De graaf de Lhorailles

Part 23

Chapter 234,093 wordsPublic domain

Geholpen door de peons, hield de haciendero zich ijverig bezig met alles voor den nacht in orde te brengen; de paarden werden ontzadeld en in eene soort van corral—open stal tusschen vier muren—geplaatst, daar ze niet uit weg konden loopen, en ruim van haver voorzien; de muilezels werden afgeladen en de pakken in de groote zaal gebracht, waar men ze op een hoop stapelde, na er een geopend te hebben om er den noodigen mondvoorraad uit te nemen; vervolgens werd er een groot vuur ontstoken, boven hetwelk weldra een hertebout te braden hing.

Nadat al deze toebereidsels waren afgeloopen, ging de haciendero op een der in de zaal voorhanden bisonsschedels zitten, stak een maïssigaar aan en begon te rooken, nu en dan een smartelijken blik werpende naar zijne dochter, die nog altijd in hare treurige beschouwingen verdiept zat.

Don Martial bleef vrij lang uit: eerst na twee uren afwezigheid hoorde men het getrappel van zijn paard op den steenachtigen bodem der ruïne en trad hij onverwijld binnen.

»Wel?” vroeg hem don Sylva.

»Laten wij eerst eten,” antwoordde de Tigrero met een wenk naar doña Anita, dien de haciendero begreep.

Het maal was zooals dat van bekommerde en vermoeide lieden na een lange dagreis wezen moest, dat wil zeggen zeer kort. Overigens bestond het, behalve uit de hertenbout, uit niets dan maïskoeken en gebraden peren met peper.

Doña Anita gebruikte nauwelijks een paar lepels ingelegde tamarinde; daarna de aanwezigen gegroet hebbende, stond zij op en verwijderde zich naar een klein in de zaal uitkomend vertrekje, waar men voor haar van bisonsmantels en pelterijen een soort van bed had gereed gemaakt, en dat bij gebrek van deur zoo goed mogelijk was afgesloten met een paardendek aan een paar spijkers in den muur opgehangen.

»Wat u betreft,” zei de Tigrero tegen de peons zoodra doña Anita weg was, »gij moogt wel goed wachthouden als gij uwe haren behouden wilt. Ik ben verplicht u te waarschuwen dat wij hier in een land vol vijanden zijn, en als gij zorgeloos inslaapt, het waarschijnlijk duur zullen moeten bekoopen.”

De peons verzekerden den Tigrero dat zij dubbel waakzaam zouden zijn, en gingen naar buiten om de ontvangen bevelen uit te voeren.

De beide heeren bleven dus alleen en zaten een oogenblik zwijgend tegenover elkander.

»Welnu, wat is het?” begon don Sylva, de vraag herhalende die hij reeds even te voren gedaan had, »hebt gij iets bijzonders ontdekt of vernomen?”

»Al wat er met mogelijkheid te ontdekken of te vernemen is, don Sylva,” antwoordde de Tigrero min of meer onstuimig; »zoo het anders ware, zou ik een armzalige jager zijn en de wilde dieren, tijgers en jaguars mij reeds lang verslonden hebben.”

»Zijn de inlichtingen die gij hebt opgedaan gunstig te noemen?”

»Dat is naar dat gij ze nemen wilt; de Franschen zijn hier geweest en hebben er een paar weken gekampeerd; gedurende hun verblijf in de ruïnen zijn zij door de Apachen hevig aangevallen, doch het is hun gelukt hen af te slaan. Intusschen schijnt het, ofschoon ik het niet zou kunnen bevestigen, dat de soldaten om een of andere reden aan ’t muiten geslagen zijn, ten gevolge waarvan die arme duivel, dien wij tot aas voor de gieren aan den boom zagen hangen, misschien als de belhamel, misschien ook, zooals het wel eens meer gegaan is, als het ongelukkige slachtoffer voor allen het gelag heeft moeten betalen.”

