Part 8
Zijne eerste zorg was den Franschman van den strik te bevrijden, die hem bijna worgde, vervolgens poogde hij hem weer tot bewustzijn te brengen, hetgeen niet veel tijd vorderde.
»Ha!” riep de graaf met een bitteren glimlach, terwijl hij opstond en de armen op de borst kruiste, »durft gij dat een eerlijken strijd noemen?”
»Gij alleen hebt de schuld van hetgeen er gebeurd is,” antwoordde de andere, »daar gij mijne voorstellen niet hebt willen aannemen.”
De Franschman verwaardigde zich niet hierover te redeneeren, hij vergenoegde zich met verachtelijk de schouders op te halen.
»Uw leven heb ik gewonnen,” vervolgde zijn weerpartij.
»Ja, door een schelmstuk; maar wat kan het mij schelen! vermoord mij en maak er een eind aan.”
»Ik wil u niet dooden.”
»Wat wilt gij dan?”
»U een raad geven.”
»Mij?”
»Ja, u.”
De graaf grinnikte.
»Gij zijt een gek, waarde heer.”
»Niet zoo erg als gij denkt. Luister aandachtig naar hetgeen ik u te zeggen heb.”
»Zoo ik hopen mocht daardoor des te eerder van uwe tegenwoordigheid ontslagen te worden, zou ik het doen.”
»Hoor dan, señor conde de Lhorailles, uwe komst hier te lande heeft twee personen in ’t ongeluk gestort.”
»Loop heen, gij houdt mij voor den gek.”
»Ik spreek in vollen ernst. Don Sylva de Torres heeft u de hand zijner dochter beloofd.”
»Wat gaat u dat aan?”
»Antwoord.”
»Het is zoo, waarom zoude ik het loochenen?”
»Doña Anita bemint u niet.”
»Hoe kunt gij dat weten?” riep de graaf met een schamperen lach.
»Ik weet het, en ik weet bovendien dat zij een ander bemint.”
»Welnu en wat nog meer?”
»En dat die andere haar bemint.”
»Des te gekker voor hem, want ik zal haar nooit afstaan, dat zweer ik u.”
»Gij hebt ongelijk, señor conde, gij zult haar afstaan, of gij sterft.”
»Het een zoo min als het ander!” riep de onstuimige Franschman, die thans van zijn val geheel hersteld was. »Ik herzeg u dat ik Anita zal huwen. Bemint zij mij niet, hetgeen ik echter betwijfel, welnu dat is een ongeluk; ik hoop dat zij later te mijnen opzichte wel van meening zal veranderen; ik wil dat huwelijk, en niemand is in staat het te verhinderen.”
De gemaskerde had hem met de hevigste ontroering aangehoord, zijne oogen fonkelden van woede, hij stampvoette van spijt; het gelukte hem echter zijn gevoel te overmeesteren en hij antwoordde met eene kalme en bedaarde stem:
»Zie wel toe wat gij doet, caballero; ik heb gezworen u te waarschuwen, en ik waarschuw u eerlijk en trouw, de Hemel geve dat mijne woorden in uw hart weerklank vinden en dat gij den raad volgen zult dien ik u geef!.... De eerste keer dat het lot ons weer bij elkander brengt, moet een van ons beiden sterven.”
»Ik zal de noodige voorzorgen nemen, wees daar gerust op; intusschen doet gij verkeerd dat gij de tegenwoordige gelegenheid niet waarneemt om mij te dooden; want die zult gij nooit terug vinden.”
De twee gemaskerden waren weder te paard gestegen.
»Graaf de Lhorailles,” zei de eene, zich nogmaals tot den Franschman wendende, »wees op uwe hoede, ik heb op u een groot voordeel; ik ken u en gij kent mij niet, het zal mij dus altijd gemakkelijk zijn u te bereiken, als ik dat wil. Wij Mexicanen zijn van Indiaansch en Spaansch bloed, wij zijn vurig in het haten, wees gewaarschuwd!”
