Chapter 10
De tekst van hfdst. XVII van het _Boek der Dooden_ zal nu duidelijk zijn in algemeene trekken. Vele der voorafgaande hoofdstukken geven hetzelfde weer, bijv. hfdst. Ib:
(I) Het Hoofdstuk van het doen gaan van de Sahu [het Geestelijk Lichaam] in den Tuat [de Onderwereld] op den dag van de begrafenis, wanneer de volgende woorden moeten opgezegd worden (hier volgt een uitgebreide tekst, dien de lezer wel doet na te slaan in dit verband).
en hfdst. VIII:
(I) Het Hoofdstuk van het gaan door Amentet [en het Tevoorschijntreden] bij dag.
en hfdst. IX:
(I) Het Hoofdstuk van het tevoorschijntreden bij dag na den gang door het graf gedaan te hebben.
terwijl in hfdst. X ook gezinspeeld wordt op den strijd en de moeilijkheden aldaar.
Een moeilijkheid doet zich echter voor, en geen oplossing is daarvoor te vinden. C. W. Leadbeater spreekt van deze inwijding als de Sotapatti-inwijding, terwijl alle andere gegevens er tot dusver op duidden dat de Christus-inwijding zou hebben plaats gevonden in de Pyramide. De Christus-inwijding is dan ook de _hoogste_ kenbare inwijding, niet de Sotapatti-inwijding, welke laatste tot de kleine Mysteriën behoort. Verwondering baart het dus dat C. W. Leadbeater hier de Sotapatti-inwijding noemt de "hoogste" inwijding die in Egypte plaats vond.
Dit laatste kan slechts het geval zijn wanneer wij spreken van Egypte in zijn vervaltijd, doch niet toen het zijn grootsten bloei beleefde en de Groote Mysteriën hun zetel hadden in de Groote Pyramide.
Zeer zeker zou licht gewenscht zijn op dit punt, doch geenszins zie ik kans het dilemma op te lossen.
(I) Nog een Hoofdstuk [dat opgezegd moet worden] door iemand die bij dag te voorschijn treedt tegen zijne vijanden in de Onderwereld.
Hetzelfde wordt weergegeven in de hoofdstukken XI (i), XII (ii), XIII, en ik vermeen dat hfdst. XV een zegezang is na de overwinning en den gelukkigen doorgang door de onderwereld.
Adams meent dat deze hoofdstukken den kandidaat medegedeeld worden aleer hij in het "graf" daalt om hem voor te bereiden op hetgeen hem wacht. Ook deze uitlegging is nu wel te aanvaarden indien men veronderstelt dat al deze hoofdstukken op één persoon in denzelfden tijd betrekking hebben. Doet men dit niet, dan is het eer aan te nemen dat zij hetzelfde feit, namelijk het gaan naar de Onderwereld, op verschillende wijzen beschrijven.
De verdere hoofdstukken van het _Boek der Dooden_ zijn aan geen verschil van opvatting onderhevig. Hfdst. XVII beschrijft het gaan in de Onderwereld zelf met een korte opsomming van de toetsen, vijanden en gevaren, welke den doode wachten, en van hfdst. XVIII af kunnen wij het doormaken der beproevingen volgen. Adams zegt dan ook:
"De vrienden zijn verdwenen. De zon, die van zijn vroegste jaren af het ontwaken van den gestorvene begroet heeft, is voor altijd uit zijn gezicht verdwenen. De "Poort der Aarde" is hij doorgegaan; en de Kandidaat voor Wijsheid is de Strever naar Onsterfelijkheid geworden. Ondenkbare stilte heerscht rondom hem, een niet te begrijpen duisternis ligt voor hem. Maar onder de leiding van Anup, den gids der zielen, gaat hij door die Poort der Opstijging, waar het goddelijk licht den steen van het graf heft. 'Het is het gebied van zijn vader Shu (het Licht)', vervolgt het Ritueel: 'hij wascht zijne zonden weg, hij doet zijne wonde plekken verdwijnen'. Dan, wanneer de gestorvene in de duisternis voorwaarts treedt en onbevreesd het benedenwaartsche pad afgaat, onthult het innerlijk Licht, ongezien door het sterfelijk oog, zich in een visioen. Hij ziet de Onderwereld (hfdst. XVII) het gebied der Inwijding, den ingang tot de verborgen plaatsen, met betrekking tot welke de goddelijke Wijsheid hem geleerd heeft, dat het de plaats is 'waar hij moet binnentreden en van waar uit hij moet tevoorschijntreden', de veranderingen die hij begeeren moet door te maken opdat hij tot de gelijkenis van God vervormd moge worden, de goede werken die hij moet verrichten, de troon van de herschapen ziel, en het gezegende gezelschap van Osiris nadat het lichaam ter ruste gelegd is. In datzelfde visioen ziet hij ook den ingang van de Onderwereld, of Rusta, en verneemt dat het de noordelijke deur van het graf van Osiris is, terwijl de eenige ingang van de Pyramide de noordelijke ingang is. [80]
