Part 9
»De Tiburon is arm, hij heeft niets dan een zwakken ezel, zoodat hij de bleekgezichten niet zal kunnen bijhouden.”
»Maak u daar niet ongerust over,” liet er de haciendero op volgen; »ik zal u een paard laten geven zoo als gij er nog nooit een bereden hebt; en als gij ons eerlijk dient, zal ik bij onze komst aan de hacienda nog tien piasters voegen bij die gij reeds hebt. Bevalt u dat?”
De oogen van den Indiaan schitterden van begeerlijkheid bij dit voorstel.
»Waar is het paard?” vroeg hij.
»Daar is het,” antwoordde de capataz terwijl hij hem een heerlijken draver aanwees die een der peons hem bracht.
De Roodhuid beschouwde het paard met het oog van een kenner.
»Gij aanvaardt dus den koop?” vroeg de haciendero.
»Ja,” antwoordde de Roodhuid.
»Kom dan maar gezwind van uw ezel en wij vertrekken dadelijk.”
»Ik kan mijn ezel niet verlaten; hij is een goed dier, dat mij lang dienst heeft gedaan.”
»Wees daar niet bezorgd over, hij komt met de pakezels achteraan.”
De Indiaan gaf een wenk van toestemming en antwoordde niets; eenige oogenblikken daarna zat hij behoorlijk op zijn paard en ging de karavaan weder op weg.
Alleen de capataz scheen niet veel vertrouwen te stellen in den zoo zonderling aangetroffen gids.
»Ik zal hem in het oog houden,” mompelde hij in zich zelven.
De tocht werd dien ganschen dag zonder verdere stoornis voortgezet, en den volgenden dag bereikte men de Rio Gila.
De oevers der Rio Gila maken door hunne vruchtbaarheid een sterk contrast met de dorre vlakten in hare nabijheid; de reis van don Sylva, ofschoon hervat op het oogenblik toen de zon in het toppunt stond en hare stralen loodrecht nederschoot, was nu niets anders dan een aangename wandelrit van weinige uren, onder de schaduw van het loofrijkst geboomte dat hier met een in ons klimaat onbekenden wasdom opschiet.
Het was ongeveer drie uren in den namiddag toen onze reizigers nauwelijks vijftig passen voor zich uit de kolonie Guetzalli zagen liggen, welke door den graaf de Lhorailles gesticht en ofschoon nog geen drie jaren tellende, reeds eene aanzienlijke uitbreiding had bekomen en tot in hooge mate ontwikkeld was.
Deze kolonie bestond uit eene hacienda of landhoeve, rondom welke de arbeiderswoningen in groepen verspreid lagen; wij zullen haar in weinige woorden beschrijven.
De hacienda verhief zich op een schiereiland van drie mijlen in den omtrek, met bosschen, akkers en weidevelden, in welke laatsten meer dan vier duizend stuks vee vrijelijk liepen grazen, die des avonds in parken dicht bij het huis werden samengebracht. Aan drie zijden door de rivier omgeven, diende deze haar als een natuurlijke schans; de smalle landtong van nauwelijks acht ellen breedte, die haar met het vaste land verbond, werd bestreken door eene batterij van vijf stukken grof geschut, behoorlijk gedekt door aardewerken en versterkt door eene diepe met water gevulde gracht.
Het heerenhuis, door hooge gecreneleerde muren omringd en aan de vier hoeken met torens versterkt, was een soort van vesting, op zich zelf reeds voldoende in staat om een geregeld beleg te verduren, dank zij de acht kanonnen op de vier hoektorens, die al de toegangen verdedigden. Het bestond uit een hoofdgebouw, twee verdiepingen hoog en met een plat dak; in den voorgevel waren tien vensters, en links en rechts stonden twee andere gebouwen met den rug naar voren gekeerd; het een dienende tot bergplaats voor granen en hooi en het ander tot woonhuis voor den capataz of hofmeester en de talrijke bedienden der hacienda.
