De Grondbeginselen Der Nederlandsche Spelling Regeling Der Spel
Chapter 7
Duidsch voor Duitsch, diedsch voor diets, begicht voor biecht, omdat deze spelling, hoewel door de afleiding geboden, tegen andere regels aandruischt, en de woorden weer (man), died of duid (volk), giën (zeggen) niet meer in gebruik zijn, zoodat de beteekenis door het wijzen op de grondwoorden niet duidelijker gemaakt, maar veeleer verduisterd zou worden.
d. De bepaling »zooveel de uitspraak toelaat" is aan beide deelen gemeen en stelt den geheelen regel onder dien der Beschaafde Uitspraak. Zij verbiedt te schrijven: andbacht voor ambacht en ambt; heertog voor hertog; paarlemoeder voor paarlemoer; gezoekt, gekoopt, voor gezocht, gekocht enz., omdat die vormen met de uitspraak in strijd en daardoor onduidelijk zijn.
e. Men zie vooral niet voorbij, dat de gestelde regel grootendeels dezelfde is, als die, welken men gewoonlijk den Regel der Afleiding noemt. Immers, onder meer, schrijft hij ook voor, de afleiding in acht te nemen. De benaming Regel der Gelijkvormigheid verdient echter de voorkeur; vooreerst omdat zij, op de bedoeling van den regel zinspelende, zijne strekking beter uitdrukt, en ook het in a) bedoelde omvat, hetwelk door den naam Regel der Afleiding buitengesloten wordt; en vervolgens, omdat men deze laatste uitdrukking noodig heeft als de benaming van een anderen regel, die werkelijk uitsluitend op de afleiding gegrond is.
f. De Regel der Gelijkvormigheid, ofschoon eigenlijk de bevordering der apperceptie ten doel hebbende, vult te gelijk meer dan ééne leemte in den Regel der Uitspraak aan, doordien hij in vele gevallen, waar deze niet beslist, het gebruik der medeklinkers bepaalt. Dit heeft plaats, wanneer de sluitletters der veranderlijke woorden tot de verwante medeklinkers behooren, en wanneer in afleidingen en samenstellingen twee gelijke of verwante medeklinkers samentreffen; vergelijk boven a en b.
50. Waar de Regel der Gelijkvormigheid voor de bepaling der sluitletters te kort schiet of zijne toepassing geheel nutteloos zou zijn, voornamelijk bij onverbuigbare woorden, wier vorm dikwijls ook niet uit de afleiding blijkt, is het rationeel die letters te kiezen, die het naast aan de uitspraak komen. Daar nu de zachte medeklinkers aan het einde der woorden geheel of bijna aan de verwante scherpe gelijk worden, eischt de Regel der Beschaafde Uitspraak het gebruik der scherpe in de onverbuigbare woorden. Daarom de t in ooit, voort, voorts, want, de ch in doch, toch, enz.
Door onverbuigbare woorden (indeclinabilia) worden hier verstaan alleen die woorden, die van nature onverbuigbaar zijn, als bijwoorden, voorzetsels, voegwoorden en tusschenwerpsels, niet de zoodanige, die tot eene klasse van verbuigbare woorden, als de zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden behoorende, alleen door toevallige omstandigheden niet verbogen worden. Het substantief was (cera) en het adjectief kwijt b.v. behooren niet tot de indeclinabilia, ofschoon beide geene verbuiging ondergaan.
51. De doelmatigheid zou nog een anderen regel voorschrijven, wier opvolging de vlugge herkenning der woorden zeer zou bevorderen en dien men den Regel der Onderscheiding zou kunnen noemen. Deze zou eischen, dat gelijkluidende, maar in beteekenis verschillende woorden (homoniemen) door de spelling werden onderscheiden. Die eisch is echter in vele gevallen volstrekt onuitvoerbaar, en zou in andere tot eene geheel willekeurige spelling aanleiding geven, waardoor bovendien meestal tegen andere erkende regels zou worden gezondigd. Het is b.v. niet mogelijk arm (niet rijk) anders te schrijven dan arm (lichaamsdeel); het zou doenlijk zijn zugt (zware ademhaling) te onderscheiden van zucht (begeerte), maar hoe dan zugt of zucht (ziekte) als van beide verschillend te kenmerken? Waaren (koopgoederen) en (wij) waren zou, op zich zelf beschouwd, kunnen gaan, maar de aa strijdt tegen een erkenden regel, terwijl de willekeur hieruit blijkt, dat het evenzeer mogelijk zou zijn het eerste waren met ééne, het tweede met twee a's te schrijven. Doch hoewel de onderscheiding der homoniemen niet als regel kan voorgeschreven worden, is zij toch belangrijk genoeg om met recht te eischen, dat woorden, die tot nu toe verward zijn, voortaan, in weerwil van het gevestigd gebruik, verschillend worden gespeld, wanneer zulks buitendien reeds door een anderen regel gevorderd wordt. B.v. delen (planken) en deelen (gedeelten), beren (verscheurende dieren) en beeren (varkens), sleepen (doen slepen) en slepen (gesleept worden).
52. De beide opgegeven regels, die der Beschaafde Uitspraak en die der Gelijkvormigheid, vloeien, gelijk wij gezien hebben, onmiddellijk uit de natuur en de bestemming van het schrift voort. De bijzondere spelregels zijn òf toepassingen van die twee, òf zijn er onafhankelijk van. De beschouwing der voorschriften, die onmiddellijk uit de algemeene spelregels voortvloeien, ligt buiten het bestek van een programma, dat niet bestemd is om het geheele spellingstelsel te doen kennen, maar alleen om de grondslagen te leggen, waarop het stelsel behoort opgetrokken te worden, en bestaande geschillen te beslissen.
53. Ook de voorschriften, welke niet in een onmiddellijk verband staan met de algemeene regels, kunnen hier niet ter sprake komen, dan voor zooverre zij door één beginsel, door een hoogeren regel, beheerscht worden, die wel is waar evenzeer als de bijzondere regels willekeurig is aangenomen, doch moet worden geëerbiedigd, indien men de spelling tegen stelselloosheid en tallooze inconsequenties behoeden wil. Die voorschriften betreffen de keus uit de paren van gelijkluidende letterteekens bij het schrijven van grondwoorden. Daar die letters, opgenoemd in § 47, voor veler oor en mond volkomen denzelfden klank vertegenwoordigen, kan de Regel der Beschaafde Uitspraak niet beslissen; terwijl de Regel der Gelijkvormigheid alleen eischt, dat men in een zelfde woord steeds dezelfde letters bezige, zonder de letters zelve te bepalen.
54. Wanneer men de meeste dier bijzondere voorschriften onderling vergelijkt, dan blijkt het, dat het Nederlandsch den volgenden regel heeft aangenomen, dien men om den grondslag, waarop hij geheel steunt, den Regel der Afleiding kan noemen:
Bij de keus der gelijkluidende letterteekens beslist de afleiding of de oudere vorm uit den tijd, toen de nu gelijk geworden klanken nog duidelijk onderscheiden konden worden, in die gevallen, waarin geene andere regels of bijzondere omstandigheden die keus onraadzaam maken.
55. Het kan hier de vraag niet zijn, of men niet beter zou gehandeld hebben met een der gelijkluidende letterteekens als overtollig weg te werpen; het is genoeg te weten, dat men zulks niet gedaan heeft en nu met het bestaande moet voortwerken. Het strikt genomen overtollige als ballast over boord te werpen, zou eene omwenteling zijn, wier nasleep niet te overzien ware; het verstandigst is den bestaanden toestand te eerbiedigen.
