Part 4
»Waarlijk, uw lot is allertreurigst, vriend, dat moet ik bekennen,” riep hij hoofdschuddend; »en nu, bovendien, begeeft gij u in eene hopelooze onderneming, die weinig kans heeft te zullen slagen: een eenig mensch in de woestijn is als een verloren zandkorrel. Gesteld dat uw vriend nog leeft, wie weet in welk oord hij zich dan op dit oogenblik bevindt, en terwijl gij hem aan den eenen kant der wildernis zoekt, is hij misschien juist aan den anderen. Intusschen wil ik u een voorstel doen, dat ik niet twijfel of het zal voor u aannemelijk en voordeelig zijn.”
»Dat voorstel, vriend, weet ik reeds eer gij het mij zegt. Ik dank er u voor en neem het dadelijk aan,” antwoordde de Franschman schielijk.
»Dus toegestemd en afgesproken,” zei Goedsmoeds, »wij vertrekken samen en gij gaat met mij naar Apacheria, niet waar?”
»Ja.”
»Te weêrga! dat noem ik geluk. Nauwelijks ben ik van mijn vriend Edelhart gescheiden of de goede voorzienigheid voert mij een anderen, even dierbaren tegemoet.”
»Wie is die Edelhart daar gij van spreekt?” [7]
»Een vriend daar ik jaren lang mede samen geleefd heb en dien gij eenmaal zult leeren kennen. Welaan dan op Gods genade! Met het aanbreken van den dag gaan wij op weg.”
»Zoo vroeg gij maar wilt.”
»Ik heb met Arendskop afgesproken om hem drie dagreizen van hier te ontmoeten. Ik zou mij zeer moeten bedriegen als hij mij niet reeds wachtte.”
»Maar wat gaat gij in Apacheria doen?”
»Dat weet ik niet; Arendskop heeft mij verzocht hem te vergezellen, en ik ga; een mijner stellingen is: nooit meer te willen weten dan mijne vrienden mij van hunne geheimen zelf gelieven te zeggen; dat geeft de meeste vrijheid zoowel voor hen als voor mij.”
»Zeer goed geredeneerd, mijn waarde Goedsmoeds; maar als wij nu toch zoo lang samen zullen leven, dat hoop ik tenminste.....”
»Ik ook.”
»Zal het niet kwaad zijn,” vervolgde de Franschman, »dat gij mijn naam weet, dien ik tot nog toe vergat u op te geven.”
»Laat u dat niet verontrusten, ik zelf zal er u wel een geven, zoo gij wellicht reden hebt om uw incognito te bewaren.”
»Daar heb ik volstrekt geen reden toe; ik ben de graaf Louis de Prébois Crancé.” [8]
Goedsmoeds sprong op als een losgelaten veer die zich ontspant, hij nam zijn bonten muts af en maakte een eerbiedige buiging.
»Duid mij niet ten kwade, mijnheer de graaf,” zeide hij, »dat ik een weinig vrij tot u gesproken heb; had ik geweten met wien ik de eer had samen te zijn, dan zou ik mij zoo veel vrijheid niet hebben veroorloofd.”
»Goedsmoeds, Goedsmoeds,” riep de graaf met een ernstigen glimlach terwijl hij driftig zijne hand greep, »moeten wij zoo onze verbintenis aanvangen? Er staan twee mannen gereed hetzelfde leven te leiden, dezelfde gevaren te trotseeren, dezelfde vijanden te bestrijden, laten wij voor de zotten in de steden de dwaze onderscheidingen over die voor ons geenerlei waarde of beteekenis hebben. Ik wil voor u niets anders zijn dan Louis, uw goede reisgezel, en uw trouwe vriend, even als gij voor mij niets anders zijt dan Goedsmoeds, de beproefde onversaagde woudlooper.”
Bij deze woorden kwam er op het gelaat van den Canadees een glans van genoegen.