Eene breede stoep, voorzien van eene dubbele ijzeren balie, sierlijk bewerkt en bekroond met eene veranda, geleidde naar de vertrekken van den graaf, die op de wijze der landhoeven in Spaansch-Amerika even eenvoudig als smaakvol en schilderachtig waren gemeubeld.
Tusschen het woonhuis en den ringmuur, waarin tegenover de stoep een cederhouten deur was van vijf duim dik en met sterke ijzeren platen beslagen, lag een groote welonderhouden Engelsche tuin zeer fraai aangelegd en zoo dicht beplant dat men geen tien passen er doorheen kon zien. De ruimte achter het huis was voor stallen en parken bestemd, waar men iederen avond het vee in opsloot, en verder eene groote open plaats, waar men op zekeren tijd des jaars gewoon was de matanza del ganado—de slacht voor den wintervoorraad te houden.
Geen schilderachtiger gezicht laat zich denken dan de aanblik van dit witte huis, dat men reeds in de verte kon zien liggen, half verscholen achter de welige bosschages als achter een gordijn van groen daar het oog met welgevallen op bleef rusten.
Uit de vensters der bovenverdieping had men aan de eene zijde het onbelemmerde uitzicht over de ruime vlakte en aan de andere over de Rio Gila, die als een breed zilver lint in de grilligste bochten voortkronkelde en zich in onafzienbare verte verloor in het nevelig verschiet van den blauwenden horizont.
Sedert de Apachen bijna op het punt waren geweest van de hacienda te bemachtigen, was er op het dak van het hoofdgebouw een mirador of wachttoren geplaatst, in welken nacht en dag een schildwacht op den uitkijk stond om de omstreken te bewaken, en dadelijk door middel van een koehoorn moest waarschuwen als hij een vreemdeling de kolonie zag naderen.
Bovendien werd de batterij aan de landengte door een post van zes man bewaakt, terwijl de kanonnen altijd geladen stonden om bij den minsten onraad los te branden.
Zoo was de karavaan nog ver van de hacienda verwijderd, toen hare komst aldaar werd opgemerkt en een der luitenants van den graaf, een oud soldaat uit Afrika met name Martin Leroux, volgens order, te paard achter de verschansing zich gereed hield om de nieuw aankomenden te ondervragen zoodra zij onder het bereik zijner stem zouden zijn.
Don Sylva was intusschen met de wachtorde der hacienda ten volle bekend, eene dienstregeling trouwens die op alle buitenbezittingen der blanken gevolgd werd; want op de posten aan de grenzen, waar men voor de aanvallen en strooptochten der Indianen onophoudelijk blootstond, was men wel genoodzaakt om gedurig op zijne hoede te zijn.
Eén ding echter begreep de Mexicaan niet recht, namelijk dat de eigen luitenant van den graaf, die hem ongetwijfeld moest hebben herkend, hem niet dadelijk de deuren had geopend.
Hij deed dit terstond aan den graaf opmerken.
»Daar zou hij verkeerd aan hebben gedaan,” zeide deze, »de kolonie Guetzalli is een gewapende post en altoos in staat van oorlog; de wachtorde moet dus stipt gevolgd worden voor ieder die zich aanmeldt, wie dan ook; van deze stipte waarneming hangt het algemeen welzijn af. Martin heeft mij reeds lang herkend, dat weet ik zeker, maar hij vooronderstelt dat ik door de Indianen gevangen zou kunnen zijn, en dat zij mij in schijn vrij lieten, om de kolonie des te beter te kunnen overrompelen. Ik verzeker u, dat mijn brave luitenant ons niet door zal laten, alvorens hij overtuigd is dat er onder onze Europeesche kleederen geen Roodhuiden schuilen.”
»Ja,” mompelde don Sylva in zich zelven, »dat is maar al te juist; die Europeanen denken om alles, zij zijn ons ver vooruit.”
De karavaan was thans nauwelijks twintig passen ver van de hacienda.
