Part 6
De Locanda del Sol was zoodoende binnen weinige minuten geheel van gedaante veranderd en in eene clubzaal herschapen.
De laatstaangekomen gast van Sarzuela, op wiens order men hem den mond gestopt en armen en beenen gebonden had, scheen op het uitgelezen gezelschap thans in de gelagkamer verzameld zekeren invloed of gezag uit te oefenen. Zoodra toch was de kastelein niet uit den weg geruimd, of de bevelvoerder deed zijn mantel af, gaf de vergadering een wenk om stilte te verzoeken en nam het woord op in zuiver Fransch:
»Broeders,” begon hij met eene heldere welluidende stem, »ik dank u voor uwe stipte gehoorzaamheid.”
De Dauph’yeers bogen wederkeerig beleefd.
»Mijne heeren,” vervolgde hij, »onze plannen marcheeren goed, weldra, zoo ik hoop, bereiken wij het doel dat wij zoolang reeds beoogd hebben, en treden wij uit de duisternis, in welke wij thans nog voortkruipen, te voorschijn om plaats te nemen in het volle zonlicht. Amerika is een wonderbaar land, waar aller eerzucht bevrediging kan vinden; zooals ik veertien dagen geleden, toen ik de eer had u voor de eerste maal bijeen te roepen, mij verbonden heb, heb ik alle noodige maatregelen genomen en wij zijn geslaagd. Gij lieden, mijne vrienden, hebt mij wel tot directeur der Mexicaansche beweging willen benoemen; en ik zeg er u dank voor, mijne broeders. Eene aanvraag van drieduizend acres land is mij toegestaan, te Guetzalli, in Opper-Sonora. De eerste stap is gedaan. Mijn luitenant de la Ville is gisteren naar Mexico vertrokken om het afgestane land in bezit te nemen. Heden heb ik u een verzoek te doen. Gij allen die mij hier hoort, zijt Europeanen of Noord-Amerikanen; gij zult mij dus begrijpen.
»Reeds sedert lang in schijn onverschillig voor hetgeen er in de Amerikaansche republieken omgaat, zijn de Dauph’yeers, de wettige opvolgers der Kust-Broeders, tot hiertoe werkelooze toeschouwers gebleven bij de woelige tooneelen, plotselinge veranderingen en onbeschaamde omwentelingen, die de oude Spaansche koloniën onophoudelijk teisteren.
»Het uur is voor ons gekomen om aan den strijd deel te nemen: ik heb honderd vijftig getrouwe mannen noodig. Guetzalli zal hun voorloopig toevluchtsoord zijn. Spoedig zal ik hun zeggen wat ik van hunnen moed verlang; tracht slechts te doen wat ik wil wagen. De onderneming die ik beraamd heb en in welke ik wellicht zal omkomen is geheel ten voordeele van ons bondgenootschap; zoo ik slagen mag, is elk die er deel aan heeft genomen eene rijke belooning en eene aanzienlijke plaats verzekerd. Gij kent den man die mij bij u heeft ingeleid, hij bezat uw aller vertrouwen; de gedenkpenning dien hij mij gaf, bewijst dadelijk dat hij volkomen voor mij borg staat: en nu vraag ik u of gij op uwe beurt mij vertrouwen schenkt, gelijk hij mij vertrouwde; zonder u kan ik niets uitrichten. Ik wacht uw antwoord.”
Hier zweeg hij.
Onder de aanwezigen ontstond thans ofschoon met gesmoorde stem eene levendige woordenwisseling, die een geruimen tijd aanhield. Eindelijk werden allen weder stil en stond een van hen op.
»Mijnheer de graaf Gaëtan de Lhorailles,” zeide hij, »mijne broederen gelasten mij u in hunnen naam te antwoorden. Gij hebt u aan ons voorgesteld, ondersteund door de krachtige aanbeveling van een man die ons volste vertrouwen bezit; uw eigen gedrag schijnt ons toe deze aanbeveling in allen deele te bevestigen; de honderd vijftig mannen die gij vraagt zijn bereid u te volgen, onverschillig waarheen gij hen leiden zult, en wel overtuigd dat zij niet anders dan winnen kunnen door uwe plannen te ondersteunen. Ik, Diego Leon, schrijf mijn naam bovenaan op de lijst.”