»Ik zeg u dank voor uwe toelichting, die ons buitendien bewijst dat wij ons niet vergist hebben maar het rechte spoor zijn gevolgd; kunt gij mij nu deze toelichting nog aanvullen, in zoover dat gij mij weet te zeggen of de Franschen de ruïnen sinds lang verlaten hebben en in welke richting zij vertrokken zijn?”

»Deze vragen zijn gemakkelijk op te lossen; de vrijkompagnie heeft gisteren morgen even na zonsopgang haar kamp opgebroken om de woestijn in te trekken.”

»De woestijn?” herhaalde de haciendero, terwijl hij moedeloos de armen bij het lijf liet hangen.

Er volgde eenige minuten stilte, gedurende welke de beide mannen over het gesprokene nadachten. Eindelijk nam don Sylva het woord weder op.

»Dat is niet mogelijk,” riep hij.

»En toch is het zoo.”

»Maar dat is eene onvoorzichtigheid zoo groot als er een zijn kan, ja het is dollemanswerk!”

»Dat zal ik niet tegenspreken.”

»O! die ongelukkigen!”

»Het is zoo met hen gelegen, dat er een wonder zal moeten gebeuren als zij er goed afkomen.”

»Dat ben ik volkomen met u eens; maar wat nu gedaan?”

»De zaak ligt er toe, en met al ons gejammer is er niets aan te veranderen; ik geloof dus, don Sylva, dat wij de wijste partij zullen kiezen door er niet meer aan te denken; zij moeten zelf maar zien hoe zij er goed afkomen.”

»Is dat uwe gedachte?”

»Volkomen,” antwoordde de Tigrero luchthartig.

»Uw plan is dus?”

»Mijn plan is,” antwoordde hij met drift, »om twee of drie dagen hier te vertoeven en te zien wat er misschien gebeuren kan; hebben wij na verloop van drie dagen niets nieuws gezien of gehoord, dan stijgen wij te paard en keeren langs denzelfden weg dien wij gekomen zijn naar Guetzalli terug, zonder zelfs de moeite te nemen van om te zien, want hoe eer wij deze verschrikkelijke streek uit zijn, hoe beter.”

De haciendero schudde van neen, als iemand die op eens zijn vaste besluit had genomen.

»Dan zult gij alleen vertrekken, don Martial,” zeide hij droog.

»Wat zegt gij!” riep de andere hem strak aanziende.

»Ik zeg u, dat ik denzelfden weg niet terugga dien ik gekomen ben; ik doe geen stap achteruit, in één woord ik vlucht niet.”

Don Martial was door dit antwoord als verbluft.

»Wat denkt gij dan te doen?”

»Kunt gij dat niet begrijpen? Om welke reden zijn wij hier gekomen; en met welk doel hebben wij tot hiertoe gereisd?”

»Maar, don Sylva, bedenk toch, de zaken zijn nu geheel veranderd. Gij zult hoop ik redelijk genoeg zijn te erkennen dat ik u zonder tegenspreken gehoorzaamd heb en gedurende deze reis een trouwe gids voor u geweest ben.”

»Dat erken ik inderdaad; maar zeg mij dan hoe gij er over denkt.”

»Hoe ik er over denk, don Sylva; dat zult gij hooren. Zoolang wij in de prairie waren, in dagelijksch gevaar van door de wilde beesten verscheurd te worden, heb ik gedwee voor u gebogen en mij geenszins tegen uwe plannen verzet, omdat ik stilzwijgend bekennen moest dat gij plichtmatig handeldet; zelfs nu nog, zou ik mij, als wij alleen waren, zonder morren aan uw vaste besluit onderwerpen. Maar bedenk doch, bid ik u, dat gij uwe dochter bij u hebt en dat zij duizend angsten zal moeten uitstaan, zoo gij haar verplicht om u te volgen in een woestijn die u beiden zal verslinden.”

Don Sylva antwoordde niet.

De Tigrero vervolgde:

»Onze troep is zwak; wij hebben slechts voor weinige dagen levensmiddelen bij ons, en gij weet, als wij eens in de del Norte zijn, is er geen water of wild meer te krijgen. Worden wij daarbij nog door een storm overvallen, dan zijn wij verloren, reddeloos verloren.”