»Ik geloof” zeide de graaf, »als wij ten minste geen hagelbui van kogels op het lijf willen krijgen, dat wij wijs zullen doen van hier stil te houden.”
»Hoe dat!” riep don Sylva verschrikt, »zouden zij schieten?”
»Zonder twijfel.”
De beide mannen hielden hunne paarden in en bleven staan wachten tot men hen ondervroeg.
»Wiedaar!” riep eene krachtvolle stem in ’t Fransch van achter de batterij.
»Wel, wat vindt gij er nu van, don Sylva?” vroeg hij den haciendero.
»’t Is iets ongehoords?” mompelde don Sylva.
»Vrienden!” riep nu de graaf in antwoord op de vraag van den schildwacht, »Lhorailles en de vrijheid.”
»Alles wel! De poort open!” kommandeerde de stem, »het zijn vrienden, zoo als ik hoop dat de Hemel ons nog dikwijls zenden zal.”
De peons lieten de brug neêr, de eenige toegang om in de hacienda te komen.
De karavaan trok nu binnen, en de brug werd onmiddellijk achter hem weder opgehaald.
»Gij zult het mij niet kwalijk nemen, kapitein,” zeide Martin Leroux terwijl hij den graaf eerbiedig te gemoet trad, »maar ofschoon ik u zeer goed herkende, wij leven in een land waar men mijns bedunkens niet te voorzichtig kan zijn.”
»Gij hebt uw plicht gedaan, luitenant, ik kan u niet anders dan geluk wenschen. Wat is er voor nieuws?”
»Niet veel bijzonders: een troep jagers, door mij in de wildernis gevonden, heeft mij bericht dat zij een verlaten vuur op de vlakte hebben ontdekt; ik denk dat er weer Indianen om ons heen zwerven.”
»Wij zullen een wakend oog op hen houden.”
»O, ik houd goed de wacht, vooral tegenwoordig nu wij de maand naderen die de Comanchen zoo brutaal zijn de Maan van Mexico te noemen; ik zou er niets tegen hebben als zij eens bij ons kwamen, om hun een les te kunnen geven die zij in ’t vervolg konden onthouden.”
»Ik ben het volkomen met u eens; verdubbelen wij dus onze waakzaamheid en alles zal wel gaan.”
»Hebt gij mij geen andere orders te geven?”
»Neen.”
»Dan wil ik gaan, kapitein; gij weet dat gij mij het algemeen toezicht hebt opgedragen, ik moet dus een weinig overal zijn.”
»Ga, luitenant, laat ik u niet langer ophouden.”
De oude soldaat boog voor zijn kommandant en verwijderde zich, terwijl hij onder de hand den capataz minzaam groette, die hem volgde met de peons van don Sylva en de pakezels.
De graaf zelf geleidde zijne vrienden naar dat gedeelte van het hoofdgebouw, dat voor de vreemde gasten bestemd was, en waar een appartement met alle noodige gemakken voor hen was ingericht.
»Neem nu een weinig rust, don Sylva,” zeide hij tegen den haciendero, »gij zult wel vermoeid zijn van de reis zoo wel als doña Anita; morgen met uw goedvinden, spreken wij wel over onze zaken.”
»Zoo als gij verlangt, vriend.”
De graaf boog voor zijne gasten. Sedert hij het meisje ontmoet had was er nog geen woord tusschen hem en haar gewisseld.
Op het voorplein ontmoette de graaf den Hiaqui, die een pijp rookte en op zijn gemak rondslenterde; hij trad naar hem toe.
»Ziedaar de tien piasters die ik u beloofd heb,” zeide hij.
»Dank u,” zeide de Indiaan terwijl hij ze aannam.
»Wat gaat gij nu doen?”
»Rusten tot morgen, en dan keer ik tot mijne broeders terug.”
»Hebt gij zoo veel haast hen weder te zien?”
»Ik! o neen.”
»Blijf dan hier.”