»En ik!”
»En ik!”
»En ik!” riepen de Dauph’yeers om strijd.
De graaf wenkte met de hand en het werd weder stil.
»Broeders, ik dank u,” zeide hij. »Te Valparaiso zal ik, wanneer alles goed gaat, de dappere mannen kiezen, die ik in ’t vervolg zal noodig hebben. Heden heb ik aan honderd vijftig mannen genoeg. Zoo mijn plan gelukt, wie weet wat ons dan in de toekomst nog wacht. Ik heb eigenhandig een contract opgemaakt, welks voorwaarden ik niet twijfel dat stipt door u zoowel als door mij zullen worden nagekomen. Leest het eerst en teekent het daarna: binnen twee dagen vertrek ik naar Talca; maar over zes weken ben ik weder hier om mij te verstaan met diegenen onder u, die bereid zijn mij te volgen, en alsdan zal ik hun mijne plannen tot in de kleinste bijzonderheden mededeelen.”
»Kapitein de Lhorailles,” hernam Diego Leon; »gij zegt dat gij niet meer dan honderd vijftig mannen noodig hebt. Laten wij er dan om loten, want allen willen u volgen.”
»Ik zeg u wederom dank, brave kameraden,” zei de graaf, »gelooft mij, ieder van u zal zijne beurt krijgen; het door mij ontworpen plan is grootsch en uwer waardig; onder ulieden eene keus te doen zou te veel naijver wekken, tusschen mannen die allen verdienstelijk zijn; ik gelast u derhalve, Diego Leon, om door het lot te beslissen, wie van onze eerste onderneming deel moeten uitmaken.”
»Dat zal geschieden,” antwoordde Diego Leon, een stijve en regelmatige Bearnees, voormalig brigadier der Spahis, een oud soldaat, ten volle bekend met de dienst; strenge krijgstucht was zijn stokpaardje.
»Nu, mijne vrienden, nog een enkel woord: denkt er om dat ik u heden over drie maanden wacht te Guetzalli, van daar met Gods hulp zal de ster der Dauph’yeers heerlijk voor ons opgaan. Drinken wij, mijne broeders, op het welslagen onzer onderneming.”
»Drinken wij!” riepen al de Kust-Broeders in blakende geestdrift.
De kastelein werd uit zijn bed gehaald om de gasten te bedienen.
Nu werd er wijn en brandewijn bij volle stroomen gelapt en gedronken.
De gansche nacht ging om in eene slemppartij, die tegen den morgen haar volle hoogte bereikte, toen de vergadering met het krieken van den dag onder de beste verwachtingen uiteen ging.
Zoo had de graaf de Lhorailles, dank zij den talisman dien de baron hem voor zijn vertrek uit Europa gegeven had, zich terstond na zijn aankomst in Amerika aan het hoofd gesteld van een troep bondgenooten, bestaande uit ondernemende en vastberaden mannen, met wier behulp een man van zooveel verstand en aanleg als hij, wel in staat was groote dingen uit te voeren.
Ongeveer twee maanden na de hierboven door ons beschreven vergadering, waren de graaf en zijne honderd vijftig Dauph’yeers vereenigd in de kolonie te Guetzalli, welke heerlijke bezitting hij zich door den geheimen invloed van den baron Spurtzheim had weten te verschaffen.
Zonder dat iemand gissen kon waaraan men zulk een opgang moest toeschrijven, genoot de graaf een ongehoorden voorspoed, alles gelukte hem, de schijnbaar dolzinnigste ondernemingen werden door hem tot een goed einde gebracht, zijne kolonie bloeide meer en meer en breidde zich uit op een wijze die een ieder bewonderde, en zelfs het Mexicaansche gouvernement met de schoonste verwachtingen vervulde.