»Al wat gij mij daar zegt is waar, dat weet ik, en toch kan ik uw raad niet volgen. Hoor mij op uwe beurt, don Martial: de graaf de Lhorailles is mijn vriend, weldra zal hij mijn schoonzoon zijn; ik zeg dat niet om u te krenken, maar om u te doen beseffen in welke verhouding ik tegenover hem sta. Om mijnentwil, om mij te verlossen uit de macht van hen die hij meent dat mij en mijne dochter hadden opgelicht, is hij zonder aarzelen of baatzuchtige berekening en alleen door zijn edele hart gedreven, de zandwoestijn ingetrokken; kan ik hem daar nu laten omkomen, zonder hem hulp toe te brengen? Is hij niet vreemdeling in Mexico, mijn gast en mijn vriend? neen, don Martial, het is mijn plicht hem te redden, en ik zal het beproeven, hoe het ook gaan mag.”

»Nu ik zie dat gij er zoo over denkt, don Sylva, zal ik niet langer een besluit zoeken te keeren dat bij u zoo onherroepelijk vaststaat. Ik zal u niet zeggen dat de man dien gij uwe dochter ter vrouwe wilt geven een gelukzoeker, een verloopen edelman is, die ter zake van wangedrag zijn land heeft moeten verlaten en die door het huwelijk dat hij met uwe dochter hoopt te sluiten niets anders bedoelt dan uw onmetelijk fortuin in zijn bezit te krijgen. Al deze dingen en nog veel meer bovendien zou ik u vergeefs trachten te bewijzen, gij zoudt mij toch niet gelooven, want gij zoudt in de feiten die ik u opnoemde niets anders willen zien dan nietswaardige pogingen van een mededinger; spreken wij er dus niet verder over. Wilt gij de zandwoestijn in, goed, ik zal u volgen; en wat er ook gebeurt zult gij mij aan uwe zijde vinden, gereed om u te beschermen en u te helpen. Maar nu het uur eindelijk daar is om tot ronde verklaringen te komen, wil ik niet langer dat er een wolk van ongenoegen tusschen ons blijve bestaan; gij moet den man kennen, met wien gij de wanhopige onderneming gaat wagen die gij u hebt voorgenomen, opdat gij in hem uw volle vertrouwen moogt stellen.”

De haciendero keek hem verwonderd aan.

Op dit oogenblik werd het gordijn voor het vertrekje daar doña Anita zich bevond opgeheven, het meisje verscheen, trad langzaam de zaal door, knielde voor haar vader neder en wendde zich tot den Tigrero.

»Nu moogt gij vrij spreken, don Martial,” zeide zij; »misschien zal mijn vader mij vergeven, als hij ziet dat ik hem dus om vergeving vraag.”

»Vergeving?” riep de haciendero, terwijl hij beurtelings zijne dochter en den man aanstaarde, die met een beschaamd gelaat en gebogen hoofd voor hem stond; »wat moet dat beteekenen? welk misdrijf hebt gij begaan?”

»Een misdrijf, daar ik alleen schuld aan heb, don Sylva, en daar ik alleen de straf voor ondergaan moet; ik heb u schandelijk bedrogen, ik ben de man die uwe dochter uit de kolonie heeft weggevoerd.”

»Gij!” riep de haciendero met een blik van woede, »ben ik dus uw speelbal, uw bedrogene geweest?”

»De hartstocht redeneert niet; ik zal maar een woord ter mijner verdediging zeggen: ik bemin uwe dochter. Helaas, don Sylva, ik gevoel eerst nu hoe schuldig ik was; het nadenken, hoe laat ook, is eindelijk gekomen, en terwijl doña Anita aan uwe voeten weent, verneder ik mij voor u en bid ik u om vergeving.”

»Vergeving, vader!” herhaalde het meisje zacht.

De haciendero gaf een wenk van onwil.

