Part 22
»Ha!” riep hij op zijn knevel bijtende, »en waarom zijn zij oproerig, als ik verzoeken mag?”
»Omdat zij de woestijn niet in willen.”
»Willen zij niet,” herhaalde de graaf met nadruk op ieder syllabe, »weet gij wel zeker wat gij daar zegt, luitenant?”
»Ik zweer het u, kapitein, hoor maar hoe zij te werk gaan.”
Werkelijk hoorde men daar buiten vloeken, razen en tieren en werd het rumoer met ieder oogenblik sterker zoo dat het eindelijk hoogst bedenkelijk scheen.
»O ho! dat wordt dunkt mij ernstig,” hervatte don Gaëtan.
»Ernstiger dan gij denkt, kapitein; ik zweer u, de gansche kompagnie slaat aan ’t muiten, de rebellen hebben hunne geweren geladen, zij omsingelen het huis en doen niets dan schreeuwen en dreigen, zij zeggen dat zij u spreken willen en zweren dat zij goedschiks of kwaadschiks verkrijgen zullen wat zij verlangen.”
»Dat zou ik wel eens zien willen,” zei de graaf altoos bedaard terwijl hij reeds naar de deur trad.
»Blijf hier, kapitein!” riepen de officieren hem vooruitsnellend om hem tegen te houden; »de manschappen kennen zich zelven niet, het zou u een ongeluk kunnen kosten.”
»Loop heen, mijne heeren!” antwoordde hij, hen met een koelzinnigen wenk terugwijzend, »gij zijt dwaas: zij kennen mij nog niet, ik zal die bandieten toonen dat ik waard ben hen te kommandeeren.”
Zonder naar verdere afmaning te hooren, trad hij bedaard en met fermen tred de zaal door en naar buiten.
Wat er gebeurd was laten wij hier volgen.
De peons van Blas Vasquez hadden sedert de laatste dagen, terwijl zij met de kompagnie van don Gaëtan in de ruïnen bivakkeerden, aan de Franschen, niet zonder de noodige overdrijving, allerlei sombere en akelige historie’s nopens de woestijn del Norte verteld en over dit verwenscht gewest bijzonderheden aan ’t licht gebracht, die wel in staat waren om den stoutsten het haar te doen stoppelen. Ongelukkigerwijs kampeerde de kompagnie zoo als wij reeds gezegd hebben nauwelijks twee mijlen ver van de del Norte; zoo dat bij het maken van kleine uitstappen, de sombere aanblik der woestijn aan de akelige voorstelling die hun door de peons gegeven was niet weinig kracht bijzette.
Al de soldaten van den graaf de Lhorailles waren fransche Dauph’yeers, meerendeels lieden zonder eer of geweten, onverlaten door merg en been, maar dapper en, even als alle andere Franschen, gemakkelijk op te winden of op te ruien en even gereed ten kwade als ten goede. Sedert zij zich onder het kommando van den graaf de Lhorailles bevonden, had hij hen bij meer dan eene gelegenheid onversaagd tegen den vijand zien aanrukken, en toch gehoorzaamden zij hem niet dan met zekeren weerzin.
De graaf de Lhorailles bezat in hun oog groote gebreken: vooreerst dat hij graaf, ten tweede dat hij te beschaafd was, zijne stem was hun te zacht, zijne manieren waren te kiesch en te verwijfd; zij konden zich niet verbeelden dat zulk een fijn edelman, zoo keurig gekleed, gedast en gehandschoend in staat was hen groote dingen te doen uitrichten, zij hadden liever een kommandant gezien van krachtigen bouw, ruwe stem, en brutale manieren, met wien zij alzoo meer op zekeren voet van gelijkheid stonden.
Vroeg in den morgen was onder hen het gerucht verspreid, dat het kamp zou worden opgebroken en dat de kompagnie met allen spoed de woestijn zou intrekken om de Apachen te vervolgen.
Reeds dadelijk waren er samenscholingen gevormd, scherpe aanmerkingen gemaakt en de hoofden warm geworden; weldra begon de weêrstand zich in stilte te organiseeren, en toen de luitenant Diego Leon werkelijk order kwam brengen om het kamp op te breken werd hij met gelach, gefluit en spotternij ontvangen, men had hem zotte vragen gedaan en beschimpt, kortom hij zag zich eindelijk genoodzaakt voor de onlusten en opschudding te wijken en naar den kapitein terug te keeren, om van den verkeerden loop der zaken verslag te doen.
