Chapter 3
Volgens mijne persoonlijke opvatting is de mededeeling van deze uitwijking uit Egypte met tallooze families naar een vreemd land niet anders dan de geschiedenis van een der pogingen van den Manoe tot het vormen van het nieuwe Vijfde Ras, doch ik geef deze opinie geheel voorwaardelijk. Het zal echter belangwekkend zijn, alvorens na te gaan of deze vermelde bouwer identisch is met Noach en met dien welken de Theosofische gegevens ons als den bouwer aanduiden, iets meer te vermelden omtrent dezen schaapherderkoning Philitis. In ieder geval is er van het Theosofisch standpunt gezien, hier een zeer groote verwarring van tijdstippen, want Melchizedek kan nimmer ten tijde van Khoefoe geleefd hebben, en wij zullen, wanneer wij de door de laatstgenoemde schrijvers gebezigde bijbelsche tijdrekenkunde willen toepassen, nimmer tot overeenbrenging van feiten of personen kunnen geraken. Zoo ook nu zullen wij het tijdstip van Melchizedek's verblijf in Egypte buiten rekening laten en ons bepalen tot het constateeren van het feit dat door deze schrijvers Noach en ook Melchizedek als de vermoedelijke bouwers der Pyramide aangegeven werden, daartoe door den Allerhoogste uitverkoren.
Van Melchizedek wordt gezegd dat hij was "zonder vader, zonder moeder, zonder afstamming, hebbende geen begin noch ook eind van leven, maar gemaakt als een evenbeeld van den Zoon van God". Van een okkult standpunt beschouwd, kunnen wij hierin lezen dat hij dan in ieder geval een zéér hoog Ingewijde moet geweest zijn, doch waarschijnlijk was hij eene verpersoonlijking van den Tweeden Logos, zooals wij zoo dadelijk zullen zien. Dit wordt ons duidelijker nog wanneer wij hooren dat daar waar bijv. Piazzi Smyth Melchizedek als den bouwer aanneemt, Tracey Christus als den bouwer noemt. Dit nu klinkt uiterst wonderlijk en onmogelijk wanneer wij dit zouden opvatten zooals velen dit doen, en de schrijver niet het minst, in den zin, dat met al deze namen altijd de personen van dien naam bedoeld worden en niet het beginsel of het Hooger Wezen of de Wezens welke zij steeds vertegenwoordigen. Dan kan het ons ook geen verwondering baren, wanneer volgens Kabbalistische getal-waarden bewezen wordt dat Melchizedek = Melchizadek = Vader Sadik = Christus is [27], en in nauw verband staat met diepzinnig okkulte feiten van groote waarde, waarop wij meer dan eens gelegenheid zullen hebben terug te komen bij het behandelen van de Symboliek der Pyramide, welke feiten in verband staan met de groote rol, die getalwaarden van namen spelen in verband met den siderischen cyclus van inwijding in de Groote Pyramide.
Nu wil ik geenszins beweren dat het de bedoeling is van de genoemde schrijvers, welke Melchizedek aannemen als den vermoedelijken bouwer, om tot de conclusie te komen welke ik thans zal trekken; zij zouden dit nimmer kunnen, daar zij aan de personen blijven hangen evenzeer als aan de geschiedkundige feiten, terwijl Theosofen kunnen weten dat alle geschiedkundige en bijbelsche personen ook kosmische grootheden voorstellen, wanneer wij de verhalen en gebeurtenissen aan een _tweede_ lezing onderwerpen. Zoo ook hier.