»Om wat te doen?”
»Dat zal ik u zeggen: misschien zal ik u binnen een paar dagen noodig hebben.”
»Krijg ik daar geld voor?”
»Volop; zijt gij nu tevreden?”
»Ja.”
»Dus blijft gij?”
»Ja, ik blijf.”
De graaf verwijderde zich, zonder den vreemden blik op te merken dien de Indiaan hem toewierp.
IX.
DE LEGERSCHANS IN DE WILDERNIS.
Op ongeveer drie geweerschoten afstands van de hacienda, in een dicht bosch van lentisken, nopals en inktboomen, doormengd met eenige acajou-ceders, wilde katoen- en Peruboomen, steeg een uur voor zonsondergang een ruiter af, en kluisterde zijn paard—een heerlijken mustang met fonkelend oog, fieren hals en golvende manen. Nadat de ruiter een bespiedenden blik in het rond had geworpen, blijkbaar welvoldaan over de diepe heerschende stilte, maakte hij zich gereed om te kampeeren.
De onbekende had de helft van zijne levensbaan reeds afgelegd: het was een Indiaansch krijgsman, lang en forsch van gestalte, en gekleed in het kostuum der Comanchen in zijne grootste zuiverheid. Ofschoon reeds meer dan zestig jaar oud was hij nog vol levendigheid en kracht en vertoonde zich geen spoor van ouderdom of verval in zijne gespierde leden; de arendsveer die midden uit zijn oorlogskuif opstak deed hem kennen als een opperhoofd of sachem.
Deze man was de Arendskop, het Comanchenhoofd, waarmede de lezer reeds in een vorig werk kennis heeft gemaakt [14].
Na zijne wapens afgedaan en zijn geweer te hebben in rust gebracht, verzamelde hij een hoop droog hout en stak het in brand. Vervolgens legde hij eenige ellen tasajo, een stuk hertebout en een half dozijn maïskoeken op de kolen. Onder het maken van deze toebereidsels voor een stevig souper, vulde hij zijne calumet en toen hij er mede klaar was ging hij bij het vuur zitten; en begon te rooken met al de bedaardheid die den Indianen eigen is en hen in geenerlei omstandigheden verlegen laat.
Zoo gingen er twee uren vreedzaam voorbij, zonder dat de rust van het Indiaansch hoofd in het minst gestoord werd.
De nacht was op den dag gevolgd, de duisternis had de wildernis ingenomen, en met haar begon het rijk der stilte en der eenzaamheid in de geheimzinnige diepte der prairiën.
De Indiaan bleef steeds onbeweeglijk zitten en vergenoegde zich met nu en dan naar zijn paard om te zien, dat lustig zijne wilde doperwten en jonge bladrijzen knabbelde.
Op eens echter stak de Arendskop het hoofd op, boog het lijf naar voren en zonder zich verder te verroeren greep hij naar zijn geweer, terwijl de mustang ophield met vreten, de ooren spitste en een krachtig gehinnik aanhief.
Het bosch bleef intusschen even kalm: er was al de scherpte van een Indiaansch gehoor toe noodig om in deze stilte nog eenig verdacht geluid op te merken.
Een oogenblik daarna werden de samengetrokken wenkbrauwen van het opperhoofd weder effen, hij hernam zijne onbezorgde houding en de beide voorvingers aan den mond brengende, bootste hij met zonderlinge juistheid, gedurende twee of drie minuten het welluidend gezang der centzontle of Mexicaanschen nachtegaal na; ook het paard had zijn afgebroken maaltijd weder hervat.
Er verliep nauwelijks een minuut, of het geschrei van den watersperwer klonk tweemaal aan de zijde der rivier.
Weldra hoorde men een gedruisch van paarden, vermengd met het kraken van takken en geschuifel van bladeren, en er verschenen twee ruiters.
Het opperhoofd keek niet eens op om te zien wie het waren; hij had hen waarschijnlijk reeds herkend en wist dat zij, hetzij beiden of althans een van hen, bij hem zouden komen.
