Part 19
»Geduld! nu ben ik er; toen hebt gij rondgezien en rustten uwe oogen natuurlijk op don Sylva de Torres. Die caballero was nu genegen en bezat al de hoedanigheden die gij in een schoonvader zocht, want uw eerste wensch was het sluiten van een rijk huwelijk. Wat dunkt u! valt gij mij nu nog wel in de rede? ik geloof dat uw eigen historie, die ik u vertel, u thans belang begint in te boezemen. Don Sylva is goed, is lichtgeloovig; wat meer zegt, is ontzaglijk rijk, zelfs voor dit land, waar de fortuinen zoo onmetelijk zijn; bovendien is zijne dochter doña Anita zeer schoon; kortom, gij hebt u bij don Sylva als vriend laten voorstellen, gij hebt hem om de hand zijner dochter gevraagd, en hij heeft u die toegestaan; het huwelijk had zelfs reeds eene maand geleden moeten gesloten zijn. Verdubbel thans uwe aandacht, caballero, want ik kom aan het belangrijkste gedeelte van mijn verhaal.”
»Ga voort, señor, gij ziet wel dat ik voor uw verslag het noodige geduld overheb.”
»Deze beleefdheid zal niet onbeloond blijven, caballero, stel u gerust,” riep de onbekende met een nauwelijks merkbaren zweem van spotternij.
»Ik heb haast om het slot te vernemen, señor.”
»Hier is het: ongelukkig voor uwe plannen, was doña Anita door haar vader op de keus van haar aanstaanden echtgenoot niet gehoord; sinds lang reeds beminde zij in ’t geheim een jongman die haar bij eene zekere gelegenheid een grooten dienst had bewezen.”
»De naam van dien jongman is u zeer zeker bekend, niet waar?”
»Ja, señor.”
»Zeg hem mij.”
»Nog niet; die man beminde haar wederkeerig. De beide jongelieden ontmoetten elkander buiten weten van don Sylva en zwoeren elkaar eene eeuwige liefde. Toen doña Anita door haars vaders bevel gedwongen werd u als haar verloofde te beschouwen, veinsde zij te gehoorzamen, daar zij haar vader geen openlijken weêrstand durfde bieden; doch zij gaf er haar minnaar kennis van en na elkander opnieuw trouw te hebben gezworen, waren zij op een middel bedacht om dat noodlottige huwelijk te verbreken.”
De graaf was intusschen reeds opgestaan en stapte met groote schreden de zaal op en neer; toen hij de laatste woorden hoorde, trad hij naar den onbekende.
»Derhalve,” zeide hij op somberen toon, »was de aanranding in de Rancho....”
»Een middel door uw medeminnaar beraamd om zich van u te ontslaan, ja, señor, zoo is het,” antwoordde de vreemdeling bedaard.
»Die man is dus niets dan een ellendige moordenaar!” hernam de graaf met minachting.
»Gij vergist u, caballero, hij wilde u alleen dwingen om hem het veld ruim te laten, een bewijs daarvan is dat hij, toen uw leven in zijne hand was, u niet heeft gedood.”
»Enfin, moordenaar of geen moordenaar,” riep de graaf, »gij zult mij toch nu zijn naam wel willen noemen, want gij hebt uw verhaal uit, zoo ik meen.”
»Nog niet. Na de ontmoeting in de Rancho zijt gij naar uwe hacienda vertrokken, vergezeld van uw aanstaanden schoonvader en zijne dochter; ook daar heeft de verloofde van doña Anita u geen rust gelaten, en hebben de Apachen u aangevallen.”
»Wat meer?”
»Nog meer? moet ik u dan alles uitleggen? Begrijpt gij dan niet dat die man met de Roodhuiden in verband stond?”
»En wist doña Anita daarvan?”
»Dat durf ik niet verzekeren, maar waarschijnlijk wel.”
»O!”
»Het was fijn gespeeld, niet waar?”
De graaf verbeet zich de lippen dat er het bloed voorstond om niet uit te varen.
