De graaf de Lhorailles

Part 25

Chapter 253,982 wordsPublic domain

De mensch, waar en wanneer ook, en onder welke zorgen en bemoeiingen zijn geest ook gebukt gaat, ondervindt onwillekeurig den invloed der uitwendige voorwerpen die hem omringen; eene lachende natuur maakt hem vroolijk, zoowel als een somber en dor of verlaten landschap hem tot treurigheid stemt.

De reizigers gaven zich werktuigelijk over aan den weldadigen indruk der groote verandering, die het gezicht van het prachtig en heerlijk schouwspel dat de prairie hun bood bij hen teweegbracht, in vergelijking met de eenzame, dorre woestijn die zij pas verlaten en daar zij zoo lang op goed geluk in rondgedoold hadden. Deze tegenstelling was voor hen vol bekoorlijkheid en zij gevoelden daarbij den moed en de hoop in hunne harten herleven.

Tegen elf ure des voormiddags echter, waren de paarden zoo moê geloopen, dat men zich genoodzaakt zag te kampeeren om hun eenige uren rust te gunnen en de grootste hitte van den dag te laten voorbijgaan.

Don Martial koos daartoe de kruin van een boschrijken heuvel, van waar men den ganschen omtrek kon overzien, terwijl men zelf tusschen het geboomte onzichtbaar bleef.

Toen men echter een vuur wilde aanleggen om spijzen te koken, verzette de Tigrero er zich tegen, daar de rook alleen genoeg zou zijn geweest om hunnen schuilhoek kenbaar te maken, en in de tegenwoordige oogenblikken konden zij niet te voorzichtig zijn; want dat de Apachen met zonsopgang waren opgebroken om hen te vervolgen was maar al te zeker; en deze fijne windhonden het spoor bijster te maken, was eene volstrekte noodzakelijkheid. Ondanks al zijne voorzorgen, twijfelde de Tigrero nog altijd of het hem gelukken zou de in dit opzicht zoo slimme Roodhuiden te verschalken.

Na in der haast een paar maïskoekjes gegeten te hebben liet hij zijne kameraden de weinige rust genieten, die zij zoo grootelijks behoefden, en stond op om den omtrek te bespieden en te zien of hij ook iets ontdekken kon dat hun veiliger uitweg of althans zekerder schuilplaats aanbood.

De Tigrero was een man als van ijzer, de vermoeienis had geen vat op hem; zijn wilskracht was zoo vast dat zij aan alles weêrstand bood, en de zucht om de vrouw die hij lief had voor onheil te behoeden verleende hem schier bovennatuurlijke sterkte.

Langzaam daalde hij den heuvel af, lettende op iederen struik, rondziende ieder oogenblik, en niet dan met de uiterste behoedzaamheid, met de hand aan den trekker van zijn geweer en met het oor gespitst op het minste geluid.

Toen hij in de vlakte kwam, waar hij, dank zij het hooge prairiegras, door niemand gezien kon worden, stapte hij haastig voort in de richting van een donker en dicht bosch, welks eerste geboomte zich bijna tot aan den voet des heuvels uitstrekte.

Dit bosch bleek inderdaad te zijn wat hij reeds vermoedde, namelijk een ongerept natuurwoud; de boomen waren door de menigte lianen en slingerplanten zoo vast aan elkander geweven dat zij een ondoordringbaar net vormden, waar men zich alleen met de hakbijl of door middel van vuur een doortocht had kunnen banen.

Als hij alleen ware geweest zou de Tigrero tegen dit schijnbaar onoverkomelijk bezwaar niet hebben opgezien; of anders met zijne gewone behendigheid en kracht den weg tusschen hemel en aarde gekozen en zich van tak tot tak of over de toppen der boomen hebben gewaagd, zoo als hij wel meer gedaan had. Maar wat een man zoo onvervaard en sterk als hij had kunnen doen, daaraan viel voor eene zwakke, vreesachtige vrouw niet te denken.

Hij was geheel buiten raad. Een oogenblik voelde de Tigrero den moed hem ontzinken, maar dit duurde ook slechts een oogenblik. Met fierheid verhief hij zich weder en kreeg terstond al zijne zielskracht terug; hij stapte voort naar het bosch, dat hij voor een gedeelte langs ging, speurend en spiedend als een roofdier dat zijn prooi zoekt.

Op eens slaakte hij een half gesmoorden kreet van verrassing.

Hij had gevonden wat hij bijna niet durfde hopen te zullen ontdekken.

