De graaf de Lhorailles

Part 16

Chapter 163,830 wordsPublic domain

Hier werd hun gesprek, dat voortaan noodeloos was geworden, plotseling afgebroken; te meer daar de Apachen snel den oever naderden. Zij hadden de meeste boomen daar zij op verdeeld waren laten drijven en zaten thans bij ploegen van tien of twaalf op een gering aantal der dikste stammen vereenigd.

Op de hacienda was alles doodstil, er brandde zelfs geen licht, men zou gezegd hebben dat het huis geheel verlaten was.

Deze diepe stilte kwam den Zwarte-Beer zeer verdacht voor; hij meende er de voorbode van een aanstaanden storm in te zien. Alvorens zich nu aan eene ontscheping te wagen, wilde hij zich met eigen oog van den stand der zaken gaan verzekeren. Hij bootste dus het geschreeuw van den hagedis na, sprong in de rivier en zwom naar de kolonie.

De Apachen begrepen terstond wat hun opperhoofd bedoelde en hielden zich stil.

Na verloop van een paar minuten zagen zij hem tegen den zandigen oever opkruipen; hij deed eenige stappen het land in en bleef staan. Hij zag of hoorde niets; daardoor gerustgesteld, keerde hij naar den oever terug en gaf het sein voor de landing.

De Apachen verlieten de boomen en zwommen naar wal. Cuchares maakte zich deze gelegenheid ten nutte om weg te komen, dat hij gemakkelijk doen kon, daar op dat oogenblik van verwarring niemand aan hem dacht.

Intusschen hadden de Apachen een rechte lijn geformeerd en zwommen zij met kracht voort. Binnen weinige minuten bereikten zij den oever en stapten aan land. Onmiddellijk liepen zij naar den wal daar zij snel tegen opklauterden.

»Vuur!” klonk op eens eene stentorstem.

Er volgde eene vreeselijke losbranding, bijna met de tromp op de borst.

De Apachen beantwoordden haar met een gehuil van woede en verrast door degenen die zij meenden te verrassen, stormden zij er op in met blank geweer.

XV.

SCHERP TEGEN SCHERP.

Wij moeten thans naar de jagers terugkeeren, die wij maar al te lang uit het oog hebben verloren, want gedurende de boven door ons vermelde gebeurtenissen hadden ook zij, zoo veel noodig en doenlijk was, niet stil gezeten.

Na het vertrek der twee Mexicanen, zaten Goedsmoeds en zijne vrienden eene poos stilzwijgend te peinzen.

De Canadees speelde voor tijdverdrijf met de punt van zijn laars met de halfgedoofde houtskolen, die uit het langzaam inzakkend haardvuur op den grond waren gerold; werkelijk wist hij nauwelijks wat hij deed, zoo diep was zijn gepeins. De graaf Prébois Crancé, anders gezegd don Louis, zat met den elleboog op de knie en de hand onder de kin, even afgetrokken te staren op de tintelende kolen die beurtelings uitgingen en weder aanglimden; alleen de Arendskop, dicht in zijn bisonsmantel gewikkeld, rookte deftig zijn calumet, met het kalme en onverstoorde gelaat dat het Indiaansche ras zoo bijzonder kenmerkt.

»Wat er ook van wezen mag,” zei de Canadees op eens, meer in antwoord op de gedachten die hem inwendig bezig hielden, dan met oogmerk om het gesprek weder aan te knoopen, »het gedrag dezer twee mannen komt mij zeer buitengewoon voor, om er niets anders van te zeggen.”

»Zoudt gij van hunnen kant eenig verraad vreezen?” vroeg don Louis opkijkende.

»In de woestijn kan men altoos aan verraad denken,” zei Goedsmoeds beslissend, »vooral wat nieuwe kameraden aangaat die men toevallig heeft opgedaan.”

»Die Tigrero, of don Martial—zooals ik meen dat hij heet—ziet er toch te rond en oprecht uit, om een verrader te zijn.”