Na eene beleefde buiging voor den graaf barstte hij los in een spotachtigen schaterlach, gaf zijn paard de sporen en vertrok in duizelingwekkende vaart, gevolgd door zijn zwijgenden kameraad.
De graaf oogde hem na met een peinzenden blik tot zij in de schemering verdwenen waren; hij schudde eenige malen het hoofd als of hij er de sombere gedachten wilde wegschudden die hem tegen wil en dank bestormden; toen raapte hij zijn sabel en hier en daar verstrooide pistolen op, nam zijn paard bij den teugel en stapte langzaam naar de pulqueria in welker nabijheid de strijd was voorgevallen.
Het licht dat door de slecht gevoegde planken der deur scheen en het gezang en gelach, dat hij daar binnen hoorde deden hem veronderstellen, dat hij in de herberg nog wel een tijdelijk nachtverblijf zou vinden.
»Hm!” mompelde hij half overluid terwijl hij voorttrad, »de bandiet heeft gelijk, hij kent mij, en ik zal hem onmogelijk weer kunnen vinden. Vive Dios! daar heb ik mij een mooien haat op den hals gehaald! Bah!” vervolgde hij, »wat geef ik er om! Ik was al te gelukkig, ik had een vijand noodig. Bij mijn ziel! laat men doen wat men wil, al zou de duivel zelf tegen mij samenspannen, zweer ik, dat niets mij bewegen zal de hand van doña Anita af te staan,”
Op dit oogenblik bevond hij zich voor de pulqueria, waar hij op de deur klopte.
Van nature niet zeer geduldig en bovendien vergramd door hetgeen hem overkomen was en door den vreeselijken kamp dien hij had moeten verduren, was de graaf op het punt van zijne bedreiging uit te voeren en de deur aan spaanders te breken toen zij eindelijk geopend werd.
»Valge me dios?” riep hij verbolgen, »laat gij de menschen voor uw huis vermoorden zonder hun te hulp te komen.”
»Zoo!” riep de pulquero levendig met zekere nieuwsgierigheid, »is er iemand vermoord?”
»Neen, Goddank!” hervatte de graaf, »maar het scheelde weinig, of ik was dood.”
»O!” riep de pulquero onverschillig, »als men zich wilde storen aan allen die bij nacht om hulp roepen, dan zou men de handen vol hebben, en daarbij, als de politie er achter komt, heeft men er maar last van.”
De graaf haalde de schouders op en trad binnen, met zijn paard aan den toom achter zich; terwijl de deur onmiddellijk gesloten werd.
De graaf de Lhorailles wist nog niet dat al wie in Mexico een lijk opneemt, of zich tegen den moordenaar civiele partij stelt, verplicht is om de kosten van het gerecht, die soms enorm hoog loopen te betalen, en ten slotte toch geen verhaal of recht voor het slachtoffer kan krijgen.
Men is in geheel Mexico hiervan zoo vast overtuigd, dat als er een manslag plaats heeft, iedereen zich uit de voeten maakt zonder het slachtoffer hulp te verlenen, daar dit, ingeval er de dood op volgt, voor hem die er zich mede bemoeid heeft de grootste onaangenaamheden veroorzaakt.
In Sonora doet men nog erger, zoodra er een oploop is, en een doode valt, sluit iedereen zijne deur.
VIII.
HET VERTREK.
Zoo als don Sylva de Torres aan zijne dochter gezegd had, was tegen zonsopgang alles gereed om te vertrekken.
In Mexico en bovenal in Sonora, waar de wegen gewoonlijk het beste zijn, als zij ten eenenmale ontbreken, gaat het reizen geheel anders dan in Europa.
Daar zijn geen openbare vracht- of postdiensten, geen pleisterplaatsen of paardenposterijen, veel min spoorwegen. Eene reis van eenige dagen kost oneindig veel zorg en beweging, men is dan verplicht alles bij zich te hebben, daar men niet zeker is iets onder weg te zullen vinden: bedden, tenten, levensmiddelen en water wel het meest; alles moet op muilezels gepakt en weggesleept worden; zonder deze voorzorgen, zou men gevaar loopen van honger of dorst om te komen of onder den blooten hemel te moeten overnachten.