Voor hem uit, onder een dicht gewelf van groene takken en bladen, kronkelde een dier smalle, donkere paden of loopsporen, door het wild gedierte reeds sedert eeuwen getrokken om bij nacht naar de rivier te gaan drinken, en die alleen een geoefend oog als dat van den Tigrero in staat was te ontdekken; onverschrokken waagde hij er zich in en stapte een geruimen tijd voort.

Gelijk alle door roofdieren getrokken sporen, liep ook dit met tallooze omwegen en keerde menigmaal op zich zelve terug. Na het een tijd lang gevolgd te zijn, had de Tigrero genoeg gezien en besloot hij dadelijk naar den heuvel terug te keeren.

Zijne kameraden, niet weinig ongerust over zijn lang uitblijven verwachtten hem reeds met ongeduld en ontvingen hem met groote blijdschap. Hij gaf hun verslag van het door hem gevonden spoor en van hetgeen hij verder gezien had.

Intusschen, terwijl don Martial alzoo op verkenning uit was geweest, had ook een der peons niet stil gezeten, maar aan de eene zijde van den heuvel daar de karavaan kampeerde eene ontdekking gedaan, die in de gegeven omstandigheden voor de reizigers onwaardeerbaar was.

Voor tijdverblijf en zonder bepaald doel in den omtrek ronddolende, had hij den ingang eener grot ontdekt, in welke hij echter niet durfde binnengaan, uit vrees dat hij misschien onverwachts door een of ander roofdier zou overvallen worden.

Don Martial trilde van blijdschap bij dit bericht, hij nam een ocote-fakkel en gelastte den peon hem naar de grot te brengen.

Zij lag slechts weinige schreden ver, aan de zijde des heuvels die op de rivier uitzag.

De toegang was zoodanig met struiken en woekerplanten bezet, dat er blijkbaar sinds lange jaren geen levend schepsel was binnengedrongen.

De Tigrero boog de struiken met de meeste behendigheid en zorg uit elkander, ten einde ze niet te beschadigen, en sloop de spelonk binnen. De ingang was tamelijk hoog, ofschoon dan ook nauw. Alvorens verder te gaan, sloeg hij vuur en ontstak zijn toorts.

De spelonk was een door de natuur gevormde onderaardsche gang, zooals men er in deze streken meerdere aantreft, de wanden waren steil en droog, de grond bestond uit fijn zand. Zij ontving waarschijnlijk versche lucht door onzichtbare spleten, want geen dierlijke of verstikkende uitwasemingen lieten er zich in bespeuren, en men haalde er onbelemmerd adem, kortom, ofschoon vrij donker, was zij wel geschikt om te bewonen. Met een zacht afglooienden bodem, terwijl het gewelf langzamerhand lager werd, liep zij uit in een groote zaal, in welks midden een diepe kolk was, daar don Martial ondanks het heldere licht van zijn fakkel onmogelijk den bodem van kon zien. Hij keek hier een oogenblik rond en zag een stuk steen liggen dat waarschijnlijk van het gewelf was gevallen, nam het en wierp het in den afgrond.

Vrij lang hoorde men den steen, langs de wanden kaatsend naar beneden vallen en eindelijk klotsen, als een zwaar voorwerp dat in het water stort.

Don Martial wist nu al wat hij verlangde te weten. Hij ging om de kolk heen en vervolgde zijn weg in een vrij engen tunnel, die snel afwaarts daalde. Na op deze wijs omtrent tien minuten te zijn voortgestapt, bespeurde hij in de verte daglicht. De grot had twee uitgangen!

Nu haastte hij zich terug te keeren.

»Wij zijn gered!” riep hij vroolijk tegen zijn gezellen; »kom, haast u en volg mij, wij hebben geen oogenblik te verliezen, om de schuilplaats te bereiken die de Voorzienigheid ons zoo gunstig aanbiedt.”

Allen stonden op om hem te volgen.

»Maar,” merkte don Sylva aan, »onze paarden, wat zullen wij daarmede doen?”

»Maak u daar niet ongerust over, ik weet waar ik ze verbergen moet. Laten wij onze levensmiddelen naar de grot brengen, want naar alle waarschijnlijkheid zullen wij genoodzaakt zijn er eenigen tijd te blijven, bewaren wij dus hier ook de zadels en tuigen, daar ik buiten de grot geen plaats voor zou weten. Wat de paarden aangaat, dat is mijne zaak.”

