De graaf de Lhorailles

Part 2

Chapter 23,955 wordsPublic domain

Bij het hooren van dit ontzagwekkend cijfer slaakten de aanwezigen een kreet van verbazing en begeerigheid tegelijk.

»Ik hield u voor rijker,” zei de vreemdeling spotachtig. »Maar hoe dan ook, om negenduizend vierhonderd en vijftig oncen.”

»Dezen keer zult gij afnemen, monseñor,” zei de bankier.

»Neen: ik voor mij ben vast overtuigd dat gij verliezen moet, Tio-Lucas. Ik wil u wederkeerig de zekerheid geven dat ik eerlijk gewonnen heb. Doe mij daarom het pleizier en neem zelf de kaart af; zoodoende,” vervolgde hij ironisch, »wordt gij de smid van uw eigen ondergang en kunt het aan niemand anders verwijten.”

De omstanders trantelden van genot en belangstelling toen zij zagen hoe ridderlijk de vreemdeling zich gedroeg. Binnen weinige oogenblikken was de straat letterlijk gevuld met nieuwsgierigen, die door deze buitengewone partij aangetrokken uit alle hoeken der stad samenstroomden en zich rondom de tafel verdrongen.

Weldra bedaarde het gewoel en doodstilte heerschte onder de wachtende menigte, die met ongeduld den afloop verbeidde van het ongehoord hooge spel en brandde van nieuwsgierigheid om te weten wie de gelukkige zou zijn.

De bankier wischte het zweet af dat op zijn bleek voorhoofd parelde, en met bevende hand nam hij de eerste kaart.

Eenige seconden lang balanceerde hij er mede, blijkbaar aarzelend voor het oogenblik der beslissing.

»Maak voort,” riep Cuchares ongeduldig.

Tio-Lucas liet de kaart werktuigelijk op de tafel vallen en wendde het hoofd om.

»Seis de copas!” riep de lepero met eene snerpende stem.

De bankier brulde van spijt.

»Ik heb verloren!” mompelde hij.

»Dat wist ik wel,” zei don Martial zoo bedaard als ooit. »Cuchares,” vervolgde hij, »breng die tafel met al het goud dat er op is naar doña Anita; ik wacht u heden avond, gij weet wel waar.”

De lepero maakte eene eerbiedige buiging. Met behulp van twee sterke kerels die zich daartoe gereedelijk lieten vinden, volvoerde hij het zoo even ontvangen bevel en bracht de tafel het huis in, terwijl de vreemdeling in allerijl wegreed en Tio-Lucas, reeds min of meer bekomen van den zwaren slag die hem getroffen had, zeer pacifiek een maïscigarette rolde en aan allen die hem hun ongevraagden troost zochten op te dringen toeriep:

»Ik heb verloren, dat is zoo, maar aan een zeer mooien speler en op een zeer schoone kans. Bah! later zal ik het hem wel betaald zetten, ieder op zijn beurt; hij op de zijne en ik op de mijne.”

Toen hij zijn sigaar geheel klaar gemaakt had, stak de afgestapte bankier haar aan en wandelde met rustigen tred van daar.

De menigte had geen reden meer om langer op die plaats te blijven, en verstrooide zich weldra door de stad.

II.

DON SYLVA DE TORRES.

Guaymas is eene geheel nieuwe stad, min of meer om zoo te zeggen met den dag gebouwd, naarmate de grilligheid der emigranten zulks verkoos, zonder regel of orde, daar het stadsbestuur zich niet bemoeide met hun de rooiing voor te schrijven, hetgeen soms zoo goed als kwaad is, wanneer de bouwmeester geen smaak of kennis genoeg heeft om een stad aan te leggen of een goed bouwplan voor te schrijven. Ofschoon wij ons hier haasten te zeggen, dat er te Guaymas slechts weinige gebouwen zijn die werkelijk den naam van woonhuizen verdienen, de overige zijn niets meer dan afzichtelijke krotten en hutten, gebouwd van klei en aarde tusschen twee planken vastgestampt, even bouwvallig als ongeregeld, en onrein in den hoogsten graad.

