De graaf de Lhorailles

Part 21

Chapter 214,006 wordsPublic domain

»Maak u niet ongerust, doña Anita, ik ben te lang woudlooper geweest om mij door zulk een grove list te laten beet nemen; tot flusjes! ik kom dadelijk weêr bij u.”

Zonder verder naar het meisje te luisteren, dat hem met tranen en beden zocht te weêrhouden, liep hij snel ofschoon behoedzaam den heuvel af.

In de vlakte komende bleef hij staan, om te zien waar hij was en wat hij verder doen moest.

Zijn kamp lag op twee pijlschoten afstands van de Rio Gila bijna recht tegenover een groot eiland, dat inderdaad uit eene enkele rots bestaat, die ongeveer de gedaante van een mensch heeft en bijgevolg door de Apachen de Meester des levens van den mensch is genoemd.

Bij hunne invallen op Mexicaansch grondgebied zullen de Roodhuiden nooit verzuimen dit eiland te bezoeken om er hunne offeranden te brengen, eene ceremonie die hoofdzakelijk bestaat in dansen en daarbij in het water werpen van tabak, dieren- of menschenhaar en vederen van vogels.

De bovengenoemde rots, die er in de verte zeer wonderlijk en ontzagwekkend uitziet, is met twee holen doorboord, elk van twaalf honderd schreden lang en veertig breed, en de kruin heeft den vorm van een boog.

Wat de opmerkzaamheid van den Tigrero bijzonder getroffen en hem terstond had doen besluiten het vermeende signaal nader te gaan onderzoeken, was dat het van dit eiland was uitgegaan, een ongewoon verschijnsel, des te meer daar hij wist dat de Indianen voor dit eiland eene bijgeloovige vrees koesteren, zoodat geen Roodhuid hoe dapper hij ook wezen mocht gewaagd zou hebben er den nacht door te brengen. Zijne bekendheid met die vrees had hem terstond bewogen om het geheimzinnig signaal nader te onderzoeken.

Er groeide hoog en dicht gras tot aan den rand der rivier. Daar komende onder bedekking van dichte tot een ondoordringbaar warnet in elkander gegroeide wortelboomen en waterwilgen, sloop de Tigrero behoedzaam naar den vrij steilen oever, en toen hij dezen bereikt had, greep hij een overhangenden tak en liet zich in het water zakken, zoodat zijne indompeling geen het minste geplas maakte.

Toen zijn geweer met de eene hand boven water houdende, om het voor nat worden te bewaren, zwom hij met de andere hand de rivier over naar het eiland.

De afstand was kort, de Tigrero was een goed zwemmer, weldra bereikte hij het punt waar hij wilde aanlanden.

Nauwelijks was hij aan wal of hij ging op zijn buik liggen en kroop door de struiken, zorgvuldig achtgevend op het minste geluid en zoo scherp mogelijk rondziende in de duisternis.

Hij zag of hoorde niets; nu stond hij op en liep naar een der holen en grotten, aan welks ingang hij het schijnsel van een vuur zag blinken. Bij dat vuur zat een man, met het hoofd op de beide handpalmen geleund, zoo rustig te rooken alsof hij in een pulqueria te Guaymas gezeten was.

Na dezen man eene minuut lang te hebben bespied, kon hij nauwelijks een vroolijken uitroep bedwingen en trad hij zonder zich langer te verbergen regelrecht naar hem toe.

Hij had zijn ouden vertrouweling, Cuchares den lepero herkend.

Het gedruisch der voetstappen van den Tigrero deed Cuchares opkijken.

»Wel, wel! komt gij eindelijk, don Martial!” riep hij, »ik heb mij een uur lang vermoeid met alle seinen te geven die ik bedenken kon, zonder dat gij u verwaardigd hebt mij te antwoorden.”

»Ja, mijn waarde,” zei de Tigrero vroolijk, »als ik had kunnen vermoeden dat gij het waart, zou ik reeds lang hier zijn geweest; maar ik was zoo ver van u te verwachten.”