»Goed gesproken, bij mijne ziel, mooi gesproken,” riep hij uit. »Ik ben maar een arme onwetende jager, waarom zou ik dit verbergen? Maar hetgeen gij mij daar gezegd hebt, was mij recht naar het hart gesproken. Bij den hemel! Louis, ik ben geheel de uwe, in leven en dood, en ik hoop u weldra te bewijzen, vriend, dat ik zekere waarde heb,”
»Daar ben ik meer dan van overtuigd; en hiermede hebben wij elkander thans goed begrepen, niet waar?”
»Pardi! ja.”
Op dit oogenblik klonk er op de straat zulk een geweldig leven, dat het in de zaal duidelijk gehoord werd.
Gelijk gewoonlijk in dergelijke gevallen, zwegen de luidruchtige gasten in de pulqueria opeens doodstil om te luisteren. Men hoorde duidelijk schreeuwen en vloeken, gekletter van sabels, en getrappel van paarden, bij tusschenpoozen overstemd door het losbranden van vuurwapenen.
»Carai!” riep Goedsmoeds, »ik geloof dat er op straat gevochten wordt.”
»Dat vrees ik ook,” antwoordde de pulquero flegmatiek en meer dan half beschonken, terwijl hij nog een glas refino ledigde.
Eensklaps werd er, hetzij met het gevest van een sabel of met de kolf van een pistool, heftig op de zwakke deur der pulqueria geklopt, en riep eene krachtige stem op barschen toon:
»Doe open voor den duivel! anders trap ik de ellendige deur aan spaanders.”
IV.
DE GRAAF MAXIMA GAËTAN DE LHORAILLES.
Alvorens onze lezers de oorzaak op te helderen van het geweldige rumoer dat den rustigen gang der zaken in de pulqueria zoo plotseling kwam storen, zijn wij verplicht eenige stappen terug te treden.
Drie jaren ongeveer voor het tijdstip waarop ons verhaal begint, in een kouden regenachtigen Decembernacht, hadden acht personen, zoo als genoegzaam uit hunne kleeding en manieren bleek, tot de hoogste klasse der Parijsche samenleving behoorende, zich vereenigd in een elegant kabinet van het Engelsche koffiehuis te Parijs.
Het was reeds diep in den nacht; de waskaarsen, meer dan twee derden verbrand, verspreidden haar zedig maar somber licht, de regen kletterde tegen de vensters en de wind blies daar buiten met naargeestig gehuil.
De gasten zaten rondom eene tafel, waarop het overschot van een schitterend souper nog aanwezig was; zij schenen zich tegen wil en dank door de sombere weersgesteldheid te laten beheerschen, en met de ruggen in de gemakkelijke leuningstoelen weggezonken waren sommigen ingesluimerd, terwijl anderen, in hunne gedachten verdiept, evenmin acht sloegen op hetgeen er rondom hen gebeurde.
De pendule op den schoorsteenmantel sloeg langzaam drie ure; nauwelijks had de laatste slag uitgegalmd, of het herhaald geklipklap van een postiljonszweep en het vroolijk gerinkel van paardenbellentuig liet zich hooren onder de vensters van het vertrek, die op den Boulevard uitzagen.
De deur werd weldra geopend en een garçon kwam binnen.
»De postchais voor mijnheer den graaf de Lhorailles is voor,” zei de knecht.
»Dank u,” zei een der gasten en wenkte den garçon dat hij heen kon gaan.
Deze boog en verwijderde zich, de deur achter zich sluitende.
De weinige woorden, zoo even door den knecht gesproken, hadden de bekoring gebroken die de gasten tot hiertoe geketend hield; allen vlogen op alsof zij met schrik ontwaakten, en wendden zich tot een jong heer van omtrent dertig jaar, die in hun midden zat.
»Het is dus waar dat gij vertrekt?” riepen allen uit eenen mond.
»Ja, ik vertrek,” antwoordde hij kalm met een toestemmenden hoofdknik.
