Part 18
Met het oog op de onberekenbare diensten vroeger door hen bewezen, had de graaf de drie jagers verzocht hem te willen vergezellen; en het zou hem zeer aangenaam zijn geweest zulke onverschrokken kameraden, maar vooral zulke veilige gidsen tot opsporing der Indianen in de hem onbekende wildernis bij zich te hebben; maar don Louis en zijne twee vrienden hadden dit vereerend verzoek zoowel als de daarbij toegezegde schitterende belooningen stellig van de hand gewezen, zonder andere redenen voor hunne weigering op te geven dan dat zij hunne reis noodzakelijk moesten vervolgen, zoodat er niet verder van gesproken werd en zij nog denzelfden dag van den graaf afscheid namen.
Diensvolgens moest de graaf zich met den capataz en zijne peons vergenoegen; ongelukkigerwijs waren al deze mannen costenos, dat is kustbewoners, en dus weinig of in ’t geheel niet bekend met het zoogenoemde terra a dentro of binnenland.
Onder geleide dezer onervaren gidsen was de graaf uit Guetzalli vertrokken den weg inslaande naar het onmetelijk Apacheria.
De onderneming was aanvankelijk niet ongelukkig geweest; binnen de drie eerste dagen werden de Apachen tweemaal door de Franschen achterhaald, overrompeld en geslagen en zonder genade zooveel zij onder hun bereik kwamen in de pan gehakt.
De graaf had daarbij geen gevangenen willen maken, en om den barbaren schrik in te boezemen, al de Indianen die levend in handen der Franschen vielen, onbarmhartig laten doodschieten of aan boomen ophangen.
Evenwel, na deze twee voor hen zoo noodlottige ontmoetingen hadden de Indianen er zoo ’t scheen den schrik van gekregen, en was het den Franschen ondanks al hunne pogingen niet gelukt hen andermaal tot staan te brengen. De onverbiddelijke tucht door den graaf op hen toegepast scheen niet alleen doel te hebben getroffen, maar zelfs verder te zijn gegaan dan hij wenschte, daar de Apachen zich niet meer lieten zien.
Ongeveer drie weken lang had de graaf hun spoor gezocht zonder het te kunnen ontdekken.
Eindelijk echter, midden op den dag vóór dien waarmede, dit hoofdstuk begint, vertoonde zich in de verte op eens een troep van zeven of acht honderd paarden, schijnbaar geheel los en onbereden, want volgens een niet ongewone Indiaansche list lieten de ruiters zich bijna geheel onzichtbaar aan de eene zijde van hun paard afhangen; de troep naderde snel, bereikte binnen weinige minuten de bouwvallen der stad en kwam in vliegenden galop op de Casa Grande af.
Eene losbranding uit klein geweer van achter de in der haast opgeworpen barrikaden, bracht wel is waar wanorde in de gelederen der aanstormende kolonne, maar kon haar onbeteugelde vaart niet stuiten, zoodat de schok voor de Franschen vreeselijk zou zijn.
In een oogwenk had zich daarbij het aanzien der gansche bende veranderd. Al de Apachen hadden zich met bliksemsnelheid opgericht, en nu zag men hen, het half naakte lijf met blauwe en gele strepen beschilderd, het hoofd met de groote vederbossen bekroond, de lange bisonsmantels van hun schouder golvend op den wind, de gespannen boog in de hand, en hunne paarden met de knieën besturende, komen aanrennen, inderdaad in eene houding vol heldenzwier en met een vertoon van krijgshaftigheid die wel in staat was om den dapperste te doen vervaren.
De Franschen wachtten hen echter onverschrokken af, al werden zij schier doof door den vreeselijken oorlogskreet, dien hunne vijanden aanhieven en blind door een wolk van pijlen, die dicht als hagel rondom hen nederkletterden.
Maar de Apachen verlangden evenmin als de Franschen eene bloote schermutseling, het was hun om een beslissenden strijd te doen. Als bij onderlinge afspraak vielen zij op elkander aan met blank geweer.
Te midden dier Indiaansche krijgers was de Zwarte-Beer gemakkelijk te onderkennen aan zijne hooge vederbos en de prachtige arendspennen die er uit opstaken. Het opperhoofd vuurde de zijnen aan om over de jongst geleden nederlagen wraak te nemen door zich van de Casa Grande meester te maken. Alsnu volgde er een van die vreeselijke Amerikaansche grensgevechten, in welke met zooveel verbittering gestreden wordt dat niemand gevangenen maakt of kwartier geeft, en de beide partijen wreedheden begaan die alle beschrijving tarten. De bolas perdidas [19], de bajonet en de lans waren de eenigste wapenen die men bezigde. Dit gevecht, daar de Indianen gedurig versterking kregen, had reeds bijna twee uren geduurd en de verdedigers achter de barrikaden lieten zich liever dooden dan een duimbreed te wijken.