56. Buitendien heeft die overvloed ook zijne goede zijde. Het bestaan van gelijkluidende letterteekens stelt dikwijls in staat om homoniemen door de spelling te onderscheiden; men denke aan weken, mv. van week, en weeken, ww.; aan kolen en koolen, lijden en leiden.
57. Indien het schrijven overeenkomstig den ouderen vorm alleen een noodmiddel is, dat door de natuur van het schrift niet gevorderd, veeleer ontraden wordt, omdat het de spelling voor niet-taalkundigen moeilijk maakt, dan mag dat beginsel vooral niet worden toegepast in strijd met den Regel der Beschaafde Uitspraak.
58. Doch hoewel de uitspraak steeds de hoogste wetgeefster in de spelling is en blijft, waartegen men zelfs ten gerieve der apperceptie niet zondigen mag, bestaan er eenige weinige gevallen, waarin het raadzaam is uitzondering te maken. In zeldzaam voorkomende woorden, waarin eene bijna niet merkbare verandering zou moeten plaats grijpen, mag de afleiding den boventoon hebben, wanneer daardoor de ware uitspraak en de juiste opvatting der woorden hersteld kan worden; b.v. kerstmis voor kersmis, bestje voor besje, amechtig voor aamechtig, slaphakken voor slabbakken. Dit mag te eer geschieden, wanneer het volk de ware of eene minder bedorven uitspraak bewaard heeft. Op dien grond is Dinsdag, oudtijds Disendag (verbasterd uit Diesdag), van den krijgsgod Die, te verkiezen boven Dingsdag, dat ten onrechte aan ding of geding doet denken.
59. De laatst gestelde algemeene regel (die der Afleiding) is natuurlijk niet toereikend bij die woorden, wier afleiding of oudere vorm geheel onbekend of onzeker is. Dit maakt een vierden algemeenen regel noodzakelijk, die door de Aesthetica ter wering van willekeur of onordelijkheid en ter bevordering van regelmaat wordt voorgeschreven: te weten den Regel der Analogie. Deze zal in de spelling aldus moeten luiden:
Waar de drie bovengenoemde algemeene spelregels zwijgen, handelt men overeenkomstig de analogie; d.i. de woorden wier spelling noch door de uitspraak, noch door de gelijkvormigheid, noch door de afleiding wordt bepaald, worden op dezelfde wijze geschreven als andere, wier spelling met zekerheid bekend is en die oogenschijnlijk op overeenkomstige wijze gevormd zijn.
60. Daar de Regel der Analogie niet uit de natuur van het schrift voortvloeit, maar op gronden steunt, die buiten het gebied der grammatica liggen, zou het verkeerd zijn dien te laten gelden in strijd met een der vorige regels.
61. De Aesthetica geeft nog een regel aan de hand, die in enkele twijfelachtige gevallen den doorslag kan geven en de balans naar de eene of andere zijde doen overhellen. In § 14 is reeds aangemerkt, dat het schrift, ofschoon zelf op de uitspraak gegrond en daarvan afhankelijk, omgekeerd op de uitspraak, vooral van hen die eerst leeren lezen, terugwerkt en eenen invloed oefent, die zich veelal ook later doet gevoelen. De leerling toch ziet al de bestanddeelen van den woordklank even duidelijk vertegenwoordigd, en is daarom vanzelf geneigd al de letters even sterk te articuleeren, ook die welke in de gewone spreektaal maar flauw gehoord worden. Het schrift geeft dus uit zijnen aard aanleiding tot eene gedeeltelijk onnatuurlijke en gedwongene, dat wil zeggen onwelluidende, uitspraak. Waar de spelling vaststaat en door algemeen erkende regels bepaald is, kan het schrift zulk eene wanspraak niet voorkomen, en moet het aan den onderwijzer blijven overgelaten er zijne leerlingen tegen te waarschuwen, en te zorgen, dat zij geene gewoonte worde. Doch wanneer eene in dit opzicht betere spelling mogelijk is, en--dit moet op den voorgrond blijven--door goede schrijvers is aangenomen; in die gevallen dus, waar geene eenparigheid in het schrijven bestaat en eene keus moet gedaan worden, is het ongetwijfeld rationeel die spelling te kiezen, die het minst tot eene verkeerde en wanluidende uitspraak aanleiding geeft. Op dat beginsel, welks deugdelijkheid wel door niemand zal in twijfel getrokken worden, laat zich een regel bouwen, welken men dien der Welluidendheid zou kunnen noemen. Vooraf dient echter uitgemaakt te worden, hoe ver deze reiken mag, en dit hangt ten deele af van het begrip, dat hier aan het woord welluidend moet gehecht worden.
62. Het woord welluidend is hier natuurlijk niet in zijn algemeensten zin op te vatten; de vraag is slechts: wat is binnen de grenzen onzer eigene taal relatief welluidend te achten? Nu is in het oor van het beschaafde publiek elk woord betrekkelijk welluidend, wanneer het zóó wordt uitgesproken, als men gewoon is het door beschaafden te hooren uitspreken. Wat van die gewoonte afwijkt, klinkt òf plomp en dialectisch, òf gemaakt en pedant. Er kan dus geene sprake zijn van eene welluidendheid, de beschaafde uitspraak overtreffende, of van een regel, die leeren zou anders te spreken dan de gewoonte medebrengt.
Een regel voor de welluidendheid kan derhalve slechts eene aanvulling zijn van den Regel der Beschaafde Uitspraak, en mag geen ander doel hebben dan op de naleving der voorschriften van dezen meer bepaaldelijk aan te dringen, die uitspraak te bevorderen en elke andere tegen te gaan. Wanneer men dit in het oog houdt, zal men den Regel der Welluidendheid in de volgende bewoordingen vervatten:
Waar twee of meer verschillende spellingen in gebruik zijn, waarvan geene zich door een der vroeger behandelde regels geheel laat rechtvaardigen, is die te verkiezen, welke de beschaafde uitspraak het best vertegenwoordigt.
63. Hieruit vloeit bepaaldelijk voort, dat men buiten overwegende redenen, b.v. blootelijk om eene afleiding te doen kennen, die de duidelijkheid, de apperceptie, niet bevordert, in het schrift geene letters herstellen mag, die in de beschaafde uitspraak niet meer gehoord worden.
Volgens den Regel der Welluidendheid zijn b.v. de volgende schrijfwijzen goed te keuren: thans, bijkans, Parijsche, Friesche, wijste, frischte, meisje, handje enz., voor thands, bijkants, Parijssche, Friessche, wijsste, frischste, meisjen, handtje enz.
64. Eene letter, die niet afzonderlijk wordt uitgesproken, moet toch geacht worden aanwezig te zijn, indien zij invloed heeft op eene voorafgaande of volgende letter, zoodat deze bij gemis der eerstgenoemde anders zou luiden. Zoo moet men b.v. rekenen, dat in straffen de beide f's gehoord worden, omdat strafen de uitspraak strá-fen voorstelt; in geenszins wordt, hoewel niemand geens-zins uitspreekt, de s toch gehoord, dewijl zij de volgende z verscherpt, zoodat het woord als geensins luidt.
