De graaf de Lhorailles

Part 26

Chapter 263,901 wordsPublic domain

Na die laatste woorden gezegd te hebben, nam de Spotvogel zijn halsketen van wampum-kralen, wierp haar voor de voeten van den Arendskop en ging weder zitten.

»Dat de groote sachem bij zijne kinderen blijve!” riepen alle krijgslieden tegelijk, terwijl ieder zijn wampum-ketting bij dien van den Spotvogel wierp.

De Arendskop richtte zich op met een houding vol fierheid en adeldom, hij liet de slip van zijn bisonsmantel vallen en sprak tot de aandachtige en belangstellende vergadering:

»Ik heb het lied van den walkon, den geliefden vogel van Wacondah, in mijn oor hooren weergalmen,” zeide hij; »zijne welluidende stem is in mijn hart doorgedrongen en heeft het van vreugde doen sidderen. Mijne zonen zijn goed, ik bemin hen; de Spotvogel en tien krijgslieden, door hem zelven te kiezen, zullen mij vergezellen; de overigen zullen naar de groote dorpen van mijn volk terugkeeren, om den sachems te verkondigen dat de Arendskop weder bij zijne kinderen is; ik heb gezegd.”

De Spotvogel vroeg thans om de groote calumet, die de pijpdrager hem onmiddellijk bracht, de pijp werd opnieuw ontstoken, en ging onder de sachems rond zonder dat er een woord gewisseld werd.

Toen de laatste mondvol rook in de lucht verdwenen was riep de hachesto, nadat de Spotvogel hem eenige woorden zacht in het oor gesproken had, met luider stem de namen af der tien krijgslieden die gekozen waren om den Arendskop te vergezellen.

De hoofden stonden op, bogen diep voor den Arendskop, stegen stilzwijgend in den zadel en reden weg in galop.

Gedurende een geruimen tijd bleven de Spotvogel en de Arendskop samen praten of liever fluisteren.

Toen hun gesprek uit was, steeg ook de Spotvogel te paard en reed op zijne beurt met zijne krijgslieden weg.

De Arendskop, Goedsmoeds en don Louis bleven thans alleen achter.

De Canadees keek met verstrooiden blik de Indianen na, die zich snel verwijderden; toen zij verdwenen waren wendde hij zich tot den sachem.

»Ziedaar, hoofdman,” zeide hij, »nu zijn wij eindelijk vrij om elkander de noodige ophelderingen te geven, of acht gij het uur nog niet gekomen om ronduit te spreken en onze zaken af te doen? Sedert wij ons gewone verblijf verlieten, hebben wij ons dunkt mij te veel met anderen en al zeer weinig met ons zelven beziggehouden; zou het niet haast tijd worden om aan onze eigene zaken te denken?”

»De Arendskop vergeet niets, hij denkt er reeds aan om zijnen bleeken broeders groot genoegen te geven.”

Goedsmoeds begon hartelijk te lachen.

»Met uw verlof, hoofdman,” zeide hij; »maar mijne zaken zijn zoo eenvoudig, en wat genoegen betreft ben ik al zeer spoedig voldaan; gij hebt mij beloofd mij op reis te vergezellen en dat doet gij immers. Ik mag een Apachen-hond wezen als ik meer van u verlang. Met don Louis is het iets anders, die zoekt naar een dierbaren vriend van hem; gij weet wel dat wij hem beloofd hebben hem hierin behulpzaam te zijn.”