In zulke omstandigheden zijne kalmte of zelfbeheersching te verliezen of voor het oproer plaats te ruimen, is het grootste gebrek dat een officier bezitten kan: hij moet zich desnoods liever laten dooden dan een duim breed uit den weg te gaan.
Bij oproer voert de eerste inwilliging gereedelijk tot meerdere en dan moet onvermijdelijk het volgende gebeuren: dat de rebellen hun eigen sterkte beginnen op te nemen en tegelijkertijd hunne officieren gaan schatten; zij gevoelen welk een overwicht de brutale kracht hen voor het oogenblik reeds geeft en maken onmiddellijk misbruik van de zwakheid of werkeloosheid hunner chefs, niet om een eenvoudige wijziging ten gunste hunner grieven te bewerken maar veeleer om een radicale verandering te vorderen.
Dit was ook werkelijk hier het geval: nauwelijks had de luitenant zich verwijderd, of men beschouwde zijn vertrek reeds als een overwinning. De soldaten begonnen voort te redeneeren, onder opruiing, zoo als gewoonlijk, door diegenen onder hen, die het vlugste babbelen of het hardste schreeuwen konden; het was nu niet langer weigeren om de woestijn in te trekken, maar men zou andere officieren benoemen en dadelijk naar de kolonie terugkeeren; de geheele staf moest worden veranderd, en de officieren gekozen bij stemming, door de soldaten zelf, en vooral dezulken die bij hunne kameraden het meeste vertrouwen genoten, dat is, vaak de meest partijdige, waanwijze en verwardste stijfhoofden.
De gisting had thans haar hoogste punt bereikt: de soldaten zwaaiden woest met de wapens, en voeren uit in de grofste bedreigingen tegen den graaf en zijne luitenants.
Op eens ging de deur der Casa Grande open en de graaf trad naar buiten.
Hij was bleek maar kalm, en liet zijn vasten blik rondgaan over de muitende menigte, die om hem heen tierde en bulderde.
»De kapitein! daar is de kapitein!” riepen eenigen der soldaten.
»Laten wij hem een kop kleiner maken!” riepen anderen.
»Weg met hem! dood hem!” brulden sommigen.
Allen stormden met blanke wapens en onder het uitbraken van dreigementen en verwenschingen op hem af.
De graaf deinsde niet terug, integendeel deed hij een stap vooruit.
Hij had een fijne sigaar van maïsstroo in den mond en rookte met al de regelmatigheid van een saletjonker die gereed is zijn middagslaapje te doen.
Er is niets dat de oproerige massa meer ontzag inboezemt dan koelbloedigheid en moed zonder praalvertooning.
Er volgde een tempo in den opstand.
De muitende menigte kwam voor een oogenblik tot staan.
De kapitein en zijne soldaten beschouwden elkander als twee tijgers, die hunne wederzijdsche krachten meten, alvorens den sprong te wagen om elkander te verscheuren.
De graaf maakte zich het oogenblik der door hem te weeg gebrachte stilte ten nutte om het woord te nemen.
»Wat wilt gij?” vroeg hij met een kalme stem, terwijl hij bedaard de sigaar uit zijn mond nam, en met helderen blik het blauwe rookzuiltje volgde dat krullend omhoog steeg.
Bij deze vraag van hun kapitein was de eerste indruk der begoocheling gebroken; het geschreeuw en getier begon met verdubbelde woede, de muiters waren over zich zelven verontwaardigd dat zij zich een oogenblik door de ferme houding van den kapitein hadden laten beteugelen.
Allen spraken te gelijk; zij bestormden den graaf aan alle kanten, trokken hem links en rechts, om het eerst gehoor te krijgen.
Ingesloten, gedrongen, gesleurd door zoo vele kerels, die alle krijgstucht vergetende zich zeker waanden van straffeloosheid, in een land waar geen openbare gerechtigheid bestaat anders dan in naam, verloor de graaf nochtans zijne zelfstandigheid niet en bleef zijne koelbloedigheid zich volkomen gelijk.
