Part 24
De Tigrero besteedde bijna een half uur om de weinig meer dan veertig ellen gronds die hem van de rots scheidden, af te leggen.
Eindelijk had hij haar bereikt; en toen hield hij even stil om adem te scheppen en slaakte een zucht van voldoening.
Het overige was niets meer; hij vreesde niet langer, gezien te zullen worden, dank zij het dichte gordijn van takken dat hem voor het oog der Indianen verborg, maar daarentegen des te meer dat men hem mocht hooren.
Na eenige oogenblikken uitgerust te hebben begon hij opnieuw te kruipen, en zich van lieverlede langs de steilte der rotshelling naar boven te werken: eindelijk bevond hij zich op gelijke hoogte met het warbosch, waar hij dadelijk inkroop en verdween, zonder dat iemand zijne aanwezigheid aan die plaats kon vermoeden.
Uit dit schuilhoekje, dat hij zoo gelukkig ontdekt en bereikt had, overzag hij niet alleen het gansche kamp der Roodhuiden, maar kon hij duidelijk hooren wat zij onderling spraken.
Het zal niet noodig zijn hier aan te merken, dat don Martial de verschillende taaleigens der talrijke, in de uitgestrekte wildernissen verspreide Indianen-stammen even goed verstond als sprak.
De hier aanwezige Roodhuiden herkende hij onmiddellijk als Apachen.
Dus waren al zijne vermoedens verwezenlijkt.
Rondom een vuur van bisonsmest, dat hoog opvlamde zonder eenigen althans noemenswaardigen rook te verspreiden, zaten een aantal Indianenhoofden deftig nedergehurkt, in allen ernst hunne calumet te rooken en zich tevens te warmen, want de nacht was fijn koud.
Onder hen herkende don Martial den Zwarte-Beer.
De sachem zag er somber en norsch uit, hij scheen aan eene kwalijk verkropte gramschap ten prooi; nu en dan hief hij onrustig het hoofd op en richtte zijn blik beurtelings naar den helderen sterrenhemel en de hem omringende ruimte, als wilde hij de duisternis doorboren. Een dof en aansnellend gedruisch liet zich hooren, en weldra verscheen er een Indiaan te paard in het verlichte gedeelte van het kamp.
Na te zijn afgestegen, naderde de nieuw aankomende het vuur, hurkte neder bij zijne kameraden, stak zijn calumet aan en begon te rooken, met een strak en ongevoelig gezicht, ofschoon men aan het stof waarmede hij bedekt was en aan de snelheid zijner ademhaling, wel bemerken kon dat hij een verren en moeielijken tocht gemaakt had.
Bij zijne komst had de Zwarte-Beer hem tamelijk lang en bespiedend aangestaard, maar was toen weder gaan rooken zonder hem een woord toe te voegen, daar de Indiaansche etiquette verbiedt, dat de eene sachem den anderen ondervraagt, eer deze de asch uit zijn uitgerookte pijp in den haard heeft geschud.
In het ongeduld van den Zwarte-Beer werd blijkbaar door de overige Indianen gedeeld. Intusschen bewaarden allen een deftig stilzwijgen. Eindelijk trok de nieuwgekomene een laatste teug rook uit zijne pijp, dien hij door mond en neusgaten weder uitblies, schudde haar leeg en stak haar bedaard in zijn gordel.
De Zwarte-Beer richtte thans het woord tot hem.
»De Kleine-Panter komt wel laat terug,” zeide hij.
Dit was geen rechtstreeksche vraag; de Indiaan bepaalde zich dus hij eene buiging maar antwoordde niet.
»De gieren trekken met groote troepen over de woestijn,” hervatte de sachem een poos later, »de coyotes scherpen hunne spitse klauwen, de Apachen rieken een geur van bloed, die het hart in hunne borst van vreugde doet opspringen; heeft mijn zoon ook iets gezien?”