»Maar waar gaat gij dan toch heen? Men verlaat zijne vrienden maar zoo niet zonder waarschuwen en zonder adres,” hervatte een der gasten.
De man, dien deze vraag gold, glimlachte zwaarmoedig.
De graaf de Lhorailles was een schoon en welgemaakt edelman, met sprekende gelaatstrekken, krachtvollen blik, trotsche lippen; hij behoorde tot een der oudste adellijke geslachten en genoot een bepaald gevestigden roem onder de lions van dien tijd.
Hij stond op en liet zijn blik over de gasten rondgaan.
»Mijne heeren,” zeide hij, »ik begrijp al het zonderlinge van mijn gedrag; gij hebt het recht om eene verklaring van mijne zijde te verwachten; en die verklaring wil ik u gaarne geven. Bovendien is het alleen met dit doel dat ik u heden bij mij heb genoodigd om met u het laatste maal te gebruiken; het uur van mijn vertrek is geslagen, de postchais staat mij te wachten: morgen ben ik reeds ver van Parijs, binnen acht dagen zal ik Frankrijk hebben verlaten; hoort mij voor ’t laatst.”
De gasten waren blijkbaar getroffen en staarden den graaf aandachtig aan.
»Weest niet ongerust, mijne heeren,” zeide hij, »ik zal niet te veel van uw geduld vergen, de historie die ik u te vertellen heb is niet lang, het is de mijne. Hier is zij in weinige woorden, aldus: Ik ben geheel geruïneerd; van alles wat ik bezat heb ik slechts eenige biljetten van 100 francs over, waarmede ik, zoo ik te Parijs bleef, van honger zou kunnen sterven of binnen eene maand genoodzaakt zou zijn mij voor den kop te schieten, een vooruitzicht verzeker ik u, dat al te treurig is om mij aan te lokken. Ongelukkigerwijs heb ik geen de minste kans om bij het leger geplaatst te worden, want geheel buiten mijne schuld heb ik te recht of te onrecht den naam van een overgegeven duëllist, dat mij zeer in den weg staat, vooral sedert die treurige zaak met den armen burggraaf de Morseus, dien ik tegen wil en dank verplicht was te dooden, om hem den mond te stoppen en een einde te maken aan zijne lasterlijke beweringen. Kortom wegens de redenen die ik de eer heb gehad u op te geven en om een aantal andere, die gij niet behoeft te weten en die ik zeker ben dat, zoo gij ze wist, u geen het minste belang zouden inboezemen, is mij Frankrijk onverdragelijk geworden, en dat wel zoo erg dat ik het met allen spoed ga verlaten. Nu nog een glas champagne voor ’t laatst en daarmede adieu aan u allen!”
»Een oogenblik, graaf!” antwoordde een der gasten, dezelfde die vroeger reeds gesproken had, »gij hebt ons nog niet gezegd naar welk land gij voornemens zijt te vertrekken.”
»Kunt gij dat niet raden? Naar Amerika. Men zegt vrij algemeen dat het mij niet aan moed of verstand ontbreekt, welnu, ik ga naar een land, waar deze twee hoedanigheden, als ik de loopende geruchten gelooven mag, voldoende zijn om fortuin te maken voor dengene die ze bezit. Hebt gij mij nog iets te vragen, baron?” vervolgde hij zich tot den laatsten spreker wendende.
Deze stond alvorens te antwoorden eenige minuten in ernstige gedachten verdiept en scheen zich te beraden. Eindelijk keek hij op en zag den graaf met een koelen doordringenden blik aan.
»Is het u inderdaad ernst, vriend, met uw vertrek,” zeide hij.
»Volkomen ernst.”
»Zweert gij mij dat op uwe eer?”
»Ja, op mijne eer zweer ik het u.”
»En zijt gij waarlijk besloten om u in Amerika een plaats te verwerven, ten minste gelijk staande met die welke gij hier hebt ingenomen?”
»Ja,” riep de graaf schielijk, »door alle mogelijke middelen.”
