De graaf de Lhorailles

Part 20

Chapter 204,040 wordsPublic domain

De sterren begonnen aan den hemel allengs te verbleeken, een opalen lichtstreep teekende zich flauw aan den horizont; de logge alligators woelden zich los uit de modder en gingen uit om hun morgenmaal te zoeken; de uil in de boomen aan den rivierkant verscholen, begroette de naderende komst van de zon; de coyotes zwierven in schichtige troepen aan den zandigen oever en verhieven nu en dan hun heesch gekef; de wilde dieren keerden naar hunne holen terug, met haastigen stap, ofschoon na hun gewone maal bezwaard door den slaap; de dag zou weldra aanbreken. Doña Anita neigde behaagziek het hoofd aan den schouder van don Martial.

»Waar gaan wij zoo heen?” vroeg zij met eene zachte stem en op een toon van gedweeheid.

»Wij vluchten,” antwoordde hij lakonisch.

»Wij zijn nu reeds zes uren lang de rivier afgevaren, gedragen door den stroom en gestuurd door uwe vier krachtig gehanteerde pagaaien; zijn wij nu nog niet buiten het bereik?”

»Ja, sinds lang reeds; maar het is de vrees voor de Franschen niet die mij dit oogenblik drijft.”

»Wat is het dan?”

De Tigrero wees haar met een veelbeduidenden wenk op don Sylva, die na uitputting van toorn en kracht, eindelijk stilzwijgend zijn onvermogen erkend had en geëindigd was met op den bodem der prauw in te slapen.

»Helaas!” zeide zij, »gij hebt gelijk, dat kan zoo niet blijven, die toestand is onverdragelijk.”

»Zoo gij mij naar eigen goedvinden laat begaan, zal uw vader mij eer wij een kwartieruurs verder zijn nog bedanken.”

»Gij weet immers dat ik mij geheel op u verlaat?”

»Dank u,” zeide hij, en zich tot Cuchares wendende, fluisterde hij hem eenige woorden in ’t oor.

»Ha ha! dat is een gelukkige inval,” grinnikte de lepero.

Vijf minuten later kwam de prauw aan wal.

Don Sylva werd met de uiterste voorzichtigheid door de beide mannen opgenomen en aan land gedragen, zonder dat hij ontwaakte.

»Nu is de beurt aan u,” zei don Martial tegen het meisje; »gij dient eene kleine rol te spelen; om de list die ik er op verzonnen heb wel te doen gelukken, moet gij mij toestaan u voor een paar minuten aan dien inktboom vast te binden.”

»Ga uw gang, vriend.”

De Tigrero nam haar in zijne forsche armen, droeg haar aan land en in een oogenblik had hij haar met een riem aan den boomstam gebonden.

»Houd nu dit in het oog,” zeide hij schielijk, »de vertooning is, dat uw vader en gij door de Apachen uit de hacienda zijn opgelicht, dat wij u bij toeval hier ontmoeten en....”

»Ons komt redden, niet waar?” riep zij lachende.

»Juist; alleen moet gij nu nog een paar keeren, hoe harder hoe beter schreeuwen en gillen, als of gij erg bang en verschrikt waart. Dat begrijpt gij, niet waar?”

»O! zeer goed.”

Volgens bovenstaand programma werd de komedie gespeeld. Doña Anita begon geweldig te gillen, waarop de twee avonturiers uit de verte antwoordden, hunne geweren en pistolen afschoten alsof er gevochten werd en toen naar den haciendero liepen, dien zij gezwind van zijne banden bevrijdden en niet alleen het vrije gebruik zijner ledematen teruggaven, maar ook dat van zijne spraak en van zijn gezicht.

Don Sylva richtte zich eerst half op, wierp een verwezen blik om zich heen, en zag zijne dochter met hangende haren aan een boom gebonden, terwijl twee mannen zich haastten haar te hulp te komen en los te maken. De haciendero sloeg de oogen op en dankte den hemel in stilte voor zijne bevrijding.