In de hoop dat de Indianen door zulk een langen en hardnekkigen wederstand vermoeid, weldra zouden aftrekken, daar zij reeds schenen te verslappen, verdubbelden de Franschen hunne pogingen, toen zij achter zich op eens den kreet hoorden opgaan:
»Verraad! verraad!”
De graaf en de capataz, die in de voorste gelederen der vrijwilligers en peons vochten als leeuwen, keken om.
Hun toestand werd inderdaad hachelijk, de Franschen zagen zich letterlijk tusschen twee vuren gebracht, daar de Kleine-Panter met een vijftigtal ruiters de stelling was omgetrokken en achter de barrikaden naar binnen drong. Dronken van vreugde dat alles hun zoo goed gelukte, hieven de Roodhuiden een triumfkreet aan die de lucht deed weergalmen.
De graaf liet den blik beslissend over het slagveld rondgaan, zijn plan was onmiddellijk vastgesteld.
Hij sprak eenige woorden met den capataz, die zich weder aan het hoofd der strijders stelde, hun voorschreef wat zij te doen hadden en het gunstig oogenblik afwachtte om ten uitvoer te brengen wat hij met den graaf had afgesproken.
Deze liet intusschen zijn tijd niet ongebruikt voorbijgaan, hij nam een vaatje kruid, stak er een brandende lont in en wierp het midden in den dichtsten drom der Indianen, waar het bijna oogenblikkelijk ontplofte en eene vreeselijke verwoesting aanrichtte.
De Apachen stoven uit elkander en vloden in alle richtingen om door deze nieuwe soort van bommen niet verder verpletterd te worden.
Van dit gunstig oogenblik maakten de belegerden behendig gebruik; op order van den capataz keerden zij zich om en rukten in den stormpas op de Apachen van den Kleine-Panter los, die slechts weinige ellen van hen verwijderd waren, en met hunne vreeselijke knodsen alles neerbeukten wat hun in den weg kwam.
Het terrein was niet gunstig voor de Indianen, die in een nauw slop tusschen muren samengedrongen, met hunne paarden niet geschikt konden manoeuvreeren; maar toch, de Kleine-Panter en zijne Apachen stormden voorwaarts met een huilenden oorlogskreet.
De Franschen, even behendig en dapper als hunne tegenstanders maakten halt en wachtten met gevelde bajonet onversaagd den verpletterenden ruiterdrom af die in vliegenden galop op hen aankwam.
De schok was vreeselijk, maar de Roodhuiden werden overhoop geworpen. Weldra geraakten zij geheel in verwarring, en namen zij in alle richtingen de vlucht.
De graaf liet hen door eenige peons te paard nazetten, die hen dicht op de hielen vervolgden en niet voor den avond terugkeerden.
De Apachen hadden zich eerst eenige mijlen verder weder kunnen vereenigen en waren toen rustig naar de woestijn afgetrokken.
De graaf ofschoon wel voldaan over de behaalde overwinning, want het verlies des vijands was ontzettend groot, beschouwde haar echter niet als beslissend, vooral daar de Zwarte-Beer hem ontsnapt was, en wat meer zegt, daar hij zijn doel niet had bereikt, namelijk het terugvinden van don Sylva en zijne dochter, die hij gezworen had te zullen redden.
Hij gaf zijne cuadrilla (bende) order zich gereed te houden om op te breken, en liet de noodige maatregelen nemen tot het verzekeren van zijn aanstaanden tocht door de wildernis.
Reeds den volgenden morgen zouden de Franschen bepaald hunne stelling in de Casa Grande verlaten.
De graaf vierde met zijne officieren de luisterrijke overwinning van den vorigen dag, en stelde juist een dronk in op het welslagen der onderneming op den volgenden.
Opgewonden door de menigte toasten die hij gedronken had en inzonderheid door de hoop op een goeden uitslag eerlang te voorzien, was de graaf in de allerbeste luim om den zonderlingen gast te ontvangen, dien de oude onderofficier op zijn eigen verantwoording gewaagd had bij hem aan te dienen.