»Goed zoo. Hoor dan op uwe beurt naar mij, graaf, en als gij uw voordeel wilt doen met hetgeen ik u heb mede te deelen, zal het u misschien met Gods hulp gelukken de dolzinnige plannen te volvoeren die gij u hebt voorgenomen.”
Al de aanwezigen traden belangstellend nader, zelfs de graaf scheen tegen wil en dank nieuwsgierig te worden.
De baron de Spurtzheim was een man van omtrent vijf en veertig jaar; zijne vale kleur, scherp geteekende trekken en de onbeschrijfelijke uitdrukking van zijn oogopslag gaven hem een zweem van zonderlingheid, daar het gewone publiek zich geen recht denkbeeld van kon maken en die hem zelfs bij de lieden van bekende scherpzinnigheid voor een inderdaad merkwaardig man deden doorgaan.
Men kende den baron algemeen aan zijn kolossaal vermogen, dat hij koninklijk verteerde; wat echter zijne antecedenten betreft, daarvan wist niemand, ofschoon hij in de hoogste kringen den vrijen toegang had.
Alleen zeide men algemeen dat hij verre reizen gedaan en verscheidene jaren in Amerika gewoond had; maar niets is onzekerder dan loopende geruchten en op dien grond zou het hem zeker nooit gelukt zijn in de salons van den hoogsten adel voet te krijgen, zoo niet de Oostenrijksche ambassadeur, zonder zich nochtans op dat punt ten zijnen opzichte ooit duidelijk uit te laten, hem niet, buiten zijn weten, meer dan eens in verscheidene netelige gevallen, met krachtdadige warmte in zijne bescherming had genomen.
De baron was meer intiem met den graaf gelieerd dan met zijne overige vroolijke vrienden; hij scheen zeker bijzonder veel belang in hem te stellen, en had hem meer dan eens in moeielijke omstandigheden, wanneer hij vermoedde dat zijn vriend in verlegenheid was, langs bedekte wegen uit den brand trachten te helpen.
De graaf de Lhorailles, ofschoon te trotsch om deze offers aan te nemen, had den baron deswege niet te min steeds een erkentelijk hart blijven toedragen en dezen onbedacht zeker overwicht bij hem laten verwerven.
»Spreek, waarde baron, maar wees kort,” zei de graaf de Lhorailles; »gij weet dat de postkoets op mij wacht.”
Zonder te antwoorden greep de baron het schelkoord en trok aan de bel.
De knecht kwam binnen.
»Zend den postiljon weg en zeg hem dat hij morgen ochtend tegen vijf ure terugkomt, gauw, gauw.”
De knecht boog en vertrok.
De graaf, hoezeer hoogelijk verwonderd over deze vrijheid van zijn vriend, maakte echter geen de minste aanmerking; hij schonk zich een glas champagne-wijn, dat hij in een teug ledigde, kruiste de armen op de borst, wierp zich met den rug in zijn stoel en wachtte.
»Welaan, mijne heeren,” begon de baron van Spurtzheim op zijn gewonen schertsenden en pikanten toon, »terwijl onze vriend de Lhorailles ons zijne geschiedenis verteld heeft en wij hier zoo fideel bij elkander zitten, waarom zou ik u dan de mijne ook niet vertellen? Het is vreeselijk weer, het stormt en stortregent daar buiten, hier zitten wij warm en op ons gemak, wij hebben regalias en champagne, twee uitmuntende zaken als men er zich niet in te buiten gaat. Wat zouden wij beter doen kunnen? Niets immers? Wilt mij dus hooren, want ik meen dat hetgeen ik u zeggen zal u wel belang zal inboezemen, te meer daar ik zeker ben dat sommigen onder u gaarne hooren zullen waaraan zij zich ten mijnen opzichte te houden hebben, en wat zij eigenlijk van mij denken moeten.”