Zoodra ook Anita weder vrij was ijlde zij naar haar vader, viel hem om den hals en na hem gekust te hebben verborg zij haar gelaat, wellicht uit schaamte over de verregaande wijs waarop zij den edelen grijsaard had helpen bedriegen, blozend aan zijne borst.

»Mijn arm, dierbaar kind,” riep hij tot tranen bewogen; »voor u, voor u alleen, heb ik gebeefd in dezen langen, vreeselijken nacht.”

Doña Anita antwoordde niet, haar hart klopte hevig bij dit grievend verwijt.

Don Martial en Cuchares, het oogenblik gunstig achtende, traden thans naderbij met de nog rookende buksen in hunne handen.

Toen de haciendero hen zag en herkende, kwam er een wolk op zijn gezicht, een donker vermoeden bekroop zijne ziel. Hij keek de beide mannen en zijne dochter beurtelings aan met een uitvorschenden blik, stond op met gefronste wenkbrauwen en bevende lippen, zonder nochtans een woord te uiten.

De Tigrero werd tegen wil en dank ongerust over dit stilzwijgen, dat hij wel verre was van te verwachten. Na den dienst, die hij had voorgewend den haciendero bewezen te hebben, gevoelde hij zich verplicht het eerst te spreken.

»Ik acht mij gelukkig,” begon hij min of meer stotterend, »dat ik hier zoo toevallig op den aanslag kwam, don Sylva, om u aan de handen der Roodhuiden te ontrukken.”

»Ik zeg u dank, señor don Martial,” antwoordde de haciendero droog, »van uwe bekende rechtschapenheid kon ik niets minder verwachten. Het heeft zoo moeten wezen; het schijnt wel, dat gij na de dochter te hebben gered, ook haar vader hebt moeten redden. Gij schijnt voorbestemd om de bevrijder van mijne geheele familie te zijn; ontvang daarvoor mijne oprechte dankbetuiging.”

Deze woorden werden op een toon van spotternij uitgesproken, die den Tigrero als een pijl in het hart trof; hij kon geen gepast antwoord vinden en maakte eene onhandige buiging om zijne verlegenheid te verbergen.

»Vader,” zij doña Anita op vleienden toon, »don Martial heeft zijn leven voor ons gewaagd.”

»Ik heb er hem immers reeds voor bedankt,” zeide hij. »Het is zoo, het schijnt een heete strijd geweest; maar de heidenen hebben wel spoedig het hazenpad gekozen; is er niemand van hen gedood?”

Dit zeggende deed de haciendero alsof hij rondkeek.

Don Martial herstelde zich.

»Señor don Sylva de Torres,” riep hij met eene vaste stem, »dit voorval bracht ons weder tegenover elkander, geef mij dus de vrijheid u te zeggen dat slechts weinige menschen u zoo genegen en getrouw zijn als ik.”

»Dat hebt gij mij zoo even bewezen, caballero.”

»Spreken wij daar niet meer van,” zei don Martial, »nu gij weder uw eigen meester zijt en vrij kunt handelen, hebt gij slechts te spreken en te bevelen. Ik ben bereid om te beproeven wat gij van mij eischt, ten einde u te kunnen bewijzen, hoe gelukkig ik mij acht alles te doen wat u aangenaam is.”

»Dat is ronde taal, die ik begrijp, caballero, en daar ik u even rond op zal antwoorden. Gewichtige redenen nopen mij om naar de kolonie Guetzalli terug te keeren, waar ik was toen de heidenen mij zoo verraderlijk hebben opgelicht.”

»Wanneer wilt gij vertrekken.”

»Dadelijk, zoo dit mogelijk is.”

»Alles is mogelijk, caballero, alleen moet ik u doen opmerken, dat wij hier dertig mijlen van die hacienda verwijderd zijn, dat het land waar wij ons bevinden eene eenzame wildernis is, zoodat wij uiterst moeielijk paarden zullen krijgen en dat wij met den besten wil van de wereld die reis niet te voet kunnen afleggen.”