65. De bijzondere spelregels bestaan in voorschriften, die leeren, hoe men in de bijzondere gevallen te handelen heeft om getrouw te blijven aan de grondbeginselen, in de algemeene spelregels uitgedrukt. Daar die grondregels geput zijn uit de natuur en de bestemming van het schrift, kan hunne consequente toepassing schijnen eene volstrekte noodzakelijkheid te zijn, die het stellen van verscheidene nieuwe regels zou gebieden. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat het toepassen van nieuwe regels van de schrijvenden altijd eene grootere of geringere inspanning vordert, altijd lastig is, en dat eene ongewone spelling steeds een onaangenamen indruk maakt, dan blijkt de onmogelijkheid eener strenge consequentie en de noodzakelijkheid eener beperking van de toepassing der grondbeginselen. Het zou derhalve, gelijk reeds in § 27 en 28 is aangemerkt, eene dwaasheid wezen, indien een grammaticus meende, dat hij als het ware eene geheele omwenteling in een spellingstelsel zou kunnen te weeg brengen. Te recht heeft dan ook reeds Siegenbeek, toen er nog geen gevestigd stelsel bestond, een regel gesteld, die de strekking had het aantal wijzigingen te beperken, en die gebood »acht te geven op het Gebruik". Die regel, of dat beginsel, zal in onzen tijd nagenoeg aldus moeten luiden:
De toepassing der beginselen, in de grondregels geleerd, is ondoenlijk in die gevallen, waarin zij eene veelomvattende wijziging der gebruikelijke spelling ten gevolge zou hebben. Door iedereen erkende en aangenomen regels, die de spelling bepalen van een groot aantal woorden, of van dezulke die, om zoo te zeggen, in elken volzin terugkeeren, al zij het ook dat zij door geenen der grondregels volkomen worden gerechtvaardigd, behooren geëerbiedigd te blijven, zoolang het gebruik niet vanzelf verandert.
66. Het spreekt vanzelf, dat deze regel evenmin onbepaald mag worden toegepast, maar beperkt blijft tot die gevallen, waar het Gebruik steunt op deugdelijke gronden, geldig in den tijd, toen het ontstond. Waar zulke gronden ontbreken, waar het Gebruik slechts een uitvloeisel is van begripsverwarring, van eene valsche etymologie of van eene verkeerde toepassing der analogie, daar heeft het van den aanvang af geene rechten gehad, maar staat met misbruik gelijk, en wordt ook door lengte van tijd niet gewettigd.
a. Zoo is b.v. de spelling thans (uit te hande), met eene h, die niet meer gehoord wordt, door het Gebruik gewettigd, en thands, met eene d er in, zou het ook wezen, indien men algemeen zóó schreef, omdat men in hand eene h en eene d hoort. De ch in tusschen is door het Gebruik gewettigd, omdat men, toen men begon zóó te schrijven, in dit woord werkelijk eene ch uitsprak. Niet gewettigd daarentegen is de schrijfwijze Dingsdag, als steunende op eene valsche etymologie, die den Dinsdag voor den dag der rechtsgedingen hield. Evenmin is de spelling te samen te verdedigen, ofschoon men misschien algemeen zoo uitspreekt, omdat die uitspraak slechts eene verkeerde toepassing is der analogie met samenkomst, samenzijn enz., waarin de s wettig is, als ontstaan zijnde uit tz.
b. Men heeft dit grondbeginsel tot de algemeene spelregels gerekend en den Regel van het Gebruik genoemd. Wel beschouwd echter voldoet het niet aan de eischen van een regel. Het beginsel heeft alleen voor den grammaticus waarde, niet voor het publiek; het Gebruik schrijft geene bepaalde regels voor, maar onderstelt, dat men eenparig zekere schrijfwijze volgt, die het niet aanbeveelt, maar slechts toestaat, en alleen gedwongen wettigt.
67. Uit het lastige, dat het toepassen van ongewone regels inheeft, vloeit nog een beperkend beginsel voort, dat de grammaticus niet roekeloos verzaken mag. Onze spelling levert reeds een aantal moeilijkheden op, die even onloochenbaar als, zonder eene algeheele omwenteling, onvermijdelijk zijn. Vereischt nu het schrijven van het Nederlandsch vrij wat oplettendheid, dit bezwaar mag niet willekeurig en zonder eenig nut nog grooter gemaakt worden. Nieuwe spitsvondige onderscheidingen in de spelling, die geen practisch voordeel aanbrengen, niet met de beteekenis of het gebruik in verband staan, of niet door een erkenden regel geëischt worden, mogen niet worden aanbevolen.
Van een geheel anderen aard zijn de gevallen, waarin eene keuze moet plaats hebben tusschen twee gebruikelijke nagenoeg even goede schrijfwijzen; alsdan kan het uit den aard der zaak slechts eene kleinigheid, een onbeduidend iets wezen, dat den doorslag moet geven.
68. Uit het vorenstaande volgt, dat er ten opzichte van de uitspraak drieërlei spelling bestaat:
1. eene spelling, geheel overeenkomstig met de uitspraak, naar of volgens de uitspraak, d.i. geheel en al door den Regel der Beschaafde Uitspraak voorgeschreven, b.v. die van al, as, bal, bast enz., welke woorden met onze letters niet anders zouden kunnen geschreven worden;
2. eene spelling, niet geheel volgens de uitspraak, niet juist zóó door haar voorgeschreven, doch ook niet met haar in strijd, maar met haar vereenigbaar, doordien de ware, gebruikelijke uitspraak, ten gevolge van den wederzijdschen invloed der letters op elkander, vanzelve volgt; vergelijk § 42 en het slot van § 43. Tot deze soort van spelling behooren b.v. abt, werelddeel, staatdame, geenszins; en
3. eene spelling, gedeeltelijk volstrekt strijdig en onvereenigbaar met de hedendaagsche uitspraak, maar door een wettig gebruik volstrekt gewild; b.v. menschen, tusschen, thans, vijftig, zestig.
69. De volgorde, waarin de Algemeene Spelregels ontvouwd zijn, is de natuurlijke; eene geheele omzetting zou zelfs onmogelijk wezen.
De regel der Uitspraak moet noodwendig de rij openen. Daar het schrift de reproductie der woordklanken ten doel heeft (zie § 2 en 3), is een letterschrift, dat den klank, de uitspraak, aanvankelijk althans, niet afbeeldt, iets volstrekt ondenkbaars, een onding. De Regel der Uitspraak is derhalve met het schrift gegeven, is de Natuurwet der Spelling. De eerste schrijvenden volgden dien noodwendig, ook omdat er geene woordenboeken of spraakkunsten bestonden, die hen leerden, geene gezaghebbende schrijvers, die hen noopten, anders te handelen.
De Regel der Uitspraak is niet slechts de eerste en oorspronkelijk de eenige, maar ook thans nog de algemeenste. Geen woord, welks spelling niet òf geheel en al, òf grootendeels door de uitspraak wordt geregeld; en al de regels, die moeten dienen om den Regel der Beschaafde Uitspraak, waar die te kort schiet, aan te vullen of te verklaren, ontleenen van dezen hunne kracht en beteekenis. Zelfs wanneer het Gebruik dwingt in strijd daarmede te handelen, geschiedt zulks op grond der uitspraak, namelijk ten gevolge eener verouderde.
a. Van tallooze woorden, als af, bel, doek, enz., waarvan geene andere spelling denkbaar is, wordt deze geheel door de uitspraak geregeld. Van de overige woorden, waarbij ook andere regels moeten gehoord worden, bepaalt zij de groote meerderheid der letters; b.v. van boekbindersknechten, kuipershandwerk, worden alleen de ch en de d niet rechtstreeks door de uitspraak voorgeschreven, dewijl ook g en t daaraan zouden beantwoorden.
b. De Regel der Gelijkvormigheid is op dien der Uitspraak gegrond en wil niets dan hetgeen de uitspraak wil. Hij eischt in dag eene g, en in hoofddeel twee d's, alleen omdat men in dagen eene g, en in hoofd en deel beide eene d hoort.--De Regel der Afleiding steunt op de uitspraak. Hij wil twee e's in deelen (gedeelten), doch ééne in delen (planken), alleen omdat die woorden voorheen verschillend luidden, het eene dail, het andere dil.--De Regel der Analogie ontleent zijne kracht aan dien der Afleiding, en berust dus middellijk op de uitspraak; terwijl die der Welluidendheid eeniglijk uitgaat van de onderstelling, dat het schrift de uitspraak voorstelt.--Zelfs in die gevallen, waarin het niet raadzaam is het gevestigd Gebruik te trotseeren, doet de uitspraak zich gelden. Men schrijft tusschen met eene ch, en thans met eene h, alleen omdat men vroeger die ch en h werkelijk uitgesproken heeft, dus inderdaad alweder op grond der uitspraak. Deze doet derhalve allerwegen hare kracht gevoelen.
