De graaf de Lhorailles

Part 17

Chapter 173,905 wordsPublic domain

De graaf Prébois Crancé, anders gezegd don Louis, en Goedsmoeds, die, zooals wij weten, rechtstreeks naar de hacienda waren gegaan, en er dus eenige uren vroeger aankwamen, hadden daar met don Sylva de Torres en den graaf de Lhorailles reeds een langdurig gesprek gehad, waarin zij hem mededeelden door wien en op welke wijs zij te weten waren gekomen dat de Indianen een aanval op de kolonie zouden doen, hoe de zelfde man die hen hiervan zoo goed onderricht had, na hen eerst in zekeren zin gedwongen te hebben zich in eene gevaarlijke onderneming te mengen, welke hun volstrekt niet aanging, hen zonder eenige blijkbaar geldige reden eensklaps verlaten had, onder het nietige voorwendsel dat hij even naar Guaymas terug moest, waar, zoo hij zeide, allergewichtigste zaken zijne tegenwoordigheid voor een oogenblik vereischten.

Deze nieuwtjes hadden op de beide heeren een levendigen indruk gemaakt; vooral don Sylva kon zijn toorn niet bedwingen, toen hij hoorde dat die persoon niemand anders was dan don Martial; hij kwam reeds dadelijk op het vermoeden dat de Tigrero zeker plan had gevormd om van de verwarring gebruik te maken en doña Anita op te lichten. De haciendero wilde echter zijn aanstaanden schoonzoon niets van dezen argwaan doen blijken, zich voorbehoudende om hem zoo het noodig was, op het juiste oogenblik te waarschuwen, daar hij vreesde dat er onder het overhaast vertrek van don Martial een krijgslist verscholen lag.

Goedsmoeds berichtte hem bovendien in welke stelling hij den capataz en zijne peons had geplaatst, en welke taak de Arendskop had op zich genomen, waarvan hij waarschijnlijk den uitslag weldra aan de hacienda zelf zou komen melden.

De graaf de Lhorailles betuigde zijn warmen dank aan deze twee mannen, die zonder hem te kennen hem zulke gewichtige diensten kwamen bewijzen; hij liet hun terstond de noodige ververschingen voorzetten, en verwijderde zich om aan zijn luitenant order te geven hem te waarschuwen, zoodra zich een Indiaan als parlementair zou aanmelden.

Ook don Sylva verwijderde zich, schijnbaar met oogmerk om zijne dochter gerust te stellen, maar eigenlijk om zich met eigen oog van de waakzaamheid der wachtposten aan de achterzijde der hacienda te overtuigen.

Toen de Indianen een half uur later een aanval op de landengte deden, waren de Franschen dus op hunne hoede en werden zij door de bezetting zoo warm ontvangen, dat zij reeds bij den eersten stoot genoeg hadden en de dwaasheid hunner onderneming inziende, met groot verlies en in wanorde terugtrokken, gelijk wij den lezer reeds in een vorig hoofdstuk beschreven hebben.

De graaf de Lhorailles zat nog met don Louis en Goedsmoeds te praten over de bijzonderheden van het gevecht en verwonderde zich over het lang uitblijven van don Sylva, die sedert een uur reeds verdwenen was, zonder dat men wist waarheen, toen de luitenant Leroux de zaal binnentrad.

»Wat wilt gij?” vroeg hem de graaf.

»Kapitein,” antwoordde hij, »er staan twee Indianen aan den buitenwal, met verzoek om binnengelaten te worden.”

»Twee?” riep Goedsmoeds.

»Ja, twee.”

»Dat is vreemd,” zei de Canadees.

»Hoe zouden wij doen?” vroeg de graaf.

»Zelf gaan, om te zien wie zij zijn.”

Zij gingen terstond naar de batterij.

»Welnu, Goedsmoeds, wat dunkt u,” zei de graaf.

»Wel, mijnheer de graaf, een van de twee is zonder twijfel de Arendskop; maar den andere ken ik niet.”

