helling zou 1 voet op de 25 bedragen hebben. Deze steenen helling, met vet besmeerd, zou hebben gediend om met verminderde kracht de zware steenen aan te slepen. Enkele archaeologen beweren dat gedeelten van deze hellingen nog te vinden waren in het begin der achttiende eeuw. De zwaarste steen in de pyramide van ± 60.000 K.G. zou dan getrokken moeten zijn door een bende van 900 man. De weg was 60 voet breed, dus konden er drie tegelijk naar boven.

Wie dit alles gelooven wil, hij kan bewijzen vinden blijkbaar, maar er ontbreekt veel aan om overtuiging te schenken.

Wanneer wij de bekende feiten goed onder het oog zien en overdacht hebben, kunnen wij thans zien, wat ons uit okkulte bron wordt medegedeeld omtrent den bouw. Wij vinden dan in de reeds meer door mij aangehaalde verhandeling _The Pyramids and Stonehenge_, het volgende:

"De hanteering van de reusachtige steenen, die bij dit bouwwerk gebruikt zijn en ook inderdaad de samenstelling van de groote Pyramide zelf, kan alleen verklaard worden door het toepassen op deze werken van eene kennis aangaande de Natuurkrachten, welke voor de menschheid verloren ging gedurende het verval van de Egyptische beschaving en het barbarisme van de middeleeuwen, en die door de hedendaagsche wetenschap nog niet teruggevonden is."

En verder:

"Maar hoe kwamen zij de moeilijkheden te boven, deze reusachtige steenmassa's te hanteeren, waarvan alleen de bovenelkanderplaatsing werktuigkundige hulp vereischt schijnt te hebben, welke wij in verbeelding nauwelijks met eenig ander tijdperk dan het onze kunnen samendenken? Wat dat aangaat, kan in Atlantis zelf gevonden worden, wanneer eindelijk een voller licht op zijn geschiedenis geworpen wordt, dat werktuigkundige hulpmiddelen van zeer vergevorderden aard beschikbaar waren voor elk werk, waarvoor zij noodig waren; maar de bouwers van dien tijd waren niet uitsluitend afhankelijk van middelen van dien aard, als waarvan wij nu gebruik maken, om groote massa's te hanteeren. In de rijpheid van Atlantische beschaving waren enkele Natuurkrachten, welke nu slechts onder het bestuur van adepten in okkulte wetenschap zijn, in algemeen gebruik. De adepten van dien tijd waren onder geen verplichting het geheim van haar bestaan angstvallig bewaard te houden; en onder hen bestond het vermogen, thans zoo zelden uitgeoefend dat het bestaan zelf er van minachtend ontkend wordt door de alledaagsche massa--het vermogen om die kracht welke wij zwaartekracht noemen, te wijzigen."

Hierna gaat A. P. Sinnett er toe over, het bestaan van dit vermogen te verdedigen en zegt dat, hoewel de groote massa's der menschheid natuurlijk lachen om zulk een vermogen, waarvan zij nog nooit iets gehoord of gezien hebben, op dit geval het gezegde van Galilei, _e pur si muove_, zeer van toepassing is. En zeker is de geheele oplossing van het raadsel van den bouw van die oude bouwwerken in dit vermogen te zoeken. Helderziende waarnemers hebben in de ákashaïsche beelden den bouw gezien en onderzocht, en zij zeggen ons dat deze reusachtige blokken steen op hun plaats gebracht werden met behulp van steigers, zooals wij die zien gebruiken bij den bouw van een klein huis.