70. De Regel der Uitspraak overheerscht ook alle andere regels, zoodra deze eene spelling voorschrijven, volstrekt onvereenigbaar met de uitspraak; hij wijkt alleen voor het onverzettelijk Gebruik (vergel. § 68, nº, 3).
Men schrijft volgens den Regel der Beschaafde Uitspraak: abdij, ambt, herberg, behendig, overtollig, gekocht, wierook, bruiloft, hoewel de Regel der Gelijkvormigheid of die der Afleiding abtij, andbacht, heerberg, behandig, overtallig, gekoopt, wijrook, bruidloopt zou vorderen.
Een strijd tusschen den Regel der Analogie en dien der Beschaafde Uitspraak is uit den aard der zaak ondenkbaar, dewijl de eerste alleen dan spreekt, als de laatste zwijgt. Hetzelfde is het geval met den regel der Welluidendheid, die eeniglijk strekt om de overeenstemming van het schrift met de uitspraak te bevorderen.
71. Aan den Regel der Gelijkvormigheid komt èn om zijn uitgestrekt gebied èn om zijne nuttigheid de tweede rang toe. Men zal dit gereedelijk erkennen, als men bedenkt, dat hij de spelling van alle afgeleide en samengestelde woorden, en van alle verbuigbare woorden op b, p, d, t, g en ch regelt, dus wijd en zijd heerscht, en dat hij moet strekken om de duidelijkheid, de gemakkelijke herkenning der woorden en hunner beteekenis te bevorderen, en derhalve van uitgebreid nut is.
Men vergete vooral niet, dat de Regel der Gelijkvormigheid, onder meer, ook gebiedt de afleiding te volgen in al die gevallen, waarin zulks aan de duidelijkheid kan bevorderlijk wezen, en dat hij uit dien hoofde ook de regels omvat, die men voorheen onder den Regel der Afleiding stelde. Inderdaad wordt derhalve aan de Afleiding de tweede rang toegekend, namelijk voor zooverre hare inachtneming nuttig is.
72. Is het volgen van den Regel der Uitspraak volstrekt onvermijdelijk en de naleving van dien der Gelijkvormigheid hoogst nuttig, van een anderen aard is het in acht nemen der drie volgende grondregels. Dit zou niet volstrekt noodzakelijk zijn, en het nut daarvan bestaat slechts in de regeling van zaken, die tamelijk onverschillig zouden wezen, indien orde en regelmaat niet ook in de Spelling wenschelijke eigenschappen waren. De Regel der Afleiding, zooals deze hier beperkt is, die der Analogie en der Welluidendheid, vervullen geene onmisbare behoeften, brengen geene gemakken aan, maar leveren de voorwerpen van weelde, die eene doelmatig ingerichte woning tot een aangenaam verblijf kunnen maken, en die van de beschaving en den smaak der bewoners getuigen.
Onder deze komt aan den Regel der Afleiding de eerste plaats toe, omdat zijn gebied, ook na aftrek van alles wat onder den Regel der Gelijkvormigheid is gebracht, nog groot blijft. Hij regelt o.a. de spelling der vele woorden, waarin ij's en ei's, en in opene lettergrepen heldere e's en o's voorkomen. Dan moet de Regel der Analogie volgen, omdat deze zich op de Afleiding beroept en van haar al zijne kracht ontleent; zoodat voor den Regel der Welluidendheid, welke, evenals die der Analogie, slechts zelden te pas komt, de laatste rang overblijft.
Van het Gebruik, dat, hoe machtig ook, geen regel is, maar de toepassing der eigenlijke regels beperkt, kon natuurlijk eerst melding worden gemaakt, nadat men de kracht en strekking van deze had leeren kennen.
TWEEDE AFDEELING.
Over de bijzondere spelregels, waaromtrent verschil van gevoelen bestaat.
Daar de Redactie, om redenen in het Voorbericht en in § 27 en 28 opgegeven, voor de door haar te volgen schrijfwijze de in Noord-Nederland gebruikelijke spelling als uitgangspunt heeft aangenomen, en deze genoegzaam bekend mag geacht worden, heeft zij het overtollig gerekend het geheele spellingstelsel te ontvouwen. Deze Tweede Afdeeling bevat dus slechts eene opgave der verbeteringen, die haar wenschelijk zijn voorgekomen, benevens eene vermelding van de keuze, die zij gemeend heeft te moeten doen uit de onderscheidene spellingen, ten opzichte waarvan onder onze letterkundigen verschil van gevoelen bestaat.
De klinkers.
73. De verlenging der a en u in geslotene lettergrepen geschiedt buiten twijfel op de meest gepaste wijze door verdubbeling. De spelling aa en uu beantwoordt zoowel aan de uitspraak, als zij door de analogie gewettigd en door de etymologie niet gelogenstraft wordt. Zij verdient dus zeer zeker de voorkeur boven ae en ue. Aa stelt denzelfden zuiveren klank voor, die door a wordt aangeduid. Bij ae is men geneigd te denken aan de naar e trekkende uitspraak der landlieden in sommige streken van Zuid-Holland en Zeeland; de Vlaamsche a zou door ao moeten afgebeeld worden. Vergelijk Taalgids, IV, blz. 54-64.
74. De spelling blaauw, flaauw enz. stelt eene uitspraak voor, die niet de gewone is, in het oor der groote meerderheid onaangenaam klinkt, en stellig niet tot de beschaafde gerekend wordt. Het komt ons derhalve niet raadzaam voor, eene spelling te bestendigen, die te recht door velen wordt afgekeurd, en voor wier behoud geene andere reden is aan te voeren dan een gebruik, dat op geene taalkundige gronden steunt en daarom, als strijdig met de beschaafde uitspraak, geen recht van bestaan heeft; vergelijk § 66. Wij schrijven derhalve blauw, flauw, gauw, grauw, klauw, lauw, nauw, pauw, rauw, knauwen, krauwen enz. met au. Zoodoende heft men het geheel willekeurige verschil met de gebruikelijke schrijfwijze dauw en kauw op, die meer in overeenstemming is met de gewone uitspraak, welke veeleer ou dan aau doet hooren.