»En gij weet door wie doña Anita is opgelicht?”
»Dat weet ik.”
»Niet door de Roodhuiden?”
»Neen.”
»Door dien man zeker?”
»Ja, door hem.”
»Maar haar vader don Sylva de Torres is ook opgelicht.”
»Dat weet ik; maar dat was geheel tegen zijn zin, ik verzeker het u.”
»Waar is don Sylva op dit oogenblik?”
»Veilig en wel in zijn huis te Guaymas.”
»Is zijne dochter bij hem?”
»Neen.”
»Dan is zij bij dezen man, niet waar?”
»Gij gist als een waarzegger.”
»En weet gij waar zij thans zijn?”
»Dat weet ik.”
Snel als een bliksemstraal sprong de graaf op den onbekende, greep hem met de linkerhand bij den kraag en zette hem met de rechter een pistool op de borst.
»Thans, ellendeling,” brulde hij met eene rauwe stem, »zult gij mij zeggen waar zij zijn.”
»Moeten wij dat soort van spel spelen!” riep de onbekende; »ga dan gerust uw gang, caballero.”
Oogenblikkelijk zijn mantel openrukkende, zette hij den graaf met iedere hand een pistool op de borst.
Deze beweging van den onbekende was zoo snel, dat de graaf haar onmogelijk had kunnen beletten. Buitendien was deze reeds tot andere gedachten gekomen. Hij trok zijn wapen terug en stak het weder in zijn gordel.
»Ik was dwaas,” prevelde hij, »vergeef mij die opwelling van toorn.”
»Van ganscher harte,” antwoordde de onbekende terwijl hij de pistolen bedaard naast zich op de tafel legde.
»Nogmaals verschooning,” hervatte de graaf; »nu ik nadenk over hetgeen gij mij gezegd hebt begin ik werkelijk te gelooven dat gij mij eene dienst wil bewijzen.”
De onbekende boog toestemmend.
»Maar één ding is er dat ik niet begrijp.”
»Wat begrijpt gij niet?”
»De wijze hoe gij dit alles zijt te weten gekomen.”
»Dood eenvoudig.”
»Gij zult mij verplichten door mij te zeggen hoe.”
»Met genoegen, caballero. Twee mannen vielen u aan in de Rancho.”
»Ja.”
»Ik ben het die u op den grond wierp.”
»Zoo,” zei de graaf op zonderlingen toon.
»In één woord, ik heet Cuchares; ik ben lepero, dat wil zeggen ik hou meer van de zon dan van de schaduw, van de rust dan van den arbeid en van een dolksteek nu en dan, mits ik er voor betaald word, dan van een goede daad die mij niets opbrengt; begrijpt gij mij?”
»Zeer goed.”
»Dus verstaan wij elkander nu?”
»Dat denk ik wel.”
»Ik ook, en daarom ben ik juist hier gekomen.”
»Nog eene vraag.”
»Toegestaan.”
»Maar op dit oogenblik verraadt gij immers uwe vrienden?”
»Ik! Welke?”
»Degenen die gij tot dusver gediend hebt.”
»Een man als ik, caballero, heeft geene vrienden, hij heeft slechts cliënten.”
»Cliënten of vrienden, gij speelt verraad met hen.”
»Poeh! Wij hebben onze rekening gesloten; zij zijn mij niets meer schuldig en ik hun evenmin; wij zijn quit. Zoo als gij weet, caballero, iedere zaak heeft twee kanten, daar een bekwaam man gelijkelijk zijn voordeel mede weet te doen. Van den eenen heb ik alles gehaald wat ik kon, en nu wil ik eens zien wat mij de andere zal opleveren.”
De graaf hoorde met gemengden schrik en verbazing deze zonderlinge theorie van den lepero; zulk eene ruwe en onbeschaamde hondsvotterij deed hem tegen wil en dank huiveren, ofschoon de graaf de Lhorailles anders niet zeer gevoelig was.