Hij liet de soldaten eenige minuten met vlammende blikken en schuimende lippen naar hartelust schreeuwen en uitrazen; eerst toen hij dacht dat het lang genoeg had geduurd hervatte hij met een even kalme en bedaarde stem als den vorigen keer:
»Mijne vrienden, ’t is niet mogelijk om langer op deze wijs gesprek te voeren; ik begrijp geen woord van al wat gij zegt. Laat een uwer kameraden zich belasten met mij uit aller naam uwe grieven voor te stellen; en indien ik ze billijk en gegrond vind zal ik er recht op doen, weest daarvan verzekerd.”
Na deze woorden luid en krachtig te hebben uitgesproken, plaatste de graaf zich met den schouder tegen den deurpost geleund, kruiste de armen op de borst en begon weder rustig zijne sigaar te rooken, in schijn onverschillig voor al wat er omging.
De koelbloedigheid en fermiteit door den graaf de Lhorailles van het begin af aan den dag gelegd, had reeds goede vruchten gedragen; hij had een aantal harten onder zijne beste soldaten gewonnen; wel is waar durfden deze nog niet openlijk voor hun chef partij kiezen, maar ondersteunden toch met warmte het door hem gedane voorstel.
»De kapitein heeft gelijk,” zeiden zij; »als wij zoo voortgaan hem allen te gelijk een hoop zotteklap in de ooren te toeten, is het niet mogelijk dat hij er een woord van begrijpt.”
»Wat de kapitein eischt is niet meer dan billijk,” herhaalden anderen, »hoe kan hij ons recht doen als wij hem niet klaar en duidelijk uiteenzetten wat wij willen.”
Het oproer had dus een grooten stap achterwaarts gedaan, het sprak reeds niet meer van het afzetten der officieren, maar bepaalde zich met aan den kapitein om recht te vragen.
Eindelijk, na veel over en weder sprekens tusschen de muiters onderling, werd een van hen aangewezen om voor allen het woord te voeren.
Dit individu, kort en gezet van gestalte, vierkant van schouders, forsch gespierd van leden, met een schelmachtig gezicht, opgeluisterd door twee kleine grijze oogen, die fonkelden van list en kwaadaardigheid, kortom, een slecht sujet door en door, de type van een avonturier der laagste klasse bij wien alles zich oploste in moord en plundering.
Deze man, bekend onder den naam van Curtius, was Parijzenaar van geboorte, een gewezen straatjongen uit de voorstad Saint-Marceau. Oud soldaat, oud matroos, kende hij alle vakken, behalve misschien dat van eerlijk man. Sedert zijne komst in de kolonie had hij zich steeds onderscheiden door zijne oproerigheid, brutaalheid en vooral door zijne pochende grootspraak. Hij beroemde zich dat hij acht dooden schuldig was, met andere woorden, dat hij acht maal een manslag had begaan. Onwillekeurig waren zijne kameraden bang voor hem.
Toen zij hem hadden aangewezen om voor allen het woord te voeren, wierp hij met een vuiststoot zijn hoed op een oor en riep tegen zijne kameraden op schamperen toon:
»Gij zult eens zien hoe ik dat varken zal wasschen!” en hiermede stapte de ploert half dansend, half sluipend naar den kapitein, die hem zag naderen en in het oog hield met een onbeschrijfelijken glimlach op de lippen.
Plotseling was de woelige menigte doodstil geworden, alle harten klopten sterker, de aangezichten stonden angstig, ieder gevoelde werktuigelijk dat er iets buitengewoons en beslissends gebeuren zou.
Toen Curtius den kapitein tot op twee passen genaderd was, bleef hij staan en nam hij zijn kommandant op van het hoofd tot de voeten op een alleronbeschaamdste manier.
»Als ik het zeggen moet, kapitein,” begon hij, »is dit de zaak....”
De graaf liet hem den tijd niet om voort te gaan; maar trok op eens een pistool uit zijn gordel, en schoot er hem mede door het hoofd.
De bandiet rolde in het stof met een gebroken schedel.
De graaf stak zijn revolver weder weg en keek koelbloedig rond.
»Is er nog iemand die iets te zeggen heeft,” vroeg hij met eene ferme stem.
Geen van hen durfde bijna te ademen, de bandieten waren op eens lammeren geworden.
Zij bleven zwijgend staan voor hun chef als boetelingen voor hun meester; zij hadden hem begrepen.
De graaf meesmuilde minachtend.
»Neem dat kreng weg,” zeide hij terwijl hij met den voet tegen het lijk schopte, »wij zijn Dauph’yeers; wee! die de termen van ons contract durft schenden, ik dood hem als een hond; hangt dezen ellendeling op met de beenen aan een boom, dan mogen de gieren hem verslinden. Binnen tien minuten geef ik het sein om op te zitten, wee hem die niet gereed is!”