»En wat denkt gij er van?”

»Dat wij ze binnen zullen laten. Daar die tweede Indiaan, die een opperhoofd schijnt te zijn, met den Arendskop mede komt, kan hij niets anders zijn dan een vriend.”

»Goed dan.”

De graaf gaf de wacht een wenk; de valbrug werd nedergelaten en de twee Indianen kwamen binnen.

De sachems groetten de aanwezigen met de natuurlijke waardigheid die hun ras en hun rang onderscheidt, daarna, op verzoek van Goedsmoeds, deed de Arendskop verslag van zijne volbrachte taak.

De Franschen hoorden hem met aandacht en bewondering aan, niet alleen wegens de behendigheid waarmede hij was te werk gegaan maar ook wegens zijn daarbij betoonden moed.

»Intusschen,” vervolgde het opperhoofd ten slotte, »heeft de Spotvogel den misslag erkend waartoe hij zich door blinden haat had laten vervoeren; hij heeft het verbond dat hij met de Apachen gesloten had reeds verbroken om zijn vader den Arendskop te volgen, en zijne fout weder goed te maken. De Arendskop is een sachem, zijn woord is als graniet; hij stelt drie honderd Comanchen-krijgslieden ter beschikking van zijn blanken broeder.”

De graaf de Lhorailles keek den Canadees weifelend aan; daar hij de listige streken der Indianen kende, huiverde hij zich aan hen toe te vertrouwen.

Goedsmoeds haalde even de schouders op.

»De groote hoofdman der blanken zegt zijn broeder den Arendskop dank,” zeide hij, »hij neemt diens aanbod met blijdschap aan. Zijne hand zal steeds open en zijn hart rein zijn voor de Comanchen. Het oorlogsdetachement dat mijn broeder mij aanbiedt zal in twee afdeelingen worden gesplitst, de eene onder het kommando van den Spotvogel, zal zich aan gene zijde der rivier in hinderlaag stellen om de Apachen den aftocht af te snijden, de andere gaat met den Arendskop naar de hacienda om de bleekgezichten te ondersteunen; op het eiland, op twee boogschot afstand van de groote hut, zijn gewapende Yoris verscholen; deze zullen den Spotvogel vergezellen.”

»Goed,” antwoordde de Arendskop; »het zal geschieden zooals mijn broeder verlangt.”

De beide opperhoofden namen afscheid en vertrokken.

Goedsmoeds legde nu den graaf uit, welke schikkingen hij met den sachem der Comanchen getroffen had.

»Duivelsch!” riep de Lhorailles, »ik moet u bekennen dat ik in die Indianen geen het minste vertrouwen stel. Zooals gij weet is verraad hun geliefkoosd wapen.”

»Gij kent de Comanchen nog niet, vooral kent gij den Arendskop niet. Ik neem de verantwoordelijkheid van alles op mij.”

»Handel dan naar uw goeddunken; ik ben u te veel verschuldigd om uwe plannen tegen te werken, vooral daar ik weet dat gij mijn voordeel zoekt.”

Goedsmoeds ging den capataz zelf verwittigen van de verandering die in het verdedigingsplan was gekomen.

De Spotvogel en zijne honderd en vijftig krijgslieden, thans met de veertig peons vereenigd, trokken dadelijk de rivier over en verscholen zich in hinderlaag achter de wortelboomen op den anderen oever, gereed om op het eerste signaal te voorschijn te komen.

Een tiental Franschen met den Arendskop en den tweeden troep Indianen werden ter verdediging bij de landengte gelaten, aan welke zijde men het minste gevaar van aanval vreesde: al de overige kolonisten verspreidden zich in de dichte boschjes achter de hacienda, met bevel om tot het eerste uur onzichtbaar te blijven. Voorts, toen alles geregeld en overal de noodige schikkingen genomen waren, wachtten de graaf de Lhorailles en zijne kameraden met kloppende harten den storm der Apachen af.