Waar wij reeds zagen dat Melchizedek = Christus als de bouwer wordt genoemd, en John Taylor Noach vermeldt als volgens hem den vermoedelijken bouwer, leert H. P. Blavatsky ons dat Noach = Melchizedek, Vader Zadik. En wanneer wij dus niet aan geschiedkundige persoonlijkheden blijven hangen, hebben wij reeds eenigermate den weg gebaand tot overeenstemming omtrent den bouwer, want thans rest ons alleen aan te toonen dat Noach (= Melchizedek = Christus) dezelfde is als de Acht groote Goden [28] en mijn doel zal voor ditmaal bereikt zijn, namelijk te doen zien dat ook hier, waar blijkbaar zeer onmogelijke dingen werden verkondigd met betrekking tot den bouwer, welke zeer moeilijk op eenigerlei wijze waren overeen te brengen of te verklaren, deze gegevens door het licht der kennis, ons door H. P. Blavatsky gegeven, in harmonie gebracht en duidelijk gemaakt worden. Zij dan zegt:
"Doch wij kunnen nog enkele woorden in het midden brengen over Noach, die bij de Joden de plaats van nagenoeg elken heidenschen God in een of andere gedaante inneemt. De zangen van Homerus bevatten in dichterlijken vorm al de latere fabels over de aartsvaders, die allen siderische, cosmische en getallen-zinnebeelden en teekens zijn. De poging om de twee stamboomen van Seth en Kaïn van elkander te scheiden en de daaropvolgende even onbeduidende poging om te bewijzen dat zij _werkelijke, historische_ menschen geweest zijn, heeft slechts tot ernstiger onderzoek naar de geschiedenis van het verleden geleid en tot ontdekkingen die de vermeende _openbaring_ voorgoed aan het wankelen gebracht hebben. Nu bijvoorbeeld vastgesteld is dat Noach en Melchizedek dezelfden zijn, is verder de identiteit van Melchizedek, of Vader Sadik, met Kronos-Saturnus eveneens bewezen. Dat dit zoo is, kan gemakkelijk aangetoond worden. Geen enkel Christelijk schrijver ontkent het. Bryant [29] is het eens met al degenen die van meening zijn, dat Sydic, of Sadic de aartsvader Noach was en ook Melchizedek was en dat zijn naam Sadic, met het hem in _Genesis_ vi: 9 toegeschreven karakter overeenkomt." [30]
En verder:
"Nu is het Sanchuniathon, die aan de wereld mededeelt dat de Kabiri de Zonen van Sydic of Zedek (Melchi-Zedek) waren. Aangezien deze mededeeling langs de _Preparatio Evangelica_ van Eusebius tot ons gekomen is, kunnen wij haar weliswaar met zekere achterdocht beschouwen, daar het meer dan waarschijnlijk is dat hij met de werken van Sanchuniathon op gelijke wijze gehandeld heeft als met de synchronistische tafelen van Manetho. Doch laten wij veronderstellen dat de vereenzelviging van Sydic, Kronos of Saturnus met Noach en Melchizedek op een der vrome hypothesen van Eusebius gegrond is. Laten wij haar als zoodanig aanvaarden en met haar de omschrijving dat Noach een _rechtvaardig man_ was, alsook zijn vermeende dubbelganger, de geheimzinnige Melchizedek, 'koning van Salem en een priester des allerhoogsten Gods naar zijn eigen ordening', en ten slotte, na te hebben nagegaan wat zij uit een geestelijk, sterrekundig, psychisch en cosmisch oogpunt waren, zien wat zij volgens de Rabbijnen en de Kabbala geworden zijn.
Sprekend van Adam, Kaïn, Mars enz., als _verpersoonlijkingen_, zien wij den schrijver van _The Source of Measures_ in zijn kabbalistische onderzoekingen onze eigene esoterische leerstellingen verkondigen. Zoo zegt hij:
Mars nu was de Heer van _geboorte_ en _dood_, van _voortbrenging_ en _vernietiging_, van _ploegen, bouwen, beeldhouwen_ of steenhouwen, van de _bouwkunst_,.... kortom van alles wat onder het woord kunsten verstaan wordt. Hij was het _oerbeginsel_, dat zich in de wijziging van _twee tegengesteldheden ter wille van de voortbrenging_ oploste. Ook bekleedde hij in de sterrekunde de plaats van de geboorte van den dag en het jaar, de plaats van zijn _krachtsvermeerdering_, den Ram, en evenzeer die van zijn dood, den Schorpioen. Als _geboorte_ was hij het _goede_, als _dood_ het _kwade_. Als _goed_ was hij _licht_, als _kwaad_ de _nacht_. Als _goed_ was hij de _man_, als _slecht_ de _vrouw_. Hij nam de Kardinale punten in, en als _Kain_, of _Vulkanus_ of _Vader Sadic_ of _Melchizedek_, was hij de heer der _ecliptica_ of _weegschaal_ of _lijn van evening_ en daarom was hij de _Rechtvaardige_. De ouden waren van meening dat er zeven planeten of groote goden waren, gegroeid uit acht, en Vader Sadic, de _Rechtvaardige_ of _Gerechte_ was Heer van de achtste, die de _Moeder Aarde_ was." [31]
Voor den lezer is het thans mogelijk te zien dat de bouwers, wanneer zij kosmisch beschouwd worden, volgens verschillende verhalen als dezelfde bedoeld worden. Skinner geeft ons nog in het meer vermelde werk aan, dat zijn symbool was de omgrensde vorm van de pyramide met haar top en basishoekpunten, zoodat wij het beeld van den bouwer zien in zijn werk.