De meeste barstten los in een schaterend gelach, bij deze stoute verklaring. Toen hunne vroolijkheid weder bedaard was, nam de baron het woord en begon:
»Wat het eerste gedeelte mijner geschiedenis betreft, mijne heeren: zal ik even kort zijn als de graaf. In de eeuw die wij beleven zijn de edelen, ten gevolge van onze vooroordeelen en van onze opvoeding, zoo geheel natuurlijk buiten den regel en de wet geplaatst, dat wij allen een goede les in de school des levens noodig hebben en als het ware genoodzaakt zijn, om zonder bijna te weten hoe, in weinige jaren ons vaderlijk erfgoed door te brengen. Zoo ging het ook mij, gelijk de meesten van u, mijne heeren. Mijne voorouders waren in de middeleeuwen zoo wat roofzieke baronnen geweest, het echte bloed verloochent zich niet licht. Toen nu mijne laatste hulpbronnen bijna waren uitgeput, begon mijn aangeboren instinct wakker te worden en vestigden mijne blikken zich op Amerika. Ik ging er heen; en in minder dan tien jaren had ik het kolossaal fortuin verzameld, dat ik thans bezit en dat ik thans het onuitsprekelijk geluk heb, niet te verkwisten, daarvoor had ik niet te vergeefs eene harde les geleerd, maar te verteren en in uw onschatbaar bijzijn te genieten, wel zorg dragende mijn kapitaal onaangeroerd te laten.”
»Maar mijn hemel!” riep de graaf ongeduldig, »hoe hebt gij het kunnen verzamelen dat kolossale fortuin zoo als gij zelf het noemt?”
»Veertig millioenen ongeveer,” antwoordde de baron droogjes.
Eene begeerlijke huivering liep de aanwezigen door de aderen.
»Wel een kolossaal vermogen, inderdaad,” riep de graaf; »maar ik herhaal mijne vraag hoe hebt gij dat verzameld?”
»Als ik niet bepaald voornemens was geweest het u te openbaren, geloof mij, mijn waarde, ik zou uw geduld niet hebben misbruikt om u iets van mijne armoede te zeggen dat gij zoo aanstonds hooren zult.”
»Wij zijn geheel oor!” riepen allen.
De baron liet zijn blik langzaam over de aanwezigen rondgaan.
»Drinken wij eerst nog een glas champagne op het succes van onzen vriend,” zei de baron sarcastisch. De glazen werden gevuld, geklonken, en in een oogwenk geledigd, zoo groot was de nieuwsgierigheid die allen bezielde.
Na zijn glas voor zich op de tafel te hebben gezet, stak de baron een regalia aan en wendde zich tot den graaf.
»Het is inzonderheid tot u, mijn vriend,” zeide hij, »dat ik mij thans richten zal, gij zijt jong, ondernemend, in het bezit van een vasten wil en een ijzeren gezondheid: het staat bij mij onwederlegbaar vast dat gij, tenzij de dood uwe plannen in duigen werpt, slagen moet in alles wat gij onderneemt en welk doel gij ook beoogt. Op de baan die gij u zelven gekozen hebt is de voornaamste, ja de eenige grond van welslagen, dat men door en door bekend zij met het terrein waarop gij moet werken en den kring waarin gij zult binnen treden. Had ik bij mijn eerste optreden in het avontuurlijk leven dat gij begint, even als gij dadelijk een vriend gevonden zoo als gij, om mij in de geheimen van mijn nieuw bestaan te leiden, dan zou ik mijn fortuin reeds vijf jaar vroeger gemaakt hebben. Wat niemand voor mij gedaan heeft wil ik thans voor u doen, misschien zult gij mij later nog dank zeggen over de aanwijzingen, die