Symbolisch wordt dus het gaan in en het betreden van de benedenwaartsche gang in de Pyramide beschouwd als het betreden van de onderwereld. Wanneer het lichaam dan op de Tau geplaatst is in een trance-toestand, vangt de beproeving op het astraal gebied aan, welke gevolgd moet worden door de beproeving op het verstandsgebied, om te worden bekroond door een geboorte op het Buddhisch gebied, terwijl de lichamen door verschillende transformaties geschikt worden gemaakt om dit schitterend Buddhisch beginsel ten slotte op te nemen. Dit alles zullen wij vinden in het ritueel van het _Boek der Dooden_ en met dezen voortgang der Inwijding gaat eene verplaatsing van het stoffelijk lichaam gepaard langs den symbolischen weg in de Pyramide. Den tekst van hoofdstuk XVII vermeldden wij reeds, als te kennen gevende wat den kandidaat te wachten staat in die onderwereld. Het zal echter niet wel mogelijk zijn het ritueel te volgen door hoofdstuk na hoofdstuk in verband daarmede aan te halen, want evenals dit in onzen _Bijbel_ het geval is, werd door de samenstellers van het _Boek der Dooden_ natuurlijk geenszins deze opvatting van den tekst gehuldigd, en is deze op eene schromelijke manier dooreengeward. In dezen tekst zijn n.l. door elkaar heen te vinden:
(a) het doorloopen van de inwijding volgens het Egyptische ritueel.
(b) de verklaring van den hierofant aan de leerlingen van het ritueel zelf.
(c) de verklaring van de inwijding van den kandidaat als verzinnebeeldende de nederdaling van den Logos in de stof.
(d) de verklaring van verschillende leeringen van den exoterischen godsdienst, als daar zijn reïncarnatie, de drievoudige, zevenvoudige en meervoudige samenstelling van den mensch, zijn verband als mikrokosmos tot den makrokosmos, enz.
Wij zien dus dat het op zichzelf heel wat studie en zeer veel kennis zou vorderen om het _Boek der Dooden_ aldus te ontleden, en het kan dus thans ook niet mogelijk zijn dit te dezer plaatse in een kort bestek te doen in verband met ons onderhavig onderwerp. Ik wenschte er echter alleen op te wijzen, daar anders mijn aanhalingen uit de verschillende hoofdstukken van het _Boek der Dooden_ zonder een bepaalde volgorde eenigszins willekeurig zouden gelijken. Bij een juist denkbeeld van de samenstelling van het werk valt deze willekeurigheid weg.
Tot beter begrip van enkele gebeurtenissen in het ritueel is het niet onnoodig het volgende op te merken. Er wordt in enkele gedeelten van het ritueel veel gesproken over de "krokodil" en veel over het "hart". Het is natuurlijk steeds in symbolische beteekenis dat deze woorden gebruikt worden. De "krokodil" beteekent in de meeste gevallen Manas, het Denkvermogen en wordt dan gewoonlijk beschouwd als vijand van den _werkelijken_ mensch Osiris, als trachtende hem te bewegen tot afscheiding, de gevaarlijkste eigenschap van den "vijfpuntigen" mensch. De vijfpuntige ster, het symbool van den mensch gereed voor inwijding, gaf aanleiding tot het ontstaan van het krokodil-symbool, namelijk door de vijf uiteinden van voorpooten, achterpooten en staart. Soms is deze krokodil voorgesteld als draak en in enkele gevallen als visch.
Het "hart" is het reïnkarneerende beginsel of het ware Ego, het zoogenaamde "voorouderlijke hart".