»Wij stellen dus dat gij hier komt om mij een dienst te bewijzen.”
De lepero glimlachte.
»Laten wij elkander wel verstaan: ik heb dat maar zoo gezegd, om het geweten te sparen van de caballeros die zich hier bevonden toen ik inkwam; maar tusschen u en mij zal ik openhartiger zijn.”
»Dat wil zeggen?”....
»Dat ik hier ben gekomen om er u een te verkoopen.”
»Goed.”
»En duur te verkoopen.”
»Goed.”
»Heel duur.”
»Dat maakt weinig uit, als het maar de moeite waard is.”
»Komaan!” riep de lepero vroolijk, »gij zijt een man zoo als ik er juist een dacht te zullen vinden. Welnu, laat het dan maar aan mij over.”
»Ik moet wel, omdat ik niet anders kan.”
»Wat zoudt gij anders willen? Zoo gaat het in de wereld, vandaag is het mijne beurt, morgen de uwe. Bah! om eenige duizend piasters moet men niet knijzen.”
»Dan vooreerst de naam van mijn mededinger.”
»Die naam zal u vijftig oncen kosten, dat zeker niets te veel is.”
»Daar zijn ze,” zei de graaf terwijl hij hem de goudstukken over de tafel toeschoof.
De lepero deed ze oogenblikkelijk in een zijner diepe zakken verdwijnen.
»Uw mededinger, caballero, heet don Martial; hij is Tigrero—tijgerjager—en, wat meer zegt, zeer rijk.”
»Ik meen dien naam door don Sylva te hebben hooren noemen?”
»Wel waarschijnlijk; don Sylva mag hem niet lijden, vooral niet omdat don Martial eens zijne dochter Anita het leven heeft gered.”
»Inderdaad, ik herinner mij deze bijzonderheid; don Sylva heeft er mij meermalen van gesproken. Maar hoe heeft don Martial dat meisje ooit kunnen oplichten?”
»Zeer gemakkelijk, te meer daar zij zelve verlangde hem te volgen. Terwijl gij met de Apachen aan ’t vechten waart bracht hij doña Anita in eene prauw, waarin ik haar vader bereids, gebonden en den mond gestopt, geborgen had; toen zijn wij met ons vieren vertrokken; wij hebben den ganschen nacht op de rivier gezwalkt om geen spoor van onze vlucht achter te laten, en met het krieken van den dag hadden wij ruim vijftien mijlen gemaakt. Wij vreesden toen niet meer ontdekt te zullen worden en gingen aan land; wij kochten paarden van de mansos [20] Indianen. Don Martial gelastte mij den vader van het meisje naar Guaymas te brengen, van welken plicht ik mij met eere gekweten heb. Don Sylva wilde mij niet goedschiks volgen, maar eindelijk kreeg ik hem toch behouden in zijn huis, waar ik hem gelaten heb, om mij weder bij don Martial te voegen die mij gelast had eenige dingen mede te brengen en mij daartoe op zeker afgesproken punt wachten zou.”
»Zoo!” riep de graaf, »en waarom zijt gij dan van hem gescheiden?”
»Mijn hemel! caballero, wij zijn gescheiden zoo als dat vaak met de beste vrienden gebeurt, door een nietig misverstand.”
»Zeer goed; en hij heeft u weggejaagd.”
»Zoo veel als weggejaagd, dat moet ik bekennen.”
»Is het reeds lang sedert gij hem verlaten hebt?”
De lepero kneep het rechteroog dicht.
»Neen,” antwoordde hij.
»Zoudt gij mij kunnen brengen waar hij zich thans bevindt?”
»Ja, zoodra gij wilt.”
»Zeer goed. Is het ver?”
»Neen; maar met uw welnemen, caballero, eerst het een en dan het ander; wilt gij? vraag ik u.”
»Wij zullen zien.”
»Hoe veel geeft gij mij als ik u zeg waar don Martial en doña Anita heen gevlucht zijn?”
»Twee honderd oncen.”
»Geef.”