In de calle de la Merced, de voornaamste, of liever de eenigste straat der stad, want de overige zijn weinig meer dan moddergoten, stond een huis met ééne verdieping en voorzien van een balkon, ondersteund door een peristyle van vier kolommen, gelijk de meeste huizen in Mexico. De voorgevel was met kalk van verblindende witheid bestreken en het dak was mede naar ’s lands wijze plat.

De eigenaar van dit huis, een der rijkste mineros in de Sonora, bezat een tiental mijnen, allen in volle bewerking; bovendien legde hij zich toe op de veefokkerij en bediende zich daarbij van verscheidene hacienda’s of landhoeven, over de gansche provincie verspreid, en waarvan de kleinste minstens even veel grond besloeg als een departement in Frankrijk.

Ik ben zeker dat, als don Sylva de Torres zijn fortuin had willen liquideeren en berekenen, het eenige honderde millioenen zou hebben bedragen.

Don Sylva de Torres was eerst sedert een paar jaar te Guaymas komen wonen, waar hij echter slechts nu en dan en dat nog wel bij lange tusschenpoozen, een kortstondig verblijf hield.

Ditmaal had hij, tegen zijne gewoonte, zijne dochter Anita medegebracht; daarom ook was de gansche bevolking van Guaymas opgetogen van nieuwsgierigheid en richtten aller blikken zich op het huis van don Sylva, dewijl men begreep dat er voor dit buitengewone gedrag van den haciendero gewichtige redenen moesten bestaan.

Binnen zijne woning besloten, welker deuren zich alleen voor eenige weinige bevoorrechten openden, liet don Sylva de menschen praten en zonder zich in ’t minst om de wereld te bekommeren, scheen hij ongestoord aan de verwezenlijking van zekere ontwerpen te arbeiden, wier gewicht hem belette te onderzoeken wat anderen van hem spraken of dachten.

Ofschoon de Mexicanen geweldig rijk zijn en zich gaarne veel op hunne schatten laten voorstaan, hebben zij geen het minste idee van gemak of genot en leven zij doorgaans in de grootste zorgeloosheid. Hunne weelde, zoo men haar dien naam kan geven, is woest, plomp, onverstandig en zonder eenige levenswaarde.

De rijken, meerendeels aan het ruwe leven der Amerikaansche wildernis gewoon en voortdurend gehard tegen de ongemakken van een vaak doodelijk klimaat en de gedurige invallen der Indianen, die hen van alle zijden insluiten, kampeeren zich in de steden veel meer dan dat zij er eigenlijk wonen, en meenen zich reeds vrij wel te hebben uitgesloofd wanneer zij op eene onverantwoordelijke wijs oncen goud en diamanten als dwazen hebben verkwist of weggesmeten.

De Mexicaansche woonhuizen zijn dáár om de juistheid van dit ons oordeel te bewijzen. Behalve de onmisbare Europeesche piano, die in een hoek van iedere salon ongebruikt staat, ziet men er niets dan eenige ongemakkelijke butacca’s, slecht gemaakte tafels, slecht geteekende en bontgekleurde kunstplaten aan de wit gekalkte muren opgehangen, ziedaar alles.

De woning van don Sylva verschilde in geenen deele van de overigen, en gelijk overal, moesten de paarden om van den stal naar het wed en van daar weder naar den stal te komen, druipnat de groote voorzaal of vestibule door, waar zij in den vloer met hunne hoeven reeds menigen tegel gebroken en diepe sporen hadden achtergelaten.

Op het oogenblik dat wij den lezer in het huis van Sylva de Torres binnenleiden, zaten twee personen, een man en eene vrouw, in het salon samen te praten, althans bij lange tusschenruimten eenige woorden te wisselen.

Deze twee personen waren don Sylva en zijne dochter Anita.