Allen gingen thans aan ’t werk met dien koortsachtigen ijver dien de hoop op ontsnapping aan een dreigend gevaar gewoonlijk inboezemt, en na verloop van een uur op zijn langst waren de pakgoederen, de levensmiddelen en de menschen in de grot verborgen en in veiligheid.

Don Martial bracht de struiken weder in orde, om de sporen waar zijne kameraden waren doorgegaan, te doen verdwijnen; daarop haalde hij ruimer adem, met het zoete gevoel van welvoldaanheid dat steeds op het gelukken van een stout, schier onuitvoerlijk plan volgt, en beklom den top van den heuvel.

Hij koppelde de paarden met behulp van een lasso en leidde hen den berg af naar de vlakte, in de richting van het bosch, waar hij weldra in de kronkelingen van het vroeger door hem gevonden loopspoor verdween.

Het pad was smal, zoodat de paarden er niet dan achter elkander en dan nog met groote moeite door konden. Eindelijk bereikte hij een klein open kamp, waar hij de arme dieren aan hun lot overliet, hun al den voorraad boonen en klaver achterlatende, die hij uit voorzorg met de muildieren had medegenomen.

De Tigrero wist vooruit wel dat de paarden en muilezels zich uit eigen beweging niet ver van de plaats zouden verwijderen waar hij hen moest achterlaten, en dat hij hen, zoodra hij ze weder noodig had, gemakkelijk zou terugvinden.

Al deze bemoeiingen namen veel tijd weg; de dag spoedde reeds ten einde eer don Martial voor goed het bosch verliet.

De zon, tot dicht aan de kimmen gedaald, vertoonde zich als een schitterende vuurbol bijna met de oppervlakte der aarde gelijk. De schaduw der boomen verlengde zich tot in het oneindige; de avondkoelte verhief zich met zacht geblaas tusschen de hoogste toppen van het geboomte; reeds hoorde men van tijd tot tijd in de diepte der bosschen eenige rauwe kreten opgaan, ten bewijze dat de roofdieren ontwaakten, die gevreesde gasten der wildernis! wier ongestoorde heerschappij over de prairie een aanvang nam om er gedurende den nacht als onbeperkte koningen te regeeren.

Nogmaals naar den top des heuvels teruggekeerd, eer hij zich naar de grot zou begeven, bespiedde don Martial den gezichteinder in het laatste licht der stervende zonnestralen.

Op eens verbleekte hij, eene zenuwachtige huivering liep hem door de leden; zijne oogen, door schrik wijder geopend, bleven onafgewend op de rivier gericht, en stampvoetend mompelde hij met eene half gesmoorde stem:

»Reeds daar!.... die duivels!”

Wat de Tigrero gezien had was werkelijk om van te beven.

Eene troep Indiaansche ruiters trok den stroom over, juist op het zelfde punt waar hij er met zijne reismakkers eenige uren vroeger was overgegaan.

De Tigrero volgde hunne bewegingen met klimmende ongerustheid. Aan den anderen oever komende, zetten zij zonder zich op te houden hun tocht voort juist langs denzelfden weg dien hij met zijne kameraden gekozen had.

Er viel niet meer aan te twijfelen; de Apachen hadden zich door de listige voorbehoedmiddelen van den Tigrero niet laten bedriegen, maar waren de karavaan rechtstreeks gevolgd en kwamen nu met allen spoed opzetten. In minder dan een uur konden zij den heuvel bereiken, en als dat gebeurde, met hunne duivelsche behendigheid in het ontdekken van sporen, was het ergste te vreezen!

Den Tigrero klopte het hart in den boezem alsof het dreigde te barsten. Hij klom ijlings den heuvel af en half waanzinnig van teleurstelling stormde hij de grot in.

Toen de anderen hem zoo bleek en verwilderd zagen binnenkomen, snelden zij hem verschrikt te gemoet.

»Wat schort u?” vroegen allen.

»Wij zijn verloren!” riep hij wanhopig, »daar zijn de Apachen!”

»De Apachen!” herhaalden zij met schrik.

»O, mijn God! red mij, red mij!....” riep doña Anita op de knieën zinkend en de handen angstig samenvouwend.

De Tigrero snelde naar het meisje, richtte haar op en nam haar met de kracht van een razende in zijne armen en zich tot den haciendero wendende, riep hij:

»Kom! Kom! volg mij! misschien blijft ons nog eene kans op behoud over!”

Hiermede ijlde hij de diepte der grot in; al de anderen volgden hem.