In verband met deze diepgaande symbologie is het voor den studeerende zeer belangrijk, na te gaan hetgeen H. P. Blavatsky in dit verband zegt in de _Geheime Leer_ I, 288, 289. Zooals ik reeds opmerkte vindt men in het _Boek der Dooden_ vele dooreenstrengelen van verschillende leeringen, doch ook de ritueelen van verschillende inwijdingen zijn aan elkander vastgeknoopt of onderling verward. Zoo is bijvoorbeeld het begraven in een mummiekist en het gaan in de onderwereld een eerste inwijding en dit komt overeen met hetgeen thans in symbolischen vorm in den leerlingsgraad der Vr.·. M.·. doorloopen wordt, volgens mijn vroeger reeds vermelde opvatting, namelijk het gaan door den dood en het bekend worden met de werelden aan gene zijde des grafs, het bekend worden met astrale en devachanische toestanden, het bevriend raken met de elementalen dier gebieden, enz. Vandaar bijv. de offers, en het graan dat medegegeven werd in de mummiekist. De astrale tegenhangers daarvan kon hij hun als offers aanbieden. Later werd dit gebruik voortgezet bij de werkelijke dooden, hoewel waarschijnlijk de redenen, die er aanleiding toe gaven, reeds vergeten waren; doch wie weet hoeveel nut de afgestorvenen er aan gene zijde van hadden!
Dit gaan in de onderwereld en deze inwijding is natuurlijk volstrekt niet die waarover wij reeds spraken als de Christus-inwijding, waarbij de kandidaat op de Tau geplaatst werd. Bovendien had deze lagere inwijding veelvuldig en ook in vele andere tempels en pyramiden plaats. De inwijding waarover wij in een volgend hoofdstuk zullen handelen in verband met de groote Pyramide, aan de hand van het _Boek der Dooden_, is die inwijding welke als eindzege de geboorte van het Buddhisch lichaam had en symbolisch de uitstorting van den Logos verzinnebeeldde in het bouwwerk dat symbolisch zijn veld van werking voorstelde, namelijk ons zonnestelsel.
HOOFDSTUK X.
MYSTIEKE THEORIEËN. (SLOT.)
Wij zullen nu trachten den kandidaat bij zijn inwijding in de Groote Pyramide te volgen, en daar wij enkele gedeelten van het ritueel van het _Boek der Dooden_ in verband met deze inwijding in een vorig hoofdstuk reeds toelichtten, is het thans mogelijk om zonder verdere uitweiding over onderdeelen het geheel dezer inwijding te volgen.
Adams beweert dat het mogelijk is den kandidaat bij deze inwijding door de geheele Pyramide heen stap voor stap te volgen. Dit schijnt mij een eenigszins gewaagde opmerking om algemeen te worden aangenomen. Indien men de theorie op gevoelsgronden aanneemt is het wel duidelijk dat men tot deze conclusie komt, doch door iemand die de theorie kritisch beschouwt, zou deze opmerking zeer zeker niet onderschreven worden. Zooals wij reeds zagen is in de hoofdstukken I-XVII een soort inleiding belichaamd tot het eigenlijk ritueel; van hoofdstuk XVIII af wordt de kandidaat onderworpen aan beproevingen en maakt hij de inwijding door; het "Doorbrengen der Dagen" neemt een aanvang. Nadat de "doode" geplaatst is in de onderaardsche crypt, worden zekere mantrams over hem uitgesproken en ik meen dat dit gedurende den eersten tijd van de inwijding enkele malen geschiedde over het beweginglooze en schijnbaar levenlooze lichaam. Zulke mantrams vinden wij weergegeven in de hoofdstukken XVIII, XIX en XX. In hoofdstuk XVIII lezen wij o.a.:
Wanneer dit hoofdstuk opgezegd wordt, zal de doode te voorschijn treden bij dag, gelouterd na den dood en [hij zal] al de vervormingen [doormaken] die zijn hart zal voorschrijven. Indien dit hoofdstuk over hem opgezegd wordt, zal hij op aarde te voorschijn treden, hij zal aan alle vuur ontkomen; en geen enkele van de slechte dingen die hem [toebehooren] zullen hem in eeuwigheid en altijd en altijd belemmeren.
In hoofdstuk XIX wordt gesproken over het plaatsen van talismans op het gelaat van den doode, over het branden van wierook en het plaatsen van offeranden; terwijl dan merkwaardig is het volgende:
[Dit hoofdstuk] moet door u tweemaal opgezegd worden bij het aanbreken van den dag--nu is het een nimmer falende bezwering--regelmatig en voortdurend.
Hoofdstuk XX moet blijkbaar eveneens als mantram opgevat worden.