»O! zeker,” hernam het opperhoofd; »de Arendskop heeft zijn hart tusschen zijne twee bleeke broeders verdeeld; zij hebben er ieder de helft van. De weg dien wij moeten afleggen is lang en kan nog verscheidene manen duren. Wij moeten door de groote woestijn. De Spotvogel is met zijn troep reeds vooruitgegaan om bisons te dooden en voor den noodigen mondkost te zorgen op de reis. Ik denk mijne broeders naar eene plaats te brengen, die ik eenige manen geleden ontdekte en die aan niemand bekend is dan aan mij. De Wacondah, toen hij den mensch schiep, heeft hem kracht en moed en vele jachtvelden geschonken en tot hem gezegd: Wees vrij en gelukkig. Aan de bleekgezichten gaf hij wijsheid en wetenschap om de waarde der blinkende steenen en gele bikkels te kennen; Roodhuiden en Bleekgezichten volgen ieder den weg dien de Groote Geest hun aanwees; ik zal mijne broeders naar een placer (zilver- of goudmijn) geleiden.”

»Naar een placer!” riepen de twee anderen verwonderd.

»Ja, wat zou een Indiaansch overste met zoovele schatten doen, daar hij toch niets mede kan uitrichten? Het goud is alleen voor de blanken; laten mijne broeders er gelukkig mede zijn, de Arendskop zal er hun meer van verschaffen, dan zij ooit dachten te zullen bezitten.”

»Met uw welnemen! niet zoo voorbarig, hoofdman,” riep Goedsmoeds. »Wat drommel meent gij dat ik met al uw goud zou doen? ik ben niets anders dan een jager, die aan zijn paard en zijne buks genoeg heeft. In vroeger tijd, toen ik nog met Edelhart samen de prairie doorkruiste, hebben wij zoo menigmaal een klompje gouderts met voeten geschopt of vertreden, maar het altijd onaangeroerd laten liggen, zonder ons te verwaardigen het op te rapen.”

»Wat zouden wij met goud doen?” voegde don Louis er bij: »laten wij die goudmijn, hoe rijk zij ook wezen mag, maar uit onze gedachten stellen en haar bestaan zelfs aan niemand openbaren, er gebeuren tegenwoordig reeds wandaden genoeg om het lieve goud; dat is geene zaak voor ons, hoofdman. Geef uw plan maar op. Wij zeggen u dank voor uw edelmoedig aanbod, maar wij kunnen het onmogelijk aannemen.”

»Goed gesproken!” riep Goedsmoeds vroolijk; »wat zouden wij met dat duivelsche goud beginnen, daar hebben wij niets aan, wij willen leven als vrije jagers zoo als wij werkelijk zijn. Caspita! hoofdman, ik verzeker u, als gij mij te la Noria gezegd hadt met welk oogmerk gij verlangdet dat ik u vergezellen zou, dan had ik u liever alleen laten vertrekken.”

De Arendskop glimlachte.

»Dat antwoord heb ik juist van mijne broeders verwacht, en ik ben blijde te zien dat ik mij hierin niet bedrogen heb. Ja, goud is voor hen geheel nutteloos, zij hebben gelijk; maar dat is nog geen bewijs dat zij het moeten verachten; gelijk alle andere dingen door den grooten Geest op aarde geschapen, heeft ook het goud zijne waarde. Mijne broeders moeten dus met mij medegaan naar de goudmijn; niet zooals zij veronderstellen, om er de goudkorrels groot of klein op te zamelen, maar om te weten waar zij is en haar des noods te kunnen wedervinden. Ongeluk, behoefte en armoede komen altijd onverwacht, en de gelukkigen die de Groote Geest heden het meest begunstigt, worden morgen vaak door Hem het zwaarst bezocht. Nu dan, zoo het goud uit die placer het geluk mijner broeders niet kan vergrooten, wie zegt hun dat zij niet nog eenmaal dienen zal om er een of ander hunner vrienden mede uit dringenden nood te redden.”

»Dat is waar,” riep don Louis die de juistheid dezer redeneering moest erkennen, »wat gij daar zegt is zeer verstandig en laat zich wel hooren. Wij kunnen voor ons zelven het bezit van rijkdommen wel verachten, maar wij mogen ze niet verwerpen als middelen om er misschien anderen mede te helpen.”

