De graaf de Lhorailles

Part 7

Chapter 73,996 wordsPublic domain

Het venster, dat slechts op een kier stond, daar Anita zeker niet gedacht had op die wijze in te slapen, week terug voor den minsten stoot van don Martial; hij deed nog een stap en stond in de slaapkamer van doña Anita.

De indruk van dit vertrek, waar alles zoo kalm, zoo maagdelijk rein en ordelijk was, boezemde den Tigrero een ongewoon gevoel van eerbied in, zijn hart klopte in zijne borst als of het zou barsten, en in zijne hartstochtelijke opwinding tusschen liefde en vrees waggelde hij voort en zonk op de knieën naast zijne beminde.

Het meisje opende de oogen.

»O!” riep zij, toen zij don Martial zag, »Gode zij dank die u te mijner hulpe zendt.”

De Tigrero keek tot haar op, met vochtigen blik en hijgende borst.

Maar plotseling rees Anita overeind, zij kwam tot bezinning en daarmede tot de schuchtere vrees die alle vrouwen is aangeboren.

»Ga heen!” riep zij terwijl zij zich in den versten hoek der kamer terugtrok, »ga heen, caballero. Hoe komt gij hier? wie heeft u bij mij ingeleid? Antwoord, antwoord mij dadelijk!”

De Tigrero boog deemoedig het hoofd.

»God alleen heeft mij hier gebracht, señorita,” riep hij met een nauwelijks hoorbare stem, »zooals gij zelf hebt gezegd, señorita. O! vergeef mij dat ik u aldus heb durven verrassen. Ik heb een groven misslag begaan, dat weet ik; maar een ongeluk bedreigt u, dat heb ik gevoeld en geraden; gij zijt alleen, zonder hulp en ik kwam hier om het u te zeggen; señorita, ik ben wel zeer gering en zeer onwaard u te dienen, doch gij hebt een trouw en vastberaden hart noodig, dat bied ik u aan; neem mijn bloed, neem mijn leven, ik zou mij gelukkig achten voor u te mogen sterven. In ’s hemels naam, señorita, in naam van al wat u lief is op de wereld! wijs mijn verzoek niet van de hand; mijn arm en mijn hart zijn tot uwe beschikking.”

Deze woorden werden met eene door hartstocht bewogen stem uitgesproken, terwijl don Martial midden in de kamer geknield lag, met de handen gevouwen en de oogen op doña Anita gericht, met een smachtenden blik, waarin zijne gansche ziel zich uitdrukte.

Doña Anita keek den jongman wederkeerig strak aan, als om zich van zijne oprechte bedoeling te verzekeren, en zonder het hoofd af te wenden naderde zij hem langzaam, aarzelend en bevend, tegen wil en dank. Toen zij dicht bij hem kwam stond zij een oogenblik besluiteloos, maar legde hem eindelijk hare kleine blanke hand op de schouders en bracht haar gelaat zoo dicht bij het zijne dat hij haar frisschen adem op zijn voorhoofd voelde en hare geparfumeerde lokken zijne wangen streelden.

»Gij bemint mij dus, don Martial?” vroeg zij met een welluidende stem.

»O!” prevelde de jongman schier tot waanzinnigheid verliefd door deze zoete gewaarwording.

De Mexicaansche boog zich over den Tigrero en raakte met hare rozenlippen zijn klam voorhoofd.

»Welaan,” zeide zij, oogenblikkelijk terugspringende als eene verschrikte hinde, terwijl een purperen blos hare wangen kleurde uit schaamte over den stap dien zij had gewaagd, »nu moogt gij mij verdedigen, don Martial, want voor God, die ons ziet en hoort, ben ik uwe vrouw.”

De Tigrero vloog op als geëlectriseerd door dezen gloeienden kus. Met een fier voorhoofd en tintelenden blik, sloot hij het meisje in zijne armen, leidde haar in een hoek van de kamer naar een zilveren statuet van de heilige Maagd, voor hetwelk eene welriekende lamp brandde.