Met de grondige wereld- en menschenkennis, die de graaf in de hoogste mate bezat, had hij de afgunst zijner benijders tot zwijgen weten te brengen en zich een kring van trouwe vrienden en nuttige helpers verworven, die hem in honderd omstandigheden met hunne voorspraak begunstigden en met hun crediet ondersteunden.
Om onze lezers terstond te doen zien, welke vorderingen hij in betrekkelijk korten tijd, nauwelijks drie jaren, maakte, zal het genoeg zijn te zeggen, dat hij op het oogenblik toen wij hem in ons verhaal lieten optreden, bijna het doel zijner standvastige pogingen had bereikt; hij had zich inderdaad in de publieke opinie weten te vestigen en was op het punt zich een eervollen rang in de maatschappij te verwerven door zijn aanstaande echtverbintenis met de dochter van don Sylva de Torres, een der rijkste hacienderas in Sonora; en dank zij den invloed van zijn aanstaanden schoonvader, had hij een aanstelling ontvangen als kapitein van een vrij-kompagnie, bestemd om de invallen der Apachen en Comanchen op het Mexicaansche grondgebied af te weren, met het recht om deze kompagnie naar verkiezing geheel uit Europeanen samen te stellen.
Keeren wij thans terug naar het huis van don Sylva de Torres, dat wij verlaten hebben weinige oogenblikken nadat de graaf de Lhorailles het was binnen getreden.
VI.
DOOR HET VENSTER.
Toen doña Anita de salon verliet om zich naar hare slaapkamer te begeven, oogde de graaf haar zoo lang mogelijk na, daar hij niets scheen te begrijpen van haar zonderling gedrag jegens hem, vooral uit hoofde der bijzondere betrekking waarin zij tegenover elkander waren geplaatst, ter zake van het huwelijk dat hen weldra voor levenslang zou verbinden. Na echter eenige minuten te hebben nagedacht, schudde bij eindelijk het hoofd, als wilde hij de treurige gedachten verdrijven die hem bestormden, en wendde zich tot zijn toekomstigen schoonvader.
»Spreken wij over onze zaken,” zeide hij; »zoo gij immers wilt.”
»Hebt gij mij dan iets nieuws mede te deelen?”
»Een aantal zaken.”
»Gewichtige?”
»Dat zult gij zelf beoordeelen.”
»Laat hooren dan. Ik ben ongeduldig om ze te vernemen.”
»Gaan wij ordelijk voort. Gij weet, vriend, waarom ik Guetzalli verlaten had.”
»Volkomen. Zijt gij goed geslaagd?”
»Geheel naar mijne verwachting. Dank zij zekere brieven, die ik had medegebracht en vooral ten gevolge uwer welwillende aanbeveling, heeft de generaal Marcos zich jegens mij zeer genegen getoond. De wijze waarop hij mij ontving was allerminzaamst, kortom, hij verleende mij zijn naam in blanko, met volmacht niet alleen om honderd vijftig man aan te werven, maar zelfs dubbel zoo veel als ik dit noodig oordeelde.”
»O! dat is heerlijk, inderdaad.”
»Niet waar? Bovendien heeft hij mij gezegd, dat hij in een oorlog als die welken ik thans ging ondernemen, want een jacht op de Apachen is niets minder dan een oorlog, mij volkomen vrijheid liet om naar eigen goedvinden te handelen, en keurde bij voorbaat alles goed wat door mij gedaan zou worden, wel overtuigd, voegde hij er bij, dat het alleszins strekken zou tot roem en voordeel van Mexico.”
»Wel, dat hoor ik met veel genoegen, vriend. Maar hoe zijt gij thans voornemens te handelen na zulk een gelukkigen afloop?”