»Zoo dit bepaald uw gevoelen is,” zei Goedsmoeds, »kan ik er mij wel mede vereenigen; daarbij, wij zijn nu eenmaal op weg, en kunnen onzen tocht wel ten einde toe voortzetten. Wel wel! wie had dat ooit gedacht,” vervolgde hij, »als mij iemand voorspeld had dat ik nog eens een goudzoeker worden zou, zou ik wel vreemd hebben opgekeken. Intusschen ga ik eens zien of ik een hert kan schieten.”

Met deze woorden nam Goedsmoeds zijn geweer en verwijderde zich al fluitende.

Wat den Spotvogel betreft, deze bleef twee dagen afwezig; tegen het midden van den derden dag kwam hij terug; zes paarden, door hem in de prairie achtergelaten, waren met levensmiddelen beladen, zes anderen droegen zakken vol water.

De Arendskop was uiterst voldaan over de wijze waarop hij zich van zijne taak gekweten had, doch daar zij een langen tocht te maken hadden en de woestijn del Norte in hare volle lengte moesten doortrekken, gelastte hij dat elke ruiter uit voorzorg, behalve de haver voor de paarden, twee kleine zakken met water aan zijn zadel zou mede dragen.

Nadat deze maatregelen wijselijk genomen, de paarden en ruiters wel uitgerust, en verfrischt waren, brak de kleine troep den volgenden morgen met het eerste krieken van den dageraad op, en trok op marsch in de richting der woestijn del Norte.

Wij zullen deze reis hier niet nader beschrijven, dan dat zij gelukkig en onder de beste omstandigheden volbracht werd. Geen enkel ongeval stoorde hare kalme eentonigheid.

De Comanchen en hunne twee blanke vrienden doorreden de woestijn als een voortstuivende wervelwind, met die duizelingwekkende snelheid, waar zij alleen het geheim van bezitten en die de Roodhuiden bij hunne invallen aan de Mexicaansche grenzen zoo geducht maakt.

In de prairiën der Sierra de los Comanchos aangekomen zijnde, gaf de Arendskop den Spotvogel en diens krijgslieden bevel om te kampeeren, aan den rand van een groot natuurwoud, op een tamelijk ruim grasveld, aan den oever van eene onbekende beek of kleine rivier, die zich eenige mijlen verder in de Rio del Norte uitstort, en verwijderde zich met zijne twee vrienden Goedsmoeds en don Louis.

De sachem was voorzichtig in alles; ofschoon de Spotvogel zijn volste vertrouwen bezat, achtte hij het echter ongeraden hem met de ligging der goudmijn bekend te maken; en later had hij reden genoeg om zich met dezen wijzen maatregel geluk te wenschen.

De drie jagers reden rechtstreeks naar de bergen, die zich voor hen uit verhieven, zoo ’t scheen als onverbiddelijke en ontoegankelijke muren graniet.

Doch naarmate zij dezelve naderden werden de kanten en hellingen allengs minder steil en ontoegankelijk. Weldra trokken zij een engen bergpas binnen, aan welks ingang zij reeds genoodzaakt waren af te stijgen en hunne paarden achter te laten. Waarschijnlijk was het alleen aan deze bijzonderheid te danken, dat de Indianen deze goudmijn nooit ontdekt hadden; de Roodhuiden toch zullen bij geene gelegenheid afstijgen anders dan om te kampeeren; men zou met recht van hen kunnen zeggen wat men van de Gauchos der oostelijke pampas en in Patagonië zegt: dat zij te paard leven en sterven.

Geheel toevallig, had de Arendskop eenige maanden geleden, terwijl hij op de jacht was en een door hem gekwetst damhert vervolgde, deze goudmijn ontdekt. Het damhert, dat hij sedert een paar uren had nagezeten en niet gaarne wilde laten ontsnappen, was in den bergpas gevlucht om er te sterven, en de moedige jager had niet geaarzeld, het ook daar te volgen. Na den woesten bergpas in zijne geheele lengte te zijn doorgegaan bereikte hij een kleine vallei of dalkom, diep tusschen steile bergen ingesloten, en behalve van dezen kant, bezwaarlijk zoo al niet geheel onmogelijk te naderen. Daar had hij het arme dier zieltogend vinden liggen op een zandigen met goudkorrels bezaaiden bodem, die in het felle zonlicht glinsterde als duizend diamanten.