»En wat is dat voor een slag van een man?” vroeg hij, toen de andere zijn boodschap zoo goed of kwaad mogelijk had voorgedragen.
»In ernst, kapitein,” antwoordde de wachtmeester, »zoo veel ik heb kunnen zien, schijnt de kerel nog tamelijk jong, welgemaakt van lijf en leden en vooral begaafd met eene zeldzame vrijpostigheid, om er niets meer van te zeggen.”
De graaf de Lhorailles dacht een oogenblik na.
»Zal ik hem maar laten doodschieten, kapitein,” vroeg de soldaat, die dit stilzwijgen voor eene veroordeeling aanzag.
»Peste! wat slaat gij door, Boilaud,” riep de graaf terwijl hij lachend opkeek. »Volstrekt niet, wij mogen van geluk spreken dat die kerel bij ons kwam. Breng hem integendeel hier, en met de meest mogelijke beleefdheid.”
De wachtmeester boog en verwijderde zich.
»Mijne heeren,” zei de graaf, »gij herinnert u zeker die aanranding wel te Guaymas, daar ik bijna het slachtoffer van werd; die geheimzinnige zaak is mij altijd een raadsel geweest, dat ik niet heb kunnen ontsluieren. De man die mij thans verlangt te spreken komt mij zeker, dat voel ik vooruit, eenige ophelderingen geven over dat tot hiertoe zoo onverklaarbaar feit.”
»Señor conde, neem u in acht,” zeide de capataz, »gij kent de lieden in dit land nog niet; die man komt misschien veeleer om u een nieuwen strik te spannen.”
»Waarom zou hij dat?”
»Quien sabe!”—wie weet,—antwoordde Blas Vasquez met eene gewone Spaansche spreekwijs, die alles beteekenen kan en zich onmogelijk in onze taal laat weêrgeven.
»Ba, ba!” riep de graaf, »laat het gerust aan mij over dien spitsboef te ontmaskeren, als hij, wat ik niet denk, soms een spion is.”
De capataz vergenoegde zich met even de schouders op te halen; de graaf was een van die menschen, wier stellige en hooggestemde manier van spreken geen tegenwerping duldt en alle redeneering onmogelijk maakt.
De Europeanen en vooral de Franschen, nemen in Amerika tegenover de inboorlingen, zoo blanken als mestiezen en Roodhuiden, een toon van hooghartigheid en minachting aan die in al hunne daden en woorden doorstraalt; bewust van hunne verstandelijke meerderheid boven de inwoners des lands, toonen zij hun een beleedigend soort van medelijden en scheppen behagen om hen gedurig belachelijk te maken, te spotten met hunne gewoonten of denkwijzen, en hun ten slotte slechts een min of meer ontwikkeld instinct toe te kennen dan de dieren bezitten.
Dit gevoelen is niet alleen onbillijk, maar tevens geheel bezijden de waarheid. De Spaansch-Amerikanen zijn wel is waar zeer achterlijk wat wetenschappelijke beschaving, nijverheid, werktuigkunde enz. betreft; de ontwikkeling der maatschappij gaat bij hen traag vooruit, daar zij gedurig belemmerd wordt door het veelsoortig bijgeloof dat nevens en met hun geloof opschiet, maar men kan deze lieden niet aansprakelijk stellen voor een staat van zaken die hun zelven mishaagt en waarvan alleen de Spanjaarden de schuld zijn, door het heillooze stelsel van onderdrukking en vernedering, in één woord de looden dwingelandij, die meer dan drie eeuwen op de bevolking heeft gewogen en haar zwoegende onder het juk van trotsche en onverbiddelijke meesters, het karakter van listige, bedriegelijke en lafhartige slaven heeft ingedrukt.
Op enkele zeldzame en loffelijke uitzonderingen na betreft dit inzonderheid de Indianen, want de blanken zijn sedert de laatste jaren op den weg der beschaving met reuzenschreden vooruitgegaan, maar de massa der Indiaansche bevolking, is bepaald listig, oneerlijk en slecht.
Om die reden wordt dan ook de Europeaan wanneer hij zich tegenover een kleurling bevindt, ondanks de verstandelijke meerderheid waarmede hij zich vleit, steeds onvermijdelijk het slachtoffer der list en ontrouw van laatstgenoemden.
Intusschen geldt het in Spaansch-Amerika schier als een geloofsartikel, dat de Indianen en mestiezen arme stumpers zijn, zonder redelijk begrip en alleen begaafd met het noodige verstand om van den eenen dag op den anderen te leven, terwijl de hoogmoedige blanken zich bij uitsluiting den titel geven van gente de razon—redelijke menschen.