In de eerstvolgende hoofdstukken wordt daarna beschreven wat intusschen met het astraallichaam plaats vindt, en wel in de eerste plaats hoe het astraal _bewustzijn_ begint te werken en hoe het ego in het astraallichaam handelen kan. Zoo spreekt hoofdstuk XXII van het "openen van den mond", terwijl in XXIV en XXV vermeld wordt hoe het denkvermogen weder begint te werken in dit nieuwe astrale leven; wij lezen n.l.:
Het Hoofdstuk over: een mensch geheugen te doen bezitten in de onderwereld.
Eindelijk komt in hoofdstuk XXVI het "hart" wederom terug tot Osiris en wij lezen er in hoe de kandidaat daarna kan werken in zijn astraallichaam. Een gedeelte van dit hoofdstuk haal ik daarom aan:
....."Moge mijn mond mij [gegeven worden], opdat ik daarmede kan spreken; en mijn beide beenen om daarmede te wandelen, en mijn twee handen en armen om mijn vijand neer te werpen. Moge de deur van den hemel mij geopend worden; moge Seb, de Vorst der Goden, zijn beide kaken wijd voor mij openen; moge hij mijn beide oogen, welke geblinddoekt zijn, openen; moge hij zorgen dat ik mijne beide beenen van elkander uitstrek welke tezaam gebonden zijn; moge Anubis mijne dijen zoo stevig maken dat ik er op staan kan. Moge de godin Sekhet mij doen opstaan zoodat ik ten hemel kan stijgen, en moge datgene gedaan worden wat ik beveel in het Huis van de _Ka_ van Ptah (Memphis). Ik begrijp mijn hart. Ik heb heerschappij over mijn hart verkregen, ik heb macht over mijn beide handen, ik heb macht over mijne beenen, ik heb wederom macht om te doen wat mijn _Ka_ gelieft. Mijn ziel zal niet gebonden zijn aan mijn lichaam bij de poorten der onderwereld; maar ik zal in vrede binnentreden en in vrede te voorschijn komen."
Thans komen de beproevingen en gevaren. De kandidaat ziet in zijn astraal bewustzijn de vijanden die hem tegenhouden, n.l. zijn hartstochten, die zich in allerlei vormen aan hem opdringen, en trachten hem te vernietigen, van zijn doel af te leiden of op den verkeerden weg te brengen. Eenige hoofdstukken spreken zelfs van "het wegnemen van het hart van Osiris". Blijkbaar doelt dit op het gevaar van een kandidaat, die bewust op het astraal gebied werken kan, om af te dwalen in de paden der zwarte magie, waarbij ten slotte zijn "ego" losgescheurd zou worden uit de lagere lichamen. Een groote vijand van hem is hier ook de "krokodil", d.w.z. het denkvermogen.
In de hoofdstukken XXVII-XXXII vinden wij dan voornamelijk beschreven hoe de kandidaat zijne hartstochten onder de oogen moet zien en toonen moet dat hij ze overwonnen heeft; blijkbaar blijven ze, doch onderworpen aan den wil van den Osiris-mensch, en niet als zijn heerschers. Van een moeilijker strijd wordt verhaald in de hoofdstukken XXXIII-XLI, en wel van den strijd tegen het denkvermogen, dat een kandidaat op allerlei wijzen van zijn doel tracht af te leiden. Ook is hier sprake van magische of ordewoorden, die den kandidaat kunnen helpen. De strijd schijnt bemoeilijkt te worden door "slangen". Ik vermoed dat deze eene voorstelling zijn van de leidende hierofanten, die de standvastigheid van den kandidaat beproefden; wij moeten dus geen werkelijke vijanden in deze slangen zien, maar slechts schijnbare. Dit zou ook verklaren waarom bij het einde van dit deel der inwijding in hoofdstuk XLII een vignet staat, waarin de "doode" een koord heeft om het bovenste deel van een _tet_, wat volgens Naville het zinnebeeld van standvastigheid is.
Thans schijnt een tweede gedeelte van de astrale beproevingen aan te vangen om zijn zelfbeheersching te toetsen; er wordt n.l. veel gesproken over het wegnemen van zijn hoofd, het vergeten der magische woorden enz., terwijl ook nieuwe vijanden zich in allerlei gedaanten aan hem opdringen. Van zijn astraallichaam wordt echter gezegd dat het gelouterd is in het "water" der onderwereld, en schoon en schitterend geworden is. Niettemin wacht hem bij gebrek aan zelfbeheersching en standvastigheid de dood door de schepselen der duisternis (XLIII-LI).