»Vooral mijne dochter niet, niet waar?” hervatte hij met een bitteren glimlach.

»Ja,” herhaalde de Tigrero, »vooral de señorita.”

»Wat dan gedaan? want ik ben volstrekt verplicht om derwaarts terug te keeren, vooral om mijne dochter,” voegde hij er bij met nadruk op de laatste woorden, »en dat wel zoo spoedig mogelijk.”

De Tigrero loog een weinig toen hij don Sylva verzekerde dat zij dertig mijlen van de kolonie af waren; de afstand bedroeg niet meer dan achttien mijlen; maar in zulk een onherbergzame streek, waar geene wegen bestaan, zijn zestien of achttien mijlen bijna onoverkomelijk voor iemand die, aan het ruwe woestijnleven ongewoon, tegen de daarvan onafscheidelijke vermoeienis niet gehard is. Don Sylva, ofschoon hij de prairie nooit doorreisd had dan op den weelderigsten voet en voorzien van al de gemakken, die men zich in deze verre streken met mogelijkheid verschaffen kan, wist ten minste, zoo al niet bij ondervinding dan toch bij geruchte, hoevele moeielijkheden er bij iederen stap konden oprijzen en welke belemmeringen hij op zijn weg ontmoeten kon. Zijn besluit was dus dadelijk genomen.

Gelijk velen zijner landgenooten bezat don Sylva eene groote mate van stijfhoofdigheid; wanneer hij eenmaal een plan gevormd of een doel zich voor oogen had gesteld, onverschillig wat het ook wezen mocht, zou hij er alles aan gewaagd hebben en werd iedere hindernis die hem in den weg kwam een nieuwe prikkel om het te bereiken.

»Hoor mij dan, don Martial,” zeide hij tegen den Tigrero, »ik wil rond met u te werk gaan: ik behoef u niet voor nieuws te vertellen, dat mijne dochter op het punt staat van met den graaf de Lhorailles te huwen; dat huwelijk moet gesloten worden, ik heb het gezworen en het zal geschieden, trots al wat men zegge of doe om het te beletten. En nu, na deze verklaring, zal ik uwe trouw jegens mij, daar gij zoo hoog van opgeeft, op de proef stellen.”

»Spreek, señor,” zei don Martial.

»Zend dan uw kameraad naar de graaf de Lhorailles; ik zal hem een brief medegeven om zijne ongerustheid te doen bedaren en hem mijne aanstaande komst aan te kondigen.”

»Goed.”

»Zal hij het doen?”

»Oogenblikkelijk.”

»Dank u. Wat thans u zelven aangaat, geef ik u vrijheid ons te verlaten of te volgen, zoo als gij verkiest, maar vooreerst hebben wij paarden en wapenen en bovenal een goed eskorte noodig. Ik zou niet gaarne weder in handen der heidenen vallen; misschien zou ik dezen keer het geluk niet hebben om er zoo goed af te komen.”

»Blijf hier, binnen twee uren kom ik met paarden terug; wat een eskorte betreft, daar zal ik u aan zien te helpen, maar dat durf ik u niet stellig verzekeren. Daar gij er niets tegen hebt dat ik medega, zal ik u verzellen tot gij den graaf ontmoet. Gedurende den tijd dien ik het geluk zal hebben met u op reis door te brengen, hoop ik u te bewijzen dat gij u in mij vergist hebt.”

Deze woorden werden op zulk een ondubbelzinnigen toon uitgesproken, dat de haciendero er zich door getroffen gevoelde.

»Wat er ook gebeure,” zeide hij, »ik zeg u dank, gij zult mij in ieder geval een onuitsprekelijken dienst hebben bewezen, daar ik u eeuwig erkentelijk voor zal zijn.”

Don Sylva scheurde een blad papier uit zijn zakboekje, schreef er met potlood eenige woorden op, vouwde het toe en gaf het den Tigrero.

»Zijt gij zeker van dien man?” vroeg hij.

»Zoo goed als van mij zelven,” antwoordde don Martial uitwijkend; »wees gerust dat hij den graaf zien zal.”