»O!” hervatte de Tigrero met drift, »wees grootmoedig, don Sylva; stoot ons niet terug! Ons berouw is waar en oprecht. Ik heb het vaste voornemen om het gedane kwaad te herstellen; ik ben dwaas geweest, de hartstocht had mij verblind, verguis mij niet.”

»Vader,” snikte doña Anita met tranen op de wangen en eene gesmoorde stem, »ik bemin hem! Evenwel, toen wij uit de kolonie vertrokken, hadden wij kunnen vluchten en u verlaten; dit hebben wij niet gewild, wij hebben er zelfs geen oogenblik aan gedacht, wij hebben ons geschaamd over onzen misstap. Nu zijn wij hier beiden gereed om u te gehoorzamen en zonder tegenspraak alles te doen wat gij ons gebieden zult; wees dus niet onverbiddelijk, vader, vergeef ons!”

De haciendero richtte zich op.

»Gij ziet het, ik kan niet langer aarzelen,” zeide hij streng; »ik moet den graaf de Lhorailles redden, tot iederen prijs; deed ik het niet, dan was ik uw medeplichtige.”

De Tigrero stapte met innige ontroering de zaal door in de vreeselijkste spanning, zijne wenkbrauwen waren samengetrokken, zijn gelaat doodsbleek.

»Ja,” riep hij eindelijk met eene geschokte stem, »ja, wij moeten hem redden; wat geef ik er om hoe het daarna met mij gaat? Geen lafhartige zwakheid! Ik heb een misslag begaan, ik moet en zal er de gevolgen van boeten.”

»Als gij mij oprecht en trouw in mijne nasporingen helpt, zal ik u vergeven;” zei don Sylva met eene ernstige stem; »mijn eer is in uw misslag betrokken, ik stel die in uwe handen.”

»Dank u, don Sylva, gij zult er geen berouw van hebben dat gij u op mij verlaat,” antwoordde de Tigrero edelmoedig.

De haciendero hief zijne dochter minzaam op, sloot haar in zijne armen en kuste haar bij herhaling.

»Mijn arm kind!” zeide hij, »ik vergeef u. Helaas! wie weet of ik niet binnen weinige dagen op mijne beurt uwe vergeving zal moeten inroepen voor al het leed dat ik u heb aangebracht? Ga nu een weinig slapen, het is diep in den nacht, gij hebt rust noodig.”

»O hoe goed zijt gij, vader, en hoe lief heb ik u,” riep zij geroerd, »vrees niets, welk lot mij in de toekomst ook verbeidt, ik zal het dragen zonder morren, nu ben ik gelukkig, nu gij mij vergeven hebt.”

Don Martial volgde het meisje met de oogen terwijl zij zich verwijderde.

»Wanneer denkt gij op marsch te gaan, don Sylva,” vroeg hij met een gesmoorden zucht.

»Morgen, zoo dat mogelijk is.”

»Goed, morgen dan op Gods genade.”

Na nog een poosje gesproken te hebben om de noodige zaken te regelen, wikkelde don Sylva zich in zijne dekens en sliep weldra in. Wat den Tigrero betreft, deze ging het huis uit, om te zien of de peons wel goed voor de algemeene veiligheid waakten.

»O, als die verwenschte Cuchares mijne orders maar niet heeft uitgevoerd!” mompelde hij.

XXII.

EEN MENSCHENJACHT.

Den volgenden dag met het eerste morgenkrieken trok de kleine karavaan uit de Casa Grande van Montecuzoma; twee uren later waren zij reeds in de woestijn del Norte.

Bij het gezicht der woestijn kromp het hart van doña Anita samen van angst, het was alsof een heimelijk voorgevoel haar voorspelde dat de tocht voor haar noodlottig zou zijn. Zij keerde zich om en wierp een treurigen terugblik op de donkere wouden, die achter haar groenden aan den horizont, en slaakte een onwillekeurigen zucht.

De luchtsgesteldheid was heet, de hemel van het zuiverste blauw, geen tochtje verkoelde den dampkring; op het mulle zand zag men nog de diepe sporen der paarden waar de vrijkompagnie van den graaf de Lhorailles er doorgetrokken was.