75. Onder de regels, omtrent wier toepassing de gevoelens der taalkundigen uiteenloopen, staan die aangaande de verdubbeling der e's en o's in opene lettergrepen bovenaan. Siegenbeek en Weiland volgden daarbij de uitspraak, welke heerschte, of geacht werd te heerschen, in die streken, waar de genoemde letters op tweeërlei wijze, met den zoogenoemden zachten of met den scherpen klank, worden uitgesproken. Hunne handelwijze was natuurlijk. Immers de verdubbeling der letterteekens moest dienen om de meer gerekte, naar een tweeklank zweemende uitspraak der scherpe e en o van den eenigszins korteren, meer gelijkmatigen klank der zachte voor het oog te onderscheiden. Juist dat verschil in de uitspraak had het eerst het verschil in de natuur dier letters doen opmerken, terwijl de studie der Germaansche talen te hunnen tijde nog niet ver genoeg gevorderd was om den diepliggenden oorsprong van dat verschil te leeren kennen. Zij konden nog niet tot de oorzaken opklimmen en moesten dus hun onderzoek tot de gevolgen beperken. De uitspraak echter is in dit geval geen onfeilbaar en toereikend richtsnoer. Dit blijkt onder andere uit de wijze, waarop Siegenbeek genoodzaakt was te werk te gaan bij de woorden, waaromtrent hij bij de schrijvers verschil van gevoelen gevonden had, en die hij daarom achter zijne Verhandeling over de Spelling aan een bijzonder onderzoek onderwierp. Bij al die woorden was hij verplicht de schrijvers, die het onderscheid in de uitspraak door hunne spelling uitdrukten, te raadplegen, hunne getuigenissen te wikken en te wegen, en als het ware de stemmen vóór en tegen te tellen. Waar men in eene wetenschap tot eene stemopneming zijne toevlucht moet nemen, is de evidentie der waarheid niet groot; maar vooral hier bleek duidelijk de zwakheid van den grondslag, waarop gebouwd werd. Als men dat groote vijftigtal artikels naleest, ziet men, dat niet alleen schrijvers, op verschillende plaatsen woonachtig, in hun oordeel over de uitspraak van dezelfde woorden onderling verschilden, maar ook dat velen zich zelven niet gelijk bleven. Men moge dit laatste verschijnsel aan slordige correctie willen toeschrijven, het bewijst in allen gevalle, dat de ware uitspraak niet zóó kennelijk van de valsche onderscheiden was, dat de corrector zich niet vergissen kon. Doch volstrekt onloochenbaar is het verschil tusschen de uitspraak van dezelfde woorden in verschillende gewesten en steden. Volgens het beweren van Siegenbeek zelven worden heeten, keten, menigte, smeeken, spenen, betoogen, genoot, klooven, loochenen, nopen, personen en schromen in Rotterdam anders dan in Zeeland uitgesproken; terwijl men in deze provincie zoowel poogen als pogen en te Rotterdam zoowel tonen als toonen zou hooren [3]. Dat er ten opzichte van andere woorden reeds in de laatste helft der zestiende eeuw eene dergelijke onzekerheid bestond, kan men opmaken uit het woordenboek van Kiliaan, die aan de uitspraak bijzondere aandacht schonk en zich gehouden achtte een aantal woorden, als deren, kelen, nering, peren, scheren, smeren, teeder, telen, teren, weren, zweren, zweven, bogen, boren, dolen, smoken enz. onder de beide vormen op te teekenen.
Uit het aangevoerde blijkt overtuigend, dat het verschil in de werkelijke uitspraak der woorden, hetwelk vroeger het geheele land door moet geheerscht hebben, maar zich thans tot zekere streken en steden bepaalt, voor de spelling slechts een onzekeren grondslag kan uitmaken. Daarbij is het te voorzien, dat het eenmaal geheel zal ophouden. Men heeft om die redenen naar een ander beginsel om te zien, dat in substantie dezelfde uitkomsten oplevert, maar niet aan verandering onderhevig is, niet dreigt geheel te verdwijnen, en dat in de gevallen, waar verschil van uitspraak bestaat, op deugdelijke gronden kan beslissen. Zoodanig beginsel vinden wij gelukkig in den verschillenden oorsprong der e's en o's. Door de onderzoekingen der nieuwere taalkundigen namelijk is gebleken, dat de talen van den Indo-Germaanschen volksstam oorspronkelijk slechts drie vocalen, a, i en u (lees: oe) bezaten, en dat al de overige klinkers, ook de e en o, uit die grondvocalen en de daaruit samengestelde tweeklanken ontstaan zijn; zie onder anderen Bopp, Vergl. Gramm. des Sanskrit, Send etc. §§ 1-104. Deze stelling is de spil, waarom het gansche vocaalstelsel, ook dat der Germaansche talen, draait; met haar kunnen alle verschijnselen op het gebied der klankleer in genoemde talen natuurlijk en ongedwongen verklaard worden; zonder haar blijft alles duisternis en verwarring [4]. Doch al wil men haar ook al niet voor alle Indo-Germaansche talen als geldig erkennen, ten opzichte van het Nederlandsch is zij niet te loochenen. Immers het kan, op weinig uitzonderingen na, aangetoond worden, uit welke van die grondklanken onze e's en o's ontstaan zijn, terwijl de weinige gevallen, waarin men dat niet kan, worden aangetroffen bij het betrekkelijk geringe getal woorden, wier ouderen vorm men tot nog toe niet heeft kunnen ontdekken.
De verschillende oorsprong der e's en o's is de oorzaak van het onderscheid tusschen de zachte en de scherpe uitspraak. Eene vergelijking der Nederlandsche woorden, waarin e's en o's voorkomen, met dezelfde of verwante woorden, hetzij in onze eigene taal, hetzij in andere oudere of nieuwere Germaansche talen, leert, dat de e en o beide drieërlei oorsprong hebben: dat de e eene wijziging van i, a of ai, en de o van u (oe), a of au is. Verder blijkt, dat de lange heldere of opene e's en o's uit de enkelvoudige, oorspronkelijke klinkers a, i en u (oe) ontstaan, juist diegene zijn, waaraan algemeen, behalve natuurlijk in de gevallen waar verschil bestaat, de zoogenaamde zachtlange klank wordt toegekend; terwijl de ineengesmolten tweeklanken ai en au aan erkende scherplange e's en o's beantwoorden.
Door deze waarneming worden bijna alle verschijnsels, die men in de geschiedenis onzer e's en o's en in hare verwisseling met andere klanken opmerkt, volkomen opgehelderd. Zij verklaart vooreerst, hoe het komt, dat men die letters in verscheidene gewesten op tweeërlei wijze uitspreekt, en waarom de scherpe daar langer zijn dan de zachte en nog een zweem van een tweeklank hebben.--Vervolgens, waarom de zachtlange é met a en i en met de korte è, en de zachtlange ó met de korte ò afwisselt, b.v. in stad--steden, vagen--vegen, gift--geven, nicht--neef, spel--spelen, gebed--gebeden; ik kom--zij komen, lot--loten; en waarom de scherplange e's en o's met de tweeklanken ei (ai) en ou (au) verwisseld worden, b.v. in gereed en bereiden, breed en verbreiden, boom en bouwen, troost en vertrouwen.--Die waarneming eindelijk verklaart in vele gevallen, hoe het komt, dat een zelfde woord op tweeërlei wijze wordt uitgesproken, daar zij aantoont, dat men dan meestal twee verschillende woorden verward en voor hetzelfde gehouden heeft; b.v. beer (ursus) en beer (verres); deel (pars) en deel (asser); klooven (doen splijten) en kloven (imperf. van kluiven en meerv. van kloof); toonen (lichaamsdeelen) en tonen (klanken).
76. De Redactie, het een en ander in aanmerking nemende, heeft besloten den oorsprong der e's en o's als grondbeginsel der vocaalspelling aan te nemen. Zij meent hare redenen aldus kortelijk te kunnen samenvatten:
De ware uitspraak der e's en o's is niet op te maken uit de vroegere schrijfwijze, noch uit de uitspraak der hedendaagsche dialecten, omdat het blijkt, dat het in beide aan volkomene overeenstemming ontbreekt. Bovendien neemt het onderscheid tusschen den zachten en den scherpen klank dagelijks af, wordt daardoor steeds onzekerder en zal waarschijnlijk eenmaal geheel verdwijnen, gelijk het in sommige streken, en daardoor, streng genomen, in de zoogenoemde beschaafde uitspraak, reeds heeft opgehouden te bestaan. Daarentegen is de verschillende oorsprong der klinkers een onveranderlijk en onloochenbaar feit, hetwelk als oorzaak van het onderscheid in de uitspraak, grootendeels tot dezelfde uitkomsten leidt, en geheel tot dezelfde leiden zou, indien er nooit verwarring en verwisseling van klanken had plaats gehad.