Wij moeten hier bijvoegen dat deze hooge dunk bij den Europeaan, na eenige jaren in Amerika te hebben vertoefd merkelijk wordt gewijzigd en dat hij eindelijk geheel anders over de kleurlingen leert denken, naarmate hij beter met den landaard bekend wordt en dagelijks met de mestiezen in aanraking komt. Maar de graaf de Lhorailles was nog zoo ver niet; hij zag in een Indiaan of mesties nog altoos weinig meer dan een redeloos dier, en ging met hen naar dit valsche oogpunt te werk.
Deze dwaling zou later voor hem zeer ernstige en schadelijke gevolgen hebben, gelijk wij nader zien zullen.
De graaf de Lhorailles had het schouderophalen van den capataz niet onopgemerkt gelaten; en was juist gereed hem te antwoorden toen de wachtmeester binnenkwam, gevolgd door den vreemdeling, op wien zich terstond aller oogen vestigden.
De onbekende stond dit kruisvuur van blikken ongehinderd door, en zonder zich van den mantel te ontdoen in welks ruime plooien hij bijna geheel verborgen was, groette hij de aanwezigen met onbetaalbare koelzinnigheid en zwier.
De onverwachte komst van dezen man in de feestzaal maakte bij de gasten een alleronaangenaamsten indruk, daar zij zich geen rekenschap van wisten te geven maar die hen plotseling deed verstommen.
XVII.
DE MESTIES.
Het stilzwijgen, dat al te lang dreigde te zullen duren, begon voor al de aanwezigen lastig te worden. De graaf de Lhorailles begreep zulks. Edelman door merg en been, dat wil zeggen, gewoon om de meest bijzondere en moeielijkste toestanden dadelijk te beheerschen, stond hij op, naderde met een glimlach op de lippen den vreemdeling, reikte hem de hand, en zich toen tot zijne officieren wendende, zeide hij met een allerhoffelijkste buiging en op een toon die zich onmogelijk laat beschrijven:
»Mijne heeren, mag ik zoo vrij zijn u dezen caballero voor te stellen, wiens naam mij tot dusver onbekend is, maar die volgens zijne eigene verklaring een mijner intiemste vijanden moet zijn.”
»O! mijnheer de graaf,” riep de onbekende met eene half gesmoorde stem.
»Vive Dios! ik ben er van gecharmeerd,” riep de graaf, »zoek u toch niet te verdedigen, mijn allerwaardste vijand, en neem hier nevens mij plaats, als ik u verzoeken mag.”
»Uw vijand,” herhaalde de vreemdeling, »die ben ik nooit geweest, mijnheer de graaf; en het beste bewijs is, dat ik twee honderd mijlen ver heb gereisd om u een dienst te komen verzoeken.”
»Zij is u bij voorraad toegestaan,” zei de graaf. »Dus de ernstige zaken tot morgen; neem vooreerst deze champagne, als ’t u b’lieft.”
De onbekende boog, nam het glas, groette de aanwezigen en zei:
»Señores, ik drink het welslagen uwer onderneming.”
Hij zette het glas aan zijne lippen en ledigde het in een enkelen teug.
»Gij zijt een uitmuntende kameraad, caballero, ik dank u voor uw toast, zij belooft ons alles goeds.”
»Wees toch zoo goed, heer kapitein,” riep de luitenant, »en breng ons hoe eerder hoe liever op de hoogte van uwe charmante betrekkingen met dezen caballero.”
»Dat zou ik volgaarne doen, señores, maar dan moet ik dezen caballero, daar hij toch zoo dringend heeft verlangd mij te spreken, vooraf verzoeken zijn incognito te breken, dat, dunkt mij, reeds al te lang geduurd heeft, en hem in de gelegenheid stellen ons zijn naam te zeggen, opdat wij weten wien wij de eer hebben te ontvangen.”
De onbekende begon te lachen, liet de slip van zijn mantel vallen, die tot hiertoe zijn gelaat bedekt had, en antwoordde:
»Met alle genoegen, caballeros, maar ik geloof dat mijn naam evenmin als mijn gelaat u iets leeren zal. Wij hebben elkaar slechts eenmaal ontmoet, señor conde, en toen was het donkere nacht, en het gesprek tusschen u en mijn kameraad zoo levendig dat mijne trekken, zoo gij ze al hebt kunnen zien, u niet diep in het geheugen zullen zijn geprent.”