De kruising van het Spaansche met het Indiaansche menschen-ras, heeft de schoonste plastische vormen voortgebracht die men zich verbeelden kan.

Don Sylva, ofschoon reeds bijna vijftig jaar oud, scheen nog nauwelijks veertig; bij eene hooge welgemaakte gestalte voegde zich eene edele houding en gang, en een streng gelaat, maar gepaard met groote goedwilligheid. Hij droeg de Mexicaansche kleeding in haren zuiversten vorm, maar zoo kostbaar en zoo rijk versierd, dat slechts weinigen zijner landgenooten hem hadden kunnen evenaren, veelmin overtreffen.

Anita, in gemakkelijke houding op de kanapé uitgestrekt, half verscholen in golven van zijde en gaas, als een kolibrietje in het donzige mos, was een aanminnig kind van hoogstens zeventien of achttien jaar; hare zwarte, door lange fluweelen wimpers zedig gesluierde oogen, tintelden van zoete beloften, die geenszins werden gelogenstraft door de slanke en mollige omtrekken van haar fijngevormde leest. Tot in hare minste bewegingen bezat zij eene gratie en majesteit daar de liefelijke glimlach van hare koralen lippen de hartveroverende kroon opzette. Haar frissche kleur, min of meer verguld door de warme zon van Middel-Amerika, gaf aan haar gelaat eene betooverende uitdrukking die zich moeielijk laat beschrijven; in een woord, over haar gansche persoon zweefde een bekoorlijk waas van onschuld, eenvoudigheid en oprechtheid, dat harten en zinnen boeide en sympathie en liefde gebood.

Even als alle Mexicaansche schoonen wanneer zij zich binnenshuis bevinden, droeg zij eene lichte robe van gebrocheerd mousseline; de gazen rebozo of sluier was achteloos over hare schouders geworpen en eene versche tuil van zomerbloemen tooide hare blauwzwarte lokken met een ambergeurige kroon.

Anita scheen te droomen; somwijlen trokken de wenkbrauwbogen zich donkerder samen onder den drang der gedachten die haar bestormden; haar boezem golfde nu en dan bij dieper ademhaling en de kleine, fijn geënkelde voeten, in pantoffels van zwanendons gestoken, trappelden wel eens ongeduldig op den grond.

Ook don Sylva de Torres scheen ontevreden; na een strengen en ernstigen blik op zijne dochter, stond hij op, trad naar haar toe en sprak:

»Gij zijt een dwaas kind, Anita; uwe handelwijs is buitensporig, eene welgeboren jonge dochter mag in geen geval handelen zoo als gij gehandeld hebt....”

De jeugdige Mexicaansche antwoordde alleen met een veelbeteekenend pruilend mondje en haalde bijna onmerkbaar de schouders op.

Haar vader vervolgde.

»Vooral niet,” zeide hij, met nadruk op iedere syllabe, »in uwe positie tegenover den graaf de Lhorailles.”

Het meisje richtte zich op als of zij door een adder gestoken was en met een vragenden blik naar het onverbiddelijk gelaat van den haciendero antwoordde zij:

»Ik begrijp u niet, vader.”

»Begrijpt gij mij niet, Anita? Dat kan ik kwalijk gelooven. Heb ik dan uwe hand niet aan den graaf beloofd?”

»Wat maakt dat uit, daar ik hem toch niet bemin. Wilt gij mij dan doemen om mijn geheele leven ongelukkig te zijn?”

»Integendeel, het is uw geluk dat ik met deze vereeniging beoog. Ik heb niemand dan u, Anita, om mij te troosten over het smartelijk verlies van uwe beminde moeder. Arm kind; gij zijt goddank nog in dien door den hemel gezegenden leeftijd, waarin het hart bijna niets weet van zich zelven en de woorden geluk en ongeluk nog geene beteekenis hebben. Gij bemint den graaf niet, zegt gij; nu goed; uw hart is vrij; als gij later in staat zult zijn de edele hoedanigheden te waardeeren van hem dien ik u tot echtgenoot geef, dan zult gij mij dankbaar zijn dat ik u tot een huwelijk riep, waarin gij heden zooveel reden van droefheid ziet.”