En hier vinden wij dus, om tot de Pyramiden terug te keeren, hoe men te werk ging bij den bouw er van. De adepten, die den bouw er van leidden, vergemakkelijkten het werk door de gedeeltelijke opheffing van de te gebruiken steenblokken, en de bouwers die onder hunne leiding werkten, bevonden dat de te gebruiken steenen gemakkelijk gehanteerd konden worden. Misschien viel het hun zelf niet eens op, dat dit vermogen door de adepten werd uitgeoefend. En dit nu is eene eenvoudige, hoewel ongetwijfeld zeer geheimzinnige, verklaring van het feit dat de reusachtige moeilijkheden, die zich voordeden bij den bouw van zulke kolossale bouwwerken, overwonnen konden worden. Hoe vreemd deze verklaring moge schijnen voor een leek, en hoe ongelooflijk zelfs, is niet de door de oudheidkundigen tot dusver aangenomen verklaring even ongelooflijk, wanneer men er over nadenkt? Zij toch zijn tevreden met aan te nemen dat de bouwers van dergelijke reuzenwerken en dus ook van de Groote Pyramide een onbegrensd aantal arbeiders jarenlang lieten arbeiden om de reusachtige steenen langs sleephellingen en door middel van balken, rollen en katrollen op de een of andere wijze op elkaar te stapelen. En wanneer wij nu weten dat bij deze bouwwerken de meeste steenen 2 of 3 honderd ton wegen en dat bijvoorbeeld bij den tempel van Baalber in Syrië steenen gebruikt zijn van 1500 ton, dan vergt deze hypothese der oudheidkundigen meer van ons geloof dan zelfs de okkulte verklaring. Zij willen ons iets laten aannemen wat wij weten dat physisch onmogelijk is, maar omdat zij het zeggen in ons bekende termen, en omdat zij spreken over dingen die wij zien kunnen met betrekking tot _kleine_ gewichten, nemen wij het onnadenkenderwijs al te licht aan. Maar deze reusachtige werken van de oudheid staan voor ons als een blijvend bewijs, dat ten tijde van hun bouw de wereld getuige was van een bouwkunde, welke hare overwinningen niet behaalde door ruwe kracht, maar door de toepassing van een subtieler kennis dan heden ten dage bezeten wordt.

Na den bouw thans zoo ver mogelijk behandeld te hebben, rest mij het inwendige gangen- en zalenstelsel te beschrijven, om dan tevens over te gaan tot het eigenlijke doel dezer verhandeling, namelijk het nagaan van de verschillende theorieën die met betrekking tot de beteekenis van dit bouwwerk ontstaan zijn.

HOOFDSTUK IV.

BESCHRIJVING VAN HET INWENDIGE.

Wij zijn gekomen tot een gedeelte van ons onderwerp dat wij kunnen beschouwen als eene inleiding tot de bespreking der verschillende theorieën die langzamerhand ontstaan zijn omtrent het doel der Groote Pyramide. Immers, indien zich onder de Pyramide, dus in het rotsvlak waarop zij staat, eene grafkamer had bevonden, en de Pyramide zelf een massief geheel met een daarheen leidende gang ware geweest, zooals dit bij andere pyramiden het geval is, zou er weinig reden bestaan hebben om zich in gissingen omtrent het doel der Pyramide te verdiepen. Maar juist door de bijzondere en eigenaardige afwijking, die de Groote Pyramide in dit opzicht vertoont, is zij geworden tot een onderwerp van de meest uiteenloopende beoordeelingen en gissingen, en was zij aanleiding tot heel wat geschrijf.

Met betrekking tot haar inwendige vertoont de Groote Pyramide een eigenaardigen aanblik. Het feit dat zich zulk een uitgebreid gangen- en kamerstelsel daarin bevindt is slechts sedert betrekkelijk korten tijd bekend en de schrijvers der oudheid vermelden er niet veel van. Niet eerder dan sedert de groote Fransche expeditie onder Napoleon werd dit een feit van meer algemeene bekendheid en wij vinden in _Pancoucke's_ werk over deze expeditie een vrij nauwkeurige beschrijving van deze gangen en kamers. Eerst in latere werken werden zeer uitvoerige beschrijvingen er van gegeven, naarmate dit noodzakelijk bleek tot staving van de theorieën der schrijvers aangaande de symboliek of het doel der Pyramide.

Volgens de oudste verhalen was de Pyramide geheel gesloten tot het jaar 830 n. Chr.. Kalief Al-Mamoen zou de eerste geweest zijn die zich met geweld een toegang deed banen, daar hij de eigenlijke opening en den ingang niet wist en ook niet vond. Deze laatste is thans wel bekend en bevindt zich op ongeveer 47,5 voet boven de basis, tusschen den vijftienden en zestienden trap; zij schijnt eveneens bekend geweest te zijn bij enkele Grieken. Ook Strabo maakt er melding van. Hij zegt: "In de hoogte als het ware, in het midden tusschen de twee zijden, is een steen die weggenomen kan worden, en wanneer deze er uitgenomen is, is er een hellende ingang tot het graf." Op een andere plaats zegt hij: "Deze ingang werd geheim gehouden."

In hoeverre het verhaal van den Arabischen schrijver Ibn Abd Al Hokm over het forceeren van den ingang waarheid bevat, is moeilijk na te gaan. De meeste schrijvers hechten er weinig waarde aan, daar er te veel feiten tegen spreken, en het verhaal blijkbaar zeer veel fantasie bevat. Wel is het waarschijnlijk dat gedurende deze poging om de Pyramide inwendig te onderzoeken wegens de schatten die, naar men veronderstelde, daar verborgen waren, de andere gangen en kamers ontdekt werden. Dit is ook de meening van Piazzi Smith en hij geeft een vrij uitvoerig verslag van het Arabisch verhaal omtrent deze gebeurtenis, waaraan ik het volgende ontleen.