ik geven zal en die u leeren zullen den weg te vinden in den verwarden doolhof, dien gij gereed zijt binnen te treden. Vooreerst moet gij dit u ten beginsel stellen: dat de volken in wier midden gij leven zult uwe natuurlijke vijanden zijn, gij gaat dus een onophoudelijken strijd te gemoet, van dag tot dag en van uur tot uur; alle middelen moeten u welkom zijn die u helpen kunnen om de zege te behalen: zet al uwe grondregels van eer en kieschheid ter zijde, in Amerika zijn dat niet dan ijdele woorden, die zelfs de kracht niet hebben om er iemand mede te misleiden, om de eenvoudige reden dat niemand er aan gelooft. De eenige God van Amerika is het goud; om goud te verkrijgen is de Amerikaan tot alles in staat; en dat niet zoo als in het oude Europa, onder een eerlijken schijn of met bedekte middelen, maar open en bloot en zonder schaamte of berouw. Dit eenmaal tot regel gesteld zijnde, is u de weg aangewezen, geen plan zoo dwaas en buitensporig of het heeft in Amerika kans op welslagen, daar de middelen om het uit te voeren in ruimen overvloed en schier onbeperkt voorhanden zijn. Geen volk ter wereld heeft beter begrepen dan de Amerikaan, wat associatie vermag: dat is de machtige hefboom waarmede hij al zijne plannen tot stand brengt. Als men daar ginds, alleen, zonder vrienden, zonder kennis of ervaring aankomt, moge men zoo verstandig of zoo vastberaden zijn als men wil, maar men is verloren, omdat men alleen staat tegenover de macht van allen.”
»Dat is waar,” mompelde de graaf overtuigd en somber.
»Geduld!” hervatte de baron met een glimlach, »of denkt gij dat ik u zonder harnas ten strijd zou willen voeren? Neen, neen, ik zal er u een geven van het kostelijkste staal, dat verzeker ik u.”
Al de aanwezigen staarden vol verbazing den man aan, die in hun oog binnen weinige minuten honderd ellen grooter was geworden. De baron hield zich echter alsof hij den door hem gemaakten indruk niet opmerkte, en vervolgde een oogenblik later, met nadruk op ieder woord en als zocht hij zijne lessen in het geheugen van den graaf te willen graveeren:
»Onthoud wel wat ik u zeggen zal; het is van de grootste aangelegenheid, vriend, dat er u geen woord van ontgaat; want de uitslag uwer reis naar de Nieuwe Wereld hangt er bepaald van af.”
»Spreek, ik zal er geen syllabe van verliezen,” riep de graaf met koortsachtig ongeduld.
De baron ging voort.
»In den eersten tijd der landverhuizing, toen de toestroom der vreemdelingen naar Amerika begon, vormde zich een maatschappij van stoute gezellen zonder eer of trouw, zonder genade en zonder zwakheid, die met terzijdestelling van alle nationaliteiten, vermits zij uit allerlei volken afkomstig waren, geen andere regeering erkenden dan die zij zelven instelden op het zoogenaamd Schildpaddeneiland, een schier onmerkbare rots in het midden van den grooten Oceaan; die regeering was monsterachtig, daar zij alleen op geweld was gegrond, en geen andere wet erkende dan het recht van den sterkste. Die stoute gezellen, onderling saamverbonden door eene drakonische wet, of schriftelijke overeenkomst, gaven zich den naam van Broeders der Kust en waren in twee klassen verdeeld, namelijk, de boekaniers en de vrijbuiters.