»Wij zijn op den goeden weg,” merkte de haciendero aan, »hunne sporen zijn duidelijk zichtbaar.”

»Ja,” mompelde de Tigrero, »en dat zullen ze blijven zoo lang tot er een stormwind losbreekt.”

»O! dan moge God ons helpen!” riep doña Anita.

»Amen!” riepen al de reizigers een kruis makende in antwoord op de heimelijke stem in hun binnenste, die hun niets dan ongeluk voorspelde.

Er verliepen eenige uren.

Het weêr bleef verrukkelijk schoon; van tijd tot tijd, hoog in de lucht, zagen de reizigers tallooze zwermen vogels voorbijvliegen, die naar het warme land trokken—of de terres calientes zoo als men hier zegt, en zich haastten om de woestijn over te komen.

Maar overal elders zag men niets dan grauw en dof zand, of sombere rotsen, grillig op een gestapeld als naamlooze ruïnen van eene onbekende voormenschelijke wereld, zoo als men die vaak in hoogere bergstreken aantreft.

Tegen het vallen van den avond kampeerde de karavaan onder beschutting van een groot granietblok, en een sober vuur werd ontstoken, dat nauwelijks voldoende was om de reizigers tegen de koude te beschutten die des nachts in deze streken heerscht.

Don Martial galoppeerde gedurig aan de zijden van den troep, nu links dan rechts, dan voor dan achter en waakte met broederlijke zorg voor alle veiligheid; noch door de verzoeken van don Sylva noch door de gebeden van doña Anita was hij te bewegen om eenige rust te nemen.

»Neen,” riep hij telkens, »van mijne waakzaamheid hangt uw behoud af. Laat mij handelen naar eigen goedvinden, ik zou het mij zelven nooit vergeven, als ik u had laten overrompelen.”

Intusschen waren de sporen, door de vrijkompagnie achtergelaten, van tijd tot tijd minder zichtbaar geworden en eindelijk geheel verdwenen.

Op zekeren avond, terwijl de reizigers hun kamp onder een vervaarlijk overhangende rots hadden opgeslagen, die boven hun hoofd een soort van beschermend dak vormde, wees de haciendero don Martial in de verte op een witten damp, die zich vrij sterk tegen het donkere blauw des hemels afteekende.

»Het luchtazuur begint te verschieten,” zeide hij, »wij krijgen waarschijnlijk spoedig verandering van weer. Geve God dat hetgeen orkaan zij die ons bedreigt.”

De Tigrero schudde het hoofd.

»Neen,” zeide hij, »gij vergist u, uwe oogen zijn minder gewoon dan de mijne om den hemel te raadplegen; dat is daar ginds geen wolk.”

»Wat is het dan?”

»Rook van bisonsmest, door reizigers aangestoken; wij zijn dus niet zonder buren.”

»O!” riep de haciendero, »zouden wij onze vrienden dan weder op het spoor zijn, die wij reeds uit het oog hadden verloren?”

Don Martial bewaarde de stilte; hij bespiedde nauwkeurig de wolk, die als flauwe damp weldra in het blauw des hemels wegsmolt. Eindelijk antwoordde hij:

»Die rook voorspelt weinig goeds. Onze vrienden, zoo als gij ze noemt, zijn Franschen, met andere woorden geheel onbekend met de gewoonten der woestijn; als zij zoo dicht bij ons waren, zouden wij hen even gemakkelijk zien als deze rots hier; zij zouden dan niet één klein vuur hebben ontstoken, maar tien ja twintig groote vuren, wier vlammen en rook ons onmiddellijk hunne tegenwoordigheid hadden bewezen. Zij zijn zoo keurig niet op hunne brandstof, zij nemen hout, nat of droog is hun onverschillig, daar zij niet weten van hoeveel belang het is in de woestijn zijne tegenwoordigheid voor den vijand te verbergen.”

»Wat maakt gij daaruit op?”