»De Kleine-Panter is een vermaard krijgsman in zijn stam,” antwoordde de Indiaan, »als de eerste bladeren komen zal hij ook een opperhoofd zijn; hij heeft de zending volbracht die zijn vader hem opdroeg.”
»Ooah! wat doen de Lang-Messen?”
»De Lang-Messen zijn honden, die huilen zonder te kunnen bijten, een Apachen krijgsman heeft hen verschrikt.”
De sachems glimlachten hoogmoedig bij deze zotte grootspraak, die zij eenvoudig in goeden ernst opnamen.
»De Kleine-Panter heeft hun kamp gezien,” hervatte de Indiaan, »hij heeft hen geteld, zij zuchten als vrouwen en huilen als kleine kinderen zonder moed of kracht; twee van hen zullen dezen nacht geen plaats meer nemen aan het raadvuur hunner broederen.”
En met zekeren, niet van krijgsadel ontblooten zwier sloeg de Indiaan de katoenen kiel op, die hem van den hals tot aan de knieën reikte, en liet hem een paar versche haarschedels zien die aan zijn gordel hingen.
»Ooah!” juichten de opperhoofden met geestdrift, »de Kleine-Panter heeft dapper gestreden!”
De Zwarte-Beer wenkte den Indiaan hem de twee bloedige trofeën te overhandigen.
De Kleine-Panter maakte ze los en reikte ze hem over.
De Zwarte-Beer bekeek ze met alle aandacht. Al de andere hoofden wachtten met belangstelling op zijn oordeel.
»Asch’het!” (Zeer goed) riep hij onmiddellijk, »mijn zoon heeft een Lang-Mes gedood en een Yori.”
En hiermede gaf hij de bloedige trofeën aan den eigenaar terug, die ze weder aan zijn gordel hechtte.
»Hebben de bleekmuilen het spoor der Apachen ontdekt?” vroeg hij.
»De bleekmuilen zijn blinde mollen. Zij deugen nergens dan in hunne steenen dorpen.”
»Wat heeft mijn zoon gedaan?”
»De Panter heeft de bevelen die hij van zijn vader ontvangen had, stipt uitgevoerd; toen de krijgsman begreep dat de bleekgezichten hem niet wilden zien, is hij stout op hen ingetreden en heeft hen gesard, en toen hebben zij hem drie uren lang vervolgd tot in het hart der woestijn.”
»Goed: mijn zoon heeft zich braaf gedragen. Wat heeft hij nog meer gedaan?”
»Toen hij de Lang-Messen ver genoeg had gebracht, heeft hij hen verlaten, na eerst twee van hen gedood te hebben tot een aandenken van zijne ontmoeting; daarop is hij naar het kamp zijner broederen teruggereden.”
»Mijn zoon zal wel moede zijn; het uur der rust is voor hem gekomen.”
»Nog niet,” antwoordde de Indiaan ernstig.
»Ooah! dat mijn zoon zich verklare.”
Zonder te weten waarom, maar bij dit woord voelde de Tigrero, die alles stipt had afgeluisterd, zijn hart beven van angst.
De Indiaan vervolgde:
»Er zijn niet alleen Lang-Messen in de woestijn, de Kleine-Panter heeft een tweede spoor ontdekt.”
»Een tweede spoor?”
»Ja. Dat spoor is weinig zichtbaar: het telt maar zeven paarden en drie muildieren in ’t geheel; ik heb den stap van een dezer paarden herkend.”
»Ooah! ik verwacht dat mijn zoon mij alles zal mededeelen.”
»Zes gewapende Yoris te paard, met eene vrouw bij zich, zijn de woestijn binnen getrokken.”
Het oog van den Zwarte-Beer fonkelde.
»Eene bleeke vrouw?” vroeg hij.
De Indiaan knikte toestemmend.
De sachem dacht een oogenblik na, maar spoedig hernam zijn gelaat het masker van onverschilligheid dat hem eigen was.