Zoo liepen zij een geruimen tijd voort. Doña Anita, die half in onmacht lag, liet haar schoone maar doodsbleeke hoofd op den schouder van den Tigrero rusten.

Deze spoedde zich altoos verder.

»Kijk! kijk! daar ginds,” riep hij in de verte wijzende, »weldra zijn wij behouden!”

Zijne kameraden slaakten een kreet van blijde verrassing; zij hadden, voor zich uit, de tweede opening der grot gezien.

Plotseling, juist op het oogenblik toen don Martial den uitgang bereikte, en naar buiten meende te snellen, stond er een man voor hem.

Die man was de Zwarte-Beer.

De Tigrero sprong met een brullenden kreet als een wild dier terug.

»Ooah!” riep de Apache op spottenden toon, »mijn broeder weet wel dat ik die vrouw bemin; en om mij te behagen haast hij zich mij haar zelf te brengen.”

»Gij hebt haar nog niet, demon!” krijschte don Martial, terwijl hij doña Anita nederzette en voor haar ging staan met een pistool in elke hand; »kom haar halen.”

Achter zich in de diepte der grot hoorde hij voetstappen, die snel naderden.

De Mexicanen werden dus tusschen twee vuren gebracht!

De Zwarte-Beer, met het oog op den Tigrero gericht, bespiedde al diens bewegingen; plotseling nam hij zijne kans waar en sprong als een tijgerkat vooruit met een woesten aanvalskreet.

Don Martial loste zijne pistolen op den Apache en greep hem met de armen om het lijf.

De beide mannen rolden over den grond, elkaâr omstrengelend als twee slangen.

Don Sylva en de peons vochten als wanhopigen tegen de andere Indianen.

XXIV.

DE WOUDLOOPERS.

Wij moeten thans tot sommige personen uit ons verhaal terugkeeren, die wij maar al te lang uit het oog hebben verloren, en verplaatsen ons naar het slot van het vijftiende hoofdstuk.

Ofschoon de Franschen, bij de bestorming der kolonie door de Apachen, meester waren gebleven van het slagveld en het hun gelukt was hunne woeste vijanden in de Rio Gila terug te werpen, ontveinsden zij zich geenszins dat zij deze onverwachte zegepraal niet enkel aan hun moed te danken hadden; de laatste aanval der Comanchen onder aanvoering van den Arendskop had eigenlijk de overwinning beslist. Zoodra dus de vijanden verdwenen waren, had dan ook de graaf de Lhorailles, met eene grootheid van ziel en eene rondborstigheid die men van een man van zijn stempel niet zou hebben verwacht, de Comanchen bedankt en aan de jagers de prachtigste geschenken aangeboden.

Laatstgenoemden ontvingen de vleiende loftuitingen van den graaf met gepaste zedigheid, maar wezen al zijne aanbiedingen en voorstellen bepaald van de hand.

Even als Goedsmoeds, hadden zij voor hun gehouden gedrag geen andere beweegredenen gehad dan de drift om hunne landgenooten te hulp te komen; toen dus alles geëindigd was en de Franschen voor langen tijd van de aanvallen der wilden bevrijd waren, hadden zij niets meer te doen dan van den graaf zoo spoedig mogelijk afscheid te nemen en hunne reis te vervolgen.

De graaf de Lhorailles wist echter zoo veel bij hen uit te werken, dat zij nog twee dagen in de kolonie zouden vertoeven.

Doña Anita en haar vader waren op zulk eene geheimzinnige wijs verdwenen, dat de Franschen, te weinig met de listen der Roodhuiden bekend en geheel onkundig van de wijze waarop men een spoor in de wildernis moest uitvinden, buiten staat waren om de twee vermiste personen te gaan zoeken.

De graaf de Lhorailles had intusschen stilzwijgend gehoopt, dat hij hierin door de ondervinding van den Arendskop en de schranderheid zijner krijgslieden zou worden geholpen.

Hij verklaarde dus onbewimpeld aan de jagers en de Comanchen, welke goede diensten hij van hunne welwillendheid verwachtte, zoodat zij hem die niet langer durfden weigeren.

Den volgenden morgen, met het krieken van den dageraad, splitste de Arendskop zijne ruiterschaar in vier afdeelingen, elk onder kommando van een beroemd krijgsman, en na hun de noodige voorschriften gegeven te hebben, verspreidde hij hen in vier verschillende richtingen.

De Comanchen begonnen terstond hunne nasporingen en onderzochten de omringende wildernis met al de bekwaamheid die den Roodhuiden eigen is, maar alles was vergeefs.