De haciendero wees met de hand dat hij voldaan was, en de Tigrero naderde Cuchares.

»Ziedaar,” zeide hij met eene luide stem terwijl hij hem het briefje ter hand stelde, »breng dat binnen twee uren bij den kommandant van Guetzalli. Hebt gij mij verstaan?”

»Ja,” antwoordde de lepero.

»Vertrek, en de hemel beware u voor kwade ontmoetingen. Over een kwartier achter dien heuvel daar;” liet hij schielijk en fluisterend er op volgen.

»Afgesproken,” riep de andere met eene buiging.

»Neem deze prauw,” vervolgde de Tigrero.

Zoo de haciendero al eenigen argwaan had kunnen koesteren, thans verdween deze geheel, nu hij zag dat Cuchares in de prauw sprong, de pagaaien greep en dadelijk van wal stak, zonder taal of teeken met den Tigrero te wisselen en zelfs zonder het hoofd om te wenden.

»Dat is het eerste gedeelte uwer beschikkingen, die gij in vervulling ziet overgaan,” zei de Tigrero toen hij bij don Sylva terugkwam; »nu zal ik mij met het tweede belasten; neem mijne pistolen en mijne machete, dan kunt gij u althans te weer stellen in geval van nood, want ik laat u hier achter, maar vooral verwijder u niet, binnen twee uren op zijn langst ben ik weder bij u.”

»Weet gij dan een middel om hier paarden te vinden?” vroeg don Sylva.

»Weet gij nog niet dat de woestijn mijne dagelijksche woonplaats is?” antwoordde hij met een somberen glimlach. »Ik ben hier thuis; weldra zult gij er het bewijs van zien. Tot wederziens?”

En hij verwijderde zich snel in tegenovergestelde richting als de prauw.

Toen hij een poos geloopen had en achter een dicht boschje van acajou-boomen en kreupelhout voor don Sylva onzichtbaar was geworden, maakte hij op eens een scherpen hoek rechts, van de rivier af en liep hard terug tot hij de andere zijde van den heuvel bereikte.

Daar zat Cuchares bedaard zijne cigarette rookend op hem te wachten.

»Geen woorden, maar daden,” zei de Tigrero, »de tijd dringt.”

»Ik wacht uwe bevelen.”

»Ziet gij dezen diamant?” en hij wees den lepero op den ring aan zijn das.

»Hij is duizend piasters waard,” zei de lepero die hem met het oog van een kenner bekeek.

Don Martial bood hem den ring aan.

»Dien geef ik u,” zeide hij.

De andere nam hem aan en stak hem bij zich.

»Wat moet ik er voor doen?”

»Mij dadelijk den brief geven.”

»Daar is hij.”

Don Martial nam hem en scheurde hem in duizend stukjes.

»Wat volgt?” vroeg Cuchares.

»Wat volgt,” herhaalde de Tigrero, »ik heb nog een diamant van gelijke waarde ter uwer beschikking; gij verstaat mij?”

»Ja, ik neem het aan.”

»Maar op eene voorwaarde.”

»Die ken ik,” zeide de lepero met een veelbeteekenenden wenk.

»Gij neemt het stellig aan, zegt gij?”

»Stellig.”

»Dat is afgesproken.”

»Gij zult nooit weêr verdriet van hem hebben.”

»Goed; maar gij begrijpt, ik verwacht bewijzen.”

»Die zult gij hebben.”

»Dan tot weerziens.”

»Tot weerziens.”

De beide medeplichtigen scheidden ten hoogste voldaan, zij hadden elkander met een enkel woord begrepen.

Wij hebben reeds gezien op welke wijs Cuchares zich kweet van de zending daar don Sylva hem mede belast had.

Na zijn kort gesprek met Cuchares ging don Martial er op uit om ergens paarden te zoeken.

Twee uren later keerde hij terug; niet alleen had hij uitmuntende paarden medegebracht, maar tevens twee peons of die er voor moesten doorgaan om tot geleide te dienen.

