Part 5
»Geduld,” antwoordde de baron, »neem afscheid van uwe vrienden en vertrekken wij.”
Tegen wil en dank gedwee, door het overwicht van dezen zonderlingen man, gehoorzaamde de graaf zonder zelfs de minste aanmerking te maken.
Hij stond op, omhelsde zijne oude vrienden, wisselde met hen de warmste handdrukken, ontving hunne wenschen voor zijn welslagen en verliet het vertrek, gevolgd door den baron.
De postchais wachtte hem voor de deur van het koffiehuis.
De andere heeren hadden de vensters van de kamer geopend en wenkten hunnen vriend opnieuw vaarwel.
De graaf wierp een langen blik op den Boulevard; de nacht was donker, ofschoon de regen had opgehouden, de hemel was zwart als inkt, en de gasvlammen schitterden flauw in de verte als sterren die zich verloren in een nevel.
»Vaarwel!” mompelde de edelman met eene gesmoorde stem, »vaarwel! wie weet of ik ooit wederkom.”
»Schep moed!” klonk eene strenge stem aan zijn oor.
De jonkman sidderde; de baron stond naast hem.
»Kom vriend,” zeide hij hem in het rijtuig helpende, »ik ga met u tot aan de barrière.”
De graaf steeg waggelend in het rijtuig en zonk op een der kussens neêr.
»Naar Normandië!” riep de baron tegen den postiljon en sloot het portier.
De postiljon klapte met de zweep, de chais zette zich in beweging en vertrok in galop.
»Adieu! adieu!” riepen de jongelieden uit de vensters van het Café Anglais.
Een geruimen tijd zaten de twee mannen zonder te spreken, eindelijk nam de baron het woord.
»Gaëtan!” zeide hij.
»Wat wilt gij?” antwoordde de graaf.
»Ik heb u mijne geschiedenis nog niet uitverteld.”
»Dat’s waar,” mompelde hij verstrooid.
»Verlangt gij het slot niet te hooren?”
»Spreek, vriend.”
»De toon waarop gij mij dit zegt, mijn waarde, bewijst dat uw geest in de denkbeeldige wereld omzwerft; gij denkt zeker aan hen die gij verlaten hebt.”
»Helaas!” zuchtte de graaf, »ik ben alleen op de wereld. Om wie zou ik treuren? ik heb noch magen noch vrienden.”
»Ondankbare!” riep de baron op een toon van verwijt.
»’t Is waar; vergeef mij, waarde vriend, ik wist zelfs niet wat ik zeide.”
»Ik vergeef het u, maar alleen op voorwaarde dat gij naar mij luistert.”
»Dat beloof ik u.”
»Welaan dan, vriend, om op die Dauph’yeers daar ik u van sprak terug te komen, zoo gij in uw plannen slagen wilt zijn hunne vriendschap en bescherming voor u onmisbaar.”
»Helaas! hoe zal ik, als vreemdeling mij die vriendschap en die bescherming verwerven? Nu eerst beef ik van angst als ik aan dat land denk daar ik mij zulk eene schoone toekomst droomde te zullen scheppen; de blinddoek is mij van de oogen gevallen, ik zie thans hoe buitensporig mijne plannen zijn; de moed ontzinkt mij.”
»Nu reeds?” riep de baron streng. »Kind zonder geestkracht, die den strijd reeds opgeeft eer gij hem aanvaard hebt! Man zonder kracht en zonder moed! De vriendschap en de bescherming die voor u zoo onmisbaar zijn, kunt gij verwerven, zoo gij wilt, ik zal er u de middelen toe verschaffen.”
»Gij!” riep de graaf tintelend van nieuwe hoop.
»Ja, ik. Wat denkt gij, dat ik mij zou kunnen vermaken met u twee uren lang te folteren, en met u te spelen als de jaguar met een lam, alleen uit baldadige scherts? Neen, Gaëtan, als gij dat denkt dan vergist gij u wel zeer; ik bemin u, vriend. Toen ik uw besluit hoorde, heb ik het uit grond van mijn hart toegejuicht: het heeft u in mijne schatting hersteld; toen gij ons dezen nacht ronduit uw toestand te kennen gaaft en uwe plannen ontwikkeldet, was het als vond ik mij zelven in u terug, mijn hart beefde van blijdschap, wel eene minuut lang was ik gelukkig, en toen heb ik in mij zelven gezworen dat ik u den breeden en schoonen weg zou openen, op welken gij zeker slagen moet, of het zal uw eigen schuld zijn, omdat gij niet hebt gewild.”