»Daaruit maak ik op, dat de rook dien wij thans zien, afkomstig is van een vuur door Roodhuiden of ten minste door ervaren woudloopers gestookt die met de gebruiken der Indianen zeer goed bekend zijn. Dat blijkt aan alles; daar zijt gij zelf, ofschoon min of meer met de wildernis bekend, hebt gij het voor een wolk aangezien; ieder oppervlakkig beschouwer zou met u dezelfde fout begaan hebben, zoo fijn, zachtgolvend en doorzichtig als deze rook is en zoo weinig als hij verschilt van de gewone dampen die de zon onophoudelijk uit de aarde optrekt. De lieden die dit vuur ontstoken hebben, wie het ook zijn mogen, hebben niets bij geval gedaan maar alles berekend en alles voorzien, en ik zou mij zeer bedriegen als het geen vijanden zijn.”

»Hoe ver zijn zij van ons af, denkt gij?”

»Vier mijlen op zijn verst; maar wat zegt vier mijlen in de woestijn, waar men zoo gemakkelijk in eene rechte lijn overal heen kan.”

»Dus zoudt gij denken”.... riep de haciendero.

»Overweeg mijne woorden wel, don Sylva, en vooral bid ik u, geef er geen andere beteekenis aan dan die ik er mede bedoel. ’t Is eene ongehoorde bijzonderheid in de jaarboeken van del Norte, dat wij de woestijn bijna drie weken lang hebben doorkruist zonder door iets gestoord te worden; terwijl wij nu reeds sedert acht dagen op goed geluk rondzwerven om een spoor te zoeken dat wij onmogelijk schijnen te kunnen wedervinden.”

»’t Is waar.”

»Ik ben dus met mijne redeneering tot eene slotsom gekomen die ik meen dat ontegenzeggelijk is en zonder twijfel door u zal worden beaamd. Gij zult mij toestemmen dat de Franschen niet bij verkiezing de woestijn zijn ingetrokken, en er alleen toe overgegaan zijn om de Apachen te vervolgen, niet waar?”

»Ja.”

»Goed. Zij zullen haar dus in een rechte lijn doortrekken. Den tijd dien wij hadden, hadden zij ook; hun doel, hun belang noopte hen om geen tijd te verliezen, maar bij hun marsch de hoogst mogelijke snelheid in acht te nemen. Eene vervolging, dat weet gij zoo goed als ik, is als een wedren, een rid om het hardst, waarbij ieder de eerste tracht te zijn....”

»Gij veronderstelt dus....,” viel don Sylva hem in de rede.

»Ik veronderstel niet, ik ben ten volle overtuigd dat de Franschen zich reeds sedert lang niet meer in de woestijn bevinden, maar thans de vlakte van Apacheria doorkruisen; het vuur dat wij straks gezien hebben is er een afdoend bewijs van.”

»Hoedat?”

»Ik zal het u duidelijk maken: de Apachen hebben er het grootste belang bij om de Franschen van hunne jachtgronden te verwijderen. Geen raad wetende nu zij hen reeds daar zien, zijn zij zelven de woestijn weder ingetrokken en hebben waarschijnlijk daar dat vuur ontstoken, ten einde hen te misleiden en te verplichten er weder terug te komen.”

De haciendero stond een poos in gedachten. De redenen hem door don Martial gegeven kwamen hem zoo gegrond voor, dat hij niet wist waartoe te besluiten.

»Ter zake!” riep hij eenige oogenblikken later, »wat oordeelt gij zelf van dat alles?”

»Dat wij dwaas zouden doen,” antwoordde don Martial beslissend, »nog langer onzen tijd te verspillen, met hier te zoeken naar lieden die er niet meer te vinden zijn, en daarbij gevaar te loopen door een temporale overvallen te worden, een dier verschrikkelijke orkanen die in deze streek ieder oogenblik kunnen opkomen en alles wat er zich bevindt onder het zand begraven.”

»Dus wilt gij op uwe stappen terugkeeren?”