Toen onze beide jagers in deze vallei afdaalden, konden zij een kreet van verbazing niet bedwingen.

Hoe sterk een mensch ook zij en hoeveel zelfbeheersching hij bezitten mag, toch trekt het goud hem met onweerstaanbare toovermacht en is wel in staat om hem, althans voor eenige oogenblikken, te verbijsteren.

Goedsmoeds was de eerste die zijne gewone koelbloedigheid terugkreeg.

»O!” riep hij terwijl hij het zweet afwischte dat hem van het gelaat gudste, »er liggen in dit afgesloten hoekje wat schatten verborgen. God geef dat zij er nog lang verborgen blijven! daar zal het menschdom niets aan verliezen.”

»Wat zullen wij er mede doen?” vroeg Louis hijgend en met fonkelende blikken.

De Arendskop was de eenige die deze onberekenbare schatten onverschillig aanzag.

»Hm!” hervatte de Canadees, »dit goud is ontegenzeggelijk ons eigendom, daar de sachem het aan ons overlaat.”

De Arendskop knikte toestemmend.

»Wat ik u wilde voorstellen,” vervolgde Goedsmoeds, »is dit: wij hebben dat goud niet noodig, op dit oogenblik zou het ons zelfs meer schaden dan voordeel doen. Evenwel, daar niemand weet wat de toekomst baren zal, moeten wij ons eigendomsrecht verzekeren; laten wij dezen zandgrond met takken en bladeren bedekken, zoodat geen jager, wanneer hij bij geval op een der omliggende hoogten komt en van daar nederblikt, dit goud in de diepte ziet schitteren. Vervolgens zullen wij zoo veel mogelijk steenen verzamelen en er den ingang der bergkloof mede verstoppen; het toeval dat eenmaal den Arendskop begunstigde, zou ook wel een ander kunnen gebeuren. Wat dunkt u hiervan?”

»Dadelijk aan ’t werk!” riep don Louis; »ik wil dat goud niet langer zien schitteren, hoe eer het bedekt is hoe beter; dat duivelsche metaal zou mij anders nog geheel duizelig maken.”

»Aan ’t werk dan!” herhaalde Goedsmoeds.

De drie mannen hieuwen takken van de boomen en maakten er een dik tapijt van, onder hetwelk de goudklompen weldra geheel onzichtbaar werden.

»Wilt gij niet een staaltje van die goudklompjes bij u steken?” vroeg Goedsmoeds aan don Louis, »misschien was het niet kwaad om er een paar van mede te nemen.”

»O neen ik niet, wat zou ik er mede doen?” antwoordde deze de schouders ophalend, »ik stel er geen den minsten prijs op; neem gij er maar wat van meê, als gij wilt; wat mij aangaat, ik zal er geen hand naar uitsteken.”

Goedsmoeds begon te lachen, raapte twee of drie gouden bikkels op, zoo groot als hazelnoten, en stak ze in zijn kogeltasch.

»Sakkerloot!” riep hij, »als ik daar een paar Apachen mede doodschiet, hebben ze waarlijk geen reden zich te beklagen.”

De drie jagers gingen de bergkloof door, wier mond zij met rotsblokken toestopten en onkenbaar maakten; daarop stegen zij te paard en keerden naar het kamp terug, na vooraf eenige merken aan de boomen gemaakt te hebben om de plaats te kunnen wedervinden, zoo de omstandigheden hen ooit dwongen er later op terug te komen, hetgeen wij tot hun eer moeten zeggen dat zij geen van allen verlangden.