»Ik ben vooreerst besloten om van hier onmiddellijk naar Guetzalli te vertrekken, dat ik reeds sedert drie weken verlaten heb. Ik moet noodzakelijk naar mijne kolonie terug, om te zien of alles geregeld gaat en mijn volk gelukkig is. Bovendien zou ik, alvorens mij, misschien voor langen tijd, met het grootste gedeelte mijner manschappen te verwijderen, de kolonisten gaarne tegen eene overrompeling beveiligen, door rondom mijne bezittingen eenige werken aan te leggen, zoodat de achterblijvenden in staat zijn iederen aanval der wilden met kracht af te weren. Dit is van des te meer belang, omdat Guetzalli in zekeren zin altijd mijn hoofdkwartier blijven moet.”
»Dat is zoo. En wanneer denkt gij te vertrekken?”
»Heden avond.”
»Zoo spoedig reeds?”
»Ik moet wel. Gij zelf weet hoe zeer de tijd dringt.”
»Inderdaad. Hebt gij mij niets anders meer te zeggen?”
»Vergeef mij, ik heb u nog eene andere vraag te doen, die ik met opzet voor het laatst bewaard heb.”
»Is zij dan zoo belangrijk?”
»Van het hoogste belang.”
»O, dan moet ik haar hooren, vriend, spreek op, dadelijk.”
»Bij mijne komst hier te lande,” hervatte de graaf, »toen de onderneming, die ik thans God zij dank! tot een goed einde heb gebracht, nog slechts op het papier bestond, waart gij zoo welwillend, señor don Sylva, om niet alleen uw onmetelijk crediet, maar ook uwe onberekenbare rijkdommen te mijner beschikking te stellen.”
»Dat is zoo,” zei de Mexicaan glimlachend.
»Welnu, ik heb van uw aanbod ruimschoots gebruik gemaakt, menigmaal uit uw geldkist geput en over uw crediet zoo dikwijls beschikt als de gelegenheid het vorderde; vergun mij thans het eene gedeelte mijner verplichting aan u te kwijten, terwijl ik erken dat ik het andere gedeelte u vooreerst zal moeten schuldig blijven. Zie hier,” vervolgde hij, een papier uit zijne portefeuille nemende, »hier is een wisselbrief, ten bedrage van honderd duizend piasters, betaalbaar op zicht en getrokken op Walter Blount en Comp. bankiers te Mexico. Ik acht mij gelukkig, don Sylva, in staat te zijn deze schuld zoo gereedelijk af te doen, niet omdat....”
»Met uw welnemen,” viel de haciendero hem in de rede, terwijl hij den wissel, dien de graaf hem aanbood, met drift afwees, »maar ik geloof dat wij elkander op dit oogenblik niet goed begrijpen.”
»Hoezoo niet?”
»Tot opheldering zal ik u zeggen: bij uwe komst te Guaymas, mijnheer de graaf, kwaamt gij bij mij met een dringenden aanbevelingsbrief van wege een man met wien ik, zonder daarom ooit intiem aan hem verbonden te zijn, nochtans eenige jaren geleden zeer groote geldelijke betrekkingen heb gehad. De baron van Spurtzheim stelde u aan mij voor, meer als een beminden zoon dan als een vriend voor wien men zich partij stelt. Ik heb mijn huis wagenwijd voor u opengezet. Ik was verplicht zulks te doen. Later, toen ik u leerde kennen en het grootsche en edele in uw karakter heb kunnen waardeeren, zijn onze aanvankelijk koele betrekkingen nauwer geworden en bood ik u de hand mijner dochter, die gij hebt aangenomen.”
»Tot mijn onuitsprekelijk geluk!” riep de graaf.
»Zeer goed,” hernam de haciendero glimlachend, »het geld dus dat ik van een onbekende zou kunnen terug ontvangen, en dat hij mij als zoodanig wettig verschuldigd was, dat geld behoort aan mijn schoonzoon. Verscheur dus, bid ik u, dien wisselbrief, waarde graaf, en denken wij niet verder om dat bagatel.”
»Juist!” riep de graaf schielijk en op verdrietigen toon, »dat is juist wat mij hindert; ik ben uw schoonzoon nog niet en, als ik het u zeggen moet, ik vrees dat ik het nooit worden zal.”