»De boekaniers zwierven in de onmetelijke wouden, jacht makende op buffelstieren, terwijl de vrijbuiters de zeeën afschuimden, alle vlaggen aanvielen, en schepen van alle natiën plunderden, onder voorwendsel van den Spanjaarden afbreuk te doen, maar inderdaad om de rijken te bestelen ten voordeele der armen, als het eenigst hun bekende middel om het evenwicht tusschen de beide klassen te herstellen. De Broeders van de Kust namen gedurig al het gespuis in zich op dat uit de oude wereld tot hen overkwam, zij werden steeds machtiger en machtiger, zoo zelfs dat de Spanjaarden beefden voor hunne Amerikaansche bezittingen en een roemrijk Koning van Frankrijk zich verwaardigde met hen verdragen te sluiten en hun een ambassadeur te zenden. Later, door de onverbiddelijke kracht der omstandigheden, zijn ook de Broeders van de Kust, gelijk alle uit regeeringloosheid voortgesproten staatsmachten, die bijgevolg geen beginsel van levensvatbaarheid in zich zelven bezitten, allengs verminderd en eindelijk geheel verdwenen. Toen men hen gedwongen had in de duisternis terug te treden, meende men hen niet slechts overwonnen, maar totaal vernietigd te hebben; het was er echter verre vandaan, zooals gij weldra met eigen oogen zien zult. Ik vraag u verschooning voor deze lange en vervelende inleiding, maar zij was onvermijdelijk noodig om u wel te doen verstaan wat ik u nog verder te zeggen heb.”
»Het is reeds half vijf, baron,” merkte de graaf aan, »wij hebben nog maar veertig minuten tijd.”
»Die tijd, hoe kort ook, zal mij voldoende zijn” antwoordde de baron; »ik hervat dus: de Broeders der Kust waren niet verdelgd. Zij waren slechts van gedaante verwisseld—zich met meesterlijke buigzaamheid schikkende naar de eischen van eene macht die hen dreigde te overtreffen; zij waren van huid veranderd, en in plaats van tijgers vossen geworden. De Broeders der Kust waren thans de Dauph’yeers; in plaats van even stout als voorheen met den dolk in de eene en de enterbijl in de andere hand de vijandelijke schepen te bespringen, hielden zij zich klein en groeven onderaardsche holen; tegenwoordig zijn de Dauph’yeers de meesters der Nieuwe Wereld, zij zijn nergens en zij zijn overal; zij regeeren overal; hun invloed doet zich onder alle rangen en standen der maatschappij in Amerika gevoelen en opmerken, zonder dat men hen zelven ooit te zien krijgt. Zij zijn het die de Vereenigde Staten aan Engeland; Peru, Chili en Mexico aan Spanje hebben ontrukt. Hunne macht is onbegrensd, des te geduchter naarmate zij meer in het duister werkt, meer verloochend en geïgnoreerd wordt, daarin juist ligt hunne kracht. Verloochend en ontkend te worden is voor eene geheime maatschappij de onmisbare voorwaarde harer macht; er heeft in Amerika geen omwenteling plaats, zonder den invloed der Dauph’yeers, hetzij door haar te doen zegevieren of haar te doen mislukken. Zij vermogen alles, zij zijn alles; buiten hunnen kring is niets mogelijk, daar binnen alles; ziedaar wat in den voortgang des tijds in minder dan twee eeuwen de Broeders der Kust, thans de Dauph’yeers, geworden zijn!.... namelijk de ontwijfelbare spil waar in de Nieuwe Wereld alles op draait; wel een jammerlijk lot voor dit schoon gewest om zoo ten allen tijde, van zijne ontdekking af aan gedoemd te zijn onder de dwingelandij te zuchten van de veelsoortige bandieten, die zich tot taak schijnen gesteld te hebben het te beheeren en er hun voordeel mede te doen, onder allerlei vormen, zonder dat het ooit in staat zal zijn er zich van te ontslaan!”
Er volgde eene vrij langdurige stilte; allen dachten na over hetgeen zij gehoord hadden, dat, hoe overdreven ook, in allen deele ten minste een schijn van waarheid bezat; de baron zelf liet het hoofd op de beide handen zinken en scheen zich te verliezen in den maalstroom van ideeën, die hij in zich had wakker gemaakt en die hem in massa bestormden met de vele smartelijke en bittere herinneringen, welke zij in hem te voorschijn riepen.
Het rollen van een rijtuig in de verte, maar dat snel scheen te naderen, riep den graaf de Lhorailles tot den zakelijken ernst van zijn tegenwoordigen toestand terug.
»Daar is mijne postchais!” riep hij, »ik vertrek, en ik weet nog niets.”