»Wel ingezien hebt gij gelijk, en in eene streek als hier kan men niet te voorzichtig zijn.”

»Maar zeg mij, is er wat nieuws?” hervatte de Tigrero terwijl hij dicht bij het vuur plaats nam, om zijne druipnatte kleeren te drogen.

»Caspita! of er wat nieuws is! anders zaagt gij mij zeker niet hier.”

»Dat’s waar; gij zijt een goede kameraad, ik dank u dat gij gekomen zijt; gij weet wel dat ik goed onthouden kan?”

»Dat weet ik.”

»Ter zake, zeg mij wat hebt gij mij mede te deelen; ik heb haast om uw nieuws te hooren, en vooraf nog eene vraag.”

»Welke?”

»Is het goed?”

»Onverbeterlijk; gij zult het zelf kunnen beoordeelen.”

»Carai! als dat zoo is, neem dan dezen ring, dien ik niet verplicht was u te geven voordat onze zaken geheel waren afgedaan; maar wees verzekerd, als wij onze rekening sluiten, zal ik nog wel iets vinden dat u bevallen zal.”

De oogen van den lepero schitterden van blijdschap en begeerigheid; hij nam den ring en borg hem bij den anderen dien hij eenige dagen te voren ontvangen had.

»Ik dank u,” zeide hij, »Vive Dios! Het is een pleizier om zaken met u te doen: gij knibbelt ten minste niet.”

»Thans uw nieuws.”

»Hier is het, kort, maar goed. El señor conde, radeloos over het verdwijnen zijner bruid, die hij meent dat door de Apachen is opgelicht, heeft zich aan ’t hoofd zijner kompagnie gesteld, is van de hacienda vertrokken en doorkruist thans de prairie in alle richtingen om den Zwarte-Beer na te zetten.”

»Carai! dat is de gelukkigste tijding die gij mij ooit brengen kondt. En wat denkt gij nu te doen?”

»Wel, wij zijn immers afgesproken dat el conde....”

»Zonder twijfel!” viel de Tigrero hem in de rede; »maar dan moeten wij hem eerst aantreffen, hetgeen naar ik meen thans niet gemakkelijk gaan zal.”

»Integendeel.”

»Hoe dan?”

»Wel, señor don Martial, zoudt gij mij nu de oneer willen aandoen van te zeggen dat ik een pavo—een kalkoen—ben.”

»Wel neen, compadre, maar....”

»Maar gij denkt het toch; dan moet ik u tot mijn genoegen zeggen dat gij u bedriegt; gedurende de weinige oogenblikken die ik in de hacienda was, heb ik zooveel mogelijk navraag gedaan en mij goed laten inlichten, en daar ik mij in mijn geleende kwaliteit als boodschapper aanmeldde, heeft niemand eenig bezwaar gemaakt mij te antwoorden. Het schijnt dat de Apachen in plaats van veld te winnen, door de Franschen, daar zij in parenthesis den schrik van hebben gezet, zoo dapper zijn afgeslagen dat zij zich naar de woestijn del Norte hebben teruggetrokken, om hunne dorpen te bereiken; el conde zet hen na, niet waar?”

»Ja, dat hebt gij mij gezegd.”

»Welnu, naar alle waarschijnlijkheid zal hij zich niet in die woestijn durven wagen.”

»Natuurlijk niet,” riep de Tigrero huiverend, »hoe dapper hij ook wezen mag.”

»Zeer goed! en dan kan hij slechts op één punt post vatten.”

»Aan de Casa Grande!” riep don Martial schielijk.

»Juist! Ik ben dus zeker dat ik hem daar ontmoeten zal.”

»Slapperment! dan moet gij daar dadelijk heen.”

»Ik ga op weg zoodra gij vertrokken zijt.”

De Tigrero staarde hem met zekere verbazing aan.

»Diablo! Cuchares,” riep hij een oogenblik later, »gij zijt een kordaat man, ik acht mij gelukkig dat ik mij in u niet bedrogen heb.”