De vier afdeelingen kwamen de eene na de andere op de hacienda terug zonder iets ontdekt te hebben, ofschoon zij de wildernis twintig mijlen in het rond hadden afgeloopen en daarbij zoo te zeggen geen struik of grashalm onopgemerkt hadden gelaten; van don Sylva en zijne dochter was geen spoor of teeken te vinden; wij weten reeds om welke reden: doña Anita was met haar vader de Rio Gila afgevoerd, en het water laat geen spoor over.

»Gij ziet het,” zeide Goedsmoeds tegen den graaf, »wij hebben alles gedaan wat menschelijkerwijs mogelijk was, om de twee na het gevecht vermiste personen op te sporen; het blijkt duidelijk dat de oplichters hen langs de rivier tot op verren afstand hebben weggevoerd alvorens weder aan land te gaan. Wie weet waar zij zich thans bevinden? De Roodhuiden zijn snel in hunne bewegingen, vooral wanneer zij vluchten; zij hebben een verbazend eind op ons vooruit; het mislukken onzer pogingen bewijst dit; het zou eene dwaasheid zijn hen weder te willen bereiken. Vergun ons dus te vertrekken; wellicht dat wij op onze reis door de prairie in staat zijn nadere inlichtingen op te doen, die u later van dienst kunnen zijn.”

»Ik wil niet langer van uwe beleefdheid jegens mij misbruik maken,” antwoordde de graaf minzaam; »vertrekt wanneer het u goeddunkt, caballeros; maar neemt de betuiging mijner dankbaarheid met u, en gelooft dat ik mij gelukkig zal rekenen u die eenmaal met meer dan louter woorden te kunnen bewijzen. Bovendien verlaat ik zelf de kolonie, misschien dat wij elkander in de woestijn nog ontmoeten zullen.”

Den volgenden dag met zonsopgang vertrokken de jagers en Comanchen uit de hacienda en begaven zich naar de prairie.

Tegen den avond liet de Arendskop het kamp opslaan en de nachtvuren ontsteken.

Even na het souper, op het oogenblik dat ieder op slapen bedacht was, liet de sachem door den hachesto (omroeper) afkondigen dat de hoofden zich aan het raadvuur zouden vereenigen.

»Mijne bleeke broeders zullen daar nevens de sachems plaats nemen,” zei de Arendskop tegen den Franschman en den Canadees.

Dezen namen met eene buiging het voorstel aan en schaarden zich mede rondom den haard, waar de Comanchenhoofden reeds in deftige stilte zaten te verbeiden wat de sachem hun zou mededeelen.

Toen ook de Arendskop had plaats genomen, wenkte hij den pijpdrager.

Deze verwijderde zich en kwam weldra terug, eerbiedig de groote toovercalumet dragende, wier vijf voet lange roer met prachtige vederen en eene menigte kleine rinkels versierd was, terwijl de kop uit een fijnen witten steen bestond, dien men alleen in de Rotsbergen vindt.

De pijp was reeds gevuld en ontstoken.

Zoodra de pijpdrager zich binnen den kring bevond, wees hij met den kop in de richting der vier windstreken, onder het murmelen van eenige geheimzinnige spreuken of gebeden, om de gunst van Wacondah, den Meester des Levens, over den raad in te roepen en den boozen invloed van den »eersten mensch” op het gemoed der sachems, af te wenden.

Vervolgens den kop van de pijp in de hand nemende, bood hij den steel met het mondstuk het eerst aan den Arendskop, roepende met plechtige en luide stem:

»Mijn vader is de eerste sachem van het dappere volk der Comanchen; de wijsheid woont in zijn hoofd, al heeft de sneeuw des ouderdoms het nog niet vergrijsd. Maar even als alle andere menschen is hij vatbaar om te dwalen, dat mijn vader dus overwege alvorens te spreken; de woorden die uit zijne borst over zijne lippen zullen komen, moeten zoodanig zijn dat de Comanchen ze kunnen gehoorzamen.”

»Mijn zoon heeft goed gesproken,” antwoordde de sachem.

Hij nam het roer en deed zwijgend eenige trekken, toen nam hij het mondstuk uit zijne lippen en bood het aan den sachem die naast hem zat.

Zoo ging de vredespijp den kring rond, zonder dat een der opperhoofden een woord sprak.