Daarbij moet men zich van een aanzienlijk, goed gewapend geleide voorzien, om den aanval van wilde beesten niet slechts, maar ook der Indianen en vooral der struikroovers af te weren, daar het dank zij de regeeringloosheid van dat ongelukkige land op alle wegen van Mexico van wemelt.
Diensvolgens zal de lezer gemakkelijk begrijpen, dat don Sylva reikhalzend verlangde om Guaymas zoodra mogelijk te verlaten, toen, zoo als wij gezegd hebben, in den vroegen morgen alles voor zijn vertrek gereed was.
De opene plaats voor het huis had veel van eene groote pleisterplaats; vijftien muildieren met pakken en balen beladen stonden te wachten tot dat men gereed was met de palankijn, in welke doña Anita de reis mede zou maken.
Een veertigtal paarden, getuigd en gezadeld, met het vliegennet over den neus, en pistolen in de holsters, stonden in ringen aan den muur vastgemaakt, en een enkele peon afzonderlijk met een heerlijken, kostbaar getuigden draver aan de hand, die voor don Sylva bestemd, ongeduldig stond te wuiven en te stampvoeten, knabbelende op het zilveren gebit, dat met schuim overdekt was.
Kortom het was om doof te worden van al het geschreeuw, gelach en gedruisch.
In de straat stond eene menigte volks te gapen, waaronder zich ook Cuchares en don Martial bevonden, die van hun toer naar de Rancho teruggekomen, met nieuwsgierigheid dit vertrek gadesloegen, daar zij niets van begrepen in dit vergevorderde jaargetij, zoo weinig geschikt voor een verblijf op het land, en zich verdiepten in allerlei gissingen die kant noch wal raakten, over deze zoo geheel buitengewone reis.
Onder den hoop hier, hetzij toevallig of uit nieuwsgierigheid samengevloeid, bevond zich een man, blijkbaar een Indiaan, die schijnbaar achteloos tegen den muur geleund, evenwel het huis van don Sylva niet uit het oog verloor en met de meeste belangstelling al de bewegingen der talrijke bedienden van den haciendero gadesloeg.
Deze persoon, nog jong, scheen een zoogenaamde Hiaqui-Indiaan, ofschoon een nauwlettend opmerker bij nader onderzoek het tegendeel zou gezegd hebben; in het breede voorhoofd van den man, zoowel als in zijn moeielijk te bedwingen fonkelend oog, en in den fieren mond, maar vooral in zijne forsche ledematen, die naar het model van den Griekschen Hercules schenen gevormd te zijn, was iets edels, vastberadens en onafhankelijks, dat veeleer den trotschen Comanch of den woesten Apache aanduidde, dan den meestal dommen Hiaqui. Onder de talrijke schaar dacht echter niemand zich met dezen Indiaan bezig te houden, die van zijnen kant wel zorg droeg de aandacht niet te trekken, maar zich zooveel mogelijk te verbergen.
De Hiaquis komen zich gewoonlijk te Guaymas als werklieden of als lastdragers verhuren: daarom heeft de tegenwoordigheid van zulk een Indiaan niets vreemds.
Eindelijk, tegen acht uren in den morgen, verscheen don Sylva de Torres met zijne dochter aan de hand, gekleed in een keurig reisgewaad, onder de peristyle van het huis.
Doña Anita was zoo bleek als kwam zij uit het graf; haar betrokken gelaat en gezwollen oogen bewezen maar al te zeer, hoeveel zij dien nacht geleden en welk een zelfbedwang zij op dit oogenblik noodig had, om niet voor aller oog in tranen uit te breken. Bij hare verschijning wisselden don Martial en Cuchares een snellen blik, terwijl op de lippen van den Indiaan een glimlach trilde van onbeschrijfelijke uitdrukking.