In een volgend hoofdstuk zullen wij trachten te zien, hoe dit beeld uitgedrukt werd in dit majestueuse bouwwerk, wanneer wij de symboliek er van begrijpen.
HOOFDSTUK III.
DE BOUW.
Het is thans mijne bedoeling, na te gaan wat door verschillende schrijvers der oudheid en der latere tijden geschreven is met betrekking tot de wijze van bouwen der Pyramide. Gaarne had ik gezien dat een bouwkundig theosoof dit in mijne plaats gedaan had, en er zijne beschouwingen aan had vastgeknoopt, maar aangezien mijn wensch in dezen niet vervuld is, hoop ik dat het hier geschrevene den een of anderen bouwkundige zal aanmoedigen zulks nog te doen, en zal zelf volstaan met zoo volledig mogelijk de verschillende verhalen der schrijvers over dit deel van mijn onderwerp op te sommen.
Allereerst dan Herodotus. Hij schrijft:
"Cheops liet eerst de tempels sluiten en verbood iedere soort van offering. Vervolgens veroordeelde hij de Egyptenaren zonder onderscheid tot het uitvoeren van openbare werken. Een gedeelte werd gedwongen steenen te houwen in de steengroeven en ze tot aan den Nijl te voeren; een ander gedeelte om deze steenen in ontvangst te nemen, den stroom over te steken op booten en ze in de bergen te brengen aan de Lybische zijde. Honderdduizend mannen, die elke drie maanden afgelost werden, waren voortdurend bezig met deze werken; en tien jaren, gedurende welke het volk onophoudelijk met nieuwe moeilijkheden werd belast, werden in beslag genomen enkel om een weg te maken om de steenen te vervoeren, een werk dat zelf niet minderwaardig is aan het oprichten van een pyramide." [32]
Vervolgens beschrijft hij de grootschheid van dezen weg, en merkt tevens op hoe gelijktijdig daarmede in den rotsgrond _waarop_ de Pyramiden staan onderaardsche kamers werden uitgehouwen, die bestemd waren voor het begraven van de mummies der Koningen. Daarna komen wij in zijne reisbeschrijving van Egypte aan dat gedeelte, hetwelk de wijze van bouwen der Pyramide beschrijft. Merkwaardig is het, alvorens dit gedeelte aan te halen, nog even te vermelden hoe hij zegt dat "zij [de Pyramide] geheel overdekt is met gepolijste steenen, met de grootste zorg aanéén gevoegd, van welke steenen geen enkele minder dan dertig voet is."
"Volgens de wijze van werken die aangewend werd bij het opbouwen van de pyramide vertoonden hare zijden eerst een soort van trap in den vorm van een graadsgewijs opklimmend amphitheater. Toen zij volgens dit plan afgewerkt was, en het noodig werd haar te overdekken, bezigde men, om achtereenvolgens de steenen op te heffen die tot deze bekleeding moesten dienen, werktuigen die van hout gemaakt waren en eene kleine afmeting hadden. Een van deze werktuigen lichtte den steen van den grond zelf op en bracht hem over naar den eersten trap; wanneer hij daar aangekomen was bracht een ander dien over naar den volgenden trap, en zoo vervolgens; of er evenveel werktuigen waren als trappen, of dat hetzelfde werktuig, dat gemakkelijk te verplaatsen was, tot het vervoeren der steenen diende, ik moet het verhalen zooals het een en ander mij gezegd is. Op deze wijze begon men met de bekleeding van het bovenste gedeelte en men ging voort met werken, al afdalende, eindigende met het onderste gedeelte dat tot aan den grond kwam." [33]
Verder zegt hij dan nog hoe op een der zijden van de Pyramide in hieroglyfen vermeld werd het loon der arbeiders, en maakt daaruit op den duur van den bouw, waarvan hij dan zegt dat hij "nog al lang heeft moeten duren."
