De Groote Pyramide

Chapter 2

Chapter 23,671 wordsPublic domain

Nu valt er met betrekking tot hetgeen in het aangehaalde boek vermeld wordt weinig meer te zeggen dat ons belangrijk kan voorkomen in verband met ons onderwerp. Een ieder die er belang in stelt raad ik aan het geheele werkje te lezen. Maar wel belangrijk is het, te vermelden dat mijns inziens met de twee groote Pyramiden van Gizeh niet _de_ Groote Pyramide bedoeld werd, maar de beide andere die bekend zijn als die van Kephren en Menkaura. De eerste werd, voorzoover ik dat begrijp, gebouwd meer dan 400.000 jaar geleden, hetgeen men zal kunnen nagaan uit hetgeen gezegd wordt in de _Geheime Leer_, Deel I, blz. 558, en waarop ik zoo dadelijk zal terugkomen.

A. P. Sinnett heeft in zijne Verhandeling over _De Pyramide en Stonehenge_ uitvoerig dit punt betreffende de bevolking van Egypte gedurende dit tijdperk behandeld [13] en ik kan niet beter doen dan hier in het kort weergeven wat hij uit okkulte bronnen omtrent dit deel van het onderwerp bijeenverzameld heeft.

In de eerste plaats dan brengt een onderzoek naar den oorsprong van de Egyptische beschavingsgeschiedenis ons tot het Atlantisch ras terug. Ongeveer een millioen jaren geleden was dit Atlantische ras het overheerschende ras in nagenoeg alle bewoonbare landen, hoewel de hoofdmassa natuurlijk op het vasteland van Atlantis woonde. Egypte zelf werd bewoond door een volk dat verre beneden deze beschaving stond. Gedurende het verval van Atlantis nu trokken de Adepten, en in het algemeen de meer geestelijk verlichten van het Atlantische ras, weg van het groote vasteland en vestigden zich in afgelegen streken, vaak te midden van half wilde stammen, welker nabijheid echter minder schadelijk was voor het bederf der atmosfeer door booze daden en gedachten, dan die van hunne verbasterde en ontaarde rasgenooten, op wie zij hunnen invloed niet langer konden doen gelden. Van veel meer nut zouden zij kunnen zijn voor de nog onontwikkelde rassen, die echter onbedorven waren. Overal, in verschillende landen, vinden wij teekenen van dat verblijf dezer Adepten in den vorm van nagelaten en thans vervallen bouwwerken, voornamelijk tempels; zoo bijvoorbeeld de Pyramiden in Amerika, Stonehenge in Engeland, de Pyramiden in Indië, en voornamelijk de meest bekende, de oudste Pyramiden van Egypte.

De Adepten die zich in Egypte vestigden vonden daar, niet meer het half wilde ras, maar een zich ontwikkelend ras dat een mengeling was van de oude rassen en Aziatische emigranten, de zoogenaamde Roeta-Atlantiërs. H. P. Blavatsky zegt van deze rassen: "Niettemin schijnt zelfs in de dagen van Plato niemand behalve de priesters en de ingewijden eenigerlei bepaalde herinnering aan de voorafgaande rassen bewaard te hebben. De allereerste Egyptenaren waren gedurende eeuwen en eeuwen van de Atlantiërs gescheiden geweest; zij zelve stamden af van een uitheemsch ras, de Roeta-Atlantiërs, en hadden zich 400.000 jaren vroeger in Egypte gevestigd" [14].

Toen gedurende het verblijf van de later inkomende Adepten het geestelijk zaad wortel schoot bij het opkomende ras, schijnen deze Adepten het bestuur wereldlijk en geestelijk ter hand genomen te hebben. Zij waren de goddelijke Koning-Ingewijden die voorafgingen aan de menschelijke dynastie na Menes, en Egypte brachten tot een stoffelijken en geestelijken bloei, waarvan de ons bekende Egyptische beschaving slechts een flauwe weerspiegeling was.

Gedurende hun bestuur--en het is onmogelijk hier van jaren te spreken met betrekking tot tijd, dus kunnen wij volstaan met te zeggen dat het halverwege het tijdperk was tusschen de eerste emigratie der Atlantische Adepten en het huidig tijdperk--werden de eerste pyramiden gebouwd, niet als een oorspronkelijk iets, maar als _een algemeen aangenomen bouw van tempels van inwijding en woonplaatsen van Adepten in dien tijd;_ want H. P. Blavatsky zegt dat Egypte geenszins eenig was in het hebben van pyramiden, doch dat deze in alle vier hoeken der wereld bestonden, hoewel te dien tijde de hoofdzetel der Adepten in Egypte gevestigd was. Dit nu was volgens Sinnett ongeveer 200.000 jaar geleden [15].