Zij behoefden niet lang te wachten. Wij hebben hierboven reeds gezien hoe de Zwarte-Beer zou ontvangen worden.

Het Apachenhoofd was moedig als een leeuw: zijn volk bestond uit uitgelezen strijders. De schok der bestorming was vreeselijk; de Roodhuiden gaven geen duim breed kamp.

Ofschoon krachtdadig afgeslagen keerden zij telkens tot den aanval terug, en streden met den moed der vertwijfeling man tegen man tegen de Franschen, die ondanks hunne dapperheid, krijgstucht en de meerdere voortreffelijkheid hunner wapenen, niet in staat waren om hen te doen wijken.

De strijd ontaardde weldra in een vreeselijke slachting; men greep elkander aan met blank geweer, met dolken, messen en sabels zonder kamp of kwartier te geven. Goedsmoeds begreep nu dat het tijd werd om een beslissenden slag te wagen, ten einde het met die duivels uit te maken, die onoverwinnelijk en onkwetsbaar schenen. Hij wendde zich tot Louis, die aan zijne zijde streed, en fluisterde hem eenige woorden in.

De Franschman maakte zich van den bijzonderen vijand af, daar hij mede vocht, en liep hard weg.

Eenige minuten later hoorde men den ontzettenden oorlogskreet der Comanchen en vielen laatstgenoemden, die als een bergstroom kwamen aanrollen, met gedrilde lans en zwaaiende strijdbijl als tijgers op de Apachen aan.

In het eerste oogenblik meende de Zwarte-Beer dat zij hem ter hulp kwamen, hij beschouwde dus de kolonie zoo goed als genomen en in de macht zijner bondgenooten; maar weldra had hij zijne dwaling ingezien, en nu werd de moed der Apachen dadelijk geknakt; er ontstond verwarring in hunne gelederen; zij aarzelden en wankelden; eindelijk gaven zij den storm op, keerden de hacienda den rug toe, wierpen zich in den stroom en lieten meer dan twee derden der hunnen dood op het slagveld achter.

De kolonisten vergenoegden zich met den vluchtelingen eenige ladingen schroot achterna te zenden; wel overtuigd dat zij niet aan de hinderlaag zouden ontsnappen die hen op den terugweg den pas moest afsnijden.

Werkelijk hoorde men binnen weinige minuten, in de verte het kleingeweervuur der peons, vermengd met den oorlogskreet der Comanchen.

In deze mislukte onderneming had de Zwarte-Beer in minder dan een uur de bloem zijner vermaardste strijders verloren: het opperhoofd zelf, met wonden overdekt en slechts van een tiental der zijnen vergezeld, ontkwam te nauwernood aan de slachting.

De overwinning der Franschen was volkomen. Dank zij dit glorierijk wapenfeit, was de kolonie voor langen tijd tegen de aanvallen der Roodhuiden beveiligd.

Eerst nadat de strijd op alle punten geëindigd was en de daardoor ontstane verwarring had opgehouden, miste men don Sylva en zijne dochter, en zocht men hen overal te vergeefs; beiden waren spoorloos verdwenen, zonder dat iemand vermoeden kon hoe of waarheen. Dit geheimzinnig en onverklaarbaar feit bracht alle gemoederen in de kolonie in beweging en deed de vreugde der overwinning in rouw verkeeren, want eene enkele gedachte bezielde allen:

»Don Sylva en zijne dochter zijn door den Zwarte-Beer opgelicht.”

Toen de graaf de Lhorailles na het nauwkeurigst onderzoek zich gedwongen zag te erkennen, dat de haciendero en zijne dochter inderdaad verdwenen waren zonder het minste spoor achter te laten, ontstak hij met al de drift van zijn onstuimig karakter in woede tegen de Apachen, en zwoer met een duren eed, dat hij hen onmiddellijk zou nazetten en ten bloedigste vervolgen, tot het meisje terug zou zijn gevonden, dat hij reeds als zijne vrouw beschouwde en wier verlies met een enkelen slag de schitterende toekomst vernietigde die hij zich gedroomd had.