»Maar, vader,” riep het meisje met een verdrietig gezicht, »mijn hart is niet vrij, dat weet gij wel.”

»Ik weet alleen, doña Anita de Torres,” hervatte de haciendero streng, »dat eene liefde die uwer en mijner onwaardig is in uw hart geen plaats kan grijpen. Door mijne voorvaderen ben ik Cristiano Veyo en zoo er al eenige droppels Indiaansch bloed in mijne aderen vloeien, heb ik des te dieper in mijne ziel gegrift wat ik aan mijne voorouders verschuldigd ben. Onze eerste stamvader Antonio de Sylva, luitenant van Fernando Cortez, huwde wel is waar met eene Mexicaansche prinses uit het geslacht van Montecuzoma, maar al onze overige stamgenooten zijn Spanjaarden.”

»Zijn wij dan geen Mexicanen, vader?”

»Helaas! arm kind, wie kan zeggen wat wij zijn, of worden zullen? Ons ongelukkig land, sedert het de Spaansche dwingelandij afschudde, verkeert in een staat van beroering, en put zich uit onder de herhaalde pogingen der heerschzuchtigen van de lagere klasse, die binnen korte jaren eindigen zullen met ons zelfs de nationaliteit te ontrukken, daar wij zoo lang naar gestreefd en die wij met zooveel moeite verworven hebben. Deze schandelijke burgeroorlogen stellen ons ten spot voor andere volken en zijn de vreugd van onze hebzuchtige naburen, die de oogen onafgewend op ons gevestigd houden, en gereed staan onze schatten onder zich te verdeelen, daar zij reeds de eerstelingen van hebben geroofd door ons eenigen onzer rijkste provinciën te ontweldigen.”

»Maar, vader, ik ben eene vrouw en bij gevolg weet ik niets van de politiek; ik heb niets met de gringos te maken.”

»Meer dan gij denkt, meisje. Ik wil niet dat na zeker tijdsverloop de onmetelijke bezittingen, die mijne voorouders en ik door kracht van arbeid zich verworven hebben, t’ eenigen dage de prooi worden van die vervloekte ketters. Dit is de reden waarom ik, ten einde mijne bezittingen te redden, besloten heb u aan den graaf de Lhorailles uit te huwelijken. Hij is Franschman, en hij behoort tot een der eerste familiën van dat land; bovendien is hij een schoon en krijgshaftig ridder van nauwelijks dertig jaar; bij zijne natuurlijke gaven voegt hij de lofwaardigste zedelijke hoedanigheden; hij behoort tot eene machtige en geachte natie, die hare kinderen, in welken hoek der aarde zij zich ook bevinden, weet te beschermen. Door hem te huwen is uw fortuin tegen iederen staatkundigen rampspoed gewaarborgd.”

»Maar ik bemin hem niet, vader.”

»Kleingeestigheid, lief kind, spreken wij er niet langer over, ik wil u de dwaasheid wel vergeven waaraan gij u eenige oogenblikken hebt schuldig gemaakt, doch onder voorwaarde dat gij don Martial uit uwe gedachten stelt.”

»Nooit!” riep zij standvastig.

»Nooit? dat is zoo lang, dochter, gij zult u wel bedenken, dat weet ik zeker. En daarbij, wie is die man? Waar komt hij vandaan? Kent gij hem? Men noemt hem Martial el Tigrero, vota a Dios! Is dat een naam! Die man ja, heeft uw leven gered door uw paard op te houden toen het met u doorging, maar is dat nu eene reden waarom hij op u verlieven moet, en gij op hem? Ik heb hem een schitterende belooning aangeboden, die hij met de meeste verontwaardiging heeft van de hand gewezen; hiermede is alles geëindigd, hij late mij nu met vrede; ik wil niets meer met hem te doen hebben.”