»En wat geeft u aanleiding om daarvoor te vreezen? Hebt gij niet mijne belofte? Het woord van don Sylva de Torres, waarde heer graaf de Lhorailles, is een waarborg, dien nog nooit iemand heeft durven in twijfel trekken.”
»Daar twijfel ik ook in ’t minst niet aan, don Sylva; het is niet voor u dat ik vrees.”
»Voor wie dan?”
»Voor doña Anita.”
»Voor mijne dochter?”
»Ja.”
»Wat zegt gij, vriend! dat vereischt nadere opheldering, want ik zweer u dat ik het volstrekt niet begrijp” riep don Sylva, terwijl hij driftig opstond en onrustig het salon op en neder trad.
»Mijn hemel, don Sylva!” riep de graaf, »het spijt mij waarlijk dat ik dit bezwaar bij u heb ter sprake moeten brengen, want ik bemin doña Anita; maar de liefde, zooals gij weet, is ergdenkend; en ofschoon uwe dochter altijd lief en goed voor mij geweest is, heb ik haar sedert onze verloving gadegeslagen en als ik het u bekennen moet geloof ik stellig dat zij mij niet bemint.”
»Gij zijt dwaas, don Gaëtano; de meisjes weten zoo min wie zij beminnen als wie zij niet beminnen. Bekommer u niet over die kinderachtige grillen; ik heb u beloofd dat zij uwe vrouw zal worden, en dat zal zij.”
»Maar zoo zij nu evenwel een ander beminde, zou ik u niet willen....”
»Kom, loop heen! dat is nu toch wat al te gek. Anita bemint geen ander dan u, dat weet ik zeker; en ziedaar, ik zal er u op eens van verzekeren; gij vertrekt heden avond hebt gij gezegd naar Guetzalli?”
»Ja, nog dezen avond.”
»Zeer goed; laat dan kamers in gereedheid brengen voor mij en mijne dochter, en binnen weinige dagen komen wij bij u in de hacienda logeeren.”
»Zou dat mogelijk zijn?” riep de graaf verheugd.
»Morgen met het krieken van den dag vertrekken wij; dus haast u.”
»O! duizendmaal dank.”
»Goed, zijt gij nu gerustgesteld?”
»Niemand kan gelukkiger zijn dan ik.”
Na nog eenige woorden te hebben gewisseld namen de twee mannen afscheid, met de belofte dat zij elkander spoedig weêr zouden zien.
Don Sylva was gewoon om in zijn huis door niemand tegengesproken te worden of zijne bevelen in omvraag te brengen; wel overtuigd van Anita’s gehoorzaamheid, liet hij haar met de kamenier zeggen, dat zij zich den volgenden morgen tegen zonsopgang voor eene tamelijk verre reis moest gereed maken.
Dit bericht klonk het meisje als een donderslag in de ooren.
Half flauw van den schrik zeeg zij op een stoel neder en smolt weg in tranen; zij gevoelde maar al te duidelijk dat deze reis niets dan een voorwendsel was, om haar van haren beminde te scheiden en haar weêrloos over te leveren aan den man dien zij verfoeide, en aan wien men haar ongevraagd ongeweigerd dacht uit te huwelijken.
Zoo bleef zij eenige uren lang zitten, geheel in zich zelve verzonken, aan de wanhoop ten prooi, zonder te denken aan de welkome rust, die zij toch niet zou gevonden hebben, want zij wist dat de slaap hare gezwollen en roodgeweende oogleden niet zou sluiten.
Allengs waren alle geluiden in de stad verdoofd, alles sliep of althans scheen te slapen; ook het huis van don Sylva was geheel donker, slechts een enkel flauw licht blonk als eene eenzame ster door de glasruiten van Anita’s venster, en bewees dat zij ten minste nog waakte.
Op dit oogenblik vertoonden zich twee onzekere en vreesachtige schimmen op den muur tegenover het huis van den haciendero; twee mannen in lange mantels gehuld, bleven staan en keken naar het flauw verlichte venster, met eene oplettendheid zoo strak als alleen aan dieven of aan verliefden eigen is.