XVI.

DE CASA GRANDE DE MONTECUZOMA.

In een verwijderd tijdperk, misschien duizend en meer jaren geleden, toen de aloude Azteken, als door eene onzichtbare hand geleid, zonder bijna zelf te weten waarheen, uit het verre noorden zuidwaarts trokken, naar de hooge bergvlakte van Anahuac, waar zij later het machtige rijk van Mexico hebben gesticht, hielden zij wel is waar dat onbekende zoo vurig door hen begeerde land standvastig in ’t oog, maar vonden zij nu en dan goed hunnen tocht te staken, alsof zij door vermoeienis en ontberingen uitgeput op eens de hoop lieten varen het doel hunner reis immer te zullen bereiken.

Alsdan, in plaats van op de plek waar deze vermoeidheid hen overviel eenvoudig hun kamp op te slaan, vestigden zij er zich als hadden zij geen plan meer om verder te trekken en bouwden er vaak steden en dorpen.

Thans, na verloop van zoo vele eeuwen, terwijl het volk zelf dat deze steden heeft gesticht reeds sedert lang van den aardbodem verdwenen is, wekken hare bouwvallen, die over eene ruimte van meer dan duizend mijlen verspreid liggen, nog altijd de bewondering van den vermetelen reiziger die trots tallooze gevaren het waagt deze afgelegen streken te bezoeken.

Een der merkwaardigste van deze bouwvallen is ontegenzeggelijk die, welke bekend onder den naam van de Casa Grande de Montecuzoma zich op ongeveer twee kilometers afstand van de slijkerige oevers der Rio Gila verheft, in eene woeste onherbergzame streek, aan de grens der vreeselijke zandwoestijn, de zoogenaamde del Norta.

De grond waarop dit gebouw werd gesticht, is aan alle zijden open en vlak.

De ruïnen der stad, die er om heen liggen, strekken zich zuidwaarts meer dan vier kilometers ver uit, en in de overige richtingen is het terrein allerwege met gebroken aardewerk van allerlei soort: vazen, kannen, borden enz. als bezaaid; eene menigte dezer scherven zijn met verschillende kleuren beschilderd, hetzij wit en blauw, of geel en rood, hetgeen in ’t voorbijgaan gezegd, duidelijk bewijst niet alleen dat die stad in zekere mate beschaafd was, maar tevens dat zij bewoond werd door Indianen van gansch ander ras dan die welke thans in deze streken rondzwerven, bij welke de kunst van pottenbakken geheel onbekend is.

De Casa Grande vormt een langwerpig vierkant, juist in de richting der vier hoofdstreken van het kompas.

Het geheel is omgeven door een muur, die niet alleen dit huis maar ook andere gebouwen insluit, waarvan nog duidelijke sporen zijn overgebleven, want achter het hoofdgebouw ligt eene ruïne van eene verdieping hoog en in verscheidene kamers verdeeld.

De Casa Grande is deels van aarde gebouwd en de muren zoo veel men zien kan van pleisterklei, in blokken van verschillende grootte: zij schijnt drie verdiepingen te hebben gehad boven den grond, maar de inwendige betimmering is sedert lang verdwenen.

De zalen, vijf in getal op elke verdieping, werden, althans naar de overblijfsels te oordeelen, alleen verlicht door de deur en eenige ronde gaten in de muren die op het oosten en westen uitzien.

Door deze openingen keek, volgens de overlevering, de mensch Amer—el hombre Amargo—zoo als de Indianen den souverein der Azteken noemen, naar de zon uit, om haar des morgens en des avonds bij op- en ondergang te begroeten.

Een kanaal, dat thans bijna geheel droog ligt, stond in verband met de rivier en diende om de stad van water te voorzien.