»O!” riep de graaf met drift, »ik zou kunnen omkomen in den strijd die op dit oogenblik tusschen mij en het gansche menschdom begint; maar vrees niet, vriend, ik zal ridderlijk vallen als een man van moed.
»Daar ben ik van overtuigd, vriend; ik heb u nog maar weinige woorden te zeggen. Ook ik ben Dauph’yeer geweest, ik ben het nog; het vermogen dat ik bezit heb ik alleen aan mijne broeders te danken. Neem deze portefeuille, doe dit kettinkje met het kleine medaillon dat er aanhangt om uw hals; straks, als gij alleen zijt, leest gij de voorschriften die de portefeuille bevat, en zij zullen u den weg wijzen hoe gij handelen moet. Zoo gij ze stipt van punt tot punt opvolgt, sta ik u borg voor uw succes: dat is het cadeau dat ik voor u bestemd had en dat ik u niet heb willen geven voor dat wij alleen waren.”
»Is het mogelijk!” riep de graaf in vervoering.
»Hier zijn wij aan de barrière,” zei de baron, terwijl het rijtuig stil hield; »wij moeten scheiden. Vaarwel, vriend, moed en standvastigheid! omhels mij. Bovenal denk om de portefeuille en het medaillon.”
De beide mannen omarmden elkander lang: eindelijk rukte de baron zich met geweld los, opende het portier en sprong op de trottoir.
»Adieu;” riep hij voor ’t laatst, »adieu, Gaëtan! denk er om.”
De postchais reed in snellen draf den straatweg op.
Het was zonderling maar de beide mannen mompelden moedeloos hetzelfde woord zoodra zij zich alleen bevonden, de een met driftigen stap den trottoir afgaande, de andere half verscholen in de kussens der postkoets.
Dat woord was:
»Misschien”!
Ondanks alle moeite die zij deden om zich zelven te bedriegen, hoopten zij geen van beiden.
V.
DE DAUPH’YEERS.
Thans verlaten wij de oude wereld en maken een geweldigen overstap, die ons met een enkelen sprong in de nieuwe wereld overbrengt.
Er is in Amerika eene stad die zich misschien met geen andere op den ganschen aardbol laat vergelijken.
Die stad is Valparaiso.
Valparaiso! de naam alleen reeds klinkt in ons betooverd gehoor als de zoetluidende tonen van een minnezang.
Behaagziek, glimlachend en schalksch, als eene dartele kreolin op de mollige sofa, uitgestrekt op den oever eener bekoorlijke baai aan het hangen van drie majestueuze bergen, de kleine rozenvoeten badend in de azuren golfjes der Stille Zuidzee, en het gedachtenvolle hoofd omsluierend met de witte nevelwolken die de zuiderwind van kaap Hoorn aanblaast en met somber gehuil heenvoert naar de hoogste toppen der Cordilleras, om haar als te kronen met een schitterende diadeem.
Al ligt zij op Chiliaanschen bodem, toch behoort deze zonderlinge stad inderdaad tot geen land en erkent zij geen bijzondere nationaliteiten, of liever, om juister te spreken, neemt zij ze allen op in haar schoot.
Te Valparaiso verzamelen zich de gelukzoekers uit alle landen; alle talen worden er gesproken, iedere tak van koophandel wordt er gedreven; hare bevolking is een bonte mengeling van de vreemdsoortigste en zonderlingste personaliteiten, samengevloeid uit de verste vijf hoeken der werelddeelen om op den windval der fortuin te loeren in deze afgelegen stad, als op den uitersten voorpost der transatlantische beschaving, welks geheime invloed de Spaansch-Amerikaansche gemeenebesten beheerscht.
Valparaiso is even als alle groote handelplaatsen van Zuid-Amerika, eene verzameling van wanstaltige hutten en prachtige paleizen, de een als boven op den ander gestapeld en in lange trossen of risten opgehangen aan de klippige steilten der drie bovengenoemde bergen.
Op het tijdstip waarmede ons verhaal aanvangt waren de straten nauw, morsig en donker, bij gebrek aan zonneschijn. Geheel of gedeeltelijk van plaveisel beroofd, worden het ware moddergoten, waarin de voetganger tot aan de knieën wegzinkt, wanneer de stortregens in het wintersaizoen of het afvlietende water van de bergen den grond doorweekt, zoodat het gebruik van rijpaarden er onvermijdelijk is zelfs voor de kortste afstanden.