Al-Mamoen liet zijne werklieden dertig voet boven den grond in het midden der noordelijke zijde aanvangen met breken. Het was evenwel een oneindig veel zwaarder werk dan de Kalief gedacht had en zijne lieden werden oproerig en wilden dit blijkbaar onmogelijke werk opgeven. Doch de Kalief dwong hen tot weder opvatten van de taak die hij zich gesteld had en maanden en maanden werd er gewerkt; schijnbaar zonder dat men veel verder kwam. Daarna wilden zijne werklieden het in ieder geval opgeven, toen zij als bij een toeval een zwaren steen niet ver van hen vandaan hoorden neerploffen; dit deed hen met vernieuwden moed in die richting werken, waarop zij kort daarna doordrongen tot de benedenwaarts leidende gang, die waarschijnlijk vaak betreden was door Grieksche en Romeinsche bezoekers vóór hen. Doch thans lag daar de steen die het geluid veroorzaakt had, een steen waarvan de onderkant tevoren een deel uitmaakte van het dak van de benedenwaarts leidende gang. Blijkbaar was deze steen de afsluitsteen geweest van een opwaarts leidende gang. Dit was ook zoo. Echter was deze gang nog steeds verstopt door reusachtige wigvormige steenen die achter den gevallen steen een plaats gevonden hadden. De Arabieren zagen geen kans deze op te ruimen, dus hakten zij zich een weg door den veel zachteren kalksteen daar omheen; op deze wijze zich een weg banende tot de opwaarts leidende gang, een doorgang die ook heden nog benut wordt door bezoekers. Thans stond hun de weg open tot de verdere gangen en kamers der Pyramide, doch van schatten geen spoor.

De Kalief wist nu slechts één middel om zijn verwoede volgelingen tot bedaren te brengen; in den nacht liet hij aan het einde van het geboorde gat een schat begraven in het steenwerk der Pyramide en liet hen den volgenden dag daar verder houwen. Natuurlijk vonden zij het goud en toen het geteld werd bleek het juist het bedrag te zijn dat verbruikt was voor de onderneming. Daar nu de werklieden hun werk betaald kregen, hield hun opstand spoedig op en de Kalief keerde terug naar El Fostat.

Eén ding was echter bereikt. Sinds dien tijd was het inwendige der Pyramide opengelegd voor latere bezoekers, en enkele van deze drongen daar dan ook in door; en een der geschiedschrijvers verhaalt dat "enkele van deze er veilig weer uitkwamen en andere stierven." [39]

Het verhaal omtrent deze doordringing tot het inwendige der Pyramide heeft in handen van latere Arabische schrijvers wonderlijke veranderingen ondergaan en een van deze weergevingen vermeldt o.a. dat de Arabieren, toen zij tot de Koningskamer doordrongen, in de sarcofaag een steenen beeld vonden, dat hol was en waarin zich een lichaam bevond van een man met een gouden borstplaat, bezaaid met juweelen. Een zwaard van onberekenbare waarde lag op het lichaam. Nabij het hoofd bevond zich een karbonkel van de grootte van een ei.

Latere schrijvers hechten weinig waarde aan deze verhalen, en sommigen twijfelen er zelfs aan of het Al-Mamoen was, die de openbreking leidde en zeggen dat hij voor de uitvoering van zulk een werk te kort in Egypte verbleef. Hoe dit ook zij, de Pyramide is thans reeds geruimen tijd open voor een inwendig onderzoek en het bekende gedeelte is dan ook herhaalde malen onderzocht, opgemeten enz., en de teekening, die hierbij gevoegd is geeft een juiste weergave van de ontdekte gangen en kamers.