»Hem bemin ik, vader, en geen ander,” hernam zij.

»Hoor eens, Anita, als gij zoo voortgaat verlies ik mijn geduld, het kost mij moeite bedaard te blijven, derhalve genoeg hiervan, en houd u gereed om den graaf de Lhorailles naar behooren te ontvangen. Ik heb gezworen dat hij uw echtgenoot wordt, en bij den hemel! dat zal hij, al zou ik u met geweld naar het altaar voeren.”

De haciendero sprak deze woorden op zulk een vastberaden en onverzettelijken toon, dat Anita terstond begreep liever te moeten zwichten, al was het ook in schijn, dan een redetwist voort te zetten die slechts bitterder kon worden en misschien de ergste gevolgen zou na zich slepen; zij boog dus het hoofd en zweeg, terwijl haar vader met groote stappen en een ontevreden gezicht het salon op en neder trad.

De deur ging open en een peon stak bescheiden het hoofd door de kier.

»Wat wilt gij?” vroeg don Sylva stilstaande.

»Señoria, antwoordde de knecht, »een caballero, gevolgd door vier anderen met eene tafel vol goud, verlangt de señorita te spreken.”

De haciendero wierp een onbeschrijfelijken blik op zijne dochter.

Doña Anita boog in verwarring het hoofd.

Don Sylva dacht een oogenblik na, en toen helderde zijn gelaat op. »Laat hem binnenkomen,” zeide hij.

De peon ging heen, maar keerde een paar minuten later terug ten geleide van onzen ouden kennis Cuchares, altijd in zijn gescheurde zarapé en gevolgd door vier leperos, die een zwaar beladen tafel droegen.

Terwijl Cuchares de zaal binnentrad, nam hij eerbiedig den hoed af, maakte voor den haciendero en zijne dochter eene hoffelijke buiging en wenkte de dragers om de tafel midden in het salon te plaatsen.

»Señorita,” zeide hij op vleienden toon, »señor don Martial, getrouw aan het woord dat hij aan u gaf, verzoekt u nederig het goud aan te nemen dat hij met de monté gewonnen heeft, als een gering bewijs van zijne hulde en gehechtheid aan u.”

»Kerel!” brulde don Sylva toornig, hem een stap te gemoet gaande, »weet gij niet in wiens tegenwoordigheid gij u bevindt?”

»Ja, señor, in tegenwoordigheid van doña Anita en haar eerbiedwaardigen vader,” antwoordde de schelm zonder in ’t minst verlegen te worden, terwijl hij zich statig in zijn geplukten mantel wikkelde, »en zooveel ik weet heb ik jegens geen van beiden den verschuldigden eerbied verzuimd?”

»Vertrek oogenblikkelijk en breng dat goud weer weg, daar mijne dochter niets mede te maken heeft.”

»Verschoon mij, señoria, ik heb dat goud ontvangen om het hier te brengen, en met uw verlof zal ik het hier laten; don Martial zou het mij nooit vergeven als ik anders deed.”

»Ik ken geen don Martial, of hoe gij hem ook noemt die u zendt, ik wil met hem volstrekt niets te doen hebben.”

»Dat kan wel waar zijn, señoria; maar dat gaat mij niet aan, dat moogt gij naar goedvinden zelf met hem uitmaken; wat mij aangaat, nu ik mijn boodschap verricht heb, kus ik u de handen en ga heen.”

En met eene nieuwe buiging voor de beide personages, trad de lepero vol majesteit de salon uit, met afgemeten stappen, gevolgd door zijne vier handlangers.

»Nu mijne dochter,” riep don Sylva buiten zich zelven van drift, »nu ziet gij eens aan welk een hoon ik door uwe dwaasheid blootsta.”

»Een hoon! vader?” antwoordde zij bedeesd: »integendeel, ik vind dat don Martial zich gedraagt als een echt caballero en dat hij mij een groot bewijs van zijne liefde geeft: het is eene onmetelijke som.”