»Kniel, señora!” zeide hij met bezielde stem terwijl hij zelf de knie reeds boog.

Doña Anita gehoorzaamde.

»Heilige Mater dolorosa!” hervatte don Martial, »Nuestra Señora de la Soledad, troosteres der bedroefden. Gij die de harten beproeft, gij ziet de reinheid onzer wenschen en de heiligheid onzer liefde. In uwe tegenwoordigheid neem ik doña Anita de Torres tot vrouwe. Ik zweer haar te zullen verdedigen en beschermen tegen en voor allen, met mijn goed en leven in den strijd dien ik heden aanga voor het heil van haar die ik bemin en die ik van heden af beschouw als mijne echte en deugdelijke bruid.”

Na deze gelofte met eene duidelijke en krachtvolle stem te hebben uitgesproken, wendde de Tigrero zich naar het meisje.

»Nu is het uwe beurt, señorita,” zeide hij.

Doña Anita vouwde de handen en sloeg de oogen vol tranen op naar het heilige beeld.

»Nuestra Señora de la Soledad,” stamelde zij met eene diepe, door aandoening geschokte stem, »gij, mijne eenige beschermster van den dag mijner geboorte af, gij weet of ik u getrouw was, ik zweer dat alles wat deze man heeft gezegd waarheid is; ik neem hem tot echtgenoot voor u, en zal nooit een anderen nemen.”

Zij stonden op.

Doña Anita trok den Tigrero naar het balkon.

»Vertrek!” zeide zij, »de vrouw van don Martial moet niet verdacht worden: vertrek, mijn echtgenoot en mijn broeder; de man aan wien men mij wil overleveren heet de graaf de Lhorailles. Morgen eer de zon opgaat, gaan wij waarschijnlijk op reis naar zijne hacienda.”

»En hij?”

»Is dezen nacht reeds vertrokken.”

»Waarheen?”

»Dat weet ik niet?”

»Ik zal hem dooden?”

»Tot weerziens, don Martial, tot weerziens!”

»Tot weerziens! doña Anita, houd moed, ik waak over u.”

En na haar een kus op het voorhoofd te hebben gedrukt, stapte hij over de balustrade, greep de reata en liet zich in de straat afglijden.

»Helaas! helaas!” murmelde zij met een gesmoorden zucht, »wat heb ik gedaan! ... Heilige Maagd, gij alleen kunt mij den moed wedergeven die mij ontzinkt!”

Zij liet het gordijn neder dat voor het venster hing en keerde terug om voor het Madonnabeeld te knielen, maar deinsde oogenblikkelijk achterwaarts met een uitroep van schrik.

Op twee passen afstand stond don Sylva de Torres met gefronste wenkbrauwen en een streng gelaat.

»Doña Anita, mijne dochter,” zeide hij met een langzame, hortende stem, »ik heb alles gezien en gehoord; spaar dus, verzoek ik u, eene nuttelooze ontkenning.”

»Vader!....” stamelde het arme kind met een gebroken stem.

»Zwijg!” hervatte don Sylva, »het is thans drie ure. Wij vertrekken met zonsopgang, en binnen veertien dagen wordt gij de vrouw van den graaf don Gaëtano de Lhorailles.”

Zonder er verder een woord bij te voegen stapte hij langzaam de kamer uit en sloot de deur achter zich toe.

Alleen achtergebleven, stond doña Anita in gebogen houding bij de deur als om te luisteren, zij wierp een verwilderden blik om zich heen, deed eenige wankelende stappen voorwaarts, sloeg de beide handen krampachtig naar de benauwde toegeschroefde keel, gaf een verscheurenden gil en stortte op den vloer neder.

Zij lag in onmacht.

VII.

EEN TWEEGEVECHT.