De twee door ons genoemde mannen behoorden ongetwijfeld tot de laatstgenoemde kategorie.
»Hm!” riep de een met eene halfgesmoorde stem, »dus zijt gij zeker van hetgeen gij beweert, Cuchares?”
»Zoo zeker als ik hoop zalig te worden, señor don Martial,” antwoordde de andere op denzelfden toon, »ik heb dien verwenschten Engelschman in huis zien komen juist toen ik er was; en don Sylva scheen op den besten voet met zoo’n duivelschen ketter.”
Wij moeten in ’t voorbijgaan aanmerken, dat de Mexicanen eenige jaren geleden en wellicht ook nu nog alle vreemdelingen, ongevraagd tot welke natie zij behooren, voor Engelschen houden en bij gevolg als ketters aanmerken; de vreemdelingen zagen zich dus, zelfs buiten hun weten gerangschikt onder de lieden die men zonder misdadig te zijn kon dooden, ja wier vermoording integendeel bijna als een verdienstelijk werk werd beschouwd.
Tot lof van de Mexicanen moeten wij er dan ook bijvoegen, dat zij bij elke voorkomende gelegenheid de zoogenaamde Engelschen omhals brachten, met eenen ijver die van hunne welbegrepen vroomheid alleszins getuigenis gaf.
Don Martial antwoordde:
»Op mijn woord als Tigrero, die kerel is mij reeds tweemaal in den weg gekomen en tweemaal heb ik hem gespaard, maar laat hij zich wachten voor den derden keer.”
»O!” riep Cuchares, »de eerwaarde pater Becchio heeft mij gezegd dat ik altijd een goeden aflaat kon verdienen met een Engelschman te snijden [11] (cortar). Ik heb het voordeel nog niet gehad om er een te ontmoeten, al ben ik er ongeveer acht schuldig op mijne rekening met pater Becchio. Ik heb grooten lust om met dezen een begin te maken, dat ware ten minste zooveel gewonnen.”
»Wees gewaarschuwd, om uw leven, picaro, die man hoort mij toe.”
»Dan spreken wij er niet meer van,” antwoordde Cuchares met een gesmoorden zucht; »ik laat hem voor u. Maar in allen geval het spijt mij, ofschoon de niña hem hartelijk schijnt te verfoeien.”
»Hebt gij bewijs voor hetgeen gij daar zegt?”
»Is er beter bewijs dan de afkeer dien zij hem betoont als hij komt, ik heb haar bij deze gelegenheid zien verbleeken als een doek, zonder dat er eenige andere denkbare reden voor kon bestaan.”
»O! ik zou duizend oncen willen missen om te weten wat er van is?”
»Wie belet u dat? de heele wereld slaapt, niemand zal u zien: vijftien voet! hooger is het niet. Ik ben zeker dat Anita blijde zou zijn als zij eens met u kon praten.”
»O! als ik dat kon denken,” mompelde hij aarzelend met een zijdelingschen blik naar het altijd verlichte venster.
»Misschien! wie weet of zij niet op u wacht!”
»Zwijg, ellendeling.”
»Wat weêrga! luister toch; als het waar is wat ik heb hooren vertellen, moet het arme kind erg in de verknijping zitten, om er niet meer van te zeggen; zij heeft dringend hulp noodig.”
»Wat zegt men van haar? laat hooren, maar kort.”
»Eenvoudig dit: dat doña Anita de Torres vandaag over acht dagen trouwen zal met den Engelschman don Gaëtano.”
»Gij liegt, deugniet,” riep de Tigrero met kwalijk verholen woede; »als ik mij niet weêrhield, zou ik u met mijn ponjaard de woorden teruggeven die gij daar gesproken hebt.”