»Daar zijn ze.”
De graaf nam eenige handen vol goud uit een ijzeren kistje dat in een hoek van de zaal stond en gaf ze aan den lepero.
»Het is pleizierig om met zulke menschen te doen te hebben,” zei Cuchares terwijl hij met ongewone handigheid de nieuwe oncen bij de vorige stak. »Had ik geen gelijk toen ik u zeide dat ik u een dienst kwam bewijzen?”
»’t Is waar, ik zeg u dank; waar zijn nu don Martial en doña Anita?”
»Zij zijn aan den zendingspost San Francisco.. en nu zal ik zoo vrij zijn om afscheid van u te nemen.”
»Nog niet.”
»Waarom niet?”
»Om twee redenen: vooreerst omdat ik ondanks al het vertrouwen dat ik in u stel, volstrekt geen bewijs heb dat gij mij de waarheid hebt gezegd.”
»O!” riep de lepero met eene afwijzende beweging.
»Ik weet wel ik heb ongelijk, maar wat zal ik er tegen doen, ik ben nu eenmaal zoo wantrouwig van aard.”
»Goed, dan blijf ik; maar uwe tweede reden.”
»Luister, ik heb u nog een dienst te verzoeken.”
»Tegen betaling?”
»Dat verstaat zich.”
»Ik luister.”
»Ik geef u honderd oncen als gij mij bij mijn mededinger wilt brengen.”
»Canarios!” riep de lepero.
»Honderd oncen,” herhaalde de graaf.
»Ik versta u wel. Honderd oncen, ’t is een aardig bod! maar gij moet weten, caballero, ik ben een costeno, en daarbij een lepero. Het leven in de prairie deugt niet voor mijn gestel, het bederft mijn gezondheid. Ik heb gezworen het niet langer voort te zetten; de reis van hier naar San Francisco is moeielijk, wij moeten de groote woestijn door. Neen, caballero, alles wel ingezien is het onmogelijk.”
»Dat spijt mij,” antwoordde de graaf onverschillig.
»Ja?”
»Omdat ik u,” vervolgde hij, »in plaats van honderd oncen twee honderd oncen zou gegeven hebben.”
»Zoo!” riep Cuchares de ooren spitsend.
»Maar, daar gij weigert, want gij weigert immers? zal ik tot mijn leedwezen verplicht zijn u te doen doodschieten.”
»Wat b’lieft u?” schreeuwde de lepero bijna van schrik.
»Mijn hemel!” hervatte de graaf goedhalzig, »hoor toch eens, mijn waarde, gij zijt zoo knap in zaken, wie weet, daar gij reeds twee kanten aan deze gevonden hebt, ben ik maar bang dat gij er misschien nog een derden aan zoudt ontdekken.”
En eer Cuchares tijd had om het te beletten, maakte de graaf zich met een gezwinden greep meester van de twee pistolen die op de tafel lagen.
De lepero ontstelde zichtbaar.
»Met uw verlof, met uw geachte verlof, caballero,” riep hij met een haperende stem, »daar gij het zoo bepaald schijnt te verlangen, zou het mij razend veel leed doen als ik u teleurstelde, ik neem de twee honderd oncen aan.”
»Mooi zoo!” riep de graaf. »Ja, ik wist ook wel dat wij het eindelijk samen eens zouden worden.”
Hij ging naar het koffertje om het geld te krijgen, en moest daarbij den lepero den rug toekeeren, zoodat hij den zonderlingen spotlach niet zag die zich op diens lippen bewoog; ware dit anders geweest dan zou hij minder luid victorie gekraaid hebben.
XVIII.
EEN STAP ACHTERWAARTS.
Het verhaal van den lepero, ofschoon in den grond waarheid bevattende, was wat den vorm en de inkleeding betreft geheel valsch en logenachtig. Had hij misschien zijne redenen om den graaf de Lhorailles te misleiden? Dit zal de lezer zelf kunnen beoordeelen wanneer hij ons nieuwe hoofdstuk heeft ten einde gebracht.