Het was omtrent acht ure des avonds toen de graaf de Lhorailles de woning van don Sylva de Torres verliet. De feria de Plata was toen in haar vollen luister: de straten van Guaymas waren met eene vroolijk woelende menigte bedekt: aan alle kanten verhief zich het gejuich, gezang en gelach; stapels goud blonken op de monté-tafels, en verspreidden hun geelachtigen verleidelijken gloed in het heldere schijnsel der talrijke aan alle deuren en vensters schitterende lichten; hier en daar hoorde men de vihuelas en jarabes strijken en tokkelen uit de met drinkers en dansers opgevulde pulquerias. De graaf werkte zich met schouders en ellebogen zoo snel mogelijk door de dichte groepen die hem ieder oogenblik den doortocht versperden; maar zijn pas gehouden gesprek met don Sylva had hem in een te gelukkige luim gebracht dan dat hij er aan zou gedacht hebben om boos te worden over de tallooze stooten die hij ieder oogenblik ontving.

Eindelijk, na ontelbare moeielijkheden en met verlies van dubbel ja driemaal zooveel tijd als hij onder andere omstandigheden noodig zou hebben gehad, gelukte het hem tegen tien uren des avonds zijn logement te bereiken.

Hij had bijna een uur noodig gehad om ongeveer zes honderd passen ver te gaan.

In de meson komende, ging de graaf onmiddellijk naar de corral om zijn paard te verzorgen, dat hij twee schoven alfalfa (spurrie) gaf; na vervolgens te hebben last gegeven dat men hem ten een ure wekken zou, zoo hij, dat wel niet waarschijnlijk was, nog niet op mocht zijn, begaf hij zich naar zijn cuarto (kamer) ten einde eenige uren rust te nemen.

De graaf was voornemens ten een ure des morgens te vertrekken, om de hitte van den dag te vermijden en meer op zijn gemak te reizen.

Bovendien, na zijn gewichtig onderhoud met don Sylva, verlangde de edele avonturier zeer om alleen te zijn, ten einde nog eens het geluk te overdenken dat hem in den afgeloopen avond was te beurt gevallen en zulk eene schoone toekomst beloofde.

Sedert zijne komst in Amerika had de graaf de Lhorailles—om hier een gemeenzame uitdrukking te bezigen—met ongehoord geluk gespeeld; alles liep hem mede, alles kwam zijne wenschen en plannen te gemoet; binnen weinige maanden stond de balans van zijn fortuin als volgt: het bezit van eene kolonie, onder de gunstigste vooruitzichten gegrondvest en bereid, op den weg van vooruitgang en bloei; daarbij in het volle genot zijner nationaliteit, met volkomen vrijheid van handelen, onafhankelijk en meester van alle partijen, was hij in dienst bij het Mexicaansch gouvernement, als kapitein eener vrij-kompagnie van honderd vijftig man, hem geheel toegedaan en met wier behulp hij alles, zelfs de buitensporigste ondernemingen, zoo al niet uitvoeren dan ten minste wagen kon; ten slotte op het punt van te huwen met de eenige dochter van een man, die zooveel hij kon nagaan twintig maal millionair moest zijn, en wat de zaak zeker niet erger maakte, zijne aanstaande bruid was eene allerbekoorlijkste vrouw: ziedaar in korte trekken de stand van zijn tegenwoordig fortuin.

Ongelukkig of gelukkig, al naar het oogpunt waaruit de lezer verkiest onzen held te bezien, had de voorspoedige man geen gevoel of hart meer voor iets: geblaseerd door de bedwelmende buitensporigheden van het leven in Parijs, klopte zijn boezem niet meer onder de afwisselingen van vreugde, droefheid of vrees; alles in hem was gestorven. Zoo was hij juist de man om te slagen in het land waar het toeval hem geworpen had. In den grooten levensstrijd door hem in Amerika begonnen, had hij een groot voordeel op zijne mededingers, namelijk dat hij zich nooit door zijne hartstochten liet regeeren en, dank zijne onverstoorbare koelbloedigheid, in staat was om telkens de strikken te verijdelen die gedurig voor zijne voeten gespannen werden en waarover hij wist te triomfeeren zonder dat hij het zelf scheen te gevoelen.