»De Zwarte-Beer heeft zich niet vergist,” zeide hij, »hij rook den geur des bloeds, ik beloof mijne zonen eene goede jacht. Morgen met de endit-ha [22] zullen de krijgslieden te paard stijgen. De hut van den sachem is eenzaam; dat zij onze eerste zorg. Laten wij dus de Lang-Messen aan hun lot over,” vervolgde hij de oogen naar den hemel richtende. »Nyang, de geest des kwaads, zal zich wel met de taak belasten hen onder het zand te begraven, de Meester des levens roept den storm reeds; ons werk is afgedaan, volgen wij liever de Yoris en keeren wij dan naar onze jachtvelden terug; de orkaan zal weldra over de woestijn losbreken en haar omkeeren. Mijne zonen kunnen zich aan den slaap overgeven, een opperhoofd zal over hen waken; ik heb gesproken.”
De krijgslieden bogen stilzwijgend, stonden de een na den ander op en vlijden zich eenige stappen verder op den zandbodem neêr.
Na verloop van een paar minuten waren allen in diepen slaap.
Alleen de Zwarte-Beer waakte. Met het hoofd in de beide handpalmen, en de ellebogen op de knieën, zat hij strak in den met sterren bezaaiden hemel te staren. Somwijlen werd zijn oog minder streng, scheen zijn gelaat te verteederen en trilde er een vluchtige glimlach op zijne lippen.
Welke gedachten hielden hem bezig? waarover peinsde de sachem?
Don Martial had alles beluisterd en geraden, en een heimelijke schrik deed hem huiveren van afgrijzen.
Hij bleef nog bijna een half uur onbeweeglijk in zijn schuilhoek, uit vrees van ontdekt te worden; daarna begon hij de rots af te klimmen gelijk hij haar was opgeklauterd, maar met nog grooter zorgvuldigheid: want in deze oogenblikken, nu eene roerlooze stilte de natuur beheerschte, zou het minste geritsel zijne tegenwoordigheid voor het scherpe gehoor van den Indiaan hebben verraden.
Na alles wat hij zoo ongedacht had afgeluisterd vreesde hij meer dan ooit om ontdekt te worden.
Eindelijk gelukte het hem veilig de plek te bereiken waar hij zijn paard had achtergelaten.
Onmiddellijk steeg hij in den zadel, maar liet een geruimen tijd den teugel achteloos op den hals van zijn trouwe dier rusten en terwijl hij stapvoets voortreed, riep hij zich nog eens al het gehoorde voor den geest, en begon hij op middelen te peinzen om het vreeselijk gevaar af te wenden, dat hem en zijne tochtgenooten bedreigde.
Zijne verlegenheid kende geene grenzen, hij zag geen kans om het raadsel op te lossen en wist niet waartoe te besluiten. Hij kende don Sylva de Torres te goed om te veronderstellen dat deze ooit om redenen van persoonlijk behoud zijn plan op zou geven en zijne vrienden in den steek laten, zonder het uiterste te beproeven om hen te helpen. Maar moest of mocht hij dan doña Anita opofferen aan deze overdreven nauwgezetheid, aan dit kwalijk begrepen punt van eer, ten gevalle van een man die in geenerlei opzicht zooveel belang verdiende als de haciendero in hem stelde?
Nog altijd was er kans om met inspanning van kracht en beleid de Apachen te ontwijken en aan hunnen overmoed te ontsnappen;—maar hoe zou men ontsnappen aan den temporal, dien gevreesden storm! die wellicht reeds binnen weinige uren over de woestijn zou losbreken, alle plaatselijke kenmerken zou doen verdwijnen, alle sporen uitwisschen en zoodoende iedere vlucht onmogelijk maken?
Doch hoe het ook gaan mocht, boven alles, het meisje moest hij redden tot iederen prijs! Deze gedachte kwam bij den Tigrero telkens met nieuwe kracht weder boven en brandde hem als gloeiend staal op het hart. Het klamme zweet parelde op zijn voorhoofd en hij verzonk als het ware in stomme razernij tegenover de stoffelijke onmogelijkheid, die hier zoo onverbiddelijk voor hem oprees.