»Dat is zoo; en toch zult gij mij toestemmen dat zijn gedrag sedert wij hem ontmoetten vrij zonderling geweest is.”

»Dat geef ik u toe; maar gij weet even goed als ik hoe de hartstocht een mensch soms verblinden kan. Ik geloof dat hij verliefd is.”

»Dat geloof ik ook. Ik verzoek u intusschen op te merken, dat hij in die gansche zaak, die hem als ik het zeggen moet zoo bijzonder aangaat, en daar wij ons met verzuim onzer eigen bezigheden in begeven hebben alleen om hem een dienst te bewijzen, zich steeds heeft teruggetrokken, alsof hij bang was om er mede voor den dag te komen.”

Op dit oogenblik kwam Blas Vasquez, na eerst de peons op korten afstand en derwijze geplaatst te hebben dat zij geheel buiten het gezicht stonden, terug en ging nevens de jagers bij het vuur zitten.

»Ziedaar,” zeide hij, »alles is gereed; nu mogen de Apachen ons aanvallen als zij het goedvinden.”

»Een woordje, capataz,” zei Goedsmoeds.

»Twee zelfs zoo het u behaagt.”

»Kent gij dien man, daar gij straks dien brief aan overhandigd hebt?”

»Waarom vraagt gij dat?”

»Omdat ik gaarne door u nader omtrent hem zou worden ingelicht.”

»Persoonlijk ken ik hem al zeer weinig; alles wat ik er u van zeggen kan is, dat hij in de gansche provincie ter goeder naam en faam staat, en men hem algemeen voor een caballero en fatsoenlijk edelman houdt.”

»Dat is zeker veel,” mompelde de Canadees hoofdschuddend; »maar met dat al, ik weet niet waarom, maakt zijn overhaast vertrek mij zeer ongerust.”

»Ooah!” riep op eens de Arendskop, terwijl hij haastig de calumet uit zijn mond nam, het hoofd vooruitstak en de anderen wenkte zich stil te houden.

Allen zaten onbeweeglijk met de oogen op den Indiaan gericht.

»Wat gebeurt er?” vroeg Goedsmoeds eindelijk.

»Er is brand!” antwoordde hij kalm. »De Apachen komen, zij hebben de prairie voor zich uit in brand gestoken.”

»Wat zegt gij?” riep Goedsmoeds opstaande en naar alle kanten rondziende, »ik zie nog niets dat naar vuur gelijkt.”

»Nog niet; maar het vuur is er, ik ruik het.”

»O! als de sachem het zegt, zal het wel waar zijn, een krijgsman van zoo veel ondervinding bedriegt zich niet; wat nu gedaan?”

»Wij hebben hier niets van den brand te vreezen,” merkte de capataz aan.

»O, neen,” riep de graaf de Prébois; »maar de bewoners der hacienda?”

»Evenmin,” hernam Goedsmoeds; »zoo als gij weet zijn al de boomen tot op goeden afstand van de kolonie omgehouwen en uitgeroeid zoodat het vuur daar niet komen kan; het is slechts een krijgslist der Indianen, om haar te kunnen naderen zonder hunne getalsterkte te doen blijken.”

»Ik ben het toch met den caballero eens,” zei de capataz, »dat het niet kwaad zou zijn als wij de kolonie gingen waarschuwen.”

»Er is nog iets anders te doen, dat misschien wel zoo noodig is,” zei don Louis, »wij moeten een bekwaam veldontdekker uitzenden, om stellig te weten wie onze vijanden zijn en hoe sterk hun aantal is.”

»Beiden kan evenzeer geschieden,” hervatte Goedsmoeds, »in de gegeven omstandigheden zijn twee voorzorgen beter dan een. Mijn raad is deze, dat de Arendskop den vijand zal gaan verkennen, terwijl wij ons naar de hacienda zullen begeven.”

»Wij allen?” vroeg de capataz.