Wij zijn dus andermaal genoodzaakt den draad onzer historie te breken en eenige passen terug te keeren.
Na, zooals wij in een der vorige hoofdstukken gezien hebben, als door een wonder aan de handen der Apachen te zijn ontsnapt daar hij zoo ongelukkig in vervallen was, had Cuchares door onder water te duiken, al zwemmende het midden der rivier kunnen bereiken. Toen hij het hoofd weder boven stak om adem te scheppen, zag hij rond; hij was alleen.
De lepero smoorde een vreugdekreet en na een minuut van rijp overleg zwom hij uit al zijn macht naar de wortelboomen, waar don Martial ingevolge het afgesproken signaal, dat hij door den nood gedrongen reeds had gegeven, hem zonder twijfel stond te wachten.
Met eenige krachtige armslagen bereikte hij de wortelboomen, tusschen welke hij zich onmiddellijk onzichtbaar maakte; maar hier wachtte hem eene nieuwe verrassing, de omgekantelde en aan zich zelve overgelaten prauw was met eenige andere stukken drijfhout tegen een boomstam aangedreven en daar blijven steken.
Cuchares, die reeds aan land was gestapt, hoosde de prauw leeg en bracht haar weder te water. Deze kleine vaartuigen, meestal uit berkenschors vervaardigd, die de Indianen met behulp van heet water van den stam weten te scheiden, zijn uiterst licht en laten zich zeer gemakkelijk behandelen.
Nauwelijks was de lepero er mede klaar of er kwam eene schaduw naar hem toe en fluisterde hem in ’t oor:
»Wat komt gij laat.”
De lepero deed een sprong van schrik, maar herkende don Martial; met een paar woorden deelde hij hem mede wat er gebeurd was.
»Alles gaat opperbest, er is niets meê verloren, nu gij weder hier zijt,” antwoordde de Tigrero; »verberg u maar in de wortelboomen en kom onder geen beding te voorschijn, voor dat ik weer hier ben.”
Hij verwijderde zich snel.
Cuchares maakte des te meer haast om te gehoorzamen, daar hij niet ver van hem af het rumoer van den hevigen strijd hoorde die op dit oogenblik tusschen de Franschen en Apachen gestreden werd en in vollen gang was.
Don Martial was intusschen, met een dolk in de hand om op alles gereed te zijn, als een spook naar een dicht boschje van floripondio’s geslopen, waar doña Anita hem bevend verbeidde.
Op het punt van de takken uiteen te schuiven die hem van het meisje afzonderden bleef hij staan, met hijgenden adem en gefronste wenkbrauwen: zij was niet alleen!
Hare stem, hetzij door aandoening of door toorn bewogen, klonk scherp en gebiedend; zij scheen met iemand in gesprek.
Maar met wie? Wie zou haar op deze plek, waar zij zich zoo goed geborgen waande, hebben weten te vinden en naar alle waarschijnlijkheid haar willen overhalen of desnoods dwingen hem te volgen?
De Tigrero luisterde scherp toe.
Weldra bewoog hij zich toornig en dreigend, hij had de stem herkend van den man die met doña Anita sprak: het was haar vader.
Alles was verloren.
De haciendero trachtte zijne dochter te bewegen naar den kant der gebouwen terug te keeren en gebruikte daartoe alle middelen van overreding. Zoo het scheen vermoedde hij iets van de reden waarom zijne dochter zich op deze plaats bevond.
Doña Anita weigerde stellig mede te gaan, verklarende dat zij liever in handen van een Indiaanschen strooper zou willen vallen, dan zich aan het gevaar bloot te stellen dat zij tot iederen prijs wilde vermijden.
Don Martial sloeg zich met de hand op het voorhoofd, een zonderlinge glimlach plooide zijne lippen, zijn oog fonkelde en hij verwijderde zich snel in de richting der rivier.