»Ha! zoo,” zei don Sylva toornig, »denkt gij er zoo over! welnu dan zal ik ook doen als een caballero, voto a brios! dat zult gij zien.—Hola! help even!”

Er kwamen eenige peons binnen.

»Zet de vensters open!”

De bedienden gehoorzaamden.

De volksverzameling had zich nog niet verstrooid, een groot aantal menschen stonden nog altijd voor het huis of zwierven in den omtrek.

De haciendero boog naar het venster en keek naar buiten. Hij wenkte het volk, om stilte te verzoeken.

Werktuigelijk zweeg de woelige menigte en trad naderbij, als gevoelde zij dat er voor haar iets van belang zou gebeuren.

»Señores caballeros y amigos!” riep de haciendero met luider stem, »iemand, dien ik niet ken, heeft mijne dochter het goud durven aanbieden, dat hij met de monté gewonnen had. Doña Anita versmaadt zulke geschenken, bovenal wanneer zij van een persoon afkomstig zijn, met wien zij noch door vriendschap, noch door eenige andere betrekking verbonden is. Zij verzoekt mij dit goud, dat zij zelfs niet zou willen aanraken, onder u te verdeelen, ten einde daardoor in het openbaar en voor u allen te bewijzen hoe diep zij den man veracht, die haar zoo heeft durven beleedigen.”

Deze geïmproviseerde toespraak van den haciendero werd door de leperos en andere voor het huis saamgeschoolde bedelaars, die hem met begeerige blikken aanstaarden, met een daverend hoerah beantwoord.

Anita voelde de tranen op hare oogleden branden, ondanks hare uiterste pogingen om zich goed te houden; haar hart dreigde te bersten.

Zonder zich echter om zijne dochter te bekommeren, gaf don Sylva zijne bedienden order om de oncen op straat te werpen.

Toen begon er letterlijk een gouden regen op het verbaasde volk af te dalen: de arme schooiers stormden van alle kanten toe en wierpen zich als razenden op het blinkend metaal als of er in tijd van hongersnood brood uit den hemel viel.

De calle de la Merced bood het zonderlingste schouwspel dat men zich kan verbeelden.

Het regende maar altoos goud, goud, goud, de gele schijven vlogen in alle richtingen, het scheen onuitputtelijk.

De geplukte en gelapte leperos stortten zich als uitgehongerde coyotes op het kostelijk metaal, de sterksten verdrongen de zwakkeren, de zwaksten geraakten onder de voet en werden vertrapt.

Onder het hevigst van deze stortbui kwam er een ruiter in vliegenden galop aanrijden.

Verbaasd over hetgeen hij zag, bleef hij een oogenblik staan om rond te kijken; toen gaf hij zijn paard opnieuw de sporen en door het uitdeelen van karwatsslagen links en rechts, gelukte het hem de dicht opeengepakte menigte te verdeelen, die als een onstuimige zee naar weerszijde der straat uiteenstoof, en zoo baande hij zich een weg naar het huis van den haciendero, dat hij terstond binnen reed.

»Daar is de graaf de Lhorailles,” zeide don Sylva lakonisch tegen zijne dochter.

Werkelijk trad de graaf eenige oogenblikken later de salon binnen.

»Hoe is het met u!” riep hij op den dorpel staan blijvende, »hoe kwaamt gij op dien zonderlingen inval, don Sylva? Bij mijne ziel! gij schijnt u te amuseeren met uwe millioenen het raam uit te werpen, tot groot genoegen der leperos en andere gauwdieven van dezelfde soort.”

»Ah! zijt gij daar, mijnheer de graaf,” antwoordde de haciendero kalm, »ik heet u welkom, en ik ben tot uwe dienst, nog slechts weinige handvollen en ik heb gedaan.”