»Neen, gij niet, gij zijt hier veilig en gij kunt ons, als wij soms wierden aangevallen, goede diensten bewijzen. Don Louis en ik gaan alleen naar de kolonie en gij, onthoud dit wel, moogt u volstrekt niet vertoonen of verroeren. Wat er ook gebeure, in ieder geval wacht gij onze bevelen af: is dit afgesproken?”

»Ja, caballero, ga gerust heen, ik zal uw vertrouwen niet te leur stellen.”

»Goed, thans aan ’t werk; u, hoofdman, heb ik niets aan te bevelen; gij kunt ons op de hacienda vinden als gij ons iets van belang te melden hebt.”

Hierop scheidden deze krachtvolle mannen; van ouds gewoon om te handelen zonder den kostelijken tijd met nuttelooze woorden te verspillen, gingen zij na korte afspraak uiteen, don Louis en Goedsmoeds staken de rivier over naar de hacienda, de Indiaan insgelijks, maar in tegenovergestelde richting.

Blas Vasquez bleef met zijne peons alleen op het eiland achter.

Intusschen begreep de capataz, die den oorlog met de Indianen bij ondervinding had leeren kennen, welk eene verantwoordelijkheid er van nu af aan op hem rustte en gevoelde hij dat het noodig was zijne waakzaamheid te verdubbelen; bijgevolg zette hij op alle punten schildwachten uit; hun aanbevelende om zorgvuldig acht te geven op alles wat aan de vaste kust omging; toen keerde hij naar zijn vuur terug, wikkelde zich in zijne fressada en sliep gerust in, daar hij zeker kon zijn dat de peons hem bij den minsten onraad terstond zouden wekken.

Wij zullen thans hem zoo wel als don Louis en Goedsmoeds een poosje verlaten om den Arendskop te volgen.

De taak die hij op zich genomen, of liever daar zijne vrienden hem mede belast hadden, was alles behalve gemakkelijk; maar de Arendskop was een man van ondervinding, op de hoogte der sluwe Indianenstreken en begaafd met de stoorlooze bedaardheid die in groote levensaangelegenheden schier de hoofdvoorwaarde is om wel te slagen. Na van zijne vrienden afscheid te hebben genomen, reed hij met zijn paard stapvoets naar de rivier en eer hij het punt bereikte waar hij haar wilde overgaan, had hij zijn gansche plan reeds helder in zijn hoofd.

In plaats van de rivier over te steken in de richting waar de Indianen achter hun vuurstroom snel naderden, koos hij den tegenovergestelden kant. Nauwelijks was hij er over of hij steeg af om zijn paard eenige minuten te laten uithijgen, wreef het zorgvuldig met een stroowisch af, zette zich met een enkelen sprong op het pantervel, dat hem tot zadel diende en reed oogenblikkelijk in vliegenden galop naar het vijandelijk kamp.

Deze woedende rid duurde twee volle uren. De nacht was reeds lang gedaald en het onzekere schijnsel van den brand strekte hem tot baken om hem in de duisternis het rechte spoor te wijzen.

Na verloop van die twee uren bevond de Arendskop zich tegenover het meest vooruitspringende punt des eilands, waar de Apachen juist bezig waren met de drijvende boomstammen te vergaderen, om als vervoermiddelen te dienen voor de overrompeling die zij tegen de kolonie in den zin hadden.

De Arendskop bleef staan.

Aan zijne rechterhand, ofschoon vrij ver achter hem, lichtte de prairiebrand aan den gezichteinder; rondom hem was alles eenzaamheid en duisternis.

Lang nam de Indiaan het eiland in oogenschouw; een heimelijk voorgevoel waarschuwde hem dat daar voor hem het gevaar gelegen was.

Evenwel, na de zaak rijpelijk overwogen te hebben, besloot hij nog eenige passen verder te gaan, om dan opnieuw de rivier over te steken, ten einde het eiland te onderzoeken, dat hem wegens zijne bijzondere kalmte des te meer verdacht voorkwam.