Na het boven gezegde zal het niet noodig zijn er bij te voegen dat hij de vrouw wier hand hij zocht, niet beminde; was zij jong en schoon, zooveel te beter; maar al ware zij oud en leelijk geweest, zou hij haar toch genomen hebben. Wat kon het hem schelen? hij zocht in dit huwelijk niets anders dan eene schitterende en benijdenswaardige partij.

Kortom, bij den graaf de Lhorailles was alles berekening.

Maar neen, wij vergissen ons in een enkel opzicht, de graaf de Lhorailles had ééne zwakke zijde, hij was eerzuchtig.

Deze drift, een der hevigste roerselen die het menschelijk hart in beweging brengen, was misschien het eenige dat den graaf aan de maatschappij verbond.

Die eerzucht was bij hem, vooral sedert de laatste maanden, tot zulk eene hoogte ontwikkeld dat hij er alles voor zou hebben opgeofferd.

Maar wat was nu het doel van zijne eerzucht? wat was de eigenlijke droom zijner toekomst?

Deze vraag zullen wij den lezer later waarschijnlijk tot in de kleinste bijzonderheden kunnen beantwoorden.

De graaf, na zich ontkleed te hebben, ging naar bed, dat wil zeggen, wikkelde zich in zijn zarape en strekte zich op de brits, of liever het raam met lederen overtrek, dat in gansch Mexico dienen moet om onze bedden te vervangen, een meubel dat in Europa geheel onbekend is.

Nauwelijks was hij gaan liggen of hij sliep in met de gerustheid van een ijverig werkzaam man, voor wien ieder uur kostbaar is en die, daar hij slechts over weinige oogenblikken te beschikken heeft, zich haast om ze waar te nemen en slaapt, zoo als de Spanjaarden zeggen: a pierna suelta, hetgeen wij zouden kunnen vertalen door slapen »met gesloten vuisten.”

Ten één ure des morgens, gelijk hij zich beloofd had, werd de graaf wakker, hij stak de eenige cebo aan die hem tot verlichting diende, bracht zijn toilet een weinig in orde, bekeek met zorg zijne pistolen en zijne karabijn, voelde of zijn zwaard wel vlug uit de scheede ging, en na de verdere voor iederen reiziger die op zijne veiligheid bedacht is onvermijdelijke voorzorgen, opende hij de deur der cuarto en begaf zich regelrecht naar de corral.

Zijn paard vrat nog volmondig en lustig zijn laatste hapje spurrie; de graaf gaf het een maat haver toe, die het met een zacht gehinnik genoot; vervolgens legde hij zijn viervoetigen vriend den zadel op.

In Mexico zal geen echt ruiter, tot welke klasse der maatschappij hij ook behoort, ooit aan anderen toevertrouwen om zijn paard te verzorgen, want in deze nog half wilde streken van Mexico hangt het lijfsbehoud van den ruiter grootendeels af van de kracht en vlugheid van zijn paard.

De deur der herberg stond slechts op de klink, om den reizigers vrijheid te laten van komen of gaan naar verkiezing, zonder iemand anders in huis te verontrusten.

De graaf stak een sigaar op, steeg in den zadel en reed in gestrekten draf den weg op van Guaymas naar de Rancho.

Niets is aangenamer dan het reizen in Mexico bij nacht of in den vroegen morgen. De aarde, door de nachtelijke koelte met overvloedigen dauw besproeid, wasemt er de verkwikkendste en welriekendste geuren, wier heilzame invloed aan het lichaam al zijne kracht en aan den geest al zijne helderheid geeft.