»Inderdaad, señor,” hernam de graaf, die hem intusschen even nieuwsgierig als nauwlettend had opgenomen, »ik moet bekennen dat ik mij niet kan herinneren u reeds vroeger gezien te hebben.”
»Dat wist ik wel.”
»En waarom,” riep de graaf met drift, »waarom hebt gij dan uw aangezicht zoo zorgvuldig zoeken te verbergen?”
»Ja! mijnheer de graaf, daarvoor had ik misschien mijne goede redenen; wie weet of het u niet te eeniger tijd berouwen zal mij een incognito te hebben doen breken, dat ik waarschijnlijk uit belangstelling in u, liever had willen bewaren.”
Deze ingewikkelde verklaring werd op een gemengden toon van sarcasme en bedreiging uitgesproken, dien niemand ontgaan kon, ondanks de schijnbare onverschilligheid van den onbekende.
»Het maakt weinig uit, señor,” zei de graaf hooghartig, »ik ben een van die menschen, die hun woord met den degen durven gestand doen; zeg mij dus zonder verdere omwegen en uitvluchten uw naam.”
»Welken naam wilt gij van mij weten, caballero? mijn naam als krijgsman, mijn naam als avonturier, mijn naam als.....?”
»Noem dien gij wilt!” riep de graaf ongeduldig, »als wij maar een naam van u mogen hooren.”
De onbekende stond op en wierp een trotschen blik in het rond.
»Toen ik deze zaal binnentrad, caballero,” begon hij met een ferme stem, »heb ik u gezegd dat ik twee honderd uren ver had gereisd om u een dienst of eene gunst te verzoeken, maar ik heb u bedrogen; ik verwacht niets van u, noch dienst noch gunst, integendeel ben ik het die u een dienst wil bewijzen, daarvoor kwam ik hier, en nergens anders om. Waartoe zou het dan dienen dat gij weet wie ik ben, of hoe ik heet, daar ik aan u geene verplichting zal hebben maar gij integendeel aan mij?”
»Zooveel te meer reden, caballero, om u het masker af te lichten; ik wil uwe hoedanigheid als gast, die gij u hier eigendunkelijk aanmatigt, wel in zoover ontzien dat ik u niet met geweld zal dwingen tot hetgeen ik van u verlang, maar onthoud dit: dat ik vast besloten heb u niet aan te hooren en u verzoeken zal onmiddellijk heen te gaan, zoo gij nog langer weigert aan mijne billijke vordering te voldoen, en uw naam te zeggen.”
»Gij zult er berouw van hebben, señor conde,” hervatte de vreemdeling met een spottenden grijns. »Een enkel woord nog; ik ben bereid om mij zelven bekend te maken; maar aan u afzonderlijk, daar hetgeen ik u te zeggen heb door niemand gehoord mag worden dan door u.”
»Wel duivelsch!” riep de luitenant Martin, »dat is bijna niet om te gelooven, zulk volhouden heb ik nog nooit bijgewoond.”
»Ik weet niet of ik mij bedrieg,” beweerde de capataz slim, »maar ik ben zeker dat ik de ontdekking van het gewichtige geheim van dezen caballero grootelijks in den weg sta, en als hij voor iemand hier vreest, dan is het voor mij.”
»Juist geraden, señor don Blas,” hervatte de vreemdeling met eene buiging; »zoo als gij ziet ken ik u. Overigens kent gij mij ook zeer goed, al is het op dit oogenblik, gelukkig voor mij, niet van aanzien, maar bij naam en faam. Welnu, te recht of ten onrechte ben ik overtuigd, dat als ik mijn naam in uwe tegenwoordigheid noemde, gij uw vriend zoudt zoeken over te halen mij niet aan te hooren.”
»En wat zou er dan gebeuren?” vroeg de capataz hem in de rede vallende.
»Een groot ongeluk waarschijnlijk” zei de vreemdeling met eene ferme stem; »wat gij er ook van zeggen of denken moogt, ik ga rond met u te werk, dat ziet gij. Ik wensch den heer graaf niet langer dan tien minuten alleen te spreken; daarna kan hij met het geheim dat ik hem mededeel en met het nieuws dat ik hem breng, doen wat hij goedvindt.”
Er volgde een poosje stilte.
De graaf de Lhorailles bespiedde met scherpzinnigen blik het onverstoorbaar gelaat van den onbekende en stond een poos in beraad.