In ieder geval kunnen mijne lezers hieruit wel zien dat men uit Herodotus niet heel veel wijzer wordt en niemand is dat dan ook ooit geworden. Alleen heeft men mijns inziens te veel geloof gehecht aan hetgeen hij _wel_ zeide, en men heeft vaak in latere boeken zijn beschrijving van den bouw als de ware aangenomen en zich in allerlei gissingen verdiept over de vraag wat die "werktuigen, die van hout gemaakt waren" dan toch wel waren, en bijna elk schrijver vindt dan een ander werktuig uit, of beweert dat de beschrijving die door een ander schrijver gegeven wordt niet deugt. Allen komen echter hierin overeen, dat het een soort van hefboom moet geweest zijn en de verschillen komen dan in een bespiegeling van de wijze waarop zulk een hefboom werkte, want een dergelijk ding moet toch een steunpunt hebben. En wanneer wij dus maar losweg zeggen dat met hefboomen gewerkt werd, volgen wij in dezen een weinig Archimedes na, die zeide dat hij de wereld wel opheffen kon, als hij maar een steunpunt voor zijn hefboom had.
Wij zullen het er dus over eens moeten zijn, dat indien de hefboomlegende als de ware beschrijving van het oplichten der buitenste steenen beschouwd moet worden, er aan Herodotus' beschrijving toch nog wel iets ontbreekt dat tot beter begrip aanleiding kon geven. Met opzet? Als Herodotus er bij gezegd had dat hij ook wel eens had gehoord van een opheffen van de zwaartekracht, vrees ik dat hij zulk eene uitlating niet goed met zijn geweten overeen had kunnen brengen en haar daarom maar wegliet, ofschoon zijne beschrijving voor het nageslacht er niet duidelijker op geworden is. Tenminste, om steenen van 15 ton met een hefboom op te tillen in een beperkt bestek....!
Ik vrees dat onze volgende schrijvers het er niet beter afbrengen met hunne beschrijving; meestal halen zij Herodotus aan of spreken in het algemeen over hetgeen zij bij overlevering vernamen. Zien wij thans wat Diodorus zegt, hoewel zijne beschrijving nog vager is dan die van Herodotus:
"De basis van de grootste is een vierkant, waarvan elke zijde zeven honderd voet is. De hoogte is meer dan zeshonderd voet. De zijden nemen af naarmate zij opwaarts gaan, zoodat zij nog slechts zes el zijn bij den top. Zij is geheel opgebouwd uit steenen die zeer moeilijk te bewerken, maar ook van eeuwigen duur zijn; want hoewel het meer dan duizend jaar geleden is, volgens hetgeen men zegt, dat de pyramide gemaakt werd, en hoewel anderen zelfs verzekeren dat het meer dan vier en dertig honderd jaar geleden is, is zij tot op onze dagen bewaard gebleven zonder op eenigerlei plaats beschadigd te zijn. Men had de steenen laten komen van uit het hart van Arabië, en daar men nog niet de kunst verstond, steigers op te richten, zegt men dat men zich van terrassen bediende om ze op te heffen. Maar wat het meest onbegrijpelijke in dit werk is, is dat men geen enkel spoor bemerkt noch van vervoer, noch van het afhakken van de steenen, noch van de terrassen waarvan wij gesproken hebben; zoodat het schijnt alsof de goden, zonder de hand der menschen te leenen, die altijd erg langzaam is, plotseling dit monument te midden van het zand geplaatst hadden. [34]
Eenige Egyptenaren voeren te dien einde eene verklaring aan, die even fabelachtig en ruwer is dan deze. Want zij zeggen dat deze terrassen gemaakt waren van een grondsoort die vol zout en salpeter was en dat de stroom ze door buiten hare oevers te treden, vormde en weder deed verdwijnen zonder hulp van arbeiders. Dat zal wel niet waar zijn; en het is veel verstandiger te zeggen dat dezelfde handen die gebezigd werden om dien grond aan te dragen, gebruikt werden om dien weg te voeren en om den grond in denzelfden toestand als tevoren te brengen; temeer omdat men zegt dat drie honderd zestig duizend werklieden of slaven bijna twintig jaren met dit werk bezig waren." [35]
Diodorus is de eerste die van de pyramiden spreekt als _wereldwonderen_, maar hoe bitter weinig zegt hij ons. Niets dan "men zegt"s en dan zeer uiteenloopende "men zegt"s en in niets overeenstemming met Herodotus dan in den duur van den bouw, de gedane uitgaven en de regeering van den koning. Over het tijdstip van den bouw is hij al bijster in het onzekere, "1000 jaar of 3400 jaar geleden", en over den bouwer van de derde pyramide brengt hij ons alweer in het onzekere door de fabel van Rhodopis aan te halen, hetgeen Herodotus eveneens doet, alsook Strabo.