Wanneer wij thans weder verband zoeken met de groote Pyramide in dit ritueel van inwijding, is het waarschijnlijk dat het lichaam van den kandidaat opwaarts gebracht werd naar de zoogenaamde "Put", terwijl daarna (in het derde gedeelte van de astrale inwijding) het ego van den kandidaat _wetend bewust_ werd van zijn goddelijke afkomst. Adams spreekt van dit bewustworden van den kandidaat van zijn goddelijken oorsprong als "de tweede geboorte". Dit schijnt mij wel eenigszins voorbarig, aangezien de tweede geboorte zelf het slot van de geheele inwijding vormt.
Enkele hoofdstukken duiden blijkbaar op de water- en vuurproef van het astraal gebied; zoo lezen wij o.a. in hoofdstuk LXIIIa:
Het hoofdstuk van het water drinken en het niet door vuur verbrand worden in de onderwereld.
Hoofdstuk LXIV zinspeelt op het welslagen van den kandidaat na de verschillende astrale beproevingen en geeft hem onderricht. Zoo lezen wij:
"Ik ben Gisteren, Heden en Morgen en [ik heb de macht] een tweede maal geboren te worden..." "Ik ben de Heer van de menschen die opgeheven worden, [de Heer] die uit de duisternis komt, en wiens vormen van bestaan die zijn van het huis waarin de dooden zijn".
Vooral de laatste uitdrukking past zeer wel in onze theorie. Indien de hierofant hier de spreker is, vertegenwoordigt hij als zoodanig de Logos; het huis dat den vorm van diens bestaan bevat is de Pyramide; de dooden zijn de in-te-wijden kandidaten.
Terwijl nu het astrale lichaam rust verkrijgt, vangt de beproeving in het verstandslichaam aan. Deze regeneratie van het verstandslichaam vindt plaats nadat het in trance verkeerende lichaam in de zoogenaamde Koninginnekamer geplaatst is. Dit tweede gedeelte van de inwijding is moeilijk te volgen, zelfs in het _Boek der Dooden_, niet omdat het er niet beschreven staat, maar omdat wij er zoo weinig van begrijpen kunnen.
In hoofdzaak schijnt dit tweede gedeelte der inwijding te bestaan uit het doormaken van zekere beproevingen, die de rijpheid van het oorzakelijk lichaam zullen bevorderen, opdat de geboorte in het Buddhisch lichaam vergemakkelijkt worde.
Uitvoerig wordt daarna beschreven hoe, na de tweede periode der inwijding, Osiris tot het lichaam terugkeert. Hij is namelijk zoo schitterend geworden dat "het lichaam verteren zou door den glans", en vandaar dat er verschillende transformaties moeten plaats vinden, voordat het lichaam weder bezield kan worden. In de hoofdstukken LXV-LXXV worden de wedergeboorte en de terugkeer tot het lichaam beschreven, terwijl in de hoofdstukken LXXVII-LXXXVII de verschillende transformaties beschreven worden, alles in symbolischen vorm natuurlijk. Het goddelijk Ego hult zich dus in een Khaibit of licht-dampkring (aura), bestaande uit een reeks etherische omhullingen, die het schitterend licht van de Ikheid temperen en vatbaar maken, om opgevangen te worden door het aardsche lichaam. De vorm die het eerst aangenomen wordt is die van de gouden wolk, het symbool van den Eeuwige; daarna heeft eene vervorming plaats, welke symbolisch voorgesteld wordt door het hoofd van Osiris in een lotus, de Godheid geopenbaard in de onbevlekte stof; vervolgens wordt de slangvorm aangenomen, duidende op de verkregen wijsheid, terwijl ten laatste het Ego wedergekeerd is in het lagere verstand en als symbool daarvan den krokodil-vorm aanneemt. Adams merkt met betrekking tot het krokodil-symbool in den vorm van vijand zoowel als in den vorm van goddelijke belichaming het volgende op:
"Want daar de menschelijke hartstochten deel uitmaken van de natuur waarin de mensch oorspronkelijk geschapen werd, zijn zij niet uitteraard slecht, maar worden slecht wanneer zij niet onderworpen zijn aan de ziel. En aldus wordt de krokodil, die den "doode" aanviel vóór de wedergeboorte, goddelijk in den nieuwen vorm. Daarom werd de krokodil in hoog aanzien gehouden bij de Egyptenaren, want deze sprak hun van den tijd waarop de mensch heerschappij over zijne hartstochten zou hebben verkregen en waarop de laatste hinderpaal tusschen hem en zijn verheerlijkte ziel weggenomen zou zijn."