Daar het niet te loochenen is, dat de onderscheidene dialecten ten opzichte van een aantal woorden uiteenloopen, zou men genoodzaakt zijn uit de verschillende tongvallen eene keus te doen. Wie of wat zal die keus bepalen? Aan welk gewest zal de eer te beurt vallen aan al de Nederlanden de wet voor te schrijven? Zal het Oost- of West-Vlaanderen, Brabant of Antwerpen, Zeeland of Maasland, Zutfen of Overijsel wezen? Daarentegen is de oorsprong der e's en o's een feit, dat voor alle gewesten en tongvallen hetzelfde is. Geen dialect, of het geeft onloochenbare blijken van onderlinge verwisseling van zacht en scherp; ook het Groningsche, waarin anders het verschil wel het duidelijkst uitkomt en men uit dien hoofde het minst verwarring zou verwachten. Zoo is het b.v. volkomen zeker, dat de klinkers in (ik) weet en (wij) weten oorspronkelijk verschilden, dat de e van het enkelvoud vroeger ai, die van het meervoud i was; en toch worden beide thans overal op dezelfde wijze uitgesproken, in het Groningsch scherp, als ei of ij, in ik weit, wij weiten; elders zacht, in ik weet niet anders dan in wij weten. Welke stad of landstreek zou aan de overige bewoners van Nederland hare verkeerdheden willen opdringen of omgekeerd die van andere willen overnemen! Neemt men echter den oorsprong der e's en o's als grondslag aan, dan behoeft er geene keus gedaan te worden, waardoor iemand zich verongelijkt kan rekenen; men is dan billijk jegens allen, ook jegens de velen, die geen onderscheid in de uitspraak meer maken, en die de onderscheiding der zachte en scherpe e's en o's als een last beschouwen.
Al mocht men eenparig besluiten de uitspraak van eene bijzondere landstreek of plaats als wetgeefster te erkennen, die maatregel zou ontoereikend bevonden worden. Vooreerst kunnen de bewoners van andere plaatsen die uitspraak niet leeren kennen, zonder zich daar een geruimen tijd metterwoon te vestigen, terwijl ieder, die wil, zich in zijn studeervertrek van den oorsprong der e's en o's kan vergewissen. Doch er is iets dat meer afdoet. In de schrijftaal komen een aantal woorden voor, die niet algemeen zijn, die op de eene of andere plaats niet gebezigd worden. Hoe zal men handelen met de woorden, die in het bevoorrechte dialect niet gebruikt worden? en hoe met dezulke, die in het geheel niet meer tot de volkstaal behooren en waarvan dus de ware uitspraak volstrekt onbekend is? Ten aanzien van zoodanige woorden zou het aangenomen beginsel ontoereikend zijn; en naar welk kenmerk dan te werk te gaan? Daarentegen geeft de oorsprong der e's en o's een kenmiddel aan de hand, dat uit zijnen aard op alle woorden toepasselijk is, dat voor de dialecten, op weinige uitzonderingen na, dezelfde uitkomsten geeft, en dat ten minste voor alle taalbeoefenaars, ook in de streken waar geen onderscheid meer gehoord wordt, toegankelijk is.
Het schrijven naar de uitspraak zou altijd gegrond blijven op feilbare waarnemingen van bijzondere individuen, wien het aan fijnheid van gehoor kan ontbreken. Het spellen naar den oorsprong der e's en o's is gegrond op het onderscheid tusschen a, i, u (oe), ai en au, klanken, die onderling zoozeer verschillen, dat daarbij geene vergissing en verwisseling kon plaats grijpen; het stelt bovendien de spelling meer onmiddellijk in verband met de afleiding, en kan zoodoende in vele gevallen het recht verstand der woorden bevorderen. Om den oorsprong der e's en o's te leeren kennen, moet men wel is waar dikwijls de verwante talen raadplegen; doch het zou eene geheel verkeerde beschouwing wezen, indien men het spellen naar de uitkomsten, die zij opleveren, wilde aanmerken als eene navolging van het vreemde. Dat raadplegen geschiedt alleen om te weten, hoe onze eigene taal in overoude tijden gesproken is; de onze kan op hare beurt aan andere talen dezelfde diensten bewijzen. Als wij b.v. aan beenen en boomen scherpe klinkers toeschrijven, is zulks niet, omdat het Hoogduitsch bein en baum zegt, maar omdat wij o.a. door het Hoogduitsch weten, dat onze eigene voorouders eenmaal bain en baum hebben uitgesproken; de spelling beenen en boomen berust derhalve inderdaad op verschijnselen in onze eigene taal. Vergelijk hier Taalgids, VI, blz. 153 v.
77. De Redactie erkent, dat de dubbele vocaalspelling niet zonder last is voor het practische gebruik; zij behoudt ze evenwel, omdat zij meent het bestaande niet te mogen afbreken en geene groote veranderingen, maar alleen verbeteringen in de toepassing van erkende regels te moeten voorstellen. Daarom heeft zij er niet aan gedacht om ze ook op de a en u toe te passen, en b.v. naast va-der, za-del, u-ren enz. jaa-ren, daa-den, wij vuu-ren enz. te schrijven, ofschoon daarvoor gelijke redenen bestaan als voor de spelling bree-de, boo-men enz. Aan die bedoeling is het mede toe te schrijven, dat zij het spellen overeenkomstig den oorsprong der e's en o's tot de stamlettergrepen wil beperken, maar ten opzichte van de achtervoegsels naar den klemtoon wenscht te werk te gaan. Volgens dit beginsel acht zij, dat de achtervoegsels, die òf steeds òf somtijds den vollen klemtoon hebben, met eene dubbele vocaal behooren geschreven te worden, terwijl een enkel letterteeken toereikend is in die, welke nimmer den vollen klemtoon bekomen. In het eerste geval verkeert het achtervoegsel -loos, hetwelk in goddelóós, zedelóósheid, zondelóósheid enz. den vollen klemtoon bekomt; vervolgens de bastaarduitgangen -eeren; -eel en -ees, die steeds den klemtoon hebben: regeeren, kasteelen, Japanneezen. Tot het tweede geval behoort -heid, mrv. -heden, dat nooit den vollen klemtoon heeft. Op die wijze eerbiedigt men het bestaande gebruik, waarin de schrijfwijze -eelen reeds is aangenomen, en die van -eezen meer en meer begint door te dringen. Men wijkt alleen af in de spelling -eeren; doch voor de dubbele vocaal in dit achtervoegsel hebben zich sedert lang vele stemmen doen hooren, gelijk zij dan ook reeds door Bilderdijk en zijne volgelingen erkend is. Inderdaad, wanneer men bedenkt, dat dit suffix altijd met een zwaren toon wordt uitgesproken; dat die uitspraak reeds van de oudste tijden dagteekent, blijkens het Middelnederlandsch, waarin men (gelijk nog heden in het Hoogduitsch) gewoonlijk -ieren schreef; en dat de ie destijds nog een tweeklank was: dan schijnt alles er voor te pleiten om in dezen het voorbeeld van Bilderdijk te volgen.
Een achtervoegsel -eet, welks bestaan door enkelen beweerd wordt, is bij de Redactie onbekend. In al de woorden, op -eet eindigende, die zij zich kan te binnen brengen, behoort de e tot den stam des woords, en kan alleen de t als achtervoegsel worden beschouwd. Deze is in paracleet, poëet, profeet, en ook in komeet en planeet, een overblijfsel van het Grieksche suffix -tês, lat. -ta, waarmede meestal mansnamen gevormd worden; in compleet, concreet, discreet, secreet, van het Latijnsche suffix -tus, -ta, -tum, dat verl. deelw. vormt. Daar er geene suffixen -êtês, -etus enz. bestaan, is bij de woorden op -eet niet de regel voor de achtervoegsels, maar die voor de stammen van toepassing. De Redactie schrijft daarom met ééne e: poëten, profeten, concrete, complete enz.; en om gelijke redenen met ééne o; astronomen, oeconomen, horoscopen, telescopen, philanthropen, misanthropen, heliotropen, theologen, philologen, enz. waarin noom, scoop, anthroop, troop en loog verbasteringen van geheele woorden, niet van achtervoegsels zijn.