Strabo is bijzonder kort in zijne beschrijving en met betrekking tot den bouw zelf helpt hij ons ook niet veel verder. Hij zegt daarover hoegenaamd niets. Alleen maakt hij eene vermeldenswaardige opmerking met betrekking tot de eerste of Groote Pyramide nl.: "Zij heeft op een der zijden op eene middelmatige hoogte, een steen die weggenomen kan worden." [36]
Van Plinius kunnen wij nagenoeg hetzelfde zeggen als van Strabo. Hij zegt: "De grootste van de Pyramiden is geheel voortgekomen uit steengroeven in Arabië; men beweert dat 360000 mannen 20 jaren gewerkt hebben om haar saam te stellen." Uit eene verdere opmerking in zijn verslag kan men echter opmaken dat de gepolijste bekleeding op de buitenzijde der Pyramide nog bestond. Verder haalt hij met betrekking tot de wijze van bouw Diodorus aan. Plinius is echter de eenige schrijver die spreekt van een "put" welke onder de Groote Pyramide zoude zijn: "deze put vangt het water van den stroom op, flumen illo admissum arbitrantur", op eene diepte van 86 ellen (39,8 M). Deze put is echter, voorzoover uit de door Plinius aangegeven maten is na te gaan, niet de bekende put. Plinius is de eerste schrijver die eenigermate juiste afmetingen aangeeft en het schijnt dat hij deze uit aan hem bekende documenten ontleende, aldus meent M. Jomard in zijn _Remarques et Recherches sur les Pyramides d'Egypte_.
De overige Latijnsche schrijvers werpen ook geen licht op dit deel van ons onderwerp en ik bepaal mij tot het even aanstippen van enkele merkwaardige uitingen in hun korte en onzaakkundige verslagen. Solinus zegt: "daar zij de maat der schaduwen te boven gaan werpen zij geen schaduw" en Cassiodorus herhaalt deze uitlating in prozaïschen vorm. Aristides zegt dat hij van de priesters gehoord heeft dat de Pyramiden even diep in den grond doordringen als zij er zich boven verheffen.
Bij de Arabische schrijvers vinden wij uitvoerige verhalen en legenden die echter alle eveneens op overlevering berusten, en wel van belang zijn met betrekking tot een geschiedkundig overzicht, maar ons geen belangrijke mededeelingen verschaffen wat aangaat de wijze van bouw. De meest bekende verhalen zijn die van Ebn Abd el Hokm, El Koday, Ibrahim ben Ouessif, Abd-el-latif. Hunne beschrijvingen bepalen zich tot het vermelden van den naam van den bouwer, Saurid geheeten, de reden waarom de Pyramiden gebouwd werden (nl. het opbergen van alle schatten aan kennis en aardsche goederen ter beveiliging tegen komende overstroomingen), hoe zij er uitzagen enz. Wij zien dus dat de andere schrijvers ons niets mededeelen dat ons helpen kan tot een begrijpen van de wijze waarop met "kleine houten werktuigen" de groote steenmassa's op hunne plaats gebracht werden.