De Spotvogel wachtte zijne vrienden met het grootste ongeduld.

Er was onraad in de prairie. Sedert dien morgen hadden de voorloopers een kleinen troep blanken de Rio del Norte zien overtrekken, naar een heuvel, op welks top zij hun kamp hadden opgeslagen. Een poosje later was er een talrijk detachement Apachen-krijgslieden op hetzelfde punt over de rivier gegaan, zoo het scheen, op het spoor der bovengenoemde blanken.

»O!” riep Goedsmoeds, »het is duidelijk dat die duivelsche Roodhuiden onze broeders vervolgen.”

»Zullen wij hen onder ons oog laten vermoorden?” riep graaf Louis verontwaardigd.

»Bij mijne ziel! neen, zooveel wij er tegen doen kunnen,” antwoordde de Canadees, »misschien kunnen wij met deze goede daad de dwaze begeerlijkheid weder goed maken die wij straks deden blijken, en die ons bijna verleid had. Zeg, Arendskop, wat denkt gij er van?”

»Wij moeten de bleekgezichten redden,” antwoordde het opperhoofd zonder aarzelen.

Onmiddellijk werden door den sachem de noodige bevelen gegeven en door zijne onderhebbenden uitgevoerd, met al de vaardigheid en juistheid die den uitgelezen krijgslieden der Roodhuiden op het oorlogspad kenmerkt.

De paarden werden onder het opzicht van een Comanch achtergelaten; het detachement verdeelde zich in twee partijen, en zoo trok men behoedzaam de prairie in.

Alleen de Spotvogel, de Arendskop, don Louis en Goedsmoeds hadden jachtgeweren, al de anderen waren met pieken en met pijl en boog gewapend.

»List tegen list,” fluisterde de Canadees tegen de anderen; »wij zullen ze overrompelen die anderen zoeken te overrompelen.”

Op hetzelfde oogenblik vielen er twee geweerschoten, weldra door meerderen gevolgd; daarop hoorde men den aanvalskreet der Apachen, die de lucht deed weêrgalmen.

»Oho!” riep Goedsmoeds sneller voortmakend, »zij weten niet dat wij zoo dicht in de nabijheid zijn.”

Allen ijlden hem na.

Intusschen was het gevecht in de grot op eene vreeselijke wijs aan den gang: don Sylva en de peons boden moedig weêrstand; maar wat vermochten zij tegen de schaar van vijanden die hen van twee zijden bestormde!

De Tigrero en de Zwarte-Beer, gelijk wij straks reeds gezegd hebben, lagen als twee saamgekronkelde slangen te worstelen en zochten elkander met den ponjaard af te maken.

Op eens knalden er verscheidene geweerschoten, en in de verte klonk de donderende oorlogskreet der Comanchen.

De Zwarte-Beer liet don Martial los, sprong op en ijlde naar doña Anita, om haar te grijpen.

Het doodelijk verschrikte meisje stiet hem terug en vluchtte als een gejaagde hinde de gang door tot aan de zaal, in welker midden zich de vroeger beschreven kolk bevond.

De Zwarte-Beer snelde haar na om haar andermaal te grijpen, maar reeds door een pistoolschot van den Tigrero gewond, was hij minder vlug dan anders.

Aan de kolk komende, deinsde hij terug, wankelde en verloor het evenwicht. Hij voelde dat hij vallen zou, strekte werktuigelijk de hand uit om zich vast te houden, en greep don Martial, die intusschen weder opgestaan en hem na was geijld; maar nog half bedwelmd van de worsteling en het harde loopen, op zijne beurt wankelde, en beiden tuimelden met een vervaarlijken kreet in den afgrond.

Doña Anita, die er niet ver af stond, snelde toe; zij was verloren.

Plotseling voelde zij zich door een krachtige hand aangrijpen, opheffen en achterwaarts trekken. Zij viel in onmacht.

De Comanchen waren te laat gekomen.