78. Slechts schijnbaar bestaat hier eene inconsequentie; in den grond wordt bij de stamlettergrepen hetzelfde beginsel gehuldigd als bij de achtervoegsels, alleen met beperking in de toepassing. Dat beginsel is de zooveel mogelijk juiste afbeelding der uitspraak. Immers de verdubbeling der letters moest aanvankelijk dienen om de scherpe e's en o's, uit tweeklanken ontstaan, te kenmerken als langer dan de zachte, die als wijzigingen van de enkelvoudige klinkers a, i en u (oe) korter waren. De verdubbeling bedoelde kennelijk het voorstellen van een langen, gerekten klank, en het is alleen ten gevolge van het onderling meer gelijk worden der zachte en scherpe e's en o's, dat het doel thans niet meer zoo in het oog loopt.
Aan de werking van den klemtoon is het toe te schrijven, dat het onderscheid tusschen zacht en scherp in sommige streken en in de beschaafde uitspraak geheel uitgewischt is. De klemtoon, wanneer hij rust op opene lettergrepen, brengt vanzelf mede, dat de daarin voorkomende vocalen alle even lang worden uitgesproken, onverschillig, of zij uit klinkers dan wel uit tweeklanken ontstaan zijn. Daarom wil het gebruik in opene eenlettergrepige woorden de verdubbeling van den klinker, al is die niet scherp, b.v. in thee, vloo, zoo. Daarentegen is de quantiteit in lettergrepen, die slechts den halven toon hebben, of geheel toonloos zijn, merkelijk geringer, ook wanneer zij tweeklanken zijn, b.v. in waarheid, waarlijk, arbeid, armoede; voor de zoodanige wordt de dubbele vocaal algemeen te zwaar geacht. Daarom wil het gebruik sinds lang eene enkele e in -heden, meerv. van -heid, ofschoon die e uit ei ontstaan en dus scherp is; daarom wil het de enkele i in -isch, niettegenstaande in dit achtervoegsel de klank gehoord wordt, die in gesloten lettergrepen steeds door ie wordt voorgesteld; daarom verliezen de achtervoegsels -eel, -ief, -iet en -iek eene e in kast-el-ein, subject-iv-iteit, Jezu-it-isme, f-abr-ik-ant.
De Redactie beoogt derhalve met het stellen van den boven ontwikkelden regel voor de spelling der achtervoegsels hetzelfde doel, dat men oorspronkelijk met de verdubbeling der e en o zocht te bereiken, namelijk eene zooveel mogelijk juiste afbeelding van de heerschende uitspraak. Door het stellen van dien regel zet zij alleen eene schrede verderop den weg, die reeds door het Gebruik gevolgd wordt, en handelt zij overeenkomstig den Regel der Welluidendheid.
79. Acht de Redactie den door haar aangenomen regel voor de achtervoegsels voornamelijk daarom verkieselijk, omdat hij gemakkelijk is, en door iedereen, ook zonder kennis van vreemde talen, kan worden toegepast, zij werd, wilde zij hier niet beginselloos te werk gaan, tot het stellen van dien regel als het ware gedwongen. Immers de grondbeginselen, die voor de stammen gelden, zouden op de achtervoegsels niet toegepast kunnen worden.
Vooreerst toch zou het meervoud van -heid, goth. haidus, mv. haidjus, hd. heit, mv. -heiten, volgens die beginselen twee e's moeten hebben. Doch wie zou te bewegen zijn om het thans eenparige gebruik, dat reeds bij de Staten-overzetters gold, te verlaten, en voortaan aangenaamheeden, boosheeden, kinderachtigheeden en zoo vele andere -heeden met twee e's te gaan schrijven? Die spelling wordt trouwens door niemand verlangd, en zou strijden met het beginsel door de Redactie aangenomen, namelijk geene veelomvattende veranderingen te beproeven, wanneer er geene dringende redenen voor bestaan en de gebruikelijke spelling te rechtvaardigen is.
De uitgangen -eeren en -eel zijn bastaardachtervoegsels; en de e's, die daarin voorkomen, zijn niet alle van denzelfden oorsprong. Sommige zijn ontstaan uit korte klinkers, andere zijn samentrekkingen van twee lettergrepen. In het eerste geval zouden zij ééne, in het laatste twee e's vorderen; doch het laat zich niet altijd bepalen, met welk eene e men te doen heeft. Wij hebben -eeren, mnl. -ieren, uit het Fransch bekomen; maar in het gebruik daarvan hebben wij onzen eigen weg bewandeld, ons om die taal verder niet bekommerende. De e van regeeren schijnt die te zijn van fr. régner; maar mnl. regnieren, waaruit regeeren ontstaan is, verbiedt ons aan eene onmiddellijke overneming van die e te denken; en die in concipieeren is toch wel niet de oi van fr. concevoir, noch die van farceeren de i van farcir. Het Fransch, waarin de e's trouwens ook niet oorspronkelijk zijn, kan dus niet tot leiddraad strekken; men zou dan in allen gevalle tot het Latijn moeten gaan. Doch dit heeft vier uitgangen: -âre, -êre, -îre en -ere; daarin zijn â, ê, en î samentrekkingen van de lettergreep aja (skr. aya); maar -ere heeft eene e uit de korte i ontstaan. Dienovereenkomstig zou men communiceeren, doceeren, recenseeren, farceeren enz. met ee, maar defenderen, fingeren, absolveren enz. met e moeten spellen. Zou het verstandig wezen het publiek dezen nieuwen last op de schouders te willen binden en het te verplichten de Latijnsche conjugatie te gaan leeren? En hoe dan nog te handelen met woorden, waaraan geen Latijnsch werkwoord beantwoordt, b. v, met trotseeren, waardeeren, stoffeeren?
Bij -eel zouden de moeilijkheden niet geringer wezen. Aan de e in dit achtervoegsel beantwoordt wel is waar doorgaans eene korte Latijnsche e of i: doch in conditioneel, crimineel, inaugureel, origineel eene lange a. Deze is in criminalis en inauguralis weder de samentrekking van -aja-; maar wat is zij in conditionalis en originalis, waarnaast geene werkwoorden bestaan? En welke e hebben wij in houweel, tooneel, fluweel? Hier zou in elk geval wederom eene willekeurige beslissing, een doorhakken van den knoop, moeten plaats hebben. Doch er is eene andere oplossing mogelijk. Men vrage niet: wat willen enkele grammatici? maar: wat wil het volk? wat wil de taal, en wat heeft zij altijd gewild? Dan is het antwoord niet twijfelachtig. De taal handelt bij de vreemde achtervoegsels geheel anders dan bij de vreemde stammen, waarin zij zachte e's en o's laat hooren. Zij heeft de bastaarduitgangen, die den klemtoon hebben, steeds als lang beschouwd en er tweeklanken van gemaakt. Tot getuigen kunnen strekken abdij, soldij, tyrannij, azijn, dolfijn, venijn, paradijs, patrijs, saucijs, profijt, practijk, gelei, karwei, livrei, qualiteit, quantiteit, sociëteit, fatsoen, katoen, kapoen en kapuin, aluin, abuis, fornuis, advies, commies, enz., waarbij men in het oog moet houden, dat oe en ie voorheen tweeklanken waren. Dat de taal vroeger met -eeren en -eel evenzoo heeft gehandeld, blijkt uit den Middelnederlandschen vorm -ieren. Ook -eel werd wel als -iel uitgesproken, blijkens de gemeenzame taal in oude kluchtspelen; en gatenplattiel, karviel, nevens karveel, zijn nog in gebruik. Dat die tweeklanken alleen aan de werking van den klemtoon zijn toe te schrijven, blijkt uit profiteeren naast profijt, kopieeren naast kopij, praktizeeren naast praktijk, abuseeren naast abúís enz.; zij veranderen niet in tweeklanken, waar zij den klemtoon niet hebben. De Redactie was hier dus vanzelf naar den klemtoon verwezen, niet naar den oorsprong der e's, waarop men ook bij vreemde stammen niet let. Immers men schrijft cement, lat. caementum, planeten, lat. planêtae, evengoed met eene enkele e, als ceder, lat. cedrus.