»Integendeel; ik wil vooruit en de woestijn recht doortrekken, om zoo spoedig mogelijk naar Apacheria te komen, waar ik zeker ben, dat ik weldra het spoor onzer vrienden ontdekken zal.”

»O! dat vind ik zeer goed; maar wij zijn immers hier nog al te ver van de prairie?”

»Niet zoo ver als gij denkt; doch voor het oogenblik zullen wij ons gesprek hierbij laten; ik wil op verkenning uit, dat vuur daar is mij een doorn in ’t oog, het wekt al mijne nieuwsgierigheid, ik moet het van nabij gaan onderzoeken.”

»Wees toch voorzichtig.”

»Het is immers om uw en ons aller behoud te doen,” hernam de Tigrero met een treurigen blik op doña Anita.

Hij stond op, zadelde zijn paard en na even te hebben rondgezien reed hij weg.

»Moedige ziel!” prevelde doña Anita terwijl zij hem in den avondnevel zag verdwijnen.

De haciendero zuchtte en liet het hoofd vol gedachten op de borst zakken. Don Martial verwijderde zich snel in het bleeke maanlicht, dat de eenzame woestijn overgoot met haar sidderend en fantastisch schijnsel. Telkens ontmoette hij kale en steile rotsen, die op haar voetstuk schenen te waggelen, als sombere en sluimerende schildwachts wier reusachtige schaduw zich ver over de grauwe zandvlakte uitbreidde; of nu en dan een ontzaglijken ahuehuelt [21], welks kale takken met zoogenaamd spaansche baard waren beladen, zeker dik mos dat er in lange en gepruikte trossen bij neerhing en bij het minste geblaas van den wind zich beweegt.

Na ongeveer een uur lang gereden te hebben, bracht de Tigrero zijn paard tot staan, steeg af en keek opmerkzaam rond.

Weldra had hij gevonden wat hij zocht; niet ver van hem af was een vrij diepe, hetzij door den wind of door den regen uitgeholde ravijn, waar hij zijn paard in liet afdalen; hij maakte het met de lasso stevig aan een groot steenblok vast, bond het de neusgaten dicht, opdat het niet zou brieschen, nam zijn geweer op schouder en verwijderde zich.

Van de plaats waar hij zich thans bevond was het vuur duidelijk zichtbaar en teekende de roode gloed zich scherp af in de duisternis.

Rondom het vuur zag hij een aantal gestalten onbeweeglijk nedergehurkt, die hij bij den eersten oogopslag reeds voor Indianen herkende.

De Tigrero had zich niet bedrogen, zijne ondervinding als jager was hem zeer goed te stade gekomen; het waren wel degelijk Roodhuiden die daar zoo dicht bij zijne karavaan in de woestijn gekampeerd lagen.

Doch wie waren deze Roodhuiden, waren het vrienden of vijanden? Ziedaar eene vraag die hij volstrekt wilde opgelost zien.

Het was geen gemakkelijke taak op zulk een effen en geheel open terrein hen ongemerkt te naderen, want de Indianen zijn als de wilde dieren, zij hebben het voorrecht van even scherp te zien, als te hooren en te ruiken: hunne glasachtige oogappels hebben het vermogen zich te verwijden als die van tijgers en, zoo kunnen zij hunne vijanden even goed zien in de dikste duisternis als in het meest verblindende zonlicht.

Intusschen gaf don Martial zijn plan niet op.

Niet ver van het kamp der Roodhuiden lag een groot blok graniet, aan welks voet drie of vier ahuehuelts waren opgeschoten, die door verloop van tijd hunne takken zoo dicht in elkander hadden gevlochten, dat zij op zekere hoogte aan den eenen kant van de rots een ondoordringbaar warbosch vormden.

De Mexicaan ging plat op den grond liggen en schoof zich met behulp van knieën en ellebogen, duim voor duim en streep voor streep, zachtkens vooruit naar de rots, daarbij behendig gebruik makende van de schaduw die de rots zelve en de daarnevenstaande boomen op een gedeelte van het terrein wierpen.