Inmiddels woedde de strijd steeds voort; nu eens scheen het rumoer nader te komen en hoorde men vloekkreten en verwenschingen, dan eens flikkerde er als bliksemlicht door de lucht en hoorde men de kogels tegen muren of boomen neerkomen, met dat eigenaardig gekletter, dat voor nieuwelingen in den krijg zoo verontrustend is.
»In ’s hemels naam! lieve dochter,” hervatte don Sylva dringender dan ooit, »kom toch, wij hebben geen oogenblik te verliezen, binnen weinige seconden wellicht wordt ons de terugtocht afgesneden; kom toch bid ik u.”
»Neen, vader,” antwoordde zij hoofdschuddend, »ik wacht mijn lot af; wat er ook gebeure, ik zeg u nog eens, ik ga hier niet vandaan.”
»Maar dat is dwaasheid,” riep de haciendero, »wilt gij dan sterven?”
»Wat geef ik om sterven,” riep zij treurig, »ben ik niet op alle manieren veroordeeld? God is mijn getuige, vader, dat ik om het voor mij bestemde huwelijk te ontgaan liever zou willen sterven!”
»Anita, in ’s hemels naam!”
»Wat kan het u schelen, vader, of ik heden den woesten heidenen in handen val, daar gij mij morgen met eigen hand aan een man zult overleveren dien ik verafschuw?”
»Spreek toch zoo niet, meisje. Buitendien, het oogenblik is dunkt mij voor het bespreken van zulk eene zaak zeer slecht gekozen, kom toch meê, het rumoer neemt toe; weldra zal het te laat zijn.”
»Ga maar gerust heen, vader, als gij dat goedvindt,” antwoordde zij ronduit; »maar ik blijf hier, wat er ook moge gebeuren.”
»In dat geval en als gij volstandig weigert mij te gehoorzamen, zal ik de macht gebruiken die ik bezit en u met geweld wegvoeren.”
Het meisje sloeg den linkerarm om een jongen acajou-ceder en keek haar vader aan met een blik van onverzettelijken onwil.
»Waag het maar niet, vader, om het te doen!” riep zij, »want ik zeg u vooruit dat bij den eersten stap dien gij mij nadert gebeuren zal wat gij zoo zeer vreest; ik zal zoo hard schreeuwen dat de heidensche Roodhuiden het hooren en terstond hier zullen komen.”
Don Sylva bleef aarzelend staan; hij kende het vastberaden karakter zijner dochter en wist dat zij in staat was hare bedreiging onmiddellijk ten uitvoer te brengen.
Er verliepen eenige minuten, gedurende welke vader en dochter tegenover elkander stonden, met strakke blikken elkander aankijkend, maar zonder een woord te spreken of een spier te verroeren.
Op eens ontstond er een hevig gekraak in het floripondioboschje, de takken werden met woest geweld uit elkander gebogen, om twee mannen, of liever twee duivels door te laten, die als met tijgersprongen op den haciendero aanvielen en hem op den grond wierpen. Eer nog don Sylva in het schemerende sterrenlicht in staat was zijne onverwachte aanvallers te herkennen, hadden zij hem reeds gekneveld, een prop in den mond gestopt en een doek over het hoofd geknoopt, zoodat hij niets meer zien kon van hetgeen er rondom hem gebeurde, noch weten wat er niet alleen met hem maar ook wat er met zijne dochter gebeuren zou.
Laatstgenoemde door deze plotselinge overrompeling onthutst had een schreeuw gedaan van schrik, maar voorzichtigheidshalve terstond weder gezwegen, daar zij don Martial herkende.
»Stil,” zeide de Tigrero schielijk en zacht, »ik wist geen ander middel om het gedaan te krijgen, maar kom dadelijk mede; uw vader, weet gij, is mij heilig, om uwentwil zal hem geen leed geschieden.”
Doña Anita antwoordde niet.
Op een wenk van don Martial had Cuchares den haciendero op zijne schouders genomen en hem naar de wortelboomen gedragen.
»Waar gaan wij heen?” vroeg doña Anita met eene bevende stem.