Deze twee ruiters waren don Louis en Goedsmoeds.
Zij kluisterden hunne paarden bij dat van het opperhoofd, gingen op een stilzwijgenden wenk van den Indiaan bij het vuur zitten en vielen met kracht aan op het souper dat te hunnen gerieve was gereed gemaakt.
Den vorigen dag van de Rancho vertrokken zijnde, hadden zij onafgebroken doorgereisd zonder een oogenblik te verliezen om bij den Arendskop te komen.
De graaf de Lhorailles had hun in de pulqueria aangeboden om samen te reizen, maar dat aanbod was door Goedsmoeds geweigerd.
Niet wetende met welk oogmerk de Indiaan hem in de woestijn had afgesproken, wilde hij niet gaarne een vreemdeling in de zaken van zijn vriend opening geven.
Evenwel waren de drie mannen op den besten voet van elkander gescheiden en had de graaf don Louis en den Canadees uitgenoodigd om hem te Guetzalli te komen opzoeken, eene beleefdheid die zij min of meer uitwijkend beantwoordden.
De sympathie is soms wonderlijk in hare uitwerkselen: de indruk door den graaf op de twee avonturiers gemaakt was voor hem zoo ongunstig geweest, dat deze, ofschoon zijn verzoek met welwillendheid ontvangende het niet raadzaam vonden, zich te laten kennen, maar te zijnen aanzien de meeste terughouding in acht te nemen, hunne voorzichtigheid zelfs zoo ver drijvende dat zij hunnen landaard voor hem verborgen hielden, en het gesprek bleven voortzetten in het Spaansch, ofschoon zij hem reeds bij zijn eerste woord voor een Franschman hadden herkend.
Toen het souper geëindigd was, stopte Goedsmoeds zijne pijp en strekte de hand naar het vuur om er een brandhout uit te grijpen.
»Wacht!” riep de Arendskop met drift.
Dit was het eerste woord dat de Indiaan sprak; tot op dit oogenblik hadden de drie vrienden nog geen syllabe gewisseld.
Goedsmoeds keek hem aan.
»Wel!” riep hij, »wat is er dan nu weer voor nieuws?”
»Ik weet het nog niet,” antwoordde het opperhoofd, »maar ik heb een verdacht geritsel in de bladeren gehoord, en op verren afstand van ons, onder den wind, zijn verscheidene buffels die vreedzaam liepen grazen, op eens op de vlucht gegaan, zonder dat ik er eenige reden voor zie.”
»Zoo!” hernam de Canadees, »dat wordt ernstig; wat denkt gij er van, Louis?”
»In de wildernis,” antwoordde deze bedaard, »heeft alles zijne oorzaak, en geschiedt er niets bij toeval; ik denk, onder verbetering, dat wij wel zullen doen, op onze hoede te zijn. Ei zie,” vervolgde hij opkijkende en zijnen vrienden een troep vogels wijzende, die snel boven hunne hoofden voorbij vlogen, »hebt gij ooit een troep condors op dit uur en zoo laag in de lucht zien vliegen?”
De Indiaan schudde het hoofd.
»Er is iets aan de hand,” mompelde hij, »de Apachenhonden zijn op de jacht.”
»’t Is mogelijk,” zei Goedsmoeds.
»Voor alles,” merkte de Franschman aan, »laten wij het vuur uitdoen; het schijnsel, hoe zwak ook, zou ons kunnen verraden.”
Zijne kameraden volgden zijn raad, het vuur werd oogenblikkelijk uitgedoofd.
»Mijn bleeke broeder is voorzichtig,” zei het opperhoofd beleefd; »hij kent de woestijn, ik ben blijde dat ik hem bij mij zie.”
Don Louis dankte den Indiaan met eene buiging.