»Wat belieft u,” antwoordde de schelm zedig terwijl hij met zijne grijze oogen kwaadaardig knipte, »de betrekkingen die ik met u heb aangegaan zijn zoo aangenaam dat ik de macht niet heb u iets te weigeren.”

Beiden schoten in een lach over dezen tamelijk dubbelzinnigen kwinkslag.

»Welnu, daar alles tusschen ons is afgesproken,” hervatte don Martial, »kunnen wij scheiden.”

»Hoe zijt gij hier gekomen?” vroeg de lepero.

»Dat kunt gij dunkt mij wel zien, al zwemmende.... En gij?”

»Op mijn paard. Ik zou u wel aanbieden u weder aan wal te brengen, maar wij moeten elk een anderen kant uit.”

»Voor het oogenblik nog niet.”

»Denkt gij dan spoedig naar ginds te gaan?”

»Waarschijnlijk,” riep hij met een dubbelzinnigen glimlach.

»O! dan zullen wij elkander spoedig weêrzien.”

»Ik hoop ja.”

»Hoor eens, don Martial, daar ik zie dat uwe kleederen volkomen droog zijn, zou het mij spijten als gij u voor de tweede maal moest nat maken, ik geloof dat er eene prauw in de nabijheid is; gij weet dat de Indianen die overal gereed hebben en ergens verbergen.”

De Tigrero trad de grot in, keek rond en zag werkelijk een prauw, ordelijk met de daarbij behoorende pagaaien tegen den wand geplaatst; hij nam haar onbeschroomd op, en droeg haar op zijne schouders naar den rivierkant.

»Maar eer wij verder gaan, zeg eens, waarom hebt gij deze plaats gekozen om bij mij te komen?”

»Om niet gestoord te worden; of zou het u bevallen zijn, dat iemand ons gesprek had beluisterd!”

»Neen, dat stem ik u toe. Kom, tot weêrziens dan.”

»Tot weêrziens!”

De twee mannen scheidden, Cuchares om een verren tocht te beginnen, en don Martial om naar zijn kampement terug te keeren.

Zij hadden zich intusschen bedrogen, toen zij meenden door niemand beluisterd te worden.

Nauwelijks hadden zij het eiland verlaten en zich in verschillende richting verwijderd, of er stak uit eene dichte massa dahlia’s en floripondio’s aan den ingang der grot een leelijk hoofd op, dat omzichtig links en rechts rondkeek; vervolgens, een oogenblik later, werden de takken meer en meer uit elkander geduwd en volgde op het hoofd het geheele lichaam, en weldra trad een Apache-Indiaan, als oorlogsman beschilderd en gewapend te voorschijn.

Die Indiaan was de Zwarte-Beer.

»Ooah!” mompelde hij met een dreigend gebaar, »de bleekgezichten zijn honden, de Apachen-krijgslieden zullen hen op den voet volgen.”

Nadat hij nog een poosje den helderen sterrenhemel had aangekeken ging hij de grot in.

Intusschen had de Tigrero zijn kamp weder bereikt.

Doña Anita, ongerust over zijn lang uitblijven, wachtte hem met angstige bezorgdheid.

»Wel?” vroeg zij, hem te gemoet snellende, zoodra zij hem zag aankomen.

»Goed nieuws,” antwoordde hij.

»O, wat heb ik in angst gezeten.”

»Ik zeg u dank, het is juist gegaan zoo als ik verwacht had; het signaal was werkelijk voor mij.”

»Dat....”

»Ik heb een vriend ontmoet die mij de middelen heeft verschaft om uit de valsche stelling te geraken waarin wij ons bevinden.”

»Op welke wijs?”

»Verontrust u over niets, zeg ik u en laat mij begaan.”

Het meisje gehoorzaamde stilzwijgend en ondanks hare nieuwsgierigheid, verwijderde zij zich in de jacal,—eene hut van samengevlochten takken—die voor haar was gereed gemaakt, zonder don Martial verder te vragen wat er van was.

In plaats van te slapen vlijde de Tigrero zich onder een boom neer, kruiste de armen op de borst en bleef onbeweeglijk zitten, in sombere gepeinzen verzonken tot de dag aankwam.