De haciendero waardeerde in allen deele de kieschheid waarmede don Martial te zijnen opzichte te werk ging, en ofschoon het uitzicht en de manieren zijner nieuwe beschermers niet van de echte soort waren, bedankte hij den Tigrero toch hartelijk voor de moeite die deze zich gegeven had om aan zijn verlangen te voldoen, en thans omtrent den afloop zijner reis volkomen gerustgesteld, nam hij met goeden eetlust deel aan het ontbijt, een gebraden hertebout met een dronk pulque, die don Martial hem mede had weten te bezorgen.

Toen de maaltijd geëindigd was ging de kleine troep, wel gewapend en vol moed op marsch in de richting naar de kolonie Guetzalli, waar don Sylva, op zijn gemak reizende, en zoo er ten minste niets in den weg kwam, berekende binnen drie dagen te zullen aankomen.

XIX.

IN DE PRAIRIE.

De noordoostelijke grens van Mexico tot aan de oude thans verlaten en in puin vallende zendelingsposten der Jezuïeten, vormt den rand der groote prairie van de Rio Gila, of Apacheria, die zich uitstrekt tot aan de onvruchtbare woestijn del Norte.

In dit gedeelte der prairie spreidt de natuur om zoo te zeggen met verkwistende praalzucht, een rijkdom van groeikracht en vruchtbaarheid ten toon die men elders te vergeefs zou zoeken.

Guetzalli was aangelegd op de bouwvallen van een der bovengenoemde, voorheen zoo bloeiende zendelingsposten der paters Jezuïeten, die sedert het decreet der uitdrijving uit deze streek verdwenen zijn.

Zonder hier in eenige beschouwingen hetzij voor of tegen de Jezuïetenorde te treden, zullen wij alleen in ’t voorbijgaan zeggen, dat zij in dit gedeelte van Amerika groote diensten heeft bewezen; dat al de zendingsposten, door de paters in de wildernis gesticht, bloeiden; dat de Indianen van alle kanten toestroomden om zich onder hunne vaderlijke wetten te stellen, en dat sommige missiën, die wij bij name zouden kunnen noemen, niet minder dan zestig duizend bekeerlingen telden; ten bewijze van de deugd hunner instellingen kan men aanvoeren, dat toen de Jezuïeten van hooger hand bevel kregen hunne posten aan andere geestelijke broeders over te geven, de proselieten hun uit eigen beweging en met vele tranen smeekten om dit willekeurig bevel niet te gehoorzamen, hun aanbiedende om hen desnoods tegen alles te zullen verdedigen.

Tot staving van dezen lof dien wij den Jezuïeten hoezeer spade toekennen, kan verder dienen, dat na hun vertrek de zendingsposten spoedig zijn vervallen, en de proselieten die zij met zooveel moeite in den schoot der Kerk hadden gebracht, allen tot het wilde leven zijn teruggekeerd; ofschoon na verloop van zoo vele jaren de geheugenis der weldaden hun door de zendelingen bewezen, nog altijd in het hart der Indianen leeft en een hoofdonderwerp uitmaakt hunner gesprekken, wanneer zij des avonds rondom hunne kampvuren samen keuvelen, over den goeden ouden tijd, toen de blanke vaders nog voor hen zorgden en waakten.

Don Sylva de Torres wenschte zoo spoedig mogelijk en langs den kortsten weg de kolonie Guetzalli te bereiken; ongelukkig moest hij daartoe, om zoo te zeggen als een vogel door de lucht, eene uitgebreide landstreek doortrekken, waar geen spoor van pad of weg te vinden was; bovendien was hij door zijn gemis van plaatselijke kennis genoodzaakt zich geheel op don Martial te verlaten, een uitmuntende gids ongetwijfeld waar het op schranderheid of kennis van de wildernis aankwam, maar in wien hij om andere redenen, daar hij zich niet recht rekenschap van wist te geven, niet veel vertrouwen stelde.