En thans ben ik tot een punt gekomen in deze verhandeling, waarop ik met verwijzing naar al het voorvermelde en een beroep doende op het okkulte gezag van deze mededeelingen, gevoeglijk kan komen tot eene bespreking van de reden waarom ik het nuttig en wenschelijk acht een onderwerp als het onderhavige te behandelen. Wanneer wij uit het voorgaande zien dat de Adeptkoningen de leiders waren van de volken door wie deze pyramiden gebouwd werden, kunnen wij Theosofen, met hetgeen wij bij benadering ons kunnen denken van zulke hooge wezens, niet aannemen dat deze pyramiden gebouwd werden als "graftomben". Er bestaat voor ons geen twijfel of deze pyramiden hadden een verheven doel, en wij kunnen dan ten volle aannemen hetgeen A. P. Sinnett zegt in de meer aangehaalde verhandeling [16] dat deze pyramiden, en inzonderheid de groote Pyramide, bedoeld waren als tempels van inwijding, en dat de Groote Pyramide zelfs nog een doel had dat nuttig was boven dit, namelijk het beschermen van tastbare magische voorwerpen die in den rotsgrond verborgen werden, en die noodig waren bij de okkulte mysteriën. Men zegt dat deze in den rotsgrond begraven waren, dat de Pyramide er boven opgetrokken werd, om door haar vorm en reusachtige grootte ze te beveiligen tegen aardbevingen en tegen de gevolgen van de groote overstroomingen, die Egypte en andere gedeelten der aarde bedolven onder groote watermassa's.

Maar nu deze okkulte theorie geheel en al tegenover de gezaghebbende en conventioneele graftheorie der pyramiden staat, moeten wij niet uit het oog verliezen dat gedurende het verval van de Egyptische beschaving, dat is gedurende het aan ons bekende geschiedkundige tijdperk, de esoterische kennis natuurlijk verdween met de Adepten, die gedurende een meer en meer materialistisch wordend geslacht zich terugtrokken naar weer andere streken, en dat ten opzichte van de toen volgende _mode_ van pyramidenbouwen voor graftomben de theorie stellig meer waarde heeft en gestaafd wordt door bewijzen. Want zeker bouwden de latere koningen ze niet als plaatsen van inwijding, en er zijn overvloedige bewijzen dat zij ze voor graftomben bedoelden;--het feit dat zij de pyramidale bouworde volgden, vindt zijn reden in het navolgen van de bestaande oudere pyramiden.

Wij moeten dus de waarde der pyramiden uit een okkult oogpunt zoeken in gegevens die niet berusten op feiten die ontdekt zijn in verband met latere pyramiden, doch geheel in die, welke ons verstrekt worden door helderziend okkult onderzoek, zooals A. P. Sinnett ons die verschaft in zijne verhandeling, en waaromtrent wij eveneens voldoende wenken vinden in de _Geheime Leer_.

Doch afgescheiden van de okkulte waarde der oudste pyramiden in het algemeen, kan die van de groote Pyramide voor ons bijzonder belangrijk zijn, wanneer wij een gepasten eerbied hebben voor hetgeen H. P. Blavatsky ons hieromtrent zegt in de _Geheime Leer_ [17], nl.:

"De Groote Moeder lag met den gelijkbenige driehoek, en de |, en het vierkant, de tweede en de pentagram. [18] in haar schoot, gereed hen voort te brengen, die de dappere Zonen van het vierkant gelijkbenige driehoek | | [of 4.320.000, de Cyclus] wier Ouders de [Cirkel] en het . [Punt] zijn.

Bij het begin van elken cyclus van 4.320.000 dalen de zeven, of zooals enkele volkeren meenden, acht groote Goden neder om de nieuwe orde van zaken te vestigen en den stoot te geven aan den nieuwen cyclus. Die _achtste_ God was de vereenigende Cirkel, of Logos, in het exoterische dogma van zijne schare gescheiden en onderscheiden, evenals de drie goddelijke _hypostases_ der oude Grieken thans in de kerken voor drie onderscheiden _personen_ gehouden worden. Een toelichting zegt:

_De Machtigen verrichten hunne groote werken en laten telkenmale wanneer zij binnen onzen mâyâwischen sluier (dampkring) doordringen, eeuwigdurende gedenkteekenen achter tot gedachtenis aan hun bezoek._

Zoo wordt ons geleerd dat de groote pyramiden onder hun onmiddellijk toezicht gebouwd werden, 'toen Dhruwa (de toenmalige Poolster) in zijn laagste culminatie was, en de Krittikâ's (Pleiaden) over zijn hoofd heen zagen (op denzelfden meridiaan, maar hooger, stonden) om het werk der reuzen te bewaken."