Met het opgaan der zon stond hij op, stapte eenige malen op en neder om de stramme vadsigheid van den nacht te verdrijven en riep zijne kameraden.

Tien minuten later hervatte de kleine troep weder den marsch.

»O ho! don Martial, wat zijt gij er vroeg bij, dezen morgen,” riep de haciendero.

»Hebt gij dan niet opgemerkt dat wij vooraf niet ontbeten hebben, zoo als wij anders alle dagen deden?”

»Caramba, neen!”

»Weet gij waarom? ’t Is omdat wij heden te Guetzalli zullen ontbijten, daar wij over twee uren aankomen.”

»Ah! te weerga!” riep de haciendero, »dat hoor ik met bijzonder genoegen.”

»Niet waar?”

»Ik verzeker u van ja.”

Doña Anita had toen zij dit gesprek hoorde don Martial een ongerusten blik toegeworpen, maar zijn gelaat stond zoo kalm en hij glimlachte zoo vroolijk, dat zij onmiddellijk tot bedaren kwam, wel vermoedende dat de stilzwijgendheid van den Tigrero te haren opzichte haar eene aangename verrassing wilde bereiden.

Zooals don Martial gezegd had, kwam de karavaan twee uren later werkelijk aan de kolonie.

Nauwelijks waren zij door de schildwachts herkend, of de valbrug aan de landengte werd neergelaten en zij reden de hacienda binnen, waar zij met al de vereischte eerbewijzen ontvangen werden.

Doña Anita, die geen oog van den Tigrero af had, werd beurtelings bleek en rood, daar zij zijne volkomen bedaardheid volstrekt niet begreep.

Zij stapten af op de tweede binnenplaats, voor de groote deur.

»Waar is toch de graaf de Lhorailles?” vroeg don Sylva, ten hoogste verwonderd dat hij zijn aanstaanden schoonzoon niet zag verschijnen om hem naar behooren te ontvangen.

»Mijnheer de graaf zal wanhopig zijn als hij hoort dat gij zijt teruggekomen terwijl hij afwezig is,” antwoordde de majordomo met een stroom van verontschuldigingen.

»Is hij dan van huis?”

»Ja, señoria.”

»Maar komt hij spoedig terug?”

»Dat denk ik niet; de kapitein is vertrokken aan het hoofd van zijne gansche compagnie, om de Roodhuiden te vervolgen.”

Dat bericht klonk don Sylva als een donderslag.

De Tigrero en doña Anita wisselden een blik van genoegen.

XX.

IN DEN ZADEL.

De groote zandwoestijn del Norte is de Sahara van Amerika, misschien minder uitgestrekt, maar veel doodscher en akeliger dan die van Afrika.

Daar vindt men nog lachende oasen, door prachtige boomgroepen overschaduwd en door koele bronnen verfrischt. Maar in del Norte niets van dat alles. Onder een hemel als van geel koper strekken zich onmetelijke vlakten uit van vaalgrijs zand, van horizont tot horizont, in iedere richting zand, niets dan zand; een fijn ontastbaar zand of veeleer fijn stof, dat de wind in groote wolken opjaagt, verplaatst en er mede voortwervelt, zoodat de gedaante der woestijn gedurig verandert en telkens nieuwe valleien gegraven en nieuwe heuvels worden opgehoopt, zoo vaak de ontzaglijke cordonazo er den mullen grond omwoelt.

Grauwe rotsen, met een schraal en verschroeid mos bedekt, steken hier en daar de kale kruinen omhoog te midden van dezen chaos, die sinds het uur der schepping nog niet van gedaante veranderd is.