Evenwel gaf de Tigrero, in schijn althans, bewijs van de meeste voorkomendheid en zorg voor den haciendero, voerde hem zooveel mogelijk langs begaanbare wegen, deed hem de moeielijkste plaatsen vermijden of omtrekken en waakte met voorbeeldigen ijver voor de veiligheid der kleine karavaan.

Iederen avond kampeerde de troep op de kruin van een heuvel, vanwaar men tot op verren afstand kon uitzien, ten einde eene overrompeling te vermijden.

Op den avond van den vierden dag, na een vermoeienden marsch over een verbrokkeld terrein, bereikten zij een heuvel, waar don Martial hun weder voorstelde te kampeeren.

De haciendero nam dit voorstel des te gretiger aan, daar hij weinig aan deze manier van reizen gewoon, zich uiterst vermoeid gevoelde. Na een sober maal, uit gebraden maïskoeken en gestoofde, met piment gekruide en met pulque gedoopte peren bestaande, wikkelde don Sylva, zonder zelfs aan zijne vaste gewoonte te denken om na den maaltijd een cigarette te rooken, zich zorgvuldig in zijn mantel, strekte zich op den grond uit, met de voeten aan het vuur en het hoofd op een stapeltje zoden en zonk bijna onmiddellijk in een diepen slaap.

Don Martial en Anita bleven eene poos stilzwijgend bij het vuur zitten met de oogen op den slapende gericht en met aandacht zijne ademhaling bespiedende. Eindelijk, toen de Tigrero overtuigd was dat de haciendero werkelijk sliep, wendde hij zich tot het meisje en fluisterde haar met eene zachte stem in ’t oor:

»Vergeving, doña Anita, vergeving!”

»Vergeving! en waarom?” vroeg zij verwonderd.

»Helaas! het is voor mij dat gij zooveel moet lijden.”

»Egoïst,” riep zij met een bekoorlijken lach, »is het dan ook niet tevens voor mij, omdat ik u zoo bemin?”

»O! dank!” riep hij, »gij geeft mij den moed terug dien ik in mijn hart voelde wegzinken. Maar o! hoe zal dit alles nog afloopen?”

»Goed, daarvan ben ik overtuigd,” riep zij levendig, »wij hebben slechts een weinig geduld noodig; mijn vader, denk dat maar, zal spoedig voor u gewonnen zijn.”

De Tigrero glimlachte droevig.

»Ik kan u toch niet zoo eindeloos in de prairie laten zwerven.”

»Dat is zoo,” hervatte zij bezorgd. »Wat zullen wij doen?”

»Ik weet het niet. Sedert twee dagen doen wij niets anders dan om de kolonie heen zwerven, daar wij nauwelijks drie uren ver van verwijderd zijn, zonder dat ik den moed heb om er binnen te trekken.”

»Helaas!” mompelde het meisje.

»Ach! doña Anita!” vervolgde hij op zekeren toon van moedeloosheid, »waarom hebt gij toch zulk een vader?”

»O spreek zoo niet,” riep zij hem schielijk de hand op den mond leggende als om hem te doen zwijgen, »waarom zoudt gij wanhopen? God is goed. Hij zal ons niet verlaten; wie weet hoe zich alles nog ten beste keert, laten wij op Hem vertrouwen?”

»Maar, mijne lieve,” riep hij hoofdschuddend, »onze toestand is onhoudbaar. Langer zonder doel voorttrekken is onmogelijk. Uw vader, hoe weinig hij ook met dit land bekend is, zal eindelijk zien dat ik hem misleid, en dan kan ik niets meer bij hem uitrichten. Aan den anderen kant, als ik de kolonie binnen trok, zou ik u terugbrengen onder het juk van den man met wien men u dwingen wil te trouwen; tot zulke eene schandelijke dwaasheid kan ik niet besluiten. O! ik zou gaarne tien van mijne levensjaren geven om te weten wat ik doen moet.”