De bouwvallen der Casa Grande liggen doorgaans eenzaam en verlaten en bieden een tooneel van akelige doodstilte. Zij brokkelen langzamerhand weg voor den gloed der tropische zon die ze verteert en verkoolt, en strekken tot een ongestoord verblijf voor afschuwelijke roofvogels, gieren en urubus.

De Indiaan vermijdt met opzet deze sombere streek te bezoeken, afgeschrikt door zekere bijgeloovige vrees, daar hij zich geen reden van weet te geven.

Maar wat hier ook van wezen mag, zooveel is zeker, dat een Indiaansch krijgsman, Comanch, Sioux, Apache, of Pawnie, wanneer hij toevallig hetzij op de jacht of door eenige andere aanleiding, in den nacht van den vierden op den vijfden der zoogenaamde Champasciasoni—kersenmaan—dat is ongeveer eene maand na de boven door ons verhaalde gebeurtenissen, deze geheimzinnige ruïne genaderd ware, hij ongetwijfeld door schrik overstelpt, zoo snel als zijn paard hem dragen kon het vreemde schouwspel zou ontvloden hebben dat hij er in dien nacht te zien kreeg.

Verbeeldt u een helder blauwen, door de volle maan verlichten en met sterren bezaaiden hemel, waartegen het aloude paleis der Azteken koningen zijn reusachtige schaduw scherp afteekende. Uit al de gaten en scheuren, hetzij door de hand des tijds of der menschen in zijne vervallen muren ontstaan, straalt een gloed van roodachtig licht, terwijl uit de spookachtig verlichte kamers het luidruchtig gezang, geschreeuw en gelach onophoudelijk opgaat, zoodat de wilde dieren, door het ongewone verschijnsel uit hunne holen opgeschrikt of op hunne nachtelijke rooftochten gestoord, huilend en brullend in alle richtingen de vlucht nemen. Binnen den ringmuur, tusschen de bouwvallen, zag men in het bleeke maanlicht eene menigte donkere gestalten van menschen en paarden zich bewegen, of rondom groote hier en daar verspreide vuren gegroepeerd, terwijl een tiental welgewapende ruiters, op lange lansen geleund, als bronzen standbeelden onbeweeglijk voor de poorten van den ringmuur op post stonden.

Was het inwendige der ruïne licht en leven, daar buiten was alles stilte en duisternis.

Intusschen verliep de nacht, de maan had haar loop reeds voor twee derden volbracht, de niet langer aangehouden vuren gingen het een na het andere uit; alleen in het oude huis bleef het licht branden als een sombere vuurbaak in de duisternis.

Op dit oogenblik hoorde men in de verte den snellen en regelmatigen galop van een paard op de zandvlakte dof weergalmen.

De schildwachts, die als vedetten aan den ingang stonden, hieven hunne door slaap bezwaarde of door de koelheid der eerste morgenuren bevangen hoofden op en wendden den blik naar dien kant waar het gedruisch vandaan kwam.

Weldra verscheen er een ruiter aan den hoek van het pad dat naar de ruïne leidde.

De onbekende, zonder zich om het vreemde schouwspel te bekommeren, reed recht op het huis aan.

Hij overschreed den buitensten kring der bouwvallen en ongeveer binnen tien passen de schildwachts genaderd, bleef hij staan, steeg af, wierp de teugels op den hals van zijn paard, en zonder er zich verder mede op te houden stapte hij met een vasten tred naar de schildwachts, die altijd stom en roerloos stonden.

Nauwelijks echter was hij hen tot op twee sabellengten genaderd, of al de lansen daalden tegelijk en vereenigden zich op zijne borst, terwijl een ruwe stem riep:

»Halt!”

De onbekende bleef staan zonder te antwoorden.

»Wie zijt gij? en wat wilt gij?” hervatte de schildwacht.

»Ik ben een costeno [18]; ik heb een verre reis gemaakt om uw chef te zien, dien ik gaarne zou willen spreken,” antwoordde de onbekende.