»Waar wij zoo ik hoop samen gelukkig zullen zijn,” fluisterde de Tigrero teergevoelig, terwijl hij haar gezwind opnam en op een drafje naar de prauw droeg.
Doña Anita bood geen weerstand, integendeel, zij glimlachte, sloeg haar rechter arm om den hals van den drager, om het evenwicht beter te bewaren, dat bij deze harddraverij over de wortelboomen wel noodig was terwijl don Martial van tak tot tak stapte of sprong, of zich aan de lianen vasthield, met stem en gebaar zijn kostbaren last aanmoedigende.
Cuchares had don Sylva op den bodem der prauw gelegd, en met de pagaai in de hand wachtte hij vol ongeduld de komst van don Martial, daar het gedruisch van den strijd nog scheen toe te nemen, ofschoon uit het wel onderhouden geweervuur en uit de verschillende kreten die men nu en dan hoorde, gemakkelijk was op te maken dat de overwinning aan de zijde der Franschen verbleef.
»Wat zullen wij doen?” vroeg Cuchares.
»Naar het midden der rivier roeien en den stroom afzakken.”
»Maar onze paarden?” vroeg de lepero.
»Redden wij eerst ons zelven, de paarden zullen wij later wel vinden. Het blijkt duidelijk dat de blanken het winnen. Zoodra het gevecht over is, zal de graaf de Lhorailles overal zijne bruid en zijn schoonvader laten zoeken; het is van belang geen sporen achter te laten, anders zijn wij verloren. De Franschen zijn duivels, zij zouden ons zeker terugvinden.”
»Intusschen geloof ik....” begon Cuchares.
»Van wal, zeg ik u,” riep de Tigrero op gebiedenden toon terwijl hij de prauw met een krachtigen schop in het ruime sop duwde.
Zij vertrokken.
De eerste oogenblikken der reis gingen zwijgend voorbij, ieder dacht voor zich zelve na over den zonderlingen toestand waarin zij zich bevonden.
Don Martial had een onmetelijke verantwoordelijkheid op zich genomen door, om zoo te zeggen, op een enkele kaart het geluk zijner beminde en van hem zelven te wagen. Wat hem nog het meeste stof tot bezwaar gaf, daar op den bodem der prauw lag de haciendero; zijn toestand was inderdaad ernstig en de uitkomst moeielijk te vinden.
Doña Anita zat met het hoofd gebogen en met afgetrokken blik; in gedachten verdiept liet zij hare kleine hand over den rand der prauw in het water hangen dat snel langs het boord voorbij schoot.
Cuchares, die uit al zijn macht roeide, dacht ook bij zich zelven na en vond het leven dat hij tegenwoordig leidde alles behalve aangenaam; te Guaymas was hij veel gelukkiger, als hij met het hoofd in de schaduw en de beenen in de zon onder het portiek eener kerk kon liggen en zijn middagslaapje doen, gestreeld door den verfrisschenden zeewind of zacht indommelend onder het geheimzinnig murmelen der branding tegen de keien op het rotsige zeestrand.
Wat don Sylva betreft, men kon niet zeggen dat hij dacht; aan eene stille woede ten prooi, die als zij te lang duurde ontwijfelbaar in razernij moest eindigen, beet hij kwaadaardig op de prop die hem den mond sloot en kromde zich in zijne banden, zonder ze te kunnen verbreken.
De verschillende geluiden van den strijd werden al zwakker en zwakker en hielden eindelijk geheel op.
De reizigers bleven nog een geruimen tijd zwijgen, niet zoozeer verdiept in hun eigen gedachten dan wel weggesleept door de streelende gewaarwordingen eener droomende zwaarmoedigheid, die zoo vaak bij krachtige maar geschokte gemoederen opkomt onder den indruk der roerloos plechtige stilte, ontzagwekkende eenzaamheid en aangrijpende harmonie der Amerikaansche wildernis, wier beschrijving geen menschelijke pen in staat is in al hare grootheid en majesteit weêr te geven.