In de eerste plaats zien wij dan de benedenwaarts leidende gang, die tamelijk steil afloopt. De helling is 26° 28' [40], de geheele lengte bedraagt 320 voet en 10 duim en moet oorspronkelijk toen de ingang nog gaaf was ongeveer 343 voet geweest zijn. De hoogte is 47 duim, de breedte ± 41 duim. Na 63 voet gedaald te zijn komt men aan den ingang tot de opwaarts leidende gang. De helling hiervan wordt nogal verschillend opgegeven, het gemiddelde van deze opgaven is ± 26°. De lengte van deze gang is 124 voet, de breedte en hoogte nagenoeg gelijk aan die van de benedenwaarts leidende gang; aan het einde er van bevindt zich een sousplatform, rechts daarvan is de put, in zuidelijke richting strekt zich de gang uit die naar de Koninginnekamer leidt, terwijl de Galerij een vervolg van deze gang is. De horizontale Galerij is ± 109 voet lang, de breedte 3 voet en 5 duim, de hoogte 3 voet en 10 duim in het eerste gedeelte en 5 voet 8 duim in het laatste gedeelte. De put is 191.5 voet diep; hiervan is 148.5 voet in de vaste rots uitgehouwen. Aan de wanden bevinden zich aan drie kanten uithouwingen om met behulp van handen en voeten naar boven te klimmen. De Koninginnekamer is 17 voet 10 duim lang, 16 voet 1 duim breed en 19 voet 5 duim hoog. Aan de oostelijke zijde in de Koninginnekamer bevindt zich eene uitholling. Sommige schrijvers denken dat de Arabieren dit gedaan hebben, andere denken dat hierachter een verborgen gang leidde naar de Sphinx of een andere verborgen plaats.

Van het platform af leidt verder opwaarts de galerij die de merkwaardigste is van de geheele Pyramide, en algemeen bekend staat als de Groote Galerij. Zij is ± 150 voet lang (± 50 M.) en 27 voet 6 duim (± 9 M.) hoog. Het inwendige is zeer fraai afgewerkt. John Greaves, de tevoren aangehaalde schrijver over de Pyramide, was er reeds over in bewondering. Hij zeide: "Zij doet in merkwaardigheid in kunst en rijkheid van grondstoffen niet onder voor de prachtigste gebouwen" en kenschetst haar verder als "den arbeid van een uitstekend bekwame hand." Opmerkenswaardig is vooral het dak, dat bestaat uit zeven lagen, waarvan elke volgende voorbij de vorige uitspringt, terwijl verder aan weerszijden op den vloer eene verhooging of bank is, die over de geheele lengte van de Galerij loopt. In deze verhooging bevinden zich aan de eene zijde 26 gaten of uithakkingen, aan de andere zijde 28.

In den vloer zijn als het ware ruwe treden gehakt, natuurlijk in latere tijden, voor het gemakkelijker omhoog komen der bezoekers, iets wat anders zeer bezwaarlijk zou gaan. Aan het einde van de Galerij bevindt zich een zeer hooge steen van 7.5 voet. Eenmaal hierop geklommen, komt men eerst aan een kleinen nauwen doorgang, vervolgens in een soort voorkamer en daarna in een korte gang. Hierin is een lage doorgang van graniet en men moet onder den steen die daar als het ware tusschen de wanden in de lucht hangt, en een soort opgehaalde valdeur vertegenwoordigt, doorkruipen; hierna weder een nauwen doorgang door, en men bevindt zich in de Koningskamer. De hangende steen wordt beschouwd als een die ter afsluiting zou hebben moeten dienen. De geheele lengte van dezen toegang is 22 voet. In de voorkamer ziet men aan de zijwanden meerdere groeven uitgehouwen, waarin waarschijnlijk ook valsteenen behoorden.

De Koningskamer zelf is in weerwil van de vele beschadigingen een schoon geheel van graniet. Groote platen van 20 voet hoog, onmerkbaar aaneengevoegd, vormen de zijden. Er bevindt zich niets in behalve de veel besproken sarcofaag. Greaves geeft ook eene opgetogen beschrijving van deze kamer: "Deze rijke en ruime kamer, waar de kunst schijnt te hebben gewedijverd met de natuur, daar het werk niet ondergeschikt is aan de rijke grondstoffen, is als het ware in het hart van de pyramide op gelijken afstand van de zijden en ongeveer op het midden tusschen den top en de basis. De vloer, de zijden en het dak zijn alle gemaakt van groote stukken graniet." Hij eindigt met haar "een prachtige kamer" te noemen. In de kamer bevinden zich nog twee luchtkanalen, die eerst later ontdekt zijn, een er van loopt naar de noordzijde der Pyramide, de andere naar de zuidzijde. De helling is ± 83° bij het noordelijke kanaal en de lengte van het noordelijke kanaal is volgens meting 233 voet. Zij vangen aan op een hoogte van 3 voet van den vloer.

De sarcofaag die zich in de Koningskamer bevond is geheel van porphyr marmer. De lengte is 6.5 voet, de breedte 26.6 duim. Merkwaardig is het op te merken dat zij te groot is om later door de gangen in de kamer gebracht te zijn; men veronderstelt dat zij dus van boven af neergelaten is, vóór het dak gesloten en de Pyramide voltooid werd.