In het flauwe en onzekere maanlicht was het den ruiter reeds moeielijk de trekken van den spreker te onderscheiden, maar het werd hem geheel onmogelijk gemaakt door dat deze zich tot over de ooren in zijn mantel had gewikkeld.

»Hoe is uw naam?” vroeg hij hem wrevelig, toen hij zag dat al zijne pogingen vruchteloos bleven.

»Waar zou dat toe dienen? Uw chef kent mij niet, mijn naam zou hem dus weinig baten.”

»Wie weet? maar dat is uwe zaak; bewaar uw incognito als gij dat goedvindt; alleen moet gij u dan getroosten dat ik u niet bij den kapitein toelaat; hij zit op dit oogenblik met zijne officieren aan het souper en zal zich dus zoo diep in den nacht niet laten storen om een onbekende te spreken.”

»Wie weet? zeg ik u op mijne beurt,” hernam de andere gevat; »hoor eens, gij zijt een oud soldaat, niet waar?”

»Ik ben het nog,” antwoordde de kavalerist, zich fier in den zadel zettende.

»Ofschoon gij zeer goed Spaansch spreekt, meen ik toch een Franschman te herkennen.”

»Ik heb de eer het te zijn.”

De onbekende lachte in zijn vuist. Hij gevoelde zijn man beet te hebben, daar hij zijne zwakke zijde gevonden had.

»Ik ben alleen,” hervatte hij; »gij zijt ik weet niet met hoevele kameraden, laat mij den kapitein spreken; waar zoudt gij voor vreezen?”

»Voor niets; maar mijne orders zijn stellig, ik kan ze niet breken.”

»Wij zijn hier in het hartje van de wildernis, meer dan honderd mijlen ver van iedere beschaafde woning,” zei de onbekende volhoudend; »gij kunt wel begrijpen dat ik ernstige drangredenen gehad heb om de gevaren van zulk een verren tocht te trotseeren, voor een onderhoud van weinige oogenblikken met den graaf de Lhorailles. Zoudt gij mij nu in het gezicht der haven laten schipbreuk lijden, nu er slechts een weinig beleefdheid van uwen kant noodig is om mij het beoogde doel te doen bereiken?”

De schildwacht aarzelde: de redenen door den onbekende aangevoerd hadden hem reeds half overtuigd, maar na eenige seconden beraad antwoordde hij hoofdschuddend:

»Neen, ’t kan onmogelijk; de kapitein is zoo streng: ik zou niet gaarne mijne wachtmeestersstrepen verbeuren; al wat ik voor u kan doen, is u verlof geven, hier met de kameraden onder den blauwen hemel te kampeeren tot morgen. Zoodra de dag aanbreekt, komt de kapitein zelf naar buiten, dien kunt gij dan zelf spreken en uw eigen zaken met hem regelen, dan gaat het mij niet meer aan.”

»Hm!” zei de vreemdeling, »dat is nog zoo lang.”

»Bah!” riep de wachtmeester onbekommerd, »de nacht is spoedig voorbij; daarbij is het uw eigen schuld; gij hebt zulke geheimzinnige manieren, dat men wel een beetje huiverig zou worden; wat duivel! men dient toch zijn naam te zeggen.”

»Maar ik herhaal u, dat uw kapitein hem nooit heeft hooren noemen.”

»Bah! wat kan u dat schelen? Een naam is altijd een naam.”

»Wacht!” riep de onbekende; »ik geloof dat ik er een middel op gevonden heb.”

»Laat hooren uw middel; als het goed is zal ik er gebruik van maken.”

»’t Is uitmuntend,”

»Zooveel te beter! spreek op.”

»Zeg aan uw kapitein, dat de man die een maand geleden in de Rancho te Guaymas een pistool op hem gelost heeft, hier is en hem verlangt te spreken.”

»Wat zegt gij?”

»Hebt gij mij niet verstaan?”

»Integendeel, al te goed.”