De bison, de asshata, de snelle antilope ontvluchten deze woestijn, waar de mulle bodem hunne pooten weigert te dragen; de gieren alleen, met hun bloedig en loerend oog, vliegen bij troepen in dit onherbergzaam gewest om er een zeldzamen maar zekeren buit te zoeken; want deze woestenij is zoo vreeselijk, dat de Indianen zelven er zich niet dan sidderend in wagen en haar zoo snel mogelijk doortrekken, wanneer zij naar hunne dorpen terug moeten na eenen rooftocht op Mexicaansch grondgebied; maar ondanks hunnen ongelooflijk snellen loop teekent zich hun spoor in eene onuitwischbare reeks van geraamten van muildieren en paarden, die zij bij gebrek aan voedsel verplicht zijn aan hun lot over te laten, en wier gebeente op den naakten bodem ligt te verbleeken en te verkalken, tot de van nieuws ontboeide storm het als met een doodskleed van zand bedekt.

En toch, als had de hand des Scheppers, gelijk overal, ook in de dorre woestijn hare zorgende almacht willen ten toon spreiden, ziet men, bij zeer groote tusschenruimten,—o wonderbare verschijning! half in het zand begraven, te midden der ordeloos daarheen geworpen rotsen, een krachtigen boom oprijzen, met vervaarlijk dikken stam, die wellicht den storm van 10 à 20 eeuwen heeft getrotseerd en wiens dicht gebladerte den matten reiziger onder zijne schaduw eenige rust schijnt te willen bieden.

Zulke boomen echter verlevendigen de doodelijke vlakte niet dan mijlen ver van elkander, en nooit of althans zeer zelden zal men er twee op dezelfde plaats bijeen vinden.

Deze patriarchen der woestijn, eerwaardig door ouderdom en majestueuze eenzaamheid, worden door de jagers en woudloopers op hoogen prijs gesteld, en door de Indianen schier afgodisch vereerd.

Doch wij herhalen het, behalve deze weinige mijlpalen, als onmerkbare stippen in de onmetelijke ruimte verloren, ziet men geen planten noch dieren in de gansche del Norte, niets dan zand, altoos zand.

De Casa Grande van Montecuzoma, waar in dezen oogenblik de vrijcompagnie van den graaf de Lhorailles gekantonneerd lag, verhief zich, en verheft zich waarschijnlijk thans nog, aan de uiterste grens der prairie, hoogstens twee mijlen van de zandwoestijn.

De lijn van afscheiding tusschen deze twee gewesten is scherp en stout afgeteekend.

Aan de eene zijde eene weelderig rijke en door overvloed van sap en groeikracht gekenmerkte plantenwereld; vroolijk groenende vlakten, bedekt met hoog en dicht gras, waarop dieren van allerlei soort weide en voedsel vinden; het zingen der vogels, het geschuifel der slangen, het loeien der bisons, het gonzen van duizende insekten, in een woord, het groote, krachtige, bovenal lustig werkzame leven dat door al de poriën dezer gezegende natuur heendringt en ademt.

Aan de andere zijde eene eeuwige stilte des doods, een grauwe horizont, een oceaan van zand, welks onrustige golven van alle kanten voortdringen om de prairie te veroveren; maar geen struik of grashalm hoe gering ook, geen wortel, geen mos, niets dan stuivend zand!

In de Casa Grande, na zijn gesprek met Cuchares, had de graaf zijne officieren teruggeroepen, en zich weder met hen vereenigd in vroolijk gezwets, gedrink en gelach.

Eerst laat in den nacht stond men van tafel op om zich ter rust te begeven.

Cuchares alleen sliep niet, hij lag te denken. Wij weten reeds, nagenoeg althans, met welk doel hij den graaf in de Casa Grande was komen bezoeken.

Met zonsopgang klonk de trompet voor de morgenwaak.

De soldaten rezen op van den bedauwden grond, waar zij geslapen hadden, rekten hunne stramme leden en haastten zich om de nachtkoude te verdrijven, door het verzorgen der paarden en het maken der noodige toebereidselen voor den ochtendmaaltijd.

Binnen weinige minuten had het kamp dien levendigen en vroolijken toon aangenomen, die alle soldaten en inzonderheid de Fransche kenmerkt wanneer zij te velde zijn getrokken.

In de ruime zaal der Casa Grande zaten de graaf en zijne luitenants op uitgedroogde bisonsschedels en hielden samen raad; de beraadslaging werd bijzonder levendig.