Uit deze slijkpoelen, nog verergerd door het vuilnis van allerlei soort dat de dagelijksche afval bij het schoonhouden der huizen er aan toevoegt, wasemt gedurig een stinkende rotlucht, de vruchtbare moeder van kwaadaardige koortsen, zonder dat iemand er ooit aan dacht om deze ergernis uit den weg te ruimen en voor de publieke gezondheid te waken.
Tegenwoordig, zegt men, is de staat van zaken er merkelijk veranderd en herkent Valparaiso zich zelven niet meer; wij willen het wenschen en zouden het gaarne gelooven, ofschoon de welbekende zorgeloosheid der Zuid-Amerikanen ons veel reden geeft om er grootendeels aan te twijfelen.
In een der morsigste en kwalijkst beruchte straten van Valparaiso stond een huis, dat wij den lezer verlof vragen om in weinige woorden te beschrijven.
Wij zijn reeds dadelijk genoopt te bekennen dat de bouwmeester die het samenstelde, al was hij ook bijzonder karig met het aanbrengen van overtollige sieraden, het volmaakt wel had ingericht voor de industrie der verschillende eigenaars, die er achtervolgens hun bedrijf in zouden uitoefenen. Het was eene groote van kalk en stroo gebouwde kavalje, welks voorgevel op de straat de la Merced uitzag; terwijl de achterzijde aan de zee uitkwam, over welke het met behulp van stevig paalwerk tot op zekere diepte vooruitsprong.
Dit huis werd bewoond door een herbergier. Geheel in strijd met de gebouwen in Europa, die naarmate men hooger komt doorgaans smaller en lichter worden, werd dit integendeel hoe hooger hoe breeder, zoodat het bovenste gedeelte zeer ruim en goed verlicht mocht heeten, terwijl de winkel en de overige vertrekken gelijkvloers klein en donker waren.
De tegenwoordige eigenaar had van dezen bouwkunstigen aanleg handig gebruik gemaakt, om in de ruimte tusschen de eerste en tweede verdieping een afzonderlijk vertrek te bouwen, dat men langs een in den muur verborgen wenteltrap bereiken moest.
Dit vertrek was derwijze gelegen dat het minste gedruisch van de straat er zeer duidelijk kon gehoord worden, en soms zoo geweldig klonk dat de personen die er zich bevonden niets merkten van het leven dat zij zelven maakten, ja nauwelijks elkanders woorden konden verstaan.
De eerzame herbergier, dien het huis toekwam, had natuurlijk een min of meer gemengde clientèle van allerlei slag: makelaars, kapers, rateros—gauwdieven—en anderen, wier gedragingen hem in gevaar brachten, om met de Chiliaansche politie in moeielijkheid te geraken; bij gevolg lag er, aan een ring onder een der vensters die aan de zee uitkwamen, doorgaans een walvischvaarder vastgemeerd, om een voorloopige toevlucht te bieden aan de gasten uit de herberg, wanneer de politieagenten soms waakzaam genoeg waren om dit dievenhol te onderzoeken en hun te dicht achter de hielen zaten.
Dit huis heette destijds, en waarschijnlijk nu nog, zoo het ten minste later niet door een brand of een aardbeving verwoest en van Valparaiso’s grond verdwenen is—de Locanda del Sol.
Op een ijzeren plaat, die boven de deur aan een driehoek bij den minsten wind hing te slingeren en te kraken, had een kladschilder zijne kunst getoond met een groot vuurrood aangezicht te schilderen, omringd van gouden stralen, dat waarschijnlijk den bovengemelden titel moest toelichten.
Señor Benito Sarzuela, kastelein uit de Locanda del Sol (logement de Zon), was een groote, stuursche, magere vent, met een hoekig gelaat en gluipenden blik, een mesties van gekruist Araucaansch-, Neger-, en Spaansch bloed, wiens moraal volmaakt overeenstemde met zijn physiek, in zoover namelijk dat hij de ondeugden der drie—roode, zwarte en blanke rassen in zich vereenigde, zonder een enkele hunner deugden te bezitten, terwijl hij onder bedekking van één openbaar beroep, er een twintig andere heimelijk uitoefende, van welke het onschuldigste, zoo men er achter ware gekomen, voldoende zou zijn geweest om hem voor levenslang naar de presidios—de galeien—te sturen.
Ongeveer twee maanden na de in het vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen, des avonds tegen elf ure, in een kouden, mistigen winternacht, zat señor Benito Sarzuela druilig achter zijne toonbank, en staarde met hopeloozen blik op de ledige zaal van zijn établissement.