»Daar zoudt gij verkeerd aan doen,” hervatte de andere zonder zijne bedaardheid te verliezen; »ik ben slechts de echo, die herhaalt wat hij heeft hooren zeggen, meer niet. Gij zijt de eenigste in Guaymas die van dat nieuws niets weet. In allen geval is dat niet te verwonderen, daar gij eerst heden avond in de stad terug zijt gekomen na eene maand afwezigheid.”
»Dat is waar, wat dan gedaan?”
»Caraï! naar goeden raad luisteren en doen wat ik u zeg.”
De Tigrero keek een geruime poos naar het venster, en liet het hoofd besluiteloos hangen.
»Wat zal ze wel zeggen, als zij mij ziet?” mompelde hij.
»Caramba!” riep de lepero op sarcastischen toon, »wat zij zal zeggen? Wees welkom, alma mia (beste vriend) dat is klaar, carai! Gij zijt toch geen kind, don Martial, om voor een vrouwenblik te beven? De gelegenheid heeft slechts drie haren, in de liefde zoowel als in den oorlog; men moet haar aangrijpen als zij zich voordoet, of men loopt gevaar dat zij nooit weêrkomt.”
De Mexicaan naderde den lepero tot hij hem bijna aanraakte, en staarde hem diep in de groene kattenoogen.
»Cuchares,” zeide hij met eene zware nadrukkelijke stem, »ik verlaat mij op u. Gij kent mij; ik heb u zoo menigmaal geholpen maar als gij nu mijn vertrouwen teleurstelt, dood ik u als een coyote.”
De Tigrero sprak deze woorden op zulk een toon van stille woede, dat de lepero, die zeer wel wist met welk een man hij te doen had, tegen wil en dank bleek werd en beefde als een riet.
»Ik ben in alles tot uw dienst, don Martial,” antwoordde hij met eene stem die hij vruchteloos poogde ferm te houden; »wat er ook gebeure, gij kunt op mij rekenen: wat moet ik voor u doen?”
»Niets, wachten, opletten en bij het minste geluid dat u als onraad voorkomt of bij den eersten zweem van vijand dien gij in de duisternis ziet mij onmiddellijk waarschuwen.”
»Reken op mij, doe uwe zaken; ik ben stom en doof, en zal gedurende uwe afwezigheid voor u waken als een zoon voor zijnen vader.”
»Goed!” riep de Tigrero.
Hij trad eenige stappen terug, maakte de reata los die om zijn middel geslagen was, hield haar in de rechterhand gereed, sloeg de oogen op, berekende den afstand en toen de reata eenige malen met kracht boven zijn hoofd slingerende wierp hij haar naar het balkon van doña Anita.
De strik hechtte zich aan een der ijzeren punten der balustrade en bleef stevig vast zitten.
»Denk om uwe belofte!” zei de Tigrero zich tot Cuchares wendende.
»Ga uw gang,” antwoordde deze terwijl hij tegen den muur aan de overzijde post vatte en de beenen over elkander kruiste, »ik sta borg voor alles.”
De Mexicaan nam genoegen of scheen althans genoegen te nemen met deze verzekering; hij greep de reata, en van zijne plaats opspringende als een van die panters die hij zoo vaak had vervolgd in de savane, palmde hij zich met de vuisten naar boven en bereikte na eenige seconden het balkon.
Hij stapte over de balustrade en naderde het venster.
Doña Anita zat in halfliggende houding op haar armstoel te slapen.
Het arme kind, bleek en ontdaan, de oogen door tranen gezwollen, was eindelijk overmeesterd door den slaap die zijne rechten op jeugdige en krachtvolle naturen nimmer verliest. Hare marmerbleeke wangen vertoonden nog de sporen der pas geweende tranen. Martial begluurde met verteederden blik zijne beminde, zonder haar te durven naderen. Zoo in haar slaap verrast, kwam het meisje hem bekoorlijker voor dan ooit, een aureool van reinheid en onschuld scheen te zweven boven haar hoofd, als om hare rust heilig en onschendbaar te bewaken.
Na eene lange en onverzaadbare beschouwing, besloot de Tigrero eindelijk nader te treden.