Toen allen gerookt hadden en de tabak in den kop was opgebrand, schudde de pijpdrager de asch in zijne rechterhand en wierp ze in den haard met den uitroep:

»Hier zijn de hoofden vereenigd in den raad; hunne woorden zijn geheiligd. Wacondah heeft ons gebed gehoord en zal het verhooren. Wee hem, die vergeet dat het geweten zijn eenigste richtsnoer zijn moet!”

Na deze weinige woorden met de meeste plechtigheid te hebben uitgesproken, trad de pijpdrager buiten den kring en wierp den sachems, die onbewegelijk rondom het vuur zaten, een laatsten blik toe, onder het mompelen met zachte en bijna onhoorbare stem:

»Gelijk de asch die ik in het vuur wierp, heilig en voor altijd verdwenen is, mogen ook de woorden, die de sachems spreken zullen, heilig zijn en niet buiten den kring des raads gehoord worden. Dat mijne vaderen nu spreken; de raad is begonnen.”

Na deze vermaning, die bijna voor een openbare bestraffing kon gelden, verwijderde de pijpdrager zich.

Toen stond de Arendskop op, liet zijn blik over de raadsleden rondgaan en nam het woord.

»Hoofden en krijgslieden der Comanchen,” begon hij, »reeds zijn er vele manen verloopen, sedert ik het dorp mijner natie verliet, en nog vele manen zullen voorbijgaan eer de Wacondah mij vergunnen zal, mij aan het groote raadvuur met de opperste sachems der Comanchen neder te zetten. Het bloed heeft altijd rood in mijne aderen gevloeid en geen huid heeft mijn hart voor mijne broederen bedekt. De woorden die mijne borst uitblaast komen mij op de lippen door den wil van den Grooten Geest; Hij weet hoe ik mijne liefde voor u allen bewaard heb.

»De natie der Comanchen is machtig, zij is de koningin der prairiën. Hare jachtgronden dekken de gansche aarde, wat behoeft zij zich met andere natiën te verbinden om hunne grieven te wreken? Keert de onreine coyote in tot het hol van den trotschen jaguar? Legt de uil zijne eieren in het nest van den arend? Waarom zou dan de Comanch op het oorlogspad uittrekken met de honden der Apachen? De Apachen zijn bloohartige vrouwen en verraders.

»Ik zeg mijne broeders dank, niet alleen dat zij met de Apachen hebben gebroken, maar dat zij mij geholpen hebben hen te verslaan; nu is mijn hart treurig en dekt een nevel mijnen geest, omdat ik van mijne broeders scheiden moet. Behage het hun mijn vaarwel, aan te nemen; dat de Spotvogel mij beklage, daar ik ver van hen verwijderd in de schaduw zal wandelen, de stralen der zon hoe vurig zij schijnen mogen zullen mij niet kunnen verwarmen. Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, machtige mannen?”

De Arendskop ging weder zitten te midden van een algemeen gemompel van smart, en bedekte zijn gelaat met een slip van zijn bisonsmantel.

Er volgde in de vergadering eene diepe stilte. De Spotvogel scheen de andere hoofden met zijne blikken te ondervragen; eindelijk stond hij op, en nam op zijne beurt het woord om den Arendskop te beantwoorden.

»De Spotvogel is jong,” zeide hij, »en zijn hoofd is goed, ofschoon het de wijsheid van zijn vader nog niet bezit. De Arendskop is een sachem dien de Wacondah lief heeft: waarom heeft de Meester des levens het opperhoofd onder de krijgslieden van zijn volk teruggebracht? Was dit opdat hij hen schier onmiddellijk weder verlaten zou? Neen! de Meester des levens bemint zijne kinderen de Comanchen; hij heeft dit dus niet kunnen willen! De krijgslieden hebben een wijs en welervaren voorganger noodig om hen op het oorlogspad te geleiden en aan het vuur van den raad te onderrichten; het hoofd van mijn vader is grijs, hij behoort de krijgslieden te onderwijzen en aan te voeren; de Spotvogel kan zulks niet, hij is nog te jong en te onervaren. Waar mijn vader dus heengaat, zullen zijne zonen hem volgen, wat mijn vader wil zullen zijne zonen willen; doch hij spreke niet van hen te verlaten; laat hij de wolk verdrijven die zijn geest verduistert, zijne zonen smeeken het hem bij monde van den Spotvogel, het kind dat hij zelf opgevoed, dat hij zoo wel bemind en tot een man gemaakt heeft. Ik heb gesproken. Ziedaar mijne wampum! heb ik goed gesproken, machtige mannen?”