Het achtervoegsel -ees, fr. -ais en -ois, is lat. -ensis, na afwerping van -is en uitstooting van de n. Het Nederlandsch pleegt na de uitstooting eener n de voorgaande vocaal te verlengen, er zelfs een tweeklank van te maken; blijkens kiekhoest, bij Kiliaan, naast kinkhoest; muid, in IJselmuiden, naast mond, in IJselmonde; kluit naast klont; ook schreef men voorheen, evenals in het Hoogduitsch, Portugies. De verlenging der e geschiedt dus ook hier volgens den aard der taal en tevens in overeenstemming met den regel.
Het achtervoegsel -loos, goth. en onrd. -laus, ags. -leás, moet, ook volgens de afleiding, het beginsel dat bij de stammen geldt, evengoed als volgens den door ons gestelden regel voor de achtervoegsels, eene scherpe o (oo) hebben. Een achtervoegsel -loos, -loze, met de zachte o, dat los zou beteekenen, heeft nooit bestaan. De taal heeft de adjectieven loos, looze en los, losse zoowel in uitspraak als in beteekenis steeds uiteengehouden. De Redactie mag niet medewerken om de verwarring, in den laatsten tijd daarin gebracht, te bestendigen.
Neemt men derhalve alles op zijn strengst, dan heeft er tusschen de regels voor de stammen en die voor de achtervoegsels alleen strijd plaats bij de spelling van -heden, wat niemand met twee e's wil, en ook niet behoeft te willen, dewijl de spelling met eene enkele e in de klaarblijkelijkste overeenstemming is met de wetten, die de taal voor de achtervoegsels heeft aangenomen.
80. Het aantal woorden, in wier spelling ten gevolge van het aangenomen beginsel eene verandering moet plaats grijpen, is betrekkelijk gering, en de meeste komen slechts zelden voor. Het zijn:
beer (verscheurend dier), mv. beren, onderscheiden van beer (varken, waterkeering, muurstut en heiblok), mv. beeren;
deel (plank en dorschvloer), mv. delen, onderscheiden van deel (gedeelte), mv. deelen;
deemoedig;
deesem;
dwepen;
eega;
heep (soort van handbijl), mv. hepen;
keel (in de bouwkunde en wapenkunde), kelen, hetzelfde als keel (lichaamsdeel);
keren (vegen);
kwee (vrucht);
meren (een schip vastleggen);
sleepen (voorttrekken), causatief van slepen (gesleept of voortgetrokken worden);
droog, droge, droger, drogen;
hoonen;
klooven (doen splijten), causatief van klieven (in den verouderden zin van splijten), onderscheiden van kloven, mv. van kloof en verl. tijd van kluiven;
koozen, liefkoozen;
kroon, mv. kronen;
sloof (voorschoot), mv. slooven, onderscheiden van sloof (sukkelaarster), mv. sloven;
toon (muziektoon), mv. tonen, onderscheiden van toonen (wijzen) en toon (teen), mv. toonen;
troon, mv. tronen;
vroolijk;
zoogen (laten zuigen), causatief van zuigen, onderscheiden van wij zogen, verl. tijd van zuigen.
Ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat de e in heer (dominus) en keeren (vertere) oorspronkelijk zacht was, is toch de afleiding en oudste vorm dezer beide woorden niet met genoegzame zekerheid bekend, om over de natuur der vocaal stellig te beslissen, veelmin om eene verandering voor te stellen in de spelling van zoo gebruikelijke woorden, wier schrijfwijze door de gewoonte als eene tweede natuur is geworden.
Neemt men in de weinige woorden, die verandering eischen, de vocaalspelling overeenkomstig de afleiding aan, dan is daarmede het geheele spellingstelsel der enkele of dubbele e en o met de etymologie in overeenstemming gebracht. De onderscheiding moge in de practijk en bij het lager onderwijs hare moeilijkheid blijven behouden, dat bezwaar is nu eenmaal niet op te heffen, want niemand zeker zal bij eenig nadenken ernstig verlangen altijd de dubbele of altijd de enkele e en o te gebruiken. Vergelijk ook § 26. Maar terwijl de practische moeilijkheid dezelfde blijft, wint men het onschatbare voorrecht, waarop geene andere Germaansche taal zich beroemen kan, dat de spelling dezer beide vocalen in onze taal overal aan den oorspronkelijken vorm der woorden getrouw is en aan de strengste eischen der wetenschap beantwoordt.
a. De Redactie was vroeger van meening, dat de e in begeeren zacht was. Zij grondde haar gevoelen op de i in ohd. giric, onrd. girug, enz., die zij voor kort hield, en welke in dat geval eene zachte e zou hebben moeten opleveren. Desniettegenstaande achtte zij het ongeraden de algemeen aangenomen spelling van een zoo dikwijls voorkomend woord te veranderen, omdat er over het woord en zijne verwanten een duister verspreid lag, dat zij toen nog niet vermocht op te heffen. Bij nader onderzoek echter is het gebleken, dat die ì, in sommige handschriften door een accent (í) gekenmerkt, de lange î is, die in den regel onze ij heeft opgeleverd, behalve vóór eene r, waar zij zich in ie (vroeger een tweeklank) oploste: vergelijk wierook voor wijrook van wij(d)en; gier (roofvogel), nhd. geier, ohd. gîr; schier in Schiermonnikoog, Schieringer, schierroek, enz., ohd. scîr enz. Doch kan î de stam van begeeren niet zijn, dan moet het gair wezen, dat in goth. gairuni, gairnjan enz. voorkomt en de echte tweeklank ai blijkt te zijn.
Hierdoor wordt al het duistere weggenomen. Niet slechts is de ie in gierig verklaard, maar ook de a in mnl. begaeren en nnl. gaarne, naast begeeren, geerne en gierig; en de vormen in de verwante talen blijken in overeenstemming te zijn. De e van begeeren is derhalve scherp, als zijnde uit ai ontstaan, zoodat er van de spelling met ééne e (begeren) geene sprake meer zijn kan.
b. Ook zal men op bovenstaande lijst de woorden knoop, kloot en zweep niet meer aantreffen. Bij nader onderzoek is het ons gebleken, dat in de oudere verwante talen tweeërlei vormen van knoop hebben bestaan, wat onder andere uit ofri. cnop en cnâp blijkt, waarvan de eerste aan onze zachte, de laatste aan onze scherpe o beantwoordt. De uitspraak met de scherpe o, waarop de gebruikelijke spelling knoopen berust, kan derhalve niet als eene verbastering worden beschouwd, zoodat er voor de Redactie, die als beginsel heeft aangenomen, niet buiten volstrekte noodzaak veranderingen te maken, geene reden bestaat om de spelling hier te wijzigen; ze blijft daarom knoopen vastknoopen, ontknoopen enz. schrijven.