De tegenwoordigheid van den haciendero herstelde als met een tooverslag de stilte; de arrieros plaatsten zich terstond aan het hoofd hunner muildieren; de peons, tot aan de tanden gewapend, stegen in den zadel en don Sylva, na zich met een oogopslag verzekerd te hebben dat zijne bevelen stipt waren uitgevoerd, liet zijne dochter in de palankijn stappen, waar zij zich terstond in de kussens verborg als een bengali [12] in een bed van rozeblaren.
Op een wenk van den haciendero, begonnen de muilezels, kop aan staart achter elkander gebonden, achter de nana of moederezelin, die de bel aanhad, en onder geleide der peons, het huis uit te komen.
Alvorens te paard te stijgen wendde don Sylva zich tot een zijner oudste bedienden, die met den stroohoed in de hand eerbiedig voor hem stond.
»Adieu, no Pelucho,” zeide hij, »ik vertrouw u het huis toe, houd goed de wacht en draag zorg voor al wat er in is. Overigens laat ik u Pedrito en Florentio, die u kunnen helpen en aan wie gij de noodige orders zult geven, zoodat alles gedurende mijne afwezigheid goed gaat.”
»Gij kunt volkomen gerust zijn, mi amo (meester),” antwoordde de grijsaard met een nederige buiging voor zijn meester, »het is Goddank niet voor het eerst dat gij mij hier alleen laat, ik geloof dat ik mij altijd goed van mijn plicht gekweten heb.”
»Gij zijt een goed dienaar, no Pelucho,” antwoordde don Sylva met een vriendelijken lach, »ik kan u niet anders dan prijzen, ook ga ik ten volle gerust van hier.”
»Dat God u zegene! mi amo, even als de Niña,” antwoordde de oude man, een kruis makende.
»Tot weêrziens, no Pelucho,” zei nu het meisje terwijl zij even het hoofd uit de palankijn stak, »ik weet dat gij zorgen zult voor al wat van mij is.”
De grijsaard boog, zichtbaar vergenoegd.
Don Sylva gaf bevel om te vertrekken en de gansche karavaan zette zich in beweging naar de Rancho de San José. Het was een van die heerlijke ochtenden zooals men alleen in deze rijk gezegende streken vindt; het onweder gedurende den afgeloopen nacht had den hemel geheel schoon geveegd, die zich thans voordeed in een zacht blauw; de zon, die reeds vrij hoog boven den gezichteinder stond, verspreidde hare warme stralen, min of meer getemperd door de welriekende dampen die uit den grond opstegen; de atmospheer met frissche en versterkende geuren bezwangerd, was bijzonder doorzichtig en werd van tijd tot tijd door eene lichte koelte verfrischt; gansche scharen van vogels, van duizenderlei kleur en pluimaadje vlogen in alle richtingen, en de muildieren die achter de bellen der nana madrina—de moederezelin—aankwamen, draafden luchtig voort, onder het opwekkend gezang der arrieros.
Zoo marcheerde de karavaan in opgeruimde stemming over de zandige vlakte, wolken van stof opjagende, terwijl zij als eene lange kronkelende slang zich voortbewoog in de eindelooze bochten van den weg.
Eene voorhoede uit tien peons bestaande nam de omstreken op en bespiedde hier en daar de struiken en heuvels van het golvende terrein. Don Sylva rookte eene sigaar en praatte met zijne dochter, terwijl eene achterhoede van twintig kloeke peons den trein sloot en voor de veiligheid van het convooi waakte.
Wij herhalen hier, in dit land waar geen politie en bij gevolg geen openbaar toezicht bestaat, is eene reis van vier mijlen—want verder ligt de Rancho de San José niet van Guaymas—een even ernstige en zorgvereischende zaak als eene reis van honderd mijlen elders; de vijanden die men zou kunnen ontmoeten en met welke men ieder oogenblik te doen kan krijgen, hetzij roofzieke Indianen of verscheurende dieren, zijn te talrijk, te stoutmoedig en te tuk op roof en moord om te hunnen aanzien zijn leven alleen aan de vlugheid van zijn paard toe te vertrouwen.