Zeker moet het ons de moeite waard zijn om te trachten aan te toonen, dat er gronden zijn om te bewijzen dat de Pyramiden hooger waarde en nut hadden dan die van "praalgraven voor ijdele koningen", en dit stel ik mij voor te doen. Achtereenvolgens wensch ik te behandelen: de ligging der Pyramide, hare Bouwers en hare astronomische waarde; dan eene beschrijving te geven van het wonderbaarlijk ingewikkeld en belangwekkend gangen- en zuilenstelsel; een overzicht van enkele der vele (ongeveer 40), meer of minder waarde hebbende theorieën; en ten slotte een uitvoerige beschouwing omtrent hetgeen voor de Theosofische theorie pleit; terwijl wij eindelijk zullen trachten, de symboliek van dit wereldwonder te begrijpen.

Moge het mij gelukken mijnen lezers een indruk te geven van de ontzaglijk groote mystieke waarde van dit geschenk der Goden!

HOOFDSTUK II.

LIGGING.

In het vorig hoofdstuk heb ik in algemeene trekken iets medegedeeld wat ons door verschillende gezaghebbenden geleerd wordt omtrent den ouderdom van Egypte, zijne bewoners, en de Pyramiden. Thans zullen wij in de eerste plaats overgaan tot eene meer bijzondere beschouwing van de _Groote_ Pyramide, als een op zichzelf staand monument. Een ieder die met de literatuur over de Pyramide eenigermate bekend is, zal weten dat het juist de Groote Pyramide was, die steeds de belangstelling trok, niet de Pyramiden in het algemeen; en daar de Groote Pyramide zooveel eigenaardigheden vertoonde, die geheel afweken van die der overige Pyramiden, kenmerkende eigenaardigheden welke niet overeen te brengen zijn met geschiedkundig bekende Egyptische gegevens, is een der bekendste schrijvers over dit onderwerp, Prof. Piazzi Smyth, er in zijn werk _Our Inheritance in the Great Pyramid_ zelfs toe gekomen, de Groote Pyramide te beschouwen als een _anti_-Egyptisch bouwwerk. Wij komen op dit belangrijke punt later echter uitvoeriger terug bij het behandelen van den Bouwer.

De Pyramide is gelegen op het plateau van Gizeh, een woeste reusachtige bergvlakte, 100 voet boven het Nijldal, in de nabijheid van Kaïro, eene plaats die niet ver verwijderd ligt van het oude Memphis. Men moet niet denken dat hier thans 3 pyramiden gevonden worden, want over het geheele plateau liggen ongeveer 70 pyramiden verspreid, waarvan echter vele tot niet meer dan louter reusachtige puinhoopen vervallen zijn. In het zoogenaamde vóór-geschiedkundig tijdperk, dat echter van Theosofisch standpunt nog als geschiedkundig beschouwd kan worden, zou dan eerst de Groote Pyramide daar gevonden zijn en later de beide andere, die in de onmiddellijke nabijheid liggen; de drie pyramiden zijn onderscheidenlijk bekend als die van Khoefoe, Kephren en Menkaura. Wij kunnen ons voorstellen dat de overige nabootsingen waren van de oorspronkelijke godenmonumenten, en behooren tot het geschiedkundige tijdperk der Egyptologen. Met betrekking tot de aardrijkskundige ligging der Groote Pyramide op genoemd tijdstip kunnen wij natuurlijk geen gebruik maken van wetenschappelijke gegevens; en wij kunnen ons van deze ligging alleen een begrip maken wanneer wij de vervorming der aardoppervlakte nagaan, zooals deze beschreven wordt in _The Story of Atlantis_.