Hoe zou hij haar redden? Dit was nu de alles beheerschende vraag, en op deze vraag wist hij geen antwoord.
Zoo reed hij een geruimen tijd stapvoets voort met het hoofd op de borst gebogen, en pijnigde zijn geest af om een middel te vinden en zich uit dien moeielijken toestand te redden, die hem meer en meer beknelde. Eindelijk ging er in zijne gedachten een licht op; hij hief het hoofd fier omhoog en met een uitdagenden blik naar den kant zijner vijanden, die zich reeds zeker waanden hem en zijne reisgenooten te zullen meester worden, gaf hij zijn paard de sporen en zette door in vliegenden galop.
Toen hij de plaats bereikte waar de karavaan gekampeerd lag, vond hij, behalve den peon die op wacht stond, alles in diepen slaap.
Het was reeds laat geworden, ongeveer een uur na middernacht, de hoogstaande maan verspreidde een schitterend licht over de zandvlakte, zoodat men alles bijna even goed zien kon als op den vollen middag. De Apachen zouden volgens hun plan niet opbreken voor dat de zon opging; hij had dus nog vier volle uren te zijner beschikking om vrij te handelen, en hij besloot om zich die ten nutte te maken. Vier uren welbesteed, zijn onberekenbaar veel bij eene vlucht.
De Tigrero begon met zijn paard zorgvuldig af te rossen, om het de zoo noodige lenigheid weêr te geven, want hij zou dien dag van zijne vlugheid en kracht het uiterste moeten vergen. Daarna, geholpen door de peons, laadde hij de muildieren op en zadelde de paarden.
Alles gereed zijnde, bedacht hij zich een oogenblik en nu maakte hij haastig een aantal kleine zakken van schapenvellen met zand gevuld, om er de pooten der paarden in te steken. Deze list moest naar zijne berekening dienen om de Roodhuiden te misleiden, die het door hen verwachte spoor niet langer herkennende, aan vervalsching zouden denken en hen dus niet rechtstreeks zouden vervolgen.
Tot overmaat van veiligheid, liet hij drie of vier lederen zakken met mezcal onder de rots achter, wel verzekerd dat de Apachen met hunnen bekenden lust naar sterken drank niet zouden nalaten zich te bedrinken.
Toen dit alles gedaan was, wekte hij don Sylva en zijne dochter.
»Te paard!” riep hij op een toon die geen tegenspraak gedoogde.
»Wat is het?” vroeg de haciendero nog half slapende.
»Wat het is?—als wij niet oogenblikkelijk vertrekken, zijn wij verloren.”
»Wat? wat zegt gij, verloren?”
»Te paard! te paard!” hervatte hij, »iedere minuut die wij hier verspillen brengt ons nader bij onzen dood! Later zal ik u alles ophelderen.”
»Maar in ’s hemels naam! wat is er dan toch gebeurd?”
»Gij zult het spoedig weten, kom meê, kom meê!”
Zonder verder op zijne vragen acht te slaan, noopte hij den haciendero tegen wil en dank dadelijk te paard te stijgen; doña Anita zat reeds in den zadel, de Tigrero wierp een laatsten blik rugwaarts en gaf toen het sein om te vertrekken.
De kleine karavaan zette zich in beweging en stoof onmiddellijk voorwaarts, zoo snel de paarden en muildieren maar loopen konden.
XXIII.
DE APACHEN.
Niets is akeliger dan een tocht door de woestijn bij nacht, en onder zulke omstandigheden als die onze reizigers noodzaakten tot eene overhaaste vlucht.