»Binnen een uur,” zei de graaf, »gaan wij weder op marsch, wij hebben twintig muildieren beladen met levensmiddelen, tien met drinkwater, en acht met oorlogsbehoeften; derhalve hebben wij niets te vreezen.”

»Dat is in zooverre waar, señor conde,” merkte de capataz aan, »maar....”

»Wat bedoelt gij daarmede?”

»Wij hebben geen gidsen.”

»Wat zouden wij met gidsen doen?” riep de graaf driftig, »wij behoeven het spoor der Apachen slechts te volgen, dat is dunkt mij voldoende.”

Blas Vasquez schudde het hoofd.

»Gij kent de del Norte niet, señoria,” sprak hij ronduit.

»Dat doe ik ook niet; het is de eerste maal dat de omstandigheden er mij heen voeren.”

»Gij moogt den hemel bidden dat het niet tevens de laatste zij.”

»Wat zegt gij daar?” riep de graaf inwendig huiverend.

»Heer graaf, de del Norte is geen wildernis maar een draaikolk van wielend zand; de minste windvlaag in deze doodsche vlakte jaagt het zand in wolken omhoog en verzwelgt menschen en paarden, zonder een spoor van hen over te laten; alles verdwijnt er en wordt voor eeuwig als onder een doodkleed van zand begraven.”

»Wel, wel!” riep de graaf nadenkend.

»Geloof mij, heer graaf,” vervolgde de capataz, »ik raad u stellig af u met uw dappere kompagnie in die onverbiddelijke woestijn te wagen; niemand van u zou er weder uitkomen.”

»Ondertusschen, de Apachen zijn ook menschen; zij zijn immers niets dapperder, noch beter gewapend dan wij?”

»Dat geef ik toe.”

»Welnu, en die trekken de del Norte wel door, van het noorden naar het zuiden en van het oosten naar het westen, en dat niet eens in het jaar maar tienmaal, ja zoo dikwijls het hun in den zin komt.”

»Weet gij tot welken prijs dit geschiedt, heer graaf? hebt gij de lijken geteld die zij langs den weg achterlaten, als treurige merkteekens waar zij geweest zijn? En buitendien, gij kunt u niet met de Roodhuiden gelijk stellen, voor wie de woestijn geene geheimen meer heeft, zij kennen haar in volle lengte en breedte.”

»Dus beweert gij,” riep de graaf ongeduldig, »dat....”

»Dat de Apachen door u herwaarts te lokken en door u twee dagen geleden aan te vallen, u een strik zoeken te spannen; zij willen u verleiden om hen in de woestijn te volgen, wel verzekerd niet alleen dat gij hen nooit zult inhalen, maar dat gij en al uw volk er uw gebeente zult laten.”

»Gij zult mij intusschen moeten toestemmen, mijn waarde don Blas, dat het al zeer vreemd zou zijn, als er van al uwe peons geen enkele te vinden was die ons door de woestijn den weg kan wijzen. Wat duivel! het zijn toch Mexicanen.”

»Ja señoria, maar ik heb naar ik meen reeds meermalen de eer gehad u te doen opmerken, dat al deze lieden costenos, dat wil zeggen kustbewoners zijn, die vroeger nooit zoo diep in het binnenland zijn gedrongen.”

»Wat moeten wij dan doen?” riep de graaf weifelend.

»Naar de kolonie terugkeeren,” hernam de capataz; »ik zie er niets anders op.”

»En don Sylva dan en doña Anita, moeten wij die maar laten varen?”

Blas Vasquez fronste de wenkbrauwen, zijn gelaat betrok zichtbaar, terwijl hij met een bewogen stem en op ernstigen toon antwoordde:

»Señoria, ik ben op het erf van de familie de Torres geboren, niemand kan sterker met lijf en ziel aan de beide door u genoemde personen verknocht zijn, dan ik. Maar niemand is tot het onmogelijke verplicht. De woestijn in te trekken, onder zulke omstandigheden als waarin wij ons bevinden, zou zijn God te verzoeken; wij mogen op geen wonderen rekenen en een wonderwerk alleen zou ons kunnen redden.”