Hieruit blijkt ons dat de Groote Pyramide geenszins afgelegen lag. Egypte was als het ware het middelpunt van het bewoonde land, en voor zoover wij dit kunnen nagaan, het kruispunt van de groote wegen, langs welke de Adepten trokken van uit Centraal-Azië naar Zuid-Atlantis, en van Lemurië naar Noord-Atlantis. Deze wegen zijn nog naspeurbaar in overblijfselen van Pyramiden in Mexico en Indië en de daartusschen verspreid liggende. Met betrekking hiertoe is de volgende aanhaling van belang:

"_De Groote Draak ontziet alleen de Slangen van Wijsheid, de Slangen wier holen zich thans onder de driehoekige steenen bevinden._"

Of met andere woorden, 'de pyramiden aan de vier hoeken der wereld'.

Dit zegt duidelijk, wat meer dan eens op andere plaatsen van de Toelichtingen vermeld wordt, namelijk dat de 'Adepten of Wijzen, van het Derde, Vierde en Vijfde Ras' in onderaardsche woonplaatsen leefden, gewoonlijk onder een of ander bouwwerk van pyramide-vorm zoo niet werkelijk onder een pyramide. Want dergelijke 'pyramiden' bestonden aan de 'vier hoeken der wereld' en zijn nooit het monopolie van het land der Pharao's geweest, al hield men ze inderdaad algemeen voor het uitsluitend eigendom van Egypte, voordat zij overal over de beide Amerika's verspreid, onder en boven den grond, aangetroffen werden. Al treft men in Europeesche landen ook geen ware, wiskundig zuivere pyramiden meer aan, toch zijn vele vermeende oude neolithische holen, van de reusachtige driezijdig pyramidale en kegelvormige 'menhirs' in Morbihan en Bretagne in het algemeen, vele der Deensche 'grafheuvels' en zelfs veel 'reuzengraven' van Sardinië met hun onafscheidelijke gezellen, de 'nuraphi's' evenveel min of meer ruwe nabootsingen van de pyramiden. De meeste hunner zijn het werk van degenen die zich het eerst op het pasgeboren vasteland en de eilanden van Europa hebben neergezet, de 'enkele gele, enkele bruine en zwarte en enkele roode' rassen, die 850.000 jaar geleden, na het verzinken van de laatste Atlantische landen en eilanden--met uitzondering van Plato's eiland--en vóór de komst der groote Ârische rassen overgebleven waren, terwijl andere door de eerste landverhuizers uit het oosten gebouwd zijn" [19].

Uit deze aanhaling en uit hetgeen reeds vroeger vermeld werd omtrent de Groote Pyramide, zien wij in, dat deze laatste als het ware de kern was waar de groote Adeptverkeerswegen op uitliepen, en dit gegeven omtrent hare ligging is mijns inziens belangwekkender dan de vermelding dat zij op zooveel graden breedte en zooveel graden lengte lag, waartoe natuurlijk de meeste schrijvers over het onderwerp zich bepalen. Een uitzondering hierop maakt Piazzi Smyth in zijn werk _Our Inheritance in the Great Pyramid_, waarin hij zeer uitvoerig nagaat waarom de Groote Pyramide juist daar en niet ergens anders gebouwd werd. Hoewel wij later uitvoeriger op zijne theorie terugkomen, is het voor een goede opvatting zijner gegevens noodig zijn standpunt in het kort na te gaan. Hij dan beweert dat de Groote Pyramide een bouwwerk is, dat door een Joodsch koning, geïnspireerd door God, gebouwd werd als een grondslag der maten en dat in het algemeen de Groote Pyramide ons drie sleutels tot kennis verschaft:

_a._ Den sleutel der wiskunde in haar belichaming van het getal pi,

_b._ Den sleutel der toegepaste wiskunde of sterrekundige metingen,

_c._ Den sleutel tot de geschiedenis van het menschdom, zooals deze ons door goddelijke Openbaring in het Oude en Nieuwe Testament wordt gegeven.

Hij vindt dan in Jesajah XIX : 20 een tekst, namelijk: "tot een teeken en een getuigenis voor den Heer der Heirscharen in het land van Egypte" en verder eene "in het midden van het land van Egypte en op de grenzen daarvan", die de ligging van dit bouwwerk zouden aanduiden, en is dus genoodzaakt te bewijzen, dat de Groote Pyramide aan deze vereischten voldoet; en dit doet hij dan ook op eene wijze die geheel aan zijn doel beantwoordt, maar die voor ons van geen belang kan zijn in verband met onze beschouwingen. Wij moeten echter niet vergeten dat Piazzi Smyth spreekt van een tijdperk van eenige duizenden jaren vóór Christus, terwijl wij ons volgens de Theosofische opvatting eenige honderdduizenden jaren terug moeten denken. In ieder geval kunnen wij van een Theosofisch standpunt weinig meer zeggen omtrent de ligging dan het bovenstaande, omdat ons daartoe de gegevens ontbreken; alleen kunnen wij uit hetgeen ons omtrent de aardkorst in die tijden medegedeeld wordt opmaken, dat de zee spoelde tegen den voet van het plateau waarop de Groote Pyramide stond.