Op dit oogenblik als had de hemel zijnen wensch gehoord en er onmiddellijk op willen antwoorden zag de Tigrero, wiens oogen werktuigelijk over de prairie weidden, waar alles thans in de diepste duisternis gedompeld lag, op korten afstand tusschen de hooge grashalmen een licht, op verschillende wijze herhaald, opsteken en bepaalde telegraphische figuren in de lucht beschrijven. En op hetzelfde oogenblik hoorde zijn geoefend oor zoo hij meende in de verte het gehinnik van een paard.

»Dat is iets buitengewoons,” mompelde hij in zich zelven. »Wat zou dat beteekenen? Zou het een signaal zijn? Intusschen zijn wij hier alleen; ik heb den ganschen dag geen spoor of teeken van menschelijk leven ontdekt. En toch, dat licht en dat gehinnik, zoo onmiddellijk achter elkander...?”

»Wat schort u, mijn vriend!” vroeg doña Anita bezorgd. »Gij schijnt ongerust; welk gevaar bedreigt ons? Zeg het vrij. Gij weet, ik ben moedig, en bovendien wat zou ik vreezen daar ik u bij mij heb! Verzwijg mij niets. Er is zeker iets buitengewoons, is het niet?”

»Nu ja,” antwoordde hij ronduit, daar hij het toch niet voor haar kon verbergen, »er gebeurt iets ongewoons; maar verontrust u niet, ik geloof niet dat gij iets te vreezen hebt.”

»Maar wat is het dan? Ik heb niets gezien.”

»Kijk eens, daar ginds,” zeide hij, de hand uitstrekkende.

Het meisje keek scherp uit, en zag nu wat de Tigrero reeds eenige oogenblikken vroeger gezien had, een licht in de verte, dat als een roode stip in de duisternis schitterde en zeer bepaalde lijnen beschreef.

»Dat is blijkbaar een signaal,” hernam de Tigrero, »daar moet iemand verscholen zijn.”

»Wacht gij dan iemand?” vroeg zij.

»Bepaald niemand, en toch, ik weet niet waarom, geloof ik dat dit signaal voor mij bestemd is.”

»Ja, maar gij weet wel wij zijn in de prairie en worden waarschijnlijk door een aantal Indiaansche jagers omringd; dus kan dat licht wel een signaal zijn dat zij elkander geven.”

»Neen, doña Anita, gij vergist u, wij worden althans op dit oogenblik niet door Indiaansche jagers omringd; ik weet zeker dat wij hier alleen zijn.”

»Hoe kunt gij dat weten, vriend, daar gij geen oogenblik hier vandaan zijt geweest om het te onderzoeken?”

»Mijn lieve doña Anita,” antwoordde hij op ernstig nadrukkelijken toon, »de prairie is een open boek, waarin Gods hand duizend geheimen heeft opgeteekend, die de mensch, aan het leven der woestijn gewoon, er op iedere bladzijde leest: de wind die door de takken ruischt, het water dat over de keien der beek murmelt, de vogel die de lucht doorvliegt, het hert of de bison die in de vlakte graast, de alligator die zich omwentelt in het oeverslijk, zijn voor mij zoovele teekenen daar ik mij nooit in vergissen zal. Sedert twee dagen hebben wij geen spoor of teeken van de Roodhuiden ontdekt, de bisons en andere dieren die wij ontmoetten graasden rustig en zonder mistrouwen; de vogels vlogen ongestoord, en de alligators waren zoo diep onder het slib weggedoken dat men ze bijna niet zien kon. Al deze dieren ruiken de nadering van den mensch, vooral van den Indiaan reeds op verren afstand, en nauwelijks hebben zij er de lucht van, of zij vluchten met allen spoed, zoo groot is de vrees die de koning der schepping hun inboezemt. Ik herhaal u, wij zijn alleen, gansch alleen; dat signaal is dus zeker voor mij. En ziedaar, het begint op nieuw.”

»’t Is waar, ik zie het duidelijk,” riep doña Anita.

»Ik moet weten wat dit beduidt,” zeide hij, zijn geweer nemende.

»O! don Martial; ik bid u, pas toch op! en wees voorzichtig. Denk om mij,” vervolgde zij angstig.