Er volgde een poos stilte, de woorden van den eerlijken capataz hadden op den graaf een indruk gemaakt, dien hij te vergeefs zocht meester te worden.

De lepero bemerkte zijne aarzeling en trad terstond naderbij.

»Waarom,” vroeg hij op fleemenden toon, »hebt gij mij niet gezegd dat gij een gids noodig hadt, señor conde?”

»Waarom zou ik u dat gezegd hebben?”

»’t Is waar ook, het was eigenlijk niet noodig, daar ik mij reeds als gids verbonden had om u naar don Sylva te geleiden, dat waart gij zeker vergeten.”

»Weet gij dan den weg?”

»Ja! ten minste zoo goed als iemand hem kennen kan die hem slechts tweemaal gegaan is.”

»Vive Dios!” riep de graaf, »dan kunnen wij voorwaarts en er is geen reden meer om ons langer op te houden.”

»Diego Leon, laat onmiddellijk in den zadel blazen, en gij, mijn brave kameraad, wees onze gids, gij zult ondervinden dat ik niet ondankbaar ben.”

»O, Señor conde, gij kunt u gerust op mij verlaten,” antwoordde de lepero met een dubbelzinnigen lach, »ik verzeker u dat ik u brengen zal waar gij wezen moet.”

»Dat is al wat ik van u verlang.”

Blas Vasquez, met het gewone instinkt van wantrouwen dat alle eerlijke zielen is aangeboren en terstond spreekt wanneer zij met slechte karakters in aanraking komen, gevoelde voor den lepero onwillekeurig een onverwinnelijken afkeer. Deze afkeer bezielde hem reeds van het eerste oogenblik dat Cuchares den vorigen avond in de zaal verscheen. Hij hield hem dus scherp in ’t oog terwijl hij met den graaf de Lhorailles sprak, en zoodra de lepero zweeg gaf hij den graaf een wenk. Deze kwam ongemerkt naar hem toe.

De capataz ging met hem naar een afgelegen hoek der zaal en fluisterde hem in ’t oor:

»Wees op uwe hoede, kapitein, die kerel bedriegt u.”

»Weet gij dat zeker?”

»Neen, maar ik ben er van overtuigd.”

»Hoe dat?”

»Eene inwendige stem zegt het mij.”

»Hebt gij er het bewijs voor?”

»Geen het minste.”

»Loop heen dan, gij zijt dwaas, de vrees benevelt uw verstand.”

»De hemel geve dat ik mij niet bedrieg!”

»Hoor eens, vriend, gij zijt niet verplicht ons te volgen. Blijf hier gerust op ons wachten, dan kunt gij de gevaren ontgaan die gij meent dat ons bedreigen.”

De capataz richtte zich fier op in zijne volle lengte, en zei met een blik vol majesteit maar zoo koel en bedaard mogelijk:

»Het is genoeg, don Gaëtan. Ik heb het mijne gedaan door u te waarschuwen zooals mijn geweten dat gebood. Gij wilt mijn raad niet aannemen, dat staat u vrij, ik heb mijn plicht naar behooren gedaan. Gij wilt voorwaarts trekken; ik zal u volgen en hoop u weldra te bewijzen, dat terwijl ik voorzichtig was, ik tevens wanneer het wezen moet zoo dapper ben als de dapperste.”

»Ik zeg u dank,” antwoordde de graaf, hem met warmte de hand drukkende, »ik dacht wel dat gij mij niet verlaten zoudt.”

Op dit oogenblik verhief zich buiten de zaal een geweldig leven, en stormde de luitenant Diego Leon driftig de zaal binnen.

»Wat is dat, luitenant?” vroeg hem de graaf gestreng, »hoe zijt gij zoo verschrikt en waarom komt gij zoo onstuimig binnen?”

»Kapitein,” antwoordde de luitenant met eene hijgende stem, »de kompagnie is in opstand.”

»Wat! wat zegt gij daar, luitenant, zijn mijne ruiters oproerig?”

»Ja, kapitein.”