Voorloopig zij dit genoeg met betrekking tot hare ligging; daar waar verschillende theorieën, vooral omtrent de symboliek van het monument, het noodzakelijk maken er op terug te komen, zullen wij die punten welke in verband staan met oriëntatie en astronomische symboliek, uitvoerig behandelen in verband met die theorieën zelve. Thans zullen wij trachten iets naders omtrent den bouwer aan te geven.

DE BOUWER.

In breede trekken hebben wij reeds nagegaan wie de bouwers waren, toen wij met betrekking tot den ouderdom eene aanhaling uit de _Geheime Leer_ gaven die daarmede verband hield. Geen "wetenschappelijk" mensch, geen vrijdenker en geen geloovige zal dit eenigermate met ons eens zijn, doch de meesten geven den uit de geschiedenis der menschelijke dynastieën bekenden Khoefoe als den bouwer aan. Hij zou een zeer hardvochtig heerscher geweest zijn, die de tempels sloot en den Egyptenaren verbood aan de Goden te offeren; in plaats daarvan moesten zij steeds hard werken aan zijn groote werk, dat zijn roem moest verbreiden en waarin hij na zijn dood wenschte begraven te worden [20]. H. P. Blavatsky zegt echter in de _Geheime Leer_ dat "hetgeen Herodotus ons mededeelt, in twijfel kan getrokken worden, aangezien hij wel beter en meer wist, maar gebonden was door godsdienst, geloof en belofte", en dus blijkbaar wel wist wat de Groote Pyramide was en waarvoor zij diende, doch dit niet aan de profanen wenschte bekend te maken.

De bewijzen welke aangevoerd kunnen worden om aan te toonen dat Khoefoe de bouwer was, zijn inderdaad zeer gering en berusten hoofdzakelijk op het vinden van een tablet in de Pyramide waarop zijn naam voorkomt, zoodat wij het in geen geval een wetenschappelijk feit kunnen noemen dat Khoefoe de bouwer was. Uit okkulte bron wordt ons medegedeeld dat Khoefoe enkele gedeelten der Pyramide, welke beschadigd waren, herstelde en ook, om voor ons onbekende redenen, enkele der kamers, die vroeger toegankelijk waren, afsloot [21]. Dat het zijn begraafplaats niet was, is zoo goed als zeker. Tenminste nooit is zijne mummie er gevonden; en Prof. Greaves deelt ons mede dat Diodorus in zijne verhandeling over Egypte eene merkwaardige bijzonderheid omtrent Khoefoe vermeldt. Hij zegt dat deze, hoewel hij de Pyramide als zijn begraafplaats bedoelde, er nimmer begraven werd, omdat hij vreesde dat zijn mummie door de bevolking, die hem haatte, verscheurd en vernietigd zou worden. Bij zijn sterven beval hij daarom zijn vrienden, hem op een verborgen plaats te begraven. Piazzi Smyth nu meent dat deze 1000 voet ten Zuid-oosten van de Pyramide ligt, omdat de daar gevonden begraafplaats overeenkomt met de beschrijving van de bedoelde verborgen plaats.

Hoewel er dus niets met zekerheid bekend is omtrent het bouwen der Groote Pyramide door Khoefoe of Cheops, wordt hij vrij algemeen beschouwd de bouwer te zijn en wordt zij dan ook meestal naar hem genoemd. Behalve deze bouwer worden er natuurlijk tal van anderen genoemd, meestal in verband met de meest fantastische verhalen omtrent de reden van den bouw en omtrent den bouw zelf. Wanneer wij deze verhalen in het licht der Theosofie beschouwen, ligt er gewoonlijk in elk een zekere waarheid verborgen. Over het algemeen kunnen wij bij de Grieken niet veel vinden dat ons eenige zekerheid omtrent den bouwer geeft. Enkele belangwekkende verhalen omtrent hem vinden wij echter bij Arabische schrijvers. John Greaves, een van de bekendste bezoekers van en schrijvers over de Pyramide, geeft ons een van deze verhalen, door hem uit het Arabisch vertaald.