De nacht is de vader der spoken; in de schemering wordt het vroolijkste landschap somber en zwart; al het wezenlijke schijnt van gedaante te wisselen, en het onwezenlijke krijgt eene gestalte om den reiziger te verschrikken; zelfs de maan, hoe helder zij schijnen mag, geeft aan de voorwerpen een spookachtig aanzien en een nog spookachtiger schaduw, die wel in staat is den stoutste te doen sidderen.
De doodsche stilte der woestijn, hare onbegrensde eenzaamheid, die den armen reiziger van alle kanten omgeeft, drukt en benauwt, en door zijne kranke verbeelding met schrikgestalten bevolkt wordt; de tastbare duisternis, die hem opsluit als in een looden doodkist: alles spant samen om zijn brein te ontstellen en hem, om het zoo eens te noemen, een angstkoorts aan te jagen, die de levenwekkende luister der opgaande zon alleen in staat is weder te verdrijven.
Onwillekeurig ondergingen onze reizigers den druk van al deze verschrikkingen, die hun geschokte hersengestel te voorschijn riep; zij renden voort in den tastbaren nacht, zonder—althans de meesten hunner—te weten waarom of waarheen; zij bekommerden er zich ook niet om; met een bezwaard hoofd, benevelde zinnen, door sluimerzucht bevangen blik, en de oogen half gesloten, hadden zij slechts ééne gedachte: slapen. Zwaaiend en dommelend door hunne voortstormende paarden gedragen en met duizelingwekkende snelheid weggevoerd, schenen de dorre rotsen en enkele hier en daar verspreide boomen hun als in een satanischen wedren voorbij te vliegen, tot zij eindelijk de oogen geheel sloten en zich zoo vast mogelijk in den zadel zetteden om zich over te geven aan den slaap, dien zij de macht niet hadden om te weêrstaan.
De slaap is voor den mensch wellicht een der sterkste en onverbiddelijkste behoeften, die hem alles doet verachten, alles doet vergeten.
Wie door slaap overvallen wordt, geeft er zich aan over, ongevraagd hoe of waar, en onverschillig hoe groot het gevaar is dat hem bedreigt. Honger of dorst kan men, ten minste een tijdlang, door moed en wilskracht bedwingen, maar den slaap, neen, tegen hem is niemand opgewassen en de strijd onmogelijk; hij omklemt als met fluweelen maar ijzeren hand en werpt zijn tegenstander binnen weinige minuten hijgend en overwonnen ter neder.
Behalve don Martial, die altijd wakker van blik en helder van geest was gebleven, hadden de overige leden der karavaan veel van somnambulen; aan hunne paarden als vastgeketend, met gesloten oogen, zonder nadenken of zelfbewustheid reden zij voort als in een droom, en in een soort van nachtmerrie, dien benauwenden toestand zonder naam, die noch slapen noch waken mag heeten, maar slechts eene verdooving is der zinnen en een kluistering der ziel.
Dat duurde den geheelen nacht door.
De karavaan had twintig mijlen gemaakt; de reizigers waren doodaf.
Met het opgaan der zon en onder den invloed van hare koesterende stralen kwamen zij weder een weinig tot verademing; de spanning die hen beknelde hield op, zij openden de oogen, richtten zich op en keken nieuwsgierig rond; en gelijk het in zulke omstandigheden gewoonlijk gaat, volgde er een vloed van uitroepingen en vragen.
De kleine karavaan had de boorden der Rio del Norte bereikt, wier troebele wateren aan deze zijde de grens der woestijn uitmaken.
Don Martial, na de plaats waar zij zich bevonden nauwkeurig te hebben opgenomen, maakte op den oever der rivier zelve halt.
De paarden werden van voeder voorzien, en hunne hoeven van de met zand gevulde sokken ontdaan. Wat de menschen betreft, deze moesten zich vooreerst met een teug refino vergenoegen, om nieuwe krachten te bekomen.
Het landschap had hier een gansch ander aanzien; aan de overzijde der rivier was de grond met stug en sterk gras bedekt, terwijl uitgestrekte bosschen den horizont omzoomden.