Er is geen deksel op de sarcofaag en ook geen teeken dat er ooit een op geweest is; hierdoor is nogal verschil van meening ontstaan onder de geleerden of zij wel ooit gebruikt kan zijn om eene mummie te bevatten, en er zijn minstens evenveel gezaghebbende stemmen tegen dit denkbeeld als er vóór zijn. Zij is thans aanmerkelijk beschadigd hoewel de reizigers van vorige eeuwen haar steeds als gaaf vermelden. De steenen wand is ongeveer vijf duim dik en is buitengewoon hard. Wanneer men met metaal er tegen aanslaat klinkt hij als een bel. De aanblik van de gepolijste steensoort is die als van gekleurd glas met zwarte, witte en roode stippen.

Thans echter is de sarcofaag aanmerkelijk beschadigd; velen ergeren zich hierover ten zeerste. Bonwick in _Pyramid Facts and Fancies_ laat zich daarover uit als volgt: "Niet aleer de Europeanen, voornamelijk Engelsche en Amerikaansche dames en heeren hierheen begonnen te stroomen, begon dit Vandalisme. Het was niet voldoende massa's van het uitwendige af te houwen, maar dit kostbare gedenkstuk, dat zelfs geen Turk had willen ontwijden of beschadigen, begon het gewone lot van relikwieën te ondergaan door de hand van relikwieën-vereerders en relikwieën-dieven." En verder: "Met uitzondering van een klein brokje was de sarcofaag zestig jaar geleden gaaf. Zij die haar nu beschouwen, afgehakt en afgeschilferd, als zij is, mogen wel blozen voor de Westersche beschaving. Den schrijver zelf werd kalm door een van zijn Arabische volgelingen gevraagd of hij er gaarne een stuk afgebroken wou hebben. Met niemand die verantwoordelijk is voor het behoud en met de verwachting der inboorlingen voor een frank per afgebroken stuk, wie kan zich dan nog verwonderen over de trapsgewijze vermindering en eindelijke algeheele vernietiging van deze wonderbaarlijke en geheimzinnige kist."

Boven het dak van de Koningskamer bevinden zich vijf kleinere kamers, waarin men komen kan door een gat in het dak. Deze kamers zijn genoemd naar Davison, Hertog Wellington, Lord Nelson, Lady Arbuthnot en Col. Campbell. De eerste werd in 1763 door Davison ontdekt. De overige werden door Col. Howard Vyse in 1837 ontdekt. De kamers zijn van elkaar gescheiden door graniet, glad aan den bovenkant en ruw aan den onderkant. De bovenste of vijfde kamer heeft een dak van twee schuins opstaande steenblokken. De hoogte van de gezamenlijke kamers bedraagt ± 69 voet.

Gezaghebbenden zijn het er vrijwel over eens dat de reden van het bouwen van deze kamers moet gezocht worden in het plan van de bouwers om het gewicht op het dak te verlichten; zoodat het dak van de Koningskamer niet zou bezwijken onder den zwaren last.

De bovenvermelde kamers en gangen zijn de tot dusver ontdekte in het bovengrondsche gedeelte der Pyramide. In het rotsgedeelte bevindt zich nog een kamer, die gelegen is aan het einde van den benedenwaarts leidenden ingang. Daartegenover bevindt zich in deze kamer een doodloopende gang.

Ik heb hier een korte en ruwe schets gegeven van het onverklaarbare en ingewikkelde stelsel van gangen en kamers in de Groote Pyramide, namelijk van die welke tot dusver ontdekt zijn. Want ik geloof ten stelligste dat er veel meer gangen en kamers zijn, en dit is verklaarbaar omdat in de verhandeling over _Pyramids and Stonehenge_ gezegd wordt, dat Koefoe een deel der kamers afsloot. Echter zullen deze wel nooit ontdekt worden, daar de belangstelling tot verder onderzoek in dezen thans ernstig verflauwd is, en misschien gelukkig maar? Want die afsluiting zal niet zonder reden geweest zijn en evenals de bekende gangen en kamers eerst ontdekt zijn en onderzocht toen dit zonder bezwaar van andere zijde geschieden kon, evenzoo zal dit misschien later het geval zijn met nog onontdekte gedeelten.

Thans zullen wij, nu wij ons eenigermate een oordeel kunnen vormen over de vraagstukken: wanneer werd de Pyramide gebouwd? en door wie? nagaan wat door verschillende schrijvers gezegd is met betrekking tot het waarom? Want zeker bestaan er geen meer uiteenloopende meeningen over het doel van een bouwwerk dan het geval is bij deze Pyramide. In het volgende hoofdstuk zullen wij dus zien welke doeleinden men alzoo aan de Pyramide toekende.

HOOFDSTUK V.

OVER DE BESTEMMING DER PYRAMIDE.