Men had Guaymas reeds ver achter zich, en de witte huizen waren sinds lang in de oneffenheden van het terrein verdwenen, toen de capataz, die zich tot hiertoe rustig aan het hoofd der karavaan had gehouden, op eens van daar terugkwam en in galop naar de palankijn reed, waar don Sylva de Torres zich nog steeds bevond.
»Wel, Blas,” riep deze, »wat nieuws hebt gij? Onraad gezien voor ons uit?”
»Nog niets, señoria, antwoordde de capataz, »alles gaat goed en binnen een uurtje komen wij aan de Rancho.”
»Hoe komt gij dan zoo haastig naar mij toe?”
»O, mijn hemel, señoria, het beteekent niet zoo veel, maar er loopt mij een idee door het hoofd, er is iets dat ik wilde aanwijzen.”
»Ah zoo,” riep don Sylva, »wat, brave jongen?”
»Kijk eens, señoria,” hervatte de capataz met de hand naar het zuidwesten wijzende.
»Hé! wat zou dat beduiden? Daar is een vuur, als ik het wel heb.”
»’t Is inderdaad een vuur, señoria; maar kijk eens hier,” en hij wees nu naar het zuid-oosten.
»Dat is er nog een. Wie duivel toch stookt hier vuur op zulke hooge steilten, met welk oogmerk kan men dat gedaan hebben?”
»O! maar dat is zoo moeielijk niet te begrijpen, señoria.”
»Vindt gij dat, mijn jongen? wel, dan moest gij mij de zaak eens ophelderen.”
»Met alle genoegen. Zie daar ginds,” zeide hij, met de hand naar den berg wijzende daar hij het eerste vuur gezien had, »die heuvel is de Cerro del Gigante.”
»Werkelijk.”
»En deze,” vervolgde de capataz naar het tweede vuur wijzende, »is de Cerro de San Xavier.”
»Dat meen ik ook.”
»ik weet het zeker.”
»Welnu?”
»Welnu, daar het eene bewezen waarheid is, dat een vuur niet van zelve kan ontstaan en dat bij eene hitte van veertig graden niemand lust zal hebben om voor aardigheid een vuur boven op den berg te gaan stoken.....”
»Wat besluit gij er dan uit?”
»Ik denk dat die vuren hetzij door roovers of door Indianen zijn aangelegd die de lucht hebben van onzen uittocht.”
»Ja, ja, ja! wat gij daar zegt, is bondig geredeneerd, vriend; ga voort met uw verklaring, zij wekt mijne hoogste belangstelling.”
De capataz of majordomo van don Sylva, was een kloeke borst van omtrent veertig jaren, een vent als een Herkules, en met hart en ziel aan zijn meester gehecht die wederkeerig in hem het grootste vertrouwen stelde. Op de minzame woorden van den haciendero boog de eerlijke man met een glimlach van zelfvoldoening.
»O, maar ik heb zooveel niet meer te zeggen” riep hij, »niets anders dan dat de ladrones (dieven), of wie het ook wezen mogen die op ons loeren, door dit signaal gewaarschuwd zijn dat don Sylva de Torres en zijne dochter van Guaymas op weg zijn naar de Rancho de San José.”
»Waarlijk, gij hebt gelijk, ik heb dat alles over het hoofd gezien: ik dacht het minst niet aan de roofvogels van allerlei soort die op ons pad loeren. Maar alles wel ingezien, wat geven wij er om of de bandieten ons op de hielen zitten, wij zijn immers onder duizend getuigen op reis gegaan, zoo dat niemand er onkundig van behoeft te zijn, en bovendien wij zijn talrijk genoeg om voor geen aanranding te vreezen, maar zoo het mocht gebeuren dat eenige dier schelmen ons durven aanvallen, carcaras! dan zullen ze weten met wien ze te doen hebben, dat beloof ik u; trekken wij dus onbezorgd voort, beste vriend; ik zie niet in dat ons iets onaangenaams kan overkomen.”