De wind woei met hevige rukken en deed het uithangbord der Meson met klagend geluid kraken op zijne hengsels. Zwarte, laaghangende wolken uit het zuiden dreven zwaar door het luchtruim en ontlastten zich nu en dan met groote droppels op den door vroegere onweersbuien doorweekten grond.
»Waar moet dat heen?” mompelde de ongelukkige kastelein met een weemoedig gezicht half binnenmonds; »al weder een dag als zoo vele vorigen, sangre de Dios! Sedert vele dagen heb ik geen kans meer, en als dat nog eene week zoo duurt ben ik geruïneerd.”
Werkelijk scheen de Locanda del Sol sedert eene maand ongeveer onder een samenloop van omstandigheden, ook van weêr en wind, zijn ouden luister geheel verloren te hebben, zonder dat de kastelein zich begrijpen kon waar hij dezen ongelukkigen ommekeer aan toe moest schrijven.
In de ruime gelagkamer was alles doodstil en ledig. Men hoorde er geen gezang of gevloek, veel min het rinkelen der gebroken glasruiten of het kletteren der drinkglazen, kannen of flesschen, die de luidruchtige gasten bij opkomenden twist of in een uitgelaten roes elkander vaak naar ’t hoofd in stukken smeten of door de zaal keilden.
Treurige wisselkeer der menschelijke zaken! Het topvolle fortuin was eensklaps door het volkomen ledige vervangen. Al had de pest in het huis geregeerd, kon het niet eenzamer en meer verlaten zijn geweest: de flesschen bleven ordelijk in de rakken geschaard, en in den loop van dien dag waren er slechts twee voorbijgangers binnen gekomen om een glaasje pisco [9] te drinken,—dat zij dadelijk betaald hadden, zich haastende om het buffet te verlaten, ondanks de spraakzaamheid en de dringende vriendelijkheid van den kastelein, die hen vruchteloos poogde te houden om met hen over de nieuwtjes van den dag te praten en vooral om zijn vervelende eenzaamheid te breken.
Na de weinige woorden die wij hem zoo even hoorden mompelen, was de eerzame don Benito opgestaan en maakte hij zich al brommende gereed om zijn hotel te sluiten, om ten minste bij gebrek van andere winsten het licht uit te sparen, toen er op eens een man binnen kwam, weldra gevolgd door een tweede, een derde, vierde—zesde, tiende,—eindelijk kwamen er zoo veel dat de locandero het opgaf ze te tellen.
Al deze mannen waren in ruime mantels gewikkeld, en hadden groote hoeden op, wier breede rand, met zorg over de oogen neergeslagen, hen geheel onkenbaar maakte.
Weldra was de zaal eivol met gasten, die rookten en dronken, maar geen woord spraken.
Zonderling verschijnsel! ofschoon al de tafels en tafeltjes bezet waren met drinkers, heerschte er onder hen zulk eene diepe stilte, dat men duidelijk daar buiten den regen kon hooren ruischen en de paarden der serenos kletteren over de keien, of klotsen in de modderplassen die hier en daar den grond bedekten.
De kastelein, door dezen onverwachten terugkeer der fortuin op het aangenaamst verrast, deed zijn uiterste best om de welkome klanten te bedienen. Nu echter gebeurde er iets dat señor Sarzuela wel verre was van te verwachten; want ofschoon het spreekwoord zegt: »dat overmaat van goede zaken geen kwaad kan,” en de spreekwoorden de dragers zijn van de wijsheid der volken, werd de toevloed der onbekenden, die met elkander schenen te hebben afgesproken om in de Locanda del Sol eene bijeenkomst te houden, binnen weinige minuten zoo ongeëvenredigd groot, dat de kastelein er eindelijk zelf bang voor begon te worden, want de Locanda, straks nog zoo ledig en doodsch, werd weldra zoo vol dat hij niet meer wist waar hij de onophoudelijk binnenkomenden plaatsen zou. Wat meer zegt, toen de groote zaai propvol was en, om zoo te zeggen overliep, vond de altoos klimmende toevloed een uitweg naar de belendende vertrekken, vervolgens steeg hij de trappen op en verspreidde zich in de bovenkamers, die alweder spoedig gevuld waren.
Kortom, met den eersten slag van elven hadden zich meer dan twee honderd gasten in de Locanda del Sol verzameld.