De maan, die weldra onder zou gaan, verlengde met haar bijna horizontaal invallend licht de schaduw der hier en daar langs den weg staande boomen, en gaf hun in de nachtelijke duisternis het aanzien van spoken.

De donkerblauwe hemel was met een talloos heir van tintelende sterren bezaaid, te midden waarvan het Zuidelijk Kruis, aan hetwelk de Indianen den naam van Poron Chayké hebben gegeven, schitterde met onverdoofbaren glans. De wind schuifelde zacht door de takken, tusschen welke de blauwe nachtuil nu en dan zijn melodisch maar klagend gezang hooren liet, en waarmede zich in de diepten der wildernis het ernstig gebrul van puma en cougouar, of het hortend gemauw van panter en boschkat vermengde, of het schorre geblaf der op buit loerende coyotes.

Bij zijn vertrek van Guaymas had de graaf zijn paard sterk aangezet, maar in weerwil van zich zelven, door den onweerstaanbaren indruk van dezen verrukkelijken herfstnacht medegesleept, vertraagde hij ongemerkt den pas van zijn paard en gaf zich van lieverlede over aan den vollen stroom der gedachten, die gedurig in zijn brein opkwamen en hem weldra deden zinken in zoete mijmeringen.

De afstammeling van een oud en hooghartig Fransch geslacht, hier in de woestijn alleen, liet in zijn geest den verdwenen luister van zijn sedert lang verduisterden naam voorbijgaan en zijn hart zwol van vreugd en van trots bij de gedachte, dat voor hem wellicht de taak was weggelegd, om, zoo niet den roem zijner voorzaten te herstellen, ten minste ditmaal voor altijd het fortuin zijner familie te vestigen, dat hij tot hiertoe zoozeer veronachtzaamd, althans zoo slecht had weten te bewaren.

De grond, dien hij nu betrad, moest hem honderdvoudig teruggeven wat hij zoo dwaselijk verloren en verkwist had; het oogenblik was gekomen, waarop hij eindelijk vrij van alle banden de plannen zijner toekomst zou verwezenlijken, die hij zoo lang in zijn hoofd had ontworpen.

Zoo reed hij stapvoets voort, midden in de wildernis en zoodanig in zijne eigene beschouwingen verdiept, dat hij geen acht sloeg op hetgeen er rondom hem gebeurde.

De sterren aan den hemel begonnen te verbleeken en de een na de ander te verdwijnen. De dageraad teekende reeds een witte streep aan den uitersten horizont, die zich van lieverlede kleurde met roodachtige tinten; met de aannadering van den dag, werd de lucht koeler en frisscher, terwijl de graaf door het koude gevoel van den rijkelijk gevallen dauw der woestijn zoo te zeggen uit zijne sluimering gewekt, huiverend de plooien van zijn zarape om zijne schouders trok en zijn paard op nieuw in galop zette, met een verstoorden blik op den veranderden hemel en een wreveligen uitroep:

»O! ik zal slagen, in weerwil van alles!”

Verwaten uitdaging, op welke de hemel onmiddellijk scheen te willen antwoorden.

Ofschoon de dag op het punt stond van aan te breken, was het alsof juist daarom de nacht, in zijne worsteling met de ochtendschemering, des te duisterder wilde worden, gelijk dit trouwens na het ondergaan der volle maan meermalen gebeurt, gedurende de weinige minuten die de verschijning der zon voorafgingen.

De eerste huizen der rancho van San José begonnen zich reeds in de verte te vertoonen en hunne witte gevels in den dikken morgennevel op te steken, toen de graaf op eens kort achter zich op de keien van den weg den haastigen hoefslag van verscheidene paarden hoorde klinken, of althans meende te hooren weergalmen.

In Amerika, bij nacht en op een eenzamen weg, is de ontmoeting van menschen altijd, of ten minste bijna altijd een teeken van dreigend gevaar.