»Thans zijn wij nagenoeg onzichtbaar,” vervolgde Goedsmoeds, »dreigend gevaar hebben wij vooreerst niet te duchten, laten wij samen raad houden. Het opperhoofd was de eerste die onraad heeft bespeurd, hij moet ons uitleggen wat hij er van denkt.”
De Indiaan wikkelde zich in zijn mantel en de drie mannen gingen zoo dicht bijeen zitten dat het gesprek fluisterend kon worden voortgezet.
»Reeds dezen morgen met zonsopgang ben ik op reis gegaan,” zei de Arendskop; »en daar ik haast had om het afgesproken punt te bereiken, reed ik dwars door de prairie om de reis te bekorten. Maar den geheelen weg over zag ik duidelijke sporen van een talrijken troep ruiters, die sporen waren breed en vol, als gewoonlijk van een detachement dat sterk genoeg is om voor geen onverhoedsche aanranding te vreezen; ik heb die sporen een geruimen tijd kunnen waarnemen en volgen, tot zij op eens verdwenen waren, zonder dat ik ze bij mogelijkheid heb kunnen terugvinden.”
»Te duivel!” mompelde de Canadees, »dat ziet er gek uit.”
»In ’t eerst dacht ik mij met die sporen niet bezig te houden, maar later begon ik er ongerust over te worden en daarom heb ik gemeend er u van te moeten spreken.”
»Om welke reden werdt gij ongerust?”
»Ik denk, en als het wezen moet, durf ik wel zeggen ik weet het zeker, dat het door mij ontdekte spoor gericht is naar de groote hut der bleekgezichten te Guetzalli.”
»Welken grond hebt gij voor die veronderstelling?” vroeg Louis.
»Deze: op het uur dat de alligator den modderigen oever verlaat om zich weder in de Gila te dompelen, hoorde ik op korten afstand van mij een gedruisch van paarden, zoodat ik uit vrees van ontdekt te worden genoodzaakt was mij achter een boschje van wortelboomen en floripondio’s te verbergen; toen ik daar veilig zat keek ik uit en nu reed er geen boogschot ver van mij af een troep bleekgezichten voorbij, in de richting van Guetzalli.”
»Ik begrijp er niets van,” riep Goedsmoeds, »ga voort.”
»Ondanks al de zorg waarmede hij zich onkenbaar had zoeken te maken, herkende ik den man die de karavaan als gids diende, en toen begreep ik terstond welk een helsch komplot die Apachen-honden hebben gesmeed.”
»En wie is die man?”
»O mijn broeder kent hem wel: het is Wahsho chegora—de Zwarte-Beer—het voornaamste opperhoofd van den stam der Witte Raven.”
»Als gij u daarin niet vergist hebt, hoofdman, dan zullen hier binnen kort vreeselijke dingen gebeuren; de Zwarte-Beer is de onverzoenlijkste vijand der blanken.”
»Dat is de eenige reden waarom ik mijn broeder heb willen spreken. Overigens gaat het ons niet aan; in de wildernis hebben wij genoeg met onze eigene zaken te doen, zonder dat wij ons met die van anderen bemoeien.”
De Canadees schudde het hoofd.
»Wat gij daar zegt is wel waar,” antwoordde hij, »wij zouden misschien wijs doen als wij de bewoners der hacienda aan hun lot overlaten en ons niet steken in zaken daar wij grooten last van kunnen hebben.”
»Zijt gij dan voornemens werkelijk zoo te handelen,” vroeg de Franschman met drift.
»Dat wil ik niet stellig zeggen,” hernam de Canadees, »maar het is een moeielijk geval; wij zullen met een talrijken vijand te doen krijgen.”
»Ja, maar die men wil overrompelen zijn uwe landgenooten.”
»Dat is waar, en dat maakt de zaak inderdaad zeer netelig, ik zou die ongelukkigen niet gaarne zien scalpeeren. Aan den anderen kant, als wij ons onbedacht in den strijd werpen, loopen wij gevaar om zelven er het slachtoffer van te worden.”