De capataz boog voor zijn meester en reed in galop naar zijne plaats aan het hoofd der karavaan terug.
Een uur later bereikten zij zonder tegenspoed de Rancho.
Don Sylva reed aan het rechter portier der palankijn en sprak tegen zijne dochter die hem slechts karige antwoorden gaf, al trachtte zij hare droefheid zoo veel mogelijk voor den scherpzienden blik van haren vader te verbergen, toen de haciendero zich op eens bij herhaling hoorde roepen: hij keek dadelijk om en was niet weinig verbaasd, daar hij in den man die hem zoo onverwachts tot verantwoording riep den graaf de Lhorailles herkende.
»Hoe, señor graaf, gij hier!” riep hij uit, »door welk zonderling toeval ontmoet ik u hier zoo dicht bij de haven, daar gij dezen nacht mij reeds zoover vooruit had moeten zijn?”
Zoodra doña Anita den graaf zag kreeg zij een blos, zij trok zich schielijk terug en liet de gordijnen der palankijn neer.
»O!” antwoordde de graaf met eene beleefde buiging, »tusschen nu en gisteren avond zijn er zekere dingen gebeurd die ik u vertellen zal, Don Sylva, dingen daar gij verwonderd van zult opkijken, ik verzeker u; maar het tegenwoordig oogenblik is niet geschikt om zulk eene historie te beginnen.”
»Zooals gij gepast oordeelt, mijn vriend. Maar hoe is ’t met u, vertrekt gij, of blijft gij hier?”
»Ik vertrek, ik vertrek! Ik ben alleen hier gebleven met oogmerk om u op te wachten; en zoo gij het goedvindt reizen wij samen; in plaats van u naar Guetzalli vooruit te gaan, komen wij er dan gezamenlijk aan.”
»Met alle genoegen. Op marsch!” vervolgde hij met een wenk tegen den capataz.
Laatstgenoemde had toen hij zijn meester met den graaf zag spreken, de karavaan halt laten maken. Thans trok zij weder op weg.
De Rancho de San José was weldra achter den rug en nu eerst begon de eigenlijk gezegde reis.
Voor de reizigers uit strekte zich de woestijn met hare onafzienbare zandvlakte, op wier geelachtigen bodem eene bochtige lijn, gevormd door het wit gebleekt gebeente der paarden en muildieren, die in de woestijn waren bezweken, het pad aanwees dat men te volgen had om niet te verdwalen.
Omtrent twee honderd passen voor de karavaan uit, reed op een kreupelen ezel in sukkeldraf een man, hij zwaaide telkens links en rechts, en scheen half in slaap geraakt door de brandende zonnestralen die loodrecht op zijn bloot hoofd vielen.
»Hei! Blas!” riep don Sylva tegen zijn majordomo, toen hij den eenzamen ruiter in ’t oog kreeg, »gij moest dien Indiaan daar voor ons uit eens gaan roepen; die weergasche Roodhuiden kennen de woestijn op hun duim, hij zou ons als gids kunnen dienen; dan loopen wij minder gevaar van verdwalen, want als wij ons soms mochten vergissen, zal hij ons zeker wel weder op den rechten weg brengen.”
»Gij hebt gelijk,” zei de graaf, »in deze verduivelde zandvlakte is men nooit zeker van het rechte spoor.”
»Ga hem roepen!” hervatte don Sylva.
De capataz zette zijn paard in galop. Op eenigen afstand van den eenzamen reiziger gekomen bracht hij de handen aan zijn mond bij wijze van roeper:
»Heila, José!” schreeuwde hij.
In Mexico heeten al de mansos of geciviliseerde Indianen José, zoodat deze naam voor hen een soort van geslachtsnaam is geworden.
De Indiaan keek om.
»Wat moet gij hebben?” vroeg hij onverschillig.