Van de zeven personen die de karavaan uitmaakten waren er vijf gedood.

Een zwaar gekwetste peon en doña Anita, waren alleen levend overgebleven.

Het ongelukkige meisje was door Goedsmoeds gered.

Toen zij de oogen weder opende, glimlachte zij zacht, en begon als een onnoozel kind, met eene stem zoo helder als een vogel, eene Mexicaansche seguedilla (ballade) te zingen.

De jagers deinsden met smart terug.

Doña Anita was krankzinnig!

XXV.

EL AHUEHUELT.

Wij gaan andermaal een stap terug, naar de groote woestijn del Norte, waar de graaf de Lhorailles was binnengetrokken, onder geleide van Cuchares.

Gedurende de eerste dagen der reis ging alles goed, het weêr was heerlijk schoon, en aan leeftocht geen gebrek. Met de hun aangeboren luchthartigheid vergaten de Franschen al hun geleden leed, en lachten luidkeels om de gedurige vrees der Mexicaansche peons, die beter met de gevaren der woestijn bekend, hunne bezorgdheid niet verheelden over het lang gerekt verblijf der vrijcompagnie in deze onherbergzame, vaak doodelijke streek.

Onder de beschaafde volken bezitten de Franschen een zonderlinge eigenschap, die hen, wellicht zonder dat zij het weten, meer dan andere in staat stelt om in zeer vele dingen de eerste te zijn; die eigenschap is hunne blijkbare, door andere volken, misschien uit nijd maar toch vaak niet zonder grond, voor lichtzinnigheid uitgekreten onbezorgdheid en wispelturigheid; ofschoon die volken overigens niet ongenegen zijn om zelfs de dwaaste grillen der Parijsche mode, zoo in de politiek als kleederdracht, tot in de kleinste bijzonderheden slaafs te volgen.

Niets is echter onbillijker dan het verwijt van lichtzinnigheid of zorgeloosheid, dat den Franschen door hunne naburen onophoudelijk en in alles wordt naar het hoofd gesmeten. Onbezorgde moed en luchthartigheid maken de Franschen misschien tot de beste soldaten van de wereld, zoodat zij zich gereedelijk, zelfs voor allerlei dwaze ondernemingen van veroveringszucht en dolende ridderschap laten gebruiken, alle ontberingen zich getroosten en met geestdrift hun leven zouden wagen als er maar een weinig roem te behalen is.

Maar achter die soldaten bevindt zich eene schrandere en werkzame bevolking, die vooral in tijden van rust en onder een wijs en krachtig bewind, zeker niet zoo dwaas is dat zij hare beste belangen zou verwaarloozen. Gelijk alle beschaafde volken die den vooruitgang beheerschen en helpen bevorderen, houden ook de Franschen het oog steeds op de toekomst gevestigd, en het oor geopend voor ieder gerucht dat de wereld beweegt. Wellicht zijn zij voortvarender dan anderen, het verledene vergeten zij, het heden bekommert hen niet veel, maar het morgen is alles voor hen, omdat in dat morgen de toekomst besloten ligt, namelijk de oplossing van het groote vraagstuk der beschaving. Wel is waar brengt hun vurig en onbedachtzaam karakter hen niet zelden van het spoor, en dan is er een krachtig bestuur noodig om het hollende span tot staan te brengen. Vandaar de groote tegenstrijdigheden die de geschiedschrijver vaak in hen opmerkt en hun te last legt en die niet weinig studie vereischen om hen naar waarde en billijkheid te beoordeelen.

Maar hoe dit ook zij, wat wij hier willen beweren blijft ontegenzeggelijk waar, de Franschen zijn eene strijdlustige en veroveringszuchtige natie en hun leger beschouwt zich zoo gaarne als de voorhoede der beschaving, bestemd om de wereld op de baan der vrijheid en der verlichting voor te gaan en Frankrijk tot de eerste der natiën te verheffen. Vandaar dat de oogen der naburige volken zich staag op Frankrijk richten, om hetzij in hoop of in vrees te zien wat aldaar omgaat, ten einde het na te volgen of er zich tegen te wapenen.