De locandero, overigens een welberekenende kerel dien het niet aan de noodige schranderheid ontbrak, begreep spoedig dat er iets buitengewoons moest gebeuren, en dat zijne meson er allerwaarschijnlijkst de schouwplaats, van zijn zou. Hij beefde inwendig voor de gevolgen en eene huivering van vrees deed zijne haren stoppelen, terwijl hij in zijn hoofd naar een geschikt middel zocht om zich van deze gevaarlijke en stilzwijgende gasten te kunnen ontslaan.
In den uitersten nood en niet wetende wat hij beter zou doen, stond hij op met een brutaal gezicht en in eene houding zoo ferm mogelijk trad hij naar de deur, als of bij zich gereed maakte om zijne herberg te sluiten.
De gasten bleven echter zoo stom als visschen, verroerden geen vin om hem tegen te houden of om heen te gaan, integendeel deden zij als zagen zij niets.
Don Benito huiverde opnieuw en tweemaal zoo erg. Plotseling klonk er in de roerlooze stille eene stem die hem een ongezocht voorwendsel gaf, daar hij vergeefs naar zocht, het was de nachtwacht die juist de deur der locanda voorbijging en op de gewone wijs riep:
»Ave Maria purissima! Las onze han dado ylluve!” [10]. Ofschoon de bewegelijke toon waarop deze antieke volzin door den sereno werd uitgebalkt schier in staat was om een kater tranen af te persen, maakte zij geen den minsten indruk op de handelingen van den kastelein.
Door overmaat van angst vatte señor Sarzuela eindelijk weder moeds genoeg om zich onmiddellijk tot zijne stijfhoofdige gasten te wenden en hen op eene krachtige wijs te interpelleeren; hij plaatste zich daartoe midden in de zaal met de vuist op de linkerheup en een fier opgericht hoofd.
»Señores caballeros!” riep hij met een bevende stem, die hij te vergeefs de noodige fermeteit trachtte te geven, »het is elf uur geslagen; de politieverordening verbiedt mij om langer te tappen; weest dus als ik u verzoeken mag zoo goed van onverwijld te vertrekken, daar ik verplicht ben om mijn huis te sluiten.”
Deze toespraak, waar hij zich de beste gevolgen van had durven beloven, had juist een tegenovergestelde uitwerking dan hetgeen hij verwachtte.
De onbekende gasten sloegen met hunne bekers op de tafels en riepen als uit eenen mond:
»Drank!”
De kastelein deed een sprong achteruit van schrik, bij zijne geweldige misrekening.
»Maar, met uw welnemen, caballeros,” waagde hij opnieuw het volgend oogenblik te hervatten, »de politieverordening is streng, het is elf ure, en...!”
Hier kon hij niet verder; het leven begon opnieuw en sterker dan te voren, en de gasten riepen met donderende stem:
»Drank!”
Nu greep er in het gemoed van den kastelein eene reactie plaats, die zich licht laat begrijpen; in den waan dat men het persoonlijk op hem gemunt had en dat zijn eigen belangen op het spel stonden, geraakte de vrees bij hem op den achtergrond om plaats te maken voor de gierigheid, bedreigd in hetgeen bij hem boven alles ging, namelijk zijne bezitting.
»Ha?” riep hij sidderend van gramschap, »gaat het hier zoo toe, dan zullen wij zien of ik in mijn eigen huis meester ben of niet. Ik ga terstond naar den alcade!”
Deze bedreiging met het gerecht, in den mond van een man als Sarzuela, scheen inderdaad zoo ongerijmd en bespottelijk; dat het gansche gezelschap eenparig in een homerischen lach uitbarstte en den armen kerel uitjouwde daar hij bijstond. Dit was de genadeslag; de maat liep over, de gramschap van den armen kastelein klom tot razende woede en hij stormde naar de deur als een dolleman onder het oorverdoovend gegil en geschater zijner vervolgers.
Doch nauwelijks had hij een voet over den drempel van zijn huis, of een nieuw aankomende gast hield hem tegen, greep hem bij den arm en drong hem met een ruk in de zaal terug, hem op snaakschen toon toevoegende:
»Welke vlieg heeft u gestoken, kastelein? Zijt gij gek om in zulk een weêr blootshoofd de deur uit te loopen, ’t is goed om een pleuris te krijgen.”
Terwijl de locandero, door dezen ruwen schok verschrikt en schier van de been geraakt, beide zijn physiek en moreel evenwicht poogde te herstellen om zijne gedachten weder in orde te brengen, had de onbekende gedaan alsof hij thuis was; met behulp van een paar andere gasten, die hij wenkte hem te helpen, werden de blinden in de vensters gezet, en de deur gesloten, gegrendeld en geketend, met even veel behendigheid en zorg als Sarzuela zelf gewoon was aan dat fijne werk te besteden.