De graaf bleef staan om te luisteren, het geluid naderde snel.

De Franschman was dapper, dit had hij bij menige gelegenheid getoond; intusschen gevoelde hij weinig lust om ergens op weg onverhoeds overvallen en wellicht jammerlijk vermoord te worden.

Hij keek in het rond, om zich te vergewissen hoeveel kans er was om zich te redden, in geval de aankomende ruiters vijanden mochten zijn.

Het terrein was geheel kaal en effen, geen enkele boom, of kuil, of heuvel achter welke hij zich zou kunnen verschansen.

Op twee honderd passen afstands verhieven zich, zooals wij reeds gezegd hebben, de eerste huizen der Rancho.

De graaf nam dadelijk zijn besluit. Hij gaf zijn paard de sporen en reed in vliegenden galop in de richting van San José.

Het bleek weldra dat de vreemdelingen zijn voornemen hadden geraden, want ook zij versnelden den gang hunner paarden merkelijk.

Zoo verliepen een paar minuten, terwijl het gedruisch van den galop al meer en meer duidelijk werd.

De Franschman begreep dus dat het op hem gemunt was, en dat de vreemde ruiters, wie zij ook wezen mochten, hem zochten in te halen.

Hij wierp een blik achterwaarts, en bemerkte in de donkere verte twee schaduwen, die recht op hem aanhielden en in onbeteugelde vaart naderden.

Intusschen had de graaf de Rancho bereikt; door de nabijheid der huizen gerustgesteld en niet gaarne voor een wellicht ingebeeld gevaar willende vluchten, wendde hij zijn paard plotseling om en posteerde zich dwars in de straat met een pistool in iedere hand.

De vreemdelingen renden aan met onverpoosde snelheid; weldra waren zij geen twintig passen meer van den graaf verwijderd.

»Wie daar?” riep hij met een luide en ferme stem.

De onbekenden antwoordden niet, maar schenen nog harder door te zetten.

»Wie daar?” herhaalde de graaf, »houdt op, of ik schiet.”

Hij sprak dit op zulk een beslisten toon en met een zoo onverschrokken houding, dat de onbekenden, na een oogenblik aarzelens bleven staan.

Zij waren met hun beiden.

De dag, die meer en meer begon aan te breken, veroorloofde den graaf hen volkomen te onderscheiden. Zij waren gekleed als Mexicanen, maar vreemd voor dit land, waar de bandieten zich weinig bekommeren hun gelaat te vertoonen, waren zij gemaskerd.

»Heila! bazen,” riep de graaf, »wat beduidt die hardnekkige vervolging?”

»Dat is waarschijnlijk omdat wij u gaarne wilden inhalen,” antwoordde eene holle stem sarcastisch.

»Hebt gij het dan op mij gemunt?”

»Ja, zoo gij de vreemdeling zijt die zich de graaf de Lhorailles noemt.”

»Juist; ik ben de graaf de Lhorailles,” zeide hij onverschrokken.

»Goed, dan hebben wij elkander een woordje te zeggen.”

»Daar heb ik niets tegen, al moet ik uit uw voorkomen opmaken dat gij bandieten zijt; zoo het u misschien om mijn beurs te doen is, neemt die en gaat uws weegs, ik heb niet veel tijd.”

»Uw beurs moogt gij behouden, caballero: het is uw leven, niet uw geld dat wij u willen ontnemen.”

»Ah zoo! dat is hier dan eene aanranding vooraf en een moord daarna?”

»Niet geraden: wij stellen u een eerlijken strijd voor.”

»Hm! een eerlijken strijd,” riep de graaf, »van twee tegen een, dat is mijns inziens toch wel een weinig ongelijk.”

»Daarin zoudt gij gelijk hebben, wanneer het zoo was,” antwoordde degene die tot dusver het woord had gedaan, »maar mijn kameraad is hier alleen om het gevecht aan te zien, niet om er deel aan te nemen.”