Wat onze Fransche vrijcompagnie betreft, zij bracht haar tijd door met de woestijn te doorkruisen om er de Apachen te zoeken, die zich sedert eenige dagen bepaald onzichtbaar hadden gemaakt. Slechts nu en dan bij lange tusschenpoozen zagen zij een enkelen Indiaanschen ruiter, die op korten afstand van hunne voorposten, als om hen te sarren, rijtoeren en manegekunsten kwam vertoonen.

Dan werd er »in den zadel” geblazen, allen stegen te paard, men stormde den vrijpostigen ruiter te gemoet, die na zich lang genoeg te hebben laten vervolgen, eensklaps weder verdween gelijk hij gekomen was.

Dit doelloos en eentonig leven begon hun echter te vervelen en eindelijk onverdragelijk te worden. Niets anders te zien dan zand, altijd zand, geen vogels, geen wild, geen verscheurend dier zelfs; niets dan grauwe en verbrokkelde rotsen; en eenige reusachtige Ahuehuelten, een soort van ceders, met lange, soms bladerlooze doch zwaar met een grijsachtig mos bedekte takken, dat er in groote festonnen bij nederhing; dit alles had weinig vermakelijks, en nadat de compagnie er het eerste nieuws had afgezien begon het haar spoedig te walgen.

De weêrkaatsing der zonnestralen op het barre zand, verwekte oogziekten; het water door de hitte bedorven, werd ondrinkbaar; de verdere levensmiddelen werden oneetbaar, het scorbut begon onder de soldaten te heerschen, weldra door het heimwee gevolgd, dat menigeen ten grave sleepte.

Deze staat van zaken was ondragelijk, men moest op middelen bedacht zijn om er zoo spoedig mogelijk een eind aan te maken.

De graaf riep dus zijne officieren bijeen om met hen raad te houden.

Deze raad bestond uit de luitenants Diego Leon, en Martin Leroux, den sergeant Boileau, Blas Vasquez en Cuchares.

Deze vijf personen, voorgezeten door den graaf de Lhorailles, plaatsten zich op de pakbalen terwijl de soldaten niet ver van hen af op den grond liggende, een schuilhoek zochten in de schaduw der paarden, die aan piketten gekoppeld stonden.

Het werd dringend noodig den raad te beleggen, want de krijgstucht onder de compagnie was snel aan ’t afnemen, er was oproer in den wind, men klaagde reeds nu en dan overluid. De strafoefening aan de Casa Grande was reeds geheel vergeten en als men niet spoedig middelen vond om het kwaad te keer te gaan, kon niemand zeggen op welke vreeselijke uitersten het algemeene ongenoegen zou uitloopen.

»Mijne heeren,” zei de graaf de Lhorailles, »ik heb u bijeengeroepen om met u de middelen te beramen, ten einde den moedeloozen ja slechten geest te doen ophouden, die bij de compagnie sedert eenige dagen heerscht. De omstandigheden zijn zoo ernstig, dat ik u danken zal voor elken goeden raad dien gij mij oprecht en onbewimpeld geeft; ons aller welzijn is er in betrokken, en in zulk een staat van zaken heeft ieder het recht om zijn gevoelen uit te brengen, zonder vrees dat hij de eigenliefde zou kwetsen van wien ook. Spreekt dus, mijne heeren, ik zal u aanhooren. Gij het eerst, sergeant Boileau; als de minste in rang moet gij het eerste woord hebben.”

Sergeant Boileau was een voormalig spahis uit Afrika, die de soldatenschool op zijn duimpje kende, trouw als staal en in allen opzichte wat men in het leger een oud-gediende noemt; alleen moeten wij hier zeggen dat hij geen meester in de redekunst was.