»Ziedaar, dat is alweder gedaan,” zeide de onbekende tegen den verbluften kastelein, »nu zullen wij samen praten, compadre, als gij wilt. Maar, à propos, kent gij mij niet?” vervolgde hij zijn hoed afzettende, zoodat zijn fijne en schrander hoofd te voorschijn kwam en een gelaat waarop in dit oogenblik een glimlach vol scherts en goede luim schitterde.
»O! el señor don Gaëtan,” zei Sarzuela voor wien deze ontmoeting alles behalve aangenaam was, en die moeite had om geen allerleelijkst gezicht te trekken.
»Stil!” riep de andere, »kom mede.”
En met een wenk voerde hij den kastelein naar een hoek der zaal, bukte aan zijn oor en vroeg hem zoo zacht mogelijk:
»Hebt gij vreemdelingen in uw huis?”
»Zie maar eens!” antwoordde de kastelein met een benauwd gezicht naar zijne gasten wijzende die lustig zaten te drinken, »dit legio duivels heeft sedert het laatste uur mijn hôtel ingenomen, ze drinken goed, dat is waar; maar hun meer dan verdacht voorkomen is voor een fatsoenlijk man gansch niet geruststellend.”
»Zooveel te beter, dan hebt gij ten minste niets te vreezen. Bovendien, over hen loopt thans de kwestie niet, ik vraag u alleen of gij vreemde logee’s in huis hebt; wat deze heeren betreft, die kent gij misschien even goed, zoo niet beter dan ik.”
»Ik heb in mijn gansche huis, van den zolder tot aan den kelder geen andere gasten dan deze caballeros, die gij beweert dat ik wel zou kennen. ’t Is mogelijk, maar zoolang als ze nu reeds hier zijn hebben zij goedgevonden zich zoo dicht in te pakken, dat ik nauwelijks de punt hunner neuzen heb gezien, zoodat ik niet in staat was hen te herkennen.”
»Gij zijt een onnoozele hals, waarde vriend; deze lieden, die u zoo erg schijnen te mishagen, zijn allen Dauph’yeers.”
»Inderdaad!” riep de verbaasde kastelein, »maar waarom verbergen zij dan hun aangezicht?”
»Waarom, meester Sarzuela? ik denk voor het naaste dat het is omdat zij zich niet gaarne laten zien.”
Terwijl hij den bedremmelden kastelein in zijn aangezicht uitlachte, gaf hij de anderen een wenk.
Twee personen stonden op, pakten den armen drommel beet en eer hij tijd had om te gissen wat er met hem gebeurde, was hij reeds zoo handig en wel vastgekneveld dat hij geen lid meer verroeren kon.
»Heb geen vrees, meester Sarzuela, men zal u geen leed doen,” vervolgde de onbekende. »’t Is maar dat wij zonder getuigen spreken willen, en daar gij een weinig babbelachtig van aard zijt, nemen wij onze voorzorgen; anders niets. Wees derhalve gerust, binnen weinige uren zijt gij weder vrij. Kom, haast u een beetje, gij daar!” vervolgde hij tegen zijne handlangers; »steekt hem een prop in den mond, brengt hem naar zijne kamer in bed, en draait de deur op het nachtslot. Tot weêrziens, brave kastelein, heb vooreerst maar een beetje geduld.”
De orders van den onbekende werden stipt ten uitvoer gebracht; de ongelukkige Sarzuela, gekneveld en den mond gestopt, werd door twee man op de schouders genomen, de zaal uitgedragen, naar zijne kamer gebracht, in een ommezien in zijn bed gelegd en in een ommezien opgesloten; dit alles ging zoo snel in zijn werk dat hij er zelfs niet aan dacht om den minsten tegenstand te bieden.
Wij zullen hem een poos aan zijne alles behalve rooskleurige beschouwingen overlaten, die hem zeker zoodra hij zich met zijne wanhoop alleen bevond in massa bestormden, en keeren naar de groote zaal der herberg terug, waar wij voor ons vrij wat belangrijker personen te beschouwen hebben, dan den armen hospes.
De Dauph’yeers zagen zich nauwelijks meester in de gelagkamer, of eensklaps werden de tafels op elkander tegen den muur gestapeld om midden in de zaal meer ruimte te krijgen, vervolgens zette men de banken in rijen, waarop eindelijk allen plaats namen.