Na deze verpletterende toespraak ging de graaf weder in huis met denzelfden vasten tred als hij er uit was gekomen.
Het oproer was gestild, de woeste bandieten hadden den ijzeren klauw gevoeld die onder den fluweelen handschoen verborgen zat, thans waren zij voor altijd getemd en zouden zij zich laten dooden zonder een klacht te durven uiten.
»Het moet gezegd worden,” mompelden de soldaten onder elkander, »de kommandant is een ruwe gast, zijne oogen zullen niet licht overloopen.”
Ieder haastte zich nu om voor het vertrek gereed te zijn.
Tien minuten daarna, zoo als hij had aangekondigd, verscheen de kapitein weder; de kompagnie zat reeds in den zadel en stond in orde geschaard en gereed om op marsch te gaan.
De kapitein glimlachte en gaf order om te vertrekken.
»Hm!” bromde Cuchares in zich zelven, »’t is wel jammer dat don Martial zulke schoone diamanten heeft. Anders zou ik hem, na hetgeen ik hier gezien heb, gaarne zijn woord teruggeven.”
Weldra was de gansche vrijkompagnie, met den kapitein aan het hoofd, verdwenen in de stofwolken van de woestijn del Norte.
XXI.
DE BEKENTENIS.
De haciendero en zijne dochter hadden de kolonie verlaten onder eskorte van don Martial en de vier peons die laatstgenoemde in dienst had genomen.
De kleine troep reed westwaarts, in dezelfde richting als de vrijkompagnie van den graaf de Lhorailles, toen deze de Apachen op hun spoor ging vervolgen.
Don Sylva maakte des te meer spoed om bij de Franschen te komen, daar hij wist dat hun tocht geen ander doel had dan hem en zijne dochter uit de macht der Roodhuiden te verlossen.
De reis ging treurig en zwijgend. Naarmate de karavaan de woestijn naderde, kreeg het landschap allengs dat voorkomen van somberen ernst en eenzame grootheid, dat onwillekeurig op het gemoed van den reiziger werkt en hem in eene soort van neerslachtigheid dompelt daar hij zich niet boven weet te verheffen.
Geen lachende weiden of bebouwde akkers meer, geen pachthoeven, hutten of jacals, geen reizigers zelfs op den weg die u met toegenegen blik of vriendelijken groet in ’t voorbijgaan eene goede reis wenschten, maar integendeel een woest en oneffen terrein, afgebrokkelde rotsgronden, holle wegen, diepe donkere valleien, en ondoordringbare bosschen, met wilde dieren bevolkt, wier fonkelende blik u als een vurige kool van achter de dicht ineengestrengelde lianen of uit het warrige kreupelbosch en het hooge prairiegras tegenloert.
Van tijd tot tijd zagen de reizigers het breede spoor door de Franschen nagelaten, kenbaar aan de menigte paardenhoeven in het vochtige zand of in het plat getreden gras; maar dan veranderde het terrein plotseling van gedaante en ieder spoor was onherroepelijk verdwenen.
Iederen avond, nadat de Tigrero een mijl in het rond in de bosschen en struiken eene soort van klopjacht had gehouden om het verscheurende gedierte te verdrijven, werd het kamp hetzij op een heuvel of aan den oever eener beek opgeslagen, de vuren ontstoken, een hut van takken gebouwd om doña Anita tegen de nachtkoude te beschutten; en dan, na een sober avondmaal, wikkelde ieder zich in zijne fressada of zarape en sliep in tot den volgenden morgen.
Het eenige wat nu en dan in dit eentonige leven eenige afwisseling bracht, was het voorbijspringen van een eland of damhert, dat dan door don Martial en zijne vier peons in vliegenden galop werd vervolgd tot het arme dier, soms eerst na eene jacht van twee of drie uren, achterhaald en gedood werd.
Maar vroolijke gesprekken of vertrouwelijke mededeelingen die zoo geschikt zijn om eene verre en vervelende reis te bekorten, waren niet meer aan de orde.
De reizigers bewaarden jegens elkander een somber en achterhoudend stilzwijgen, dat niet slechts alle gemeenzaamheid maar zelfs alle vertrouwen den pas afsneed. Zij spraken niet tot elkander dan in geval van volstrekte noodzakelijkheid, en dan nog werden slechts eenige karige woorden gewisseld.