Eindelijk scheen de onbekende ongeduldig te worden; hij stond op, boog voor den graaf en vroeg:
»Wat moet ik doen, señor, blijven of vertrekken?”
De graaf wierp hem een doorborenden blik toe, dien de ander zonder de minste verlegenheid doorstond.
»Blijf,” zei de graaf.
»Goed,” hernam de onbekende en zette zich weder op zijne butacca.
»Mijne heeren,” vervolgde de Lhorailles tegen zijne gasten, »gij hebt het gehoord; ik neem de vrijheid u eenige minuten belet te geven.”
De officieren stonden op en verwijderden zich zonder een woord te spreken. De capataz ging daarbij het laatste de zaal uit, na den onbekende een van die blikken te hebben toegeworpen, waarmede men iemands hart tot in de diepste plooien zoekt te bespieden. Maar even als vroeger bij den blik van den graaf, bleef het gelaat van den vreemdeling koud en onbewogen.
»Welaan, señor,” hervatte de graaf de Lhorailles tegen zijn gast zoodra de deur gesloten was, »nu zijn wij alleen en wacht ik de vervulling uwer belofte.”
»Ik ben gereed u te voldoen.”
»Wie zijt gij dan en hoe heet gij?”
»Met uw verlof, monseñor,” antwoordde de vreemdeling op een toon van luchtige scherts, »als wij zoo voortgaan zullen wij veel tijd verliezen en zult gij ten slotte niets of althans zeer weinig van mij vernemen.”
De graaf onderdrukte met moeite zijn opkomend ongeduld.
»Vervolg dan maar zoo als gij zelf goedvindt,” zeide hij.
»Goed, op die wijs zullen wij elkander spoedig verstaan.”
»Ik luister al.”
»Hoor dan, señor. Gij zijt in dit land vreemd; nauwelijks een paar jaar in Mexico kent gij weinig of niets van het karakter, de zeden of gebruiken der inwoners. Sterk door de meerdere kennis, die gij in uw eigen vaderland hebt opgedaan, dacht gij bij uwe komst in het onze dat hier alles naar uwe wenschen en begrippen moest geschieden, omdat zoo gij meent uw verstand het onze ver overtreft; volgens dit beginsel zijt gij te werk gegaan.”
»Ter zake, señor, ter zake,” viel de graaf hem met ongeduld in de rede.
»Zachtjes aan, señor, ik vervolg. Voortgeholpen door veelvermogende beschermers werdt gij reeds dadelijk in een allervoordeeligsten toestand geplaatst. Gij hebt een heerlijke kolonie gesticht in de rijkste provincie van Mexico aan de grenzen der woestijn; daarop hebt gij van de regeering den rang van kapitein gekregen, met het recht om eene vrij-kompagnie op te richten, samengesteld uit uwe eigene landgenooten en bijzonder bestemd om jacht te maken op de Apachen, Comanchen enz.; dat laat zich begrijpen, wij Mexicanen zijn daartoe veel te lafhartig.”
»Señor, señor, ik moet u onder het oog brengen dat al wat gij mij daar zegt minstens overbodig is,” riep de graaf gebelgd.
»Niet zoo overbodig als gij wel denkt;” hernam de andere altoos onverstoord; »maar houd u bedaard, ik heb gedaan, en ik kom eindelijk op het punt dat u bijzonder aanbelangt; ik heb u alleen willen doen zien dat, al kent gij mij niet, ik u daarentegen veel beter ken dan gij wel dacht.”
Om niet in drift uit te breken sloeg de graaf met de vuist op de tafel en wiegelde onrustig met het rechter been over het linker.
»Ik hervat,” vervolgde de onbekende. »Toen gij in Mexico aanlanddet hebt gij zeker hoe groot uwe eerzucht ook was, niet kunnen denken dat gij binnen zoo korten tijd zulk eene schitterende positie zoudt verwerven. Gemakkelijk verkregen fortuin is gevaarlijk; het te veel van gisteren is niet genoeg voor heden, en zoodra gij gezien hadt dat alles u zoo vlotte, hebt gij met een enkelen meesterlijken zet uw werk willen bekroonen en u voor altijd in veiligheid willen stellen tegen de nukken der fortuin, die heden uwe slavin is, maar morgen u wellicht den rug toekeert. Ik misprijs u niet, verre van daar, gij hebt meesterlijk gespeeld en daar ik zelf een trage speler ben, weet ik in anderen een talent te waardeeren dat ik zelf niet bezit.”
»O!” riep de graaf bijna opvliegend.