Eer hij echter dit plan ten uitvoer bracht, rees eene andere gedachte bij hem op; hij stapte af, verborg zijn paard ergens in het houtgewas, ontdeed zich van zijn geweer en zijn mantel; en na een doordringenden blik in de hem omringende duisternis, ging hij op den grond liggen en kroop dwars door het hooge gras tot dicht aan de rivier: hij liet er zich zacht in afglijden en zwom met de grootste voorzorg nu eens onderduikend en dan weder boven water naar het eiland, dat hij weldra bereikte.

Maar op het oogenblik toen hij den voet op het oeverzand zette om zich op te richten hoorde hij een schier onmerkbaar geluid, en meende hij dicht in zijne nabijheid eene beweging in het water te bespeuren; hij dook opnieuw onder en verwijderde zich van den oever, dien hij reeds op het punt was te beklimmen.

Op eens, toen hij weer boven water kwam om even versche lucht te scheppen, zag hij vlak voor zich twee gloeiende oogen schitteren; op hetzelfde oogenblik ontving hij een hevigen slag op de borst, die hem deed omkantelen en ofschoon half door dezen onverhoedschen aanval bedwelmd, voelde hij eene krachtige hand die hem als met een ijzeren nijptang de keel toekneep.

Het oogenblik was hachelijk; de Arendskop begreep dadelijk dat hij zonder eene wanhopige poging verloren was; hij waagde die poging.

Op zijne beurt den onbekenden vijand aangrijpende omklemde hij hem met de kracht der wanhoop.

Nu begon er tusschen deze twee in den stroom eene vreeselijke en noodlottige worsteling, waarbij elke strijder zijn tegenstander poogde te verstikken, zonder om eigen lijfsbehoud of bepaalde zelfverdediging te denken. Het water door de felle beweging der beide worstelaars geschokt en geteisterd, kookte en schuimde alsof er twee alligators aan ’t vechten waren. Eindelijk kwam er een bloedig en misvormd lichaam boven water dat bewegingsloos wegdreef; en weinige seconden later vertoonde zich niet ver van daar een bleek en verwilderd hoofd, dat door de vreeselijke inspanning van den strijd ontkleurd en gezwollen, bijna onmenschelijk scheen en naar alle zijden schuw rondkeek.

Bij het zien van het lijk zijns vijands slaakte de overwinnaar een duivelschen lach; zwom er naar toe, greep het bij de haren en sleepte het, niet naar het eiland maar naar de vaste kust.

De Arendskop had den Apache overwonnen die hem zoo onverwachts had aangerand.

De Comanch bereikte weldra den anderen oever, maar liet het lijk niet los voor dat hij het geheel veilig op het droge had gehaald, toen sneed hij het gezwind den haarschedel af, hechtte dien als een afschuwelijke trofee aan zijn gordel en steeg weder te paard.

Hij had de taktiek der Apachen volkomen begrepen; de aanval van welke hij bijna het slachtoffer was geworden, had hem de krijgslist ontdekt dien zij in den zin hadden. Hij behoefde dus zijn onderzoek op het eiland niet verder door te zetten. Wat het lijk van zijn vijand betreft, als hij het in den stroom had gelaten, dan zou het spoedig door zijne kameraden ontdekt zijn geworden en hun de tegenwoordigheid van een spion verraden hebben; daarom gaf hij zich de moeite om het naar den anderen oever te brengen, waar niemand het, althans niet dan bij zeldzame toevalligheid, ontdekken zou eer dat de zon was opgekomen.

De weinige minuten rust die zijn paard had genoten, waren genoeg geweest om het al zijne kracht weder te geven. De Arendskop had nu naar zijne vrienden kunnen terugkeeren, want hetgeen hij ontdekt had was voor hen belangrijk genoeg; maar Goedsmoeds had hem vooral opgedragen om de getalsterkte en samenstelling van het vijandelijk detachement te verkennen dat tegen de kolonie oprukte, en deze last zou de Indiaan voor niets hebben willen verzuimen; bovendien had de pas doorgestane strijd, daar hij zoo wonderwel als overwinnaar was afgekomen, hem in zekere mate opgewonden, zoodat hij bijzonderen lust gevoelde om het uiterste te wagen.