De reden hiervan was niet ver te zoeken, elk dezer drie personen had voor den anderen een geheim te bewaren dat hun zwaar op het hart woog en daar zij zich inwendig over schaamden.
De mensch is van nature een onvolmaakt en zondig schepsel, niet geheel en al slecht, en nog veel minder volkomen goed, maar eene wonderlijke mengeling van beiden; de verkeerde daden die hij onder den ijzeren dwang van hartstocht of van eigenbelang begaat, worden later, zoodra zijne drift bekoeld is en hij den afgrond ziet waarin zijne dwaasheid hem gestort heeft of dreigt te storten, eene bron van bitter berouw, vooral wanneer zijn leven, zonder daarom onberispelijk te zijn geweest, uit een oogpunt van gewone zedelijkheid zich tot hiertoe gelukkig voor grove misslagen heeft weten te bewaren.
Zoo was ongeveer, op dit oogenblik de toestand van don Martial en doña Anita. Beiden hadden zich, door wederkeerigen hartstocht verblind, tot een misslag laten vervoeren dien zij thans bitter betreurden; want om onze lezers aangaande het karakter dezer twee personen niet langer in ’t onzekere te laten, moeten wij hier zeggen, dat het hart dezer twee gelieven betrekkelijk goed was en dat zij op het oogenblik hunner dwaselijk beraamde en uitgevoerde vlucht geenszins de noodlottige gevolgen berekenden, die dit hopeloos bedrijf na zich zou slepen.
Don Martial inzonderheid, na de bevelen die hij aan Cuchares gegeven had en tegenover het hardnekkig besluit van don Sylva, om zich naar den graaf de Lhorailles te begeven, begreep duidelijk dat zijn toestand met ieder oogenblik hachelijker werd, en dat hij zich in eene engte had gedreven daar hij niet licht weder uit zou komen.
De beide gelieven, door het geheim hunner vlucht op eene zoo noodlottige wijs saamverbonden, bewaarden echter tegenover elkander een ander geheim, namelijk dat van spijt en berouw die hen inwendig folterden; zij gevoelden bij iederen stap dat de grond onder hunne voeten als ondermijnd was, en dat het oogenblik met rassche schreden naderde waarop de mijn zou moeten springen.
In zulk eenen toestand werd het leven ondragelijk, daar alle gemeenschap van gedachten en gevoelens tusschen de drie personen verbroken was. Dat het eindelijk tusschen hen tot eene botsing zou moeten komen was blijkbaar, maar de schok volgde wellicht spoediger dan een van hen verwachtte, en zulks door den loop der omstandigheden zelve, waarin zij zich zoo geweldig verwikkeld hadden. Na eene reis van omtrent veertien dagen, gedurende welke er met hen niets meldenswaardig gebeurd was, bereikten don Martial en zijn gezelschap, nu eens afgaande op de inlichtingen door hem op de hacienda bekomen, dan op het spoor zelf door den graaf en diens talrijke bende achtergelaten, eindelijk de beruchte bouwvallen in welks midden de Casa Grande van Montecuzoma zich verheft, aan de uiterste grens tusschen het bewoonbare land en de woestijn Del Norte.
Het was ongeveer zeven uren des avonds toen de kleine karavaan de ruïnen binnenreed; de zon, juist aan de kimmen weggezonken, verlichtte de aarde nog slechts door de snel afwisselende kleuren van het hemelsche prisma, waarin de laatste weerglans van hare stralen nog een poos blijft schitteren nadat de koningin des dags zelve reeds verdwenen is.
Terwijl zij op eenigen afstand achter elkander reden wierpen don Sylva en de Tigrero bespiedende blikken in het rond, en trokken niet dan met de meeste behoedzaamheid en met de hand aan den trekker van hun geweer, voort in dit verwarde doolhof van kreupelbosschen en puinhoopen, zoo gunstig voor de Indiaansche hinderlagen en waar zooveel gevaren zich konden verschuilen.
Eindelijk kwamen zij aan de Casa Grande, zonder dat zij iets buitengewoons hadden gezien.
De nacht was reeds bijna gedaald, en de voorwerpen begonnen in de schemering als weg te smelten. Don Martial, die zich gereed maakte om af te stijgen, bleef op eens staan en slaakte een kreet van verbazing, bijna van schrik.