De vereeniging van ziel en lichaam na het tweede gedeelte der inwijding vindt plaats in de hoofdstukken LXXXIX-XCIII.
Het is echter niet goed mogelijk den kandidaat in werkelijkheid in de Pyramide te volgen, zooals Adams dit doet en wel hoofdstuk na hoofdstuk. Zoo zou in dit laatste gedeelte der inwijding de "ziel" wedergeboren worden in de Koninginnekamer, en het lichaam zou wachten op den bodem der "put". Daarna zou de ziel nederdalen tot het lichaam. Der fantasie is hier te veel spel gelaten. Meer waarschijnlijk is wel, dat het in trance verkeerende lichaam eerst onder den grond, en daarna in de Koninginnekamer werd gedragen. Het laatste gedeelte der inwijding (3 dagen en 3 nachten) werd doorgebracht in de Koningskamer.
Wanneer wij dus uit het rijk der fantasie van Adams treden en zien wat werkelijk plaats vond met den kandidaat, zooals H. P. Blavatsky ons dit mededeelt, dan moeten wij den bouw van het inwendige der Pyramide louter als den symbolischen weg opvatten en niet letterlijk den kandidaat gedeelte na gedeelte laten doorloopen in gelijken tred met den voortgang zijner inwijding op hoogere gebieden. De symboliek van het bouwwerk moet geheel gezocht worden in de getalwaarden van de verhoudingen der afmetingen, en deze getalwaarden vormen de symboliek, waarin de voortgang van den kandidaat in zijn evolutie wordt voorgesteld. Zooals wij reeds vroeger betoogden, is de Groote Pyramide een stoffelijk symbool van den Zonne-Logos. De mensch nu volbrengt zijn evolutie binnen het veld van den Logos, legt een zekeren weg af in het lichaam van dien Logos (vandaar het symbool van den dierenriem als de baan der evolutie). Gedurende de inwijding nu legde de kandidaat dezen weg wederom af in het bouwwerk, dat dit "lichaam" verzinnebeeldt en dus op symbolische wijze: naarmate zijn inwijding vorderde, moest hij zich in een ander gedeelte van de Pyramide bevinden, om ten slotte het einddoel te bereiken in de Koningskamer, "het hart". Op zijn pad leidden hem de Hierofanten, die hem telkens, na doorstane beproevingen op andere gebieden, leering gaven door hem de symbolische beteekenis van den afgelegden weg te verklaren. Aldus werd een kennen van het inwendige van "het Huis", een kennen van fundamenteele kosmische waarheden.
In het derde gedeelte van zijne inwijding onderging de kandidaat blijkbaar zeer zware beproevingen en werd hij door het college van Adepten ten nauwste getoetst. Naar ik meen is dit weergegeven in het tooneel, bekend als "het wegen van het hart" van Ani. Dit zou dan gelezen moeten worden als een onderzoek naar den staat van het oorzakelijk lichaam; of alle kiemen van kwaad daar uitgeroeid zijn.
Het zou ons echter blijkbaar te ver voeren en ons zeker de grenzen van deze verhandeling verre doen overschrijden, indien wij de symboliek van het ritueel van het _Boek der Dooden_ in zijn geheel zouden trachten na te gaan. Zulks vormt een onderwerp op zichzelf, waarop ik in een later werk hoop terug te komen.
Het eindstadium van de inwijding had plaats in de Koningskamer en wordt in vele werken aangehaald als "het mysterie van het open graf". Het lichaam van den kandidaat zou namelijk geplaatst worden in de sarcofaag, om de laatste dagen der inwijding daar te verblijven. H. P. Blavatsky zegt dat dit werkelijk het geval was en dat op dit stadium der inwijding de kandidaat Osiris het mannelijk of scheppende beginsel in den Kosmos voorstelde en de sarcofaag het vrouwelijk beginsel, aldus de nederdaling van den Logos in de stof verzinnebeeldende. Veel kan men in verband met dit gedeelte van ons onderwerp vinden in Gerald Massey's _The Natural Genesis_.
Nadat de kandidaat op hoogere gebieden wederom zijn "Pad" beëindigd had, werd hij op den morgen van den laatsten dag zijner inwijding op het kruis uit de koningskamer gedragen en aldaar zoo geplaatst, dat de zonnestralen door een luchtkanaal op zijn voorhoofd vielen en hem deden ontwaken als een der Ingewijden.