»Waarom bedenkt gij er u zoo lang over?”
»Pardi! om het voor en tegen goed na te gaan; ik aarzel altijd om mij in eene onderneming te wagen, daar ik te voren niet al de gevolgen van heb berekend; ben ik er eenmaal in, dan geef ik er minder om.”
Don Louis kon zich moeielijk zonder lachen houden bij deze zonderlinge redeneering, en staarde zijn vriend aan.
»Mijn besluit is genomen,” hervatte de Canadees een oogenblik later. »Eer de nacht voorbij is zullen wij zeker wat nieuws zien gebeuren; gaan wij dichter bij de rivier, ik twijfel niet of wij krijgen daar weldra de noodige aanwijzing om er ons plan naar te regelen. Onze paarden staan hier veilig, wij kunnen ze gerust achter laten, zij zouden ons bovendien maar belemmeren.”
De drie mannen gingen plat op den grond liggen en kropen stil naar de rivier, in de door Goedsmoeds aangewezen richting.
De nacht was heerlijk, de maan scheen in vollen luister en de dampkring was zoo doorzichtig dat men het kleinste voorwerp op grooten afstand kon onderscheiden.
De drie avonturiers kwamen eindelijk uit de struiken tevoorschijn, maar verborgen zich aan den rand der rivier, in een ondoordringbaar boschje, waar zij bleven wachten met al het geduld dat den woudloopers eigen is.
De heerschende stilte in de woestijn was zoo diep, dat ook het zwakste geluid merkbaar werd; een vallend blad in het water, een keitje dat zich aan den oever loswoelde, het zacht en eentonig gemurmel van den stroom over zijn zandige bedding, de ritselende vleugelslag van een uil, die van tak tot tak sprong, was het eenige dat zich hooren liet.
Zoo zaten de drie avonturiers reeds verscheidene uren onverdroten te waken, met open oog en ooren, met den vinger aan de gespannen buks, uit vrees van overrompeling en nog was er niets gebeurd dat de vermoedens van den Arendskop of de voorspellingen van Goedsmoeds kon versterken, toen Louis de hand van den Indiaan zacht aan zijn schouder voelde drukken, hem naar de rivier wijzende; de Franschman richtte zich op de knieën en keek uit.
Eene bijna onmerkbare beweging beroerde de oppervlakte van het water, als zwom er een alligator voorbij.
»Ha ha!” mompelde Goedsmoeds, »daar komt eindelijk wat wij zoo lang gewacht hebben, denk ik.”
Een zwarte massa verscheen weldra, meer drijvend dan zwemmend, op de rivier en naderde van lieverlede de plaats waar de jagers zich verscholen hielden.
Na verloop van eenige minuten hield de donkere massa, wat zij dan ook wezen mocht, stil en hoorde men verscheidene malen achtereen het gejank van den hond der prairiën.
Weldra klonk het gehuil van den coyote met kracht en zoo dicht in de nabijheid, dat de drie wakers huns ondanks er van schrikten. Oogenblikkelijk zagen zij een man met beide handen van een acajou-eik afhangen en eensklaps op den grond vallen, geen zes passen ver van de plek waar zij zich bevonden.
Die man was in Mexicaansche kleeding.
»Kom hier, hoofdman,” zeide hij, half overluid tegen de zwarte massa in het water, zonder zich te dicht aan den oever te wagen. »Kom vrij, wij zijn alleen.”
De toegesprokene zwarte massa, blijkbaar een Indiaan, kwam uit het water en kroop op handen en voeten naar den man uit den boom.
»Mijn broeder spreekt te hard,” zeide hij; »in de woestijn is men nooit alleen; de bladeren hebben oogen en de boomen ooren.”
»Bah! wat gij mij daar zegt is al te gek; wie duivel zou ons hier bespieden. Uwe krijgslieden er buiten gerekend, die waarschijnlijk in den omtrek verborgen zijn, kan niemand ons hier zien of hooren.”