»Wat is er?” vroeg don Sylva met drift, terwijl hij zich omkeerde en den Tigrero naderde.
»Zie eens,” antwoordde de laatste, met de hand naar een groep knoestige boomen wijzende, die eenige passen van hen af allerwonderlijkst tusschen de puinhoopen waren opgeschoten.
De menschelijke stem bezit een zonderbaar vermogen op de dieren, namelijk dat zij hun een onverwinnelijke vrees en ontzag inboezemt. De weinige woorden tusschen de beide mannen gewisseld, werden onmiddellijk beantwoord door zeven of acht wolkoppige arenden, die in hun maaltijd gestoord met wild en krassend geschreeuw opvlogen, en uit de zooeven genoemde boomgroep zich met zwaren wiekslag in de lucht verheffend, boven het hoofd der reizigers groote kringen beschreven en bleven rondgieren onder het aanhoudend getier hunner helsche muziek.
»Zie toch!” herhaalde don Martial.
»Maar ik zie volstrekt niets,” zei don Sylva; »het is daar zoo donker als de nacht.”
»Dat is waar; maar kijk eens scherp toe en let op het punt dat ik u aanwijs, dan zult gij weldra zien wat ik bedoel.”
Zonder te antwoorden deed de haciendero zijn paard eenige stappen voortgaan.
»Hu! Een man, aan de beenen opgehangen!” riep hij op een toon van schrik en afgrijzen, terwijl hij op eens staan bleef. »Wat is hier gebeurd?”
»Wie weet? Die man is geen Indiaan, zijne kleur en zijne kleeding laten daaromtrent geen twijfel over. Maar hij heeft zijn haar nog, hij is dus niet door de Apachen gedood; wat kan dat beteekenen?”
»Een oproer misschien,” opperde de haciendero.
Don Martial bedacht zich een poos; zijn wenkbrauwen trokken zich samen.
»Dat is niet mogelijk!” prevelde hij half in zich zelven.
Een oogenblik later hervatte hij:
»Laten wij eerst in huis gaan, en doña Anita niet langer alleen laten; ons achterblijven zal haar reeds verwonderen en als het langer duurt zal zij er zich over verontrusten. Zoodra het kamp gereed is ga ik die zaak eens nader onderzoeken, en ik zou mij zeer vergissen als ik het noodlottige raadsel niet oplos dat zich hier aan ons zoo wonderlijk voordoet.”
De beide mannen reden weêr voort en kwamen weldra bij doña Anita, die eenige passen verder onder bescherming der peons op hen wachtte.
Nadat de reizigers afgestegen en de Casa Grande waren binnengetreden, ontstak don Martial eenige fakkels van ocote-hout om in de duisternis licht te maken en bracht toen zijne gezellen naar de groote zaal, waar wij onze lezers reeds eenmaal hebben binnengeleid.
Ook de Tigrero had meermalen deze ruïnen bezocht; gedurende zijne langdurige jachten in de prairie hadden zij hem vaak tot verblijf gestrekt; hij was dus met de plaatselijke gelegenheid zeer goed bekend. Daarom had hij er zoo sterk op aangedrongen dat de karavaan den weg naar de Casa Grande zou nemen, wel overtuigd dat de graaf de Lhorailles aldaar voor zich en zijne kompagnie een gemakkelijk en veilig bivak zou hebben gezocht.
De groote zaal, in wier midden een tafel stond, droeg de duidelijke sporen dat er nog kort geleden een aantal personen waren geweest en er tamelijk lang verblijf hadden gehouden.
»Gij ziet wel dat ik mij niet bedrogen heb,” zei don Martial tegen den haciendero; »de lieden die ons zoeken hebben zich hier opgehouden.”
»Dat is zoo; en denkt gij dat zij reeds lang vertrokken zijn.”
»Dat zou ik nog niet durven zeggen, maar terwijl gij bezig zijt u hier te vestigen en het avondmaal wordt gereed gemaakt, zal ik daar buiten den boel eens opnemen; zoodra ik terugkom hoop ik het genoegen te hebben uwe nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen.”
En met deze woorden stak hij de toorts, die hij in zijne hand had, in een kram aan den muur en ging het huis uit.
Doña Anita had reeds plaats genomen op een toevallig aanwezige ruw houten tabouret, en zat bij de tafel diep in gedachten verzonken.