"De schrijver van het boek, genaamd _Morat Alieman_ schrijft: 'Zij verschillen met betrekking tot dengene, die de Pyramide bouwde. Enkelen zeggen Joseph, enkelen zeggen Nimrod, enkelen Dalukah de Koningin, en enkelen dat de Egyptenaren ze voor den Vloed bouwden, want zij voorzagen dat deze komen zou, en zij brachten hunne schatten derwaarts, maar het gaf hun niets.' Op een andere plaats vertelt hij ons dat volgens de Kopten (of Egyptenaren) deze twee groote pyramiden en de kleinere, welke gekleurd is, graven zijn. In de oostelijke pyramide is Koning Saurid begraven, in de westelijke pyramide zijn broeder Hougib en in de gekleurde pyramide Farfarinoun, de zoon van Hougib. De Sabæën verhalen dat een er van het graf van Shub (dat is Seth) is, en de tweede het graf van Sab, den zoon van Hermes, waarom zij Sabæën genoemd worden. Zij maken er bedevaarten naar toe en offeren hem een haan en een zwart kalf en offeren hem wierook." [22]

Een andere Arabische geschiedschrijver, Ibn Aba Alkokm, geeft denzelfden naam van den bouwer namelijk Saurid, en zegt eveneens dat zij voor den vloed gebouwd werden.

In deze verhalen vinden wij dus niets dat de Theosofische mededeeling omtrent den bouwer bevestigt, alleen--dit zij terloops gezegd--bevestigen zij dat zij gebouwd werden vóór den zondvloed, dus vóór de overstrooming die Atlantis onder de golven bedolf.

Josephus, de Joodsche geschiedschrijver, zegt dat de Israëlieten gedurende hunne gevangenschap aan pyramiden moesten werken. Waarschijnlijk is dit echter geweest dat zij aan enkele der latere pyramiden werkten, ofschoon Yeates [23] zegt dat zij nooit te Gizeh waren, doch elders hunne steenen pyramiden kunnen gemaakt hebben. T. Gabb in _The Origin of Measures_ zegt dat zij "het voortbrengsel waren van de onmiddellijke afstammelingen van Seth" en dat "de onmiddellijke afstammelingen van Seth van grooter gestalte dan wij waren". Dit laatste nu is de eenige aanduiding in niet-theosofische beschrijvingen van de werklieden die bij den bouw gebezigd werden, welke aan hen een grootere gestalte dan de onze toekent. Met betrekking tot den bouwer vinden wij ook hier echter niets om onze theosofische gegevens te staven.

Thans komen wij echter tot eene reeks theorieën omtrent den bouwer, die dit wel doen. John Taylor, de beroemde schrijver van _The Great Pyramid, Who built it and Why was it built?_ zegt: "Aan Noach moeten wij het oorspronkelijke denkbeeld, het overheerschend denkvermogen en het edele doel toeschrijven. Hij die de ark bouwde was van alle menschen de meest bekwame om het bouwen van de Groote Pyramide te besturen". [24] Nu ligt het mijns inziens voor de hand dat de Ark en de Groote Pyramide een en hetzelfde gebouw waren, indien wij de mythologische verhalen omtrent het doel van het bouwen van beide nagaan. Doch alvorens verder in te gaan op John Taylors uiting, wensch ik eerst een anderen naam te noemen, die gegeven wordt door andere schrijvers, welke dezelfde theorie--namelijk die der Pyramide als eene goddelijke openbaring--toegedaan zijn.

Eene uitweiding is hier echter noodzakelijk om te laten zien hoe zij aan dien naam komen. Wij moeten dan in de eerste plaats nogmaals terugkeeren tot het verslag van Herodotus. H. P. Blavatsky is blijkbaar niet de eenige die zegt dat Herodotus meer wist dan hij schreef of zeide, want ook Bonwick zegt: "Herodotus, de vader der geschiedenis, schijnt soms meer te weten dan hij wijs acht in eenvoudige taal te vertellen, en hij heeft een esoterische beteekenis achter de woorden" [25]. Herodotus nu zegt: "Geen Egyptenaar wil hunne namen vermelden [die der Bouwers; v. G.]; maar zij schrijven hunne pyramiden altijd toe aan een zekeren Philition (Philitis), een schaapherder die zijn vee op deze plaatsen weidde." [26] Verder wordt verhaald dat deze man Egypte verliet met een gevolg van 24.000 menschen, naar Judaea ging en aldaar vervolgens Jeruzalem stichtte. Volgens verschillende schrijvers nu zou deze Philitis niemand anders zijn dan de bijbelsche Melchizedek.