»Oef!” riep don Sylva zich met een onbeschrijfelijk gevoel van genot op den grond nedervlijende, »wat een rid! ik ben geheel af; als dat zoo nog een dag duren moest, voto a brios! dan hield ik het niet vol. Ik heb noch honger noch dorst, ik ga slapen.”
En met dat zeggen schikte de haciendero zich zoo zacht mogelijk tot een verkwikkelijk slaapje.
»Nog niet, don Sylva,” riep de Tigrero met drift terwijl hij hem duchtig bij den arm schudde, »of hebt gij lust om hier uw gebeente achter te laten?”
»Loop naar den drommel! ik wil slapen, zeg ik u.”
»Zeer goed,” antwoordde don Martial koelzinnig, »maar als doña Anita dan in handen der Apachen valt, moet gij het mij niet wijten.”
»Wat!” riep de haciendero opstaande en hem strak in de oogen ziende, »spreekt gij mij weêr van de Apachen?”
»Ik herhaal u dat de Apachen ons nazetten; wij hebben nauwelijks eenige uren op hen voor, zoo wij ons niet haasten zijn wij verloren.”
»Canarios! dan moeten wij vluchten!” riep don Sylva thans geheel wakker, »ik wil mijne dochter niet in handen van die duivels zien vallen.”
Wat doña Anita betreft, die wist op dit oogenblik weinig van zorg, zij sliep, zoo als de Spanjaarden zeggen, met gesloten vuisten.
»Laten wij de paarden dubbel voer geven, wij vertrekken onmiddellijk, en wij hebben een langen toer te maken; zij moeten in staat zijn om ons zoo ver te brengen; die weinige minuten toevens zullen doña Anita ten goede komen om hare krachten te herstellen.”
»Dat arme schaap!” zuchtte de haciendero, »van al wat er gebeurt ben ik de schuld, het is mijne vervloekte stijfhoofdigheid die haar hier gebracht heeft.”
»Waartoe dat zelfverwijt, don Sylva,” zei don Martial, »wij allen hebben er schuld aan; laten wij het gebeurde vergeten, en alleen aan het tegenwoordige denken.”
»Ach ja! gij hebt gelijk, waarom langer gepraat over gedane zaken? Nu ik weder geheel wakker ben, moest gij mij liever eens vertellen wat gij dezen nacht gedaan hebt en waarom gij ons zoo plotseling gedrongen hebt om te vertrekken.”
»Mijn hemel! don Sylva, dat verhaal zal zeer kort zijn, maar toch geloof ik dat gij het zeer belangrijk zult vinden. Oordeel zelf. Gij zult het hooren. Nadat ik u gisteren verlaten had om op verkenning uit te gaan, gij herinnert het u immers....?”
»Zeer goed! gij zoudt het vuur gaan onderzoeken dat u zoo verdacht voorkwam.”
»Juist. Welnu, ik had mij niet bedrogen, dat vuur was zooals ik wel vermoedde een kampvuur van wilden. Het was door Apachen aangelegd. Het gelukte mij ongemerkt tot hen door te dringen en hun gesprek af te luisteren. Weet gij wat zij zeiden?”
»Caramba! hoe kan ik weten wat zulke domkoppen elkander te vertellen hebben?”
»Niet zoo dom als gij wellicht een weinig te lichtvaardig denkt, don Sylva, een renbode bracht den sachem van den stam verslag van eene door hem volbrachte zending; onder meer andere belangrijke zaken, zeide hij een spoor van bleekgezichten te hebben ontdekt, en dat zich onder hen eene vrouw bevond.”
»Caspita!” riep de haciendero met schrik, »zijt gij daar zeker van, don Martial?”
»Zoo zeker zelfs, dat ik door het opperhoofd letterlijk het volgende hoorde antwoorden; luister nu wel toe, don Sylva.”
»Ik ben geheel oor, vriend, ga voort.”