Daar hij een lichte wond aan den linkerarm had bekomen nam hij een paar oregonbladeren, bond ze met een stukje boomschors op de wond en dreef toen zijn paard andermaal de rivier in.

Daar hij thans niets te onderzoeken had en hij niet gaarne ontdekt wilde worden, droeg hij wel zorg om zijn overgang op vrij verren afstand van het eiland te doen.

Op den anderen oever, waar de Indianen alles hadden platgebrand, was het spoor breed genoeg en duidelijk zichtbaar, zoo dat de sachem het ondanks de duisternis zonder moeite kon volgen.

De brand door de Indianen gesticht had echter in deze streek niet zooveel verwoesting aangericht als elders. Het geheele terrein was hier, met uitzondering van enkele verspreide groepjes populierboomen, met het gewone hooge, door de felle zomerzon reeds half verschroeide prairiegras bedekt.

Dit gras dat weinig brandstof bevatte was snel ontvlamd en had, wat de Indianen liefst verlangden, des te meer rook veroorzaakt, maar den grond bijna niet verhit, zoodat zij er dadelijk over konden marcheeren naar de kolonie.

Dank zij de snelheid waarmede de Arendskop doorzette en de paar uren die de Indianen met het afbranden der prairie verloren hadden, kwam hij bijna gelijktijdig met hen aan de hacienda; hij haalde hen juist in op het oogenblik toen zij, na een nutteloozen aanval op de batterij aan de landtong te hebben beproefd, waren teruggeslagen en in allerijl de vlucht namen, vervolgd door het schrootvuur der batterij, dat hen des te meer afbreuk deed, daar zij ten gevolge van hun eigen brandstichting geen boomen meer hadden om zich achter te verschuilen; evenwel was het hun, dank zij de vlugheid hunner paarden, voor het grootste gedeelte gelukt aan de slachting te ontkomen. De Arendskop bevond zich zonder het te willen en toen hij er het minst aan dacht op eens te midden der vluchtenden. In de eerste oogenblikken was ieder te zeer op lijfsbehoud bedacht om op hem te letten en hem te herkennen; hij maakte hiervan gebruik om ter zijde te gaan en zich achter een rots te begeven, waar hij zich schuil hield.

Thans echter had er iets zonderlings plaats. Nauwelijks had de sachem zich aan het oog der vluchtelingen onttrokken en hen een poosje in stilte gadegeslagen, of een onbeschrijfelijke glimlach krulde zijne lippen; op eens gaf hij zijn paard de sporen en rende in hun midden, onder het aanheffen van een doordringenden, tweemaal op verschillende wijze herhaalden rauwen kreet.

Op dit bekende geroep staakten de Indianen terstond hunne vlucht, snelden zij van alle kanten naar hem toe, en schaarden zich onstuimig rondom het opperhoofd met alle blijken van bijgeloovigen eerbied en lijdelijke gehoorzaamheid.

De Arendskop liet zijn blik fier en ontzagwekkend weiden over de menigte die zich rondom hem verdrong en daar hij een hoofd hoog boven uitstak.

»Ooah!” riep hij eindelijk met een krakende stem vol bitter verwijt: »zijn de Comanchen dan nu vreesachtige antilopen geworden, dat zij als Apachenhonden vluchten voor de kogels der bleekhuiden?”

»De Arendskop! de Arendskop!” riepen al de krijgslieden uit éénen mond met gemengde blijdschap en schaamte, terwijl zij de oogen neersloegen voor den vlammenden blik van hun opperhoofd.

»Waarom hebben mijne zonen zonder het bevel van hun sachem de jachtgronden der Rio del Norte verlaten? Zijn zij dan de rastrero’s (speurhonden) der Apachen geworden?”

Een dof gemompel doorliep de gelederen op dit scherpe verwijt.