Het was eerst in de latere tijden dat men zich in beschouwingen hieromtrent ging verdiepen. Reeds de Fransche _Savants_ waren in groote bewondering over de wijze waarop met geringe mechanische hulpmiddelen een bouw verkregen was, die zelfs tot op deze tijden niet geëvenaard werd. Door hun nauwgezet wetenschappelijk onderzoek zagen zij de moeilijkheden die de bouwers te overwinnen hadden gehad, beter in dan de oude bezoekers dit ooit gedaan hadden en zij waren dan ook verbaasd over de wijze waarop alles tot stand was gebracht. Om deze verwondering te begrijpen zal ik eerst trachten mijnen lezers een beeld te geven van de enorme hoogte, den omvang en de massa der Pyramide, en van die der samenstellende steenblokken. De lengte van elke zijde van het grondvlak was oorspronkelijk 764 voet (1 voet = 12 duim, 1 duim--25.4 mM.), de loodrechte hoogte was iets meer dan 480 voet. Hare massa zou 6.840.000 ton bedragen (1 ton = 1000 K.G.). Dit zegt alleen iets voor hen die met maten omgaan of er goed mede bekend zijn; voor mijne overige lezers haal ik eenige vergelijkingen aan die ik ontleen aan Sir Rawlinson's _Egypt_. Hare hoogte is dus zes voet meer dan die der Kathedraal van Straatsburg, dertig voet meer dan die van de St. Pieter te Rome, honderdtwintig voet meer dan die van de St. Paul te Londen. Haar grondoppervlak is ruim viermaal zoo groot als een vrij groot stadsplein. Om ons een denkbeeld te vormen van den inhoud diene het volgende. Men denke zich een huis met muren van een voet dikte, twintig voet breed en dertig voet diep. Verder een aantal tusschenmuren tot een volume van een derde der buitenmuren. Dit huis bevat dan vierduizend kubieke voet metselwerk. De kubieke inhoud nu van de Groote Pyramide is voldoende om twee en twintig duizend zulke huizen te bouwen. Legt men het metselwerk in een lijn van een voet hoog en een voet breed dan kan men gaan tot een lengte van zeventienduizend mijlen of twee-derde van de lengte van den equator. En men moet tevens bedenken, dat de samenstellende deelen niet alle kleine steenen waren, hoewel een groot deel daar wel uit bestond. Er zijn echter--en vooral is dat bij de buitenlagen het geval--steenen bij, die dertig voet lang, vijf voet hoog en vier of vijf voet breed zijn. Zulke steenen wegen 40.000 à 60.000 K.G. Ook de steenen die inwendig geplaatst zijn, bijvoorbeeld boven de Koningskamer, zijn van reusachtige afmetingen. Rawlinson zegt dan ook: "Over het algemeen zijn de buitenblokken van eene grootte, welke hedendaagsche bouwers nauwelijks ooit durven gebruiken." [37]
En wanneer men bedenkt dat deze steenmassa's niet ruw op elkaar gestapeld, maar op wonderbare wijze zoodanig aaneengevoegd waren, dat men eer de steenen zelf kan verbreken dan ze van elkander scheiden, dan kan men begrijpen dat vele der onderzoekers in stomme verwondering betuigden, dat deze bouwkunst tot op heden nog niet geëvenaard is. Trouwens, dat lijkt mij toe met vele kunsten en nijverheden van deze oude beschaving het geval te zijn; doch het zou mij buiten mijn bestek voeren, hier in een lofzang te vervallen op de verschillende kunsten en nijverheden in Egypte die ons treffen als op een hooger peil dan de moderne staande. In verband hiermede is het echter voor een bewonderaar van het oude Egypte een genot, in _Isis Unveiled_ H. P. Blavatsky hierover na te slaan. Met betrekking tot dit onderwerp haalt zij o.a. Kenrich aan:
"De voegen zijn nauwelijks waarneembaar, niet wijder dan de dikte van zilverpapier, en het cement is zóó houdend, dat brokstukken van de deksteenen nog op hunne oorspronkelijke plaats blijven, niettegenstaande het verloop van vele eeuwen en het geweld waarmede zij weggerukt werden." Wie onzer hedendaagsche bouwkundigen en scheikundigen zal wederom het onvernietigbare cement van de oudste Egyptische gebouwen ontdekken? [38]
Enkele Egyptologen zijn op het denkbeeld gekomen dat de steenen op de plaats zelve vervaardigd werden. Door een ingewikkeld werktuig zou water tot op de vereischte hoogte zijn gebracht, daar vermengd zijn geworden met zand enz., om te worden gevormd tot blokken van den juisten vorm en de juiste grootte.
Om terug te keeren tot den bouw zelf. De Fransche _savants_ geven hunne meening niet te kennen doch halen eenvoudig de reeds door mij genoemde oude schrijvers aan. Van de latere schrijvers vermelden wij alleen de gezaghebbenden. Sir Gardner Wilkinson, de welbekende schrijver van _Manners and Customs of the Ancient Egyptians_, zoowel als Colonel Howard Vyse, (1831 en 1837), waren van meening dat het door Herodotus bedoelde werktuig een "polyspaston" was, of een werktuig dat veel in gebruik was bij de Romeinen, en dat beschreven wordt door Vitruvius. Het is een werktuig van vele takels voorzien. Als bewijs voor het gebruik van deze werktuigen haalt Vyse aan dat "in de blokken van elken omgang gaten zijn van 8 duim middellijn en 4 duim diep, waarschijnlijk om de werktuigen te ondersteunen welke Herodotus beschrijft."