De Grondbeginselen Der Nederlandsche Spelling Regeling Der Spel
Chapter 6
klank voor te stellen; gelijk blijkt ten opzichte van de a uit de vergelijking van dàg met dágen; van de e, uit de, bèd en dégen; van de i, uit pìn, títel en zandig enz.
e. Ofschoon het opgenoemde evenzeer tegen de doelmatigheid als tegen de regelmatigheid aandruischt, is er nagenoeg niets aan te veranderen. Volstrekt ongeoorloofd is het echter die gebreken uit loutere spitsvondigheid te vermeerderen, door b.v. aan een zelfde letterteeken noodeloos meer dan ééne waarde toe te kennen.
f. De voorschriften, die strekken moeten om een schrijver bij het kiezen uit geheel of nagenoeg gelijkluidende letterteekens te besturen, zijn hoofdzakelijk gegrond op den tweeden en derden algemeenen spelregel, op dien der Gelijkvormigheid en dien der Afleiding.
48. Wanneer een persoon steeds dezelfde kleeding draagt, en de exemplaren eener soort van voorwerpen, b.v. werktuigen, steeds denzelfden vorm hebben, dan zal men dien persoon en de soort, waartoe een voorwerp behoort, lichtelijk overal en onder alle omstandigheden herkennen. Het omgekeerde geschiedt, wanneer de persoon geheel anders gekleed is en de gedaante van een voorwerp van den gewonen vorm afwijkt; de herkenning heeft dan òf in het geheel niet, òf eerst na eenig weifelen plaats. Met de woorden is het evenzoo gelegen. Wie het woord consequentie nooit anders dan zóó gespeld heeft gezien, zal eenige oogenblikken in twijfel staan, als hij konzekwency geschreven vindt. Op deze psychologische waarheid steunt de tweede algemeene spelregel, die der Gelijkvormigheid, welke in onze spelling steeds meer en meer is geëerbiedigd geworden.
49. De Regel der Gelijkvormigheid luidt aldus:
Geef, zooveel de uitspraak toelaat, aan een zelfde woord en aan ieder deel, waaruit het bestaat, steeds denzelfden vorm, wanneer daardoor de herkenning en juiste opvatting van het woord kan bevorderd worden.
De laatste voorwaarde maakt het noodzakelijk den regel in twee deelen te splitsen, waarvan het eerste de woorden in hun geheel, het laatste hunne bestanddeelen betreft. De regel wordt dan:
a. Schrijf hetzelfde woord, zooveel de uitspraak en de verbuiging of vervoeging toelaten, steeds met dezelfde letters.
b. Geef in afgeleide woorden aan het grondwoord en in samengestelde aan de samenstellende deelen, zooveel de uitspraak toelaat, steeds dienzelfden vorm, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling voorkomen; wel te verstaan, indien die grondwoorden of deelen nog als afzonderlijke woorden in gebruik zijn en dan dezelfde beteekenis hebben als in de afgeleide of samengestelde woorden.
a. Overeenkomstig het voorschrift a) spelt men dag, des dags, ten dage, dagen; glad, gladde, gladder, gladst; zeg, zegt, gezegd, zeggen; niet dach, des dachs; glat, glatst; zech, zecht, gelijk oudtijds wel placht te geschieden.
b. Overeenkomstig het voorschrift b) schrijft men vijlsel van vijlen; verleiding van verleiden; raadzaam van raad, door aanhechting van zaam; hoofddeel uit hoofd en deel; niet veilsel, verlijden, raatsaam, hoofdeel, omdat de juiste opvatting door de laatste schrijfwijze zou belemmerd worden.