»Een sachem heeft gesproken,” hervatte de Arendskop streng, »is hier niemand om hem te beantwoorden? Hebben de Comanchen van het Meer geen opperhoofden die hun voorgaan en bevelen geven?”

Onmiddellijk na dezen eisch openden zich de gelederen der Comanchen. Een enkele ruiter kwam te voorschijn, naderde den Arendskop, en maakte eene eerbiedige buiging met het voorhoofd tot op den hals van zijn paard.

»De Spotvogel is een opperhoofd,” antwoordde hij met eene zachte en welluidende stem.

Het gelaat van den Arendskop helderde zichtbaar op, zijne trekken verloren oogenblikkelijk hunne woeste uitdrukking, hij wierp den jeugdigen krijgsman die voor hem stond een minzamen blik toe en strekte de hand naar hem uit met de palm naar voren.

»Och!” zeide hij, »mijn hart verheugt zich u te zien, mijn zoon de Spotvogel: De krijgslieden zullen hier kampeeren terwijl de twee sachems samen raad houden.”

En met een vorstelijken wenk gebood hij het opperhoofd hem te volgen. Zij gingen samen heen, nageoogd door de Roodhuiden, die zich haastten om het bevel dat zoo stellig gegeven was uit te voeren.

De Arendskop en de Spotvogel verwijderden zich op genoegzamen afstand van het kamp, om bij hun gesprek niet beluisterd te kunnen worden.

»Laten wij hier raad houden,” zei het opperhoofd terwijl hij op een heuveltje ging zitten en den Spotvogel een wenk gaf, om naast hem plaats te nemen.

De jonge sachem gehoorzaamde zonder tegenspraak.

Er volgde eene vrij lange poos stilte tusschen de twee Indianen, die ondanks hunne geveinsde onverschilligheid elkander nauwlettend opnamen.

Eindelijk nam de Arendskop het woord en begon langzaam en met eene nadrukkelijke stem:

»De Arendskop is een beroemd krijgsman in zijn stam,” zeide hij, »hij is de eerste sachem der Comanchen van het Meer; onder de gezegende en beschermende schaduw van zijn machtige totem verschuilen zich ontelbare zonen van den grooten geheiligden schildpad Chemin-Antou, wiens luisterrijk schild de wereld draagt, sedert de Wacondah den eersten man en de eerste vrouw na hunne overtreding in de onbegrensde ruimte wierp. De woorden die de borst van den Arendskop uitblaast zijn die van een Sagamore; zijne tong is niet dubbel. De logen heeft nooit zijne lippen bezoedeld. De Arendskop is den Spotvogel tot vader geweest, hij was het die hem geleerd heeft zijn paard te temmen, den snellen antilope met de pijl te treffen, of den monsterachtigen beer in zijne armen te verstikken. De Arendskop bemint den Spotvogel, die de zoon is van de zuster zijner derde vrouw; de Arendskop heeft den Spotvogel eene plaats bij het vuur van den raad verleend; hij heeft hem tot sachem gemaakt, en toen hij de dorpen van zijn stam verliet heeft hij tot hem gezegd: »Mijn zoon zal mijne krijgslieden kommandeeren, hij zal hen ter jacht, ter vischvangst en ten oorlog voeren.” Zijn deze woorden waarheid? en kan de Arendskop liegen?”

»De woorden van mijn vader zijn waarheid,” antwoordde de jonge sachem met een eerbiedige buiging, »de wijsheid spreekt uit zijn mond.”

»Waarom heeft mijn zoon zich dan met de vijanden van zijn volk verbonden om de vrienden van zijn vader den grooten sachem te bestrijden?”

De Spotvogel neigde verlegen het hoofd.

»Waarom?” vervolgde de Arendskop, »waarom heeft hij zonder zijn vader te raadplegen, die hem altijd met zijn raad geholpen en gesterkt heeft, een onrechtvaardigen oorlog ondernomen?”

»Een onrechtvaardigen oorlog,” herhaalde het jonge opperhoofd min of meer gevoelig.

»Ja