De graaf bedacht zich een oogenblik.

»Pardi!” riep hij ten slotte, »het is wel een raar avontuur! een duël in Mexico en met een Mexicaan!..... dat is tot hiertoe nog nooit gezien.”

»Dat is waar, caballero, maar er is een begin voor alles.”

»Al scherts genoeg; ik heb er niets tegen om te strijden en hoop u te bewijzen dat ik wel durf; maar eer ik uw voorstel aanneem, zou ik gaarne weten waarom gij mij noodzaakt met u te vechten.”

»Waartoe zou dat dienen?”

»Waartoe zou dat dienen? Caspita! omdat ik het weten wil. Gij begrijpt wel, dat ik hier mijn tijd niet kan verspillen met al de slechthoofden den hals te breken die mij op weg ontmoeten en goedvinden om zich met mij te meten.”

»Laat het u dan voldoende zijn te weten dat ik u haat.”

»Caramba! daar was ik genoegzaam zeker van, maar dewijl gij er op staat om uw aangezicht voor mij te bedekken, zou ik u toch gaarne eenmaal willen herkennen.”

»Al woorden genoeg,” hervatte de onbekende, »de tijd vliegt heen; wij hebben reeds veel te lang geredekaveld.”

»Welnu, meester, als het er zoo mede gelegen is, houd u dan gereed ik zeg u vooruit, dat ik voornemens ben op u beiden te schieten: een Franschman is niet verlegen om twee Mexicaansche bandieten het hoofd te bieden.”

»Zoo als gij goedvindt,”

»Voorwaarts!”

»Voorwaarts!”

De drie ruiters spoorden hunne paarden en reden op elkander in; toen zij elkander ontmoetten schoten zij hunne pistolen op elkander af, daarop trokken zij hunne sabels.

De strijd was kort, maar hevig; een der onbekenden, licht gewond, werd door zijn paard weggevoerd en verdween in een wolk van stof. De graaf, even door een kogel geraakt, voelde zijn woede ten top gestegen en verdubbelde zijne pogingen om zijn vijand meester te worden of althans buiten gevecht te stellen; maar hij had met een moeielijken tegenstander te doen, een man van verbazende behendigheid en in kracht ten minste met hem gelijk.

Hij zag zijne oogen als gloeiende kolen schitteren door de gaten van zijn masker, terwijl hij met ongelooflijke snelheid om hem heen reed en zijn paard de stoutste sprongen en wendingen deed maken, hem gedurig aanvallende, nu met de spits en dan met het scherp van zijn sabel, en tegelijk zorg dragende dat hij buiten het bereik der slagen van zijn tegenpartij bleef.

De graaf verspilde tegen zijn onvermoeiden vijand zijn kracht te vergeefs; zijne bewegingen begonnen aan vaardigheid en juistheid te verliezen, zijn gezicht werd beneveld, het zweet gudste van zijne slapen. De aanvallen zijner stilzwijgende tegenpartij daarentegen werden des te sneller; de uitslag van den strijd was niet meer te betwijfelen, toen de Franschman plotseling een strik op zijne schouders voelde, en eer hij er aan dacht om er zich van te ontdoen, zoo onzacht uit den zadel gerukt en op den grond werd geworpen, dat hij bijna bewusteloos bleef liggen, zonder zich te kunnen bewegen.

Den tweeden onbekende was het, na een dollen rit van eenige minuten, eindelijk gelukt zijn paard weder meester te worden; en toen met allen spoed naar de plaats van het gevecht terug gereden, zonder dat de twee verbitterde kampioenen door de hitte des strijds zijne tegenwoordigheid opmerkten, had hij het noodig geoordeeld den strijd te doen eindigen en zijn reata nemende had hij den graaf gelasseerd.

Zoodra de onbekende zijn vijand zag vallen, steeg hij van zijn paard en liep naar hem toe.