»Laat ik u niet storen” lachte de graaf, »ik moet bekennen, de grap is recht origineel,” en zich thans tot het meisje wendende, dat hij met de uitstekendste wellevendheid groette, vervolgde hij: »Ei—lieve, señorita, geef mij toch de oplossing van die raadselachtige zaak, want ik verklaar u dat ik er ten hoogste nieuwsgierig naar ben die te hooren.”

»Dat moet gij aan mijn vader vragen, señor,” antwoordde zij met zekere stroefheid, die alle verdere samenspreking onmogelijk maakte.

De graaf hield zich alsof hij deze koele ontvangst niet opmerkte, maakte een statige buiging en wierp zich glimlachend op eene butacca.

»Dan zal ik een weinig wachten,” zeide hij achteloos. »Ik heb geen de minste haast.”

Toen de haciendero aan zijne dochter zeide, dat de man dien hij voor haar bestemde een schoone cavalier was, bleek thans, dat hij geen vleitaal gesproken had. De graaf Maxime Gaëtan de Lhorailles was iemand van hoogstens dertig jaar, lenig en vlug van gestalte en een weinig boven de middelbare lengte. Zijne blonde haren teekenden hem als een zoon van het Noorden; zijne trekken waren schoon, zijn oogopslag vol uitdrukking, zijne handen en voeten droegen het kenmerk zijner afkomst; alles duidde bij hem den edelman van echten stempel aan, en indien dus don Sylva zich in hem evenmin bedroog wat het moreele als wat het uitwendige betrof, was de graaf de Lhorailles een volmaakt cavalier.

Eindelijk had de haciendero al het goud dat door Cuchares was binnengebracht het raam uitgesmeten; op hare beurt vloog thans de tafel die straat op, hij gaf order de vensters te sluiten en keerde in zijne handen wrijvende naar den graaf terug om naast hem te gaan zitten.

»Zie zoo!” zeide hij met een vroolijk gezicht, »dat is afgedaan, nu ben ik geheel tot uwe dienst.”

»Vooraf een woord.”

»Spreek.”

»Neem mij niet kwalijk, gij weet, ik ben vreemdeling, en als zoodanig laat ik mij gaarne onderrichten.”

»Ik hoor u.”

»Sedert ik in Mexico woon heb ik al vrij wat zonderlinge gebruiken gezien, zoo dat ik bijna onvatbaar ben om door iets nieuws getroffen te worden; intusschen moet ik u bekennen, dat hetgeen ik hier in de laatste oogenblikken zag, alles overtreft wat ik tot dusver heb waargenomen. Ik zou gaarne willen weten wat dit beduidt en of het misschien een gebruik is dat mij tot hiertoe ontsnapte.”

»Waar spreekt gij toch van.”

»Wel, hoe kunt gij dat nog vragen, van hetgeen ik u juist zag doen toen ik binnenkwam, dat goud, dat gij met milde hand uitstrooidet en als een weldadige regen over de bandieten en bedelaars van allerlei slag, die zich voor uw huis hadden verzameld, deedt nederruischen; het zijn onder ons gezegd leelijke planten om ze op die wijs te begieten.”

Don Sylva begon te lachen.

»Neen,” antwoordde hij, »dat is geen gewoonte.”

»Zeer goed. Dus was het alleen een vorstelijke tijdkorting om zoo een millioen voor het janhagel te smijten? Te duivel, don Sylva, men moet zoo rijk zijn als gij, om zich zulk eene gril te veroorloven.”

»Dat denkt gij toch niet in goeden ernst.”

»Ik heb intusschen de oncen zien regenen.”

»Dat is zoo, maar ze waren niet van mij.”

»Al mooier en mooier, dat wordt ingewikkeld, gij maakt mij inderdaad meer en meer nieuwsgierig.”

»Ik zal u voldoening geven.”

»Ik ben geheel oor, want het is voor mij zoo onderhoudend als eene Arabische nachtvertelling.”

»Hm!” riep de haciendero hoofdschuddend, »het gaat u misschien nader aan, dan gij vermoedt.”