Het was dezelfde persoon dien wij te Guaymas met zoo veel aandacht de reisaanstalten van den haciendero hebben zien beschouwen.
Was hij toevallig dezen weg uitgereden, of met opzet?
Dit is eene vraag die niemand had kunnen beantwoorden.
Blas Velazquez was wat men in Mexico een hombre de a caballo, wij zouden zeggen een geboren ridder, noemt, sedert lang op de hoogte van al de listen der Indianen, zoowel als met de jacht op wilde dieren. Hij wierp den reiziger een doordringenden blik toe, dien deze met volmaakte onverschilligheid doorstond. Het hoofd eenigszins verlegen gebukt, de handen op den hals van zijn ezel en de naakte beenen er links en rechts af hangende, was hij de volslagen type van een manso Indiaan, die door de vernederende en slaafsche behandeling der blanken bijna tot een redeloos dier is geworden.
De capataz schudde onvoldaan het hoofd, zijn onderzoek was alles behalve naar wensch; intusschen, na eene minuut aarzelens, hervatte hij zijn verhoor.
»Wat maakt gij hier zoo alleen op den weg, José?” vroeg hij.
»Ik kom van del Puerto, waar ik mij als timmermansknecht had verhuurd; ik ben er omtrent eene maand gebleven, en toen ik er de kleine som daar het mij alleen om te doen was had overgewonnen, ben ik gisteren weder vertrokken en keer naar mijn dorp terug.”
Dit alles klonk zoo waarschijnlijk als men verlangen kon; de meeste Hiaqui Indianen deden zoo; en bovendien, wat reden kon deze man hebben om te liegen? Hij was alleen, en ongewapend; de karavaan daarentegen was talrijk en bestond uit dappere mannen; er was dus geen het minste gevaar te vreezen.
»En hebt gij braaf geld gewonnen?” hervatte de capataz.
»Ja,” zei de Indiaan met een zegevierend gezicht, »vijf piasters en nog drie meer.”
»Oho! José, gij zijt rijk.”
De Hiaqui glimlachte dubbelzinnig.
»Ja,” zeide hij, »de Tiburon [13] heeft geld.”
»Heet gij de Tiburon?” hernam de capataz wantrouwig, »dat is geen mooie naam.”
»He! waarom niet? De bleekgezichten hebben dien aan hun rooden zoon gegeven, hij vindt hem mooi, omdat hij van hen afkomstig is en hij zal hem houden.”
»Ligt uw dorp nog ver van hier?”
»Als ik een goed paard had, zou ik er in drie dagen kunnen zijn, mijn stamdorp ligt tusschen de Gila en Guetzalli.”
»Zijt gij bekend te Guetzalli?”
De Indiaan trok minachtend de schouders op.
»De Roodhuiden kennen al de jachtgronden aan de Gila,” zeide hij.
Op dit oogenblik had de karavaan de beide sprekers ingehaald.
»Wel, Blas,” vroeg don Sylva, »wat is dat voor een man?”
»Een Hiaqui-Indiaan, die eene kleine som geld te Puerto heeft overgewonnen en naar zijn dorp terugkeert.”
»Zou hij ons van dienst kunnen zijn?
»Ik denk het wel, zijn stam, zegt hij, ligt tusschen de Gila en de kolonie te Guetzalli.”
»Ah zoo!” riep de graaf die thans naderbij kwam, »behoort hij dan misschien tot den stam van het Witte Paard?”
»Ja,” zei de Indiaan.
»O! dan sta ik borg voor den man,” riep de graaf levendig, »dat zijn zeer zachtzinnige Indianen, het zijn ellendige arme drommels, die bijna van honger sterven; ik gebruik hen dikwijls op de hacienda.”
»Hoor eens,” hervatte don Sylva, den Roodhuid vriendelijk op den schouder kloppende, »wij moeten naar Guetzalli.”
»Goed.”
»En wij hebben een trouwen en eerlijken gids noodig.”