»Welnu, waar wacht gij dan op?”

»Te duivel! onder ons gezegd, vind ik uwe aanbeveling alles behalve voldoende.”

»Zoudt gij dat denken?”

»Parbleu! het scheelde maar weinig of hij was toen door u vermoord. Ei, ei! waart gij dat?”

»Ja, ik, en nog iemand.”

»Ik maak u mijn kompliment, waarlijk.”

»Dank u; nu, gaat gij nog al niet?”

»Ik moet u bekennen dat ik aarzel.”

»Gij doet verkeerd; de graaf de Lhorailles is een kordaat man, aan wiens gevoel van eer niet te twijfelen valt. Hij kan onze ontmoeting niet anders dan in gunstig aandenken hebben gehouden.”

»Alles wel overwogen is het mogelijk dat gij gelijk hebt, en daar gij een vreemdeling zijt, zou ik het mij zelven kwalijk nemen als ik u zulk een kleinen dienst weigerde; ik ga dus. Blijf hier staan wachten, maar wees niet ongeduldig, want ik beloof u niet stellig dat ik slagen zal.”

»Ik ben er zeker van.”

»Ik mag het lijden.”

De oude knevelbaard steeg af, haalde de schouders op en stapte het huis in.

Hij bleef vrij lang weg.

De vreemdeling scheen aan het gelukken van zijne boodschap niet te twijfelen, want zoodra de wachtmeester verdwenen was, naderde hij de deur reeds.

Na verloop van tien minuten kwam de onderofficier terug.

»Wel,” vroeg de onbekende, »wat heeft de kapitein u geantwoord?”

»Hij heeft gelachen en mij gelast u binnen te leiden.”

»Ziet gij nu wel dat ik gelijk had.”

»’t Is waar! maar dat doet er niet toe, het was altijd een wonderlijk soort van aanbeveling, eene poging tot moord!”

»Een eerlijke ontmoeting,” verbeterde de onbekende.

»Ik weet niet hoe gij die dingen hier noemt, maar in Frankrijk noemen wij zoo iets een schelmstuk. Wilt gij medegaan?”

De vreemdeling antwoordde niet, hij bepaalde zich bij schouder ophalen en volgde den eerlijken soldaat.

In een verbazend ruime zaal, welker ontkalkte muren in puin dreigden te storten terwijl het blauwe sterrendak haar tot zoldering diende, zaten vier mannen met krachtige gelaatstrekken en fonkelende blikken, rondom eene tafel, waarop een luisterrijk souper was aangericht, voorzien van alles wat weelde en gemak tot streeling der zinnen kan opleveren.

Deze vier mannen waren de graaf de Lhorailles en de officieren van zijn staf, namelijk de luitenants Diego Leon, Martin Leroux, en de oude capataz van don Sylva de Torres, Blas Vasquez.

De graaf de Lhorailles kampeerde met zijne vrijcompagnie sinds vijf dagen in de Casa Grande van Montecuzoma.

Na den aanval der Apachen op de kolonie had de graaf, in de hoop van zijne bruid terug te vinden, die op zoo geheimzinnige wijze gedurende het gevecht verdwenen en waarschijnlijk door de Indianen was opgelicht, onmiddellijk besloten om den last te volbrengen dien hij sedert lang van de regeering ontvangen en tot hiertoe had uitgesteld, onder min of meer geldige voorwendsels, maar eigenlijk omdat hij zich, hoe dapper hij anders wezen mocht, ongaarne met de Roodhuiden wilde meten, die zoo geducht en zoo moeielijk te overwinnen zijn, vooral als men ze op hun eigen grondgebied aantast.

De graaf had twee honderd twintig Franschen uit de kolonie vereenigd, waarbij de capataz, die almede brandde van verlangen om zijn meester en diens dochter te bevrijden, dertig kloeke peons voegde, zoodat de getalsterkte thans twee honderdvijftig welgewapende en strijdlustige mannen bedroeg.