»Met zonsopgang trekken wij snel op weg om de bleekhuiden te vervolgen; de hut van den sachem is eenzaam, hij heeft eene blanke vrouw noodig om haar te verlevendigen.”
»Caramba!”
»Ja. Toen wist ik genoeg van de onderneming die de Roodhuiden in den zin hebben; ik sloop even stil weg als ik gekomen was en keerde zoo spoedig mogelijk naar ons kamp terug. Het overige weet gij.”
»O! o!” antwoordde don Sylva blijkbaar ontroerd en met warme belangstelling.
»Ja, ik weet het overige, don Martial, en ik zeg u oprechtelijk dank niet alleen voor het goed overleg waarmede gij bij deze gelegenheid zijt te werk gegaan, maar ook voor den ijver waarmede gij, zonder u aan onze tegenstribbeling te storen, ons gedwongen hebt u te volgen.”
»Ik heb niet anders gedaan dan mijn plicht mij gebood, don Sylva. Heb ik u niet gezworen dat ik u getrouw zou blijven?”
»Ja, mijn vriend, en gij doet uw eed ridderlijk gestand.”
Sedert de haciendero don Martial had leeren kennen, was dit de eerste maal dat hij werkelijk rond en oprecht met hem sprak en hem den titel van vriend schonk.
De Tigrero was er door getroffen, deze ontboezeming ging hem door de ziel, en zoo hij tot hiertoe jegens don Sylva eenige vooroordeelen was blijven koesteren, werden zij op dit oogenblik geheel bij hem uitgewischt, om in zijn hart niets dan een innig gevoel van dankbaarheid over te laten.
Intusschen was doña Anita gedurende dit gesprek wakker geworden, en nu hoorde zij met onbeschrijfelijk genoegen hoe vriendschappelijk zij samen spraken.
Toen haar vader haar nu de reden vertelde waarom don Martial hen gedrongen had in het holst van den nacht zulk een vermoeienden tocht te ondernemen, bedankte zij den Tigrero van harte en beloonde hem met een van die teedere blikken, daar de vrouwen alleen het geheim van bezitten en in welke zij als het ware haar geheele ziel doen spreken.
Toen de Tigrero zag dat zijn getrouwe ijver naar waarde geschat werd, vergat hij al zijne vermoeienis en kende hij geen ander verlangen, dan om zijne wel begonnen taak gelukkig ten einde te brengen.
Zoodra de paarden gevoederd waren werd er opnieuw opgestegen.
»Ik verlaat mij op u, don Martial,” zei de haciendero, »gij alleen kunt ons redden.”
»En met Gods hulp zal ik het doen,” antwoordde de Tigrero hartstochtelijk.
Men daalde in de rivier af, die op dit punt vrij breed was. In plaats van haar in eene rechte lijn over te steken, verkoos don Martial, ten einde de Roodhuiden beter van ’t spoor te helpen, liever eene poos den stroom van het water te volgen, en stuurde hij de karavaan met menige wending en kronkeling in eene schuinsche richting naar den overkant.
Eindelijk aan een plek komende waar de rivier tusschen oevers van kalksteen besloten was, en dus de hoeven der paarden en muilezels geen zichtbare indruksels op het natte zand of de vochtige klei konden achterlaten, steeg hij aan wal.
De karavaan had thans de woestijn verlaten. Voor haar uit lag de onmetelijke prairie, wier golvende bodem zich langzaam verheft tot de eerste heuveltrappen der Sierra Madre en der Sierra de los Comanchos. Hier was het geen woeste onvruchtbare vlakte meer, zonder bosch of gras of water. Eene overdadig welige natuur, rijk bedeeld met onvergelijkelijke groeikracht, van boomen, bloemen en kruiden, tallooze vogels die vroolijk kwinkeleerden tusschen het gebladerte, dieren van allerlei soort die in deze natuurlijke weiden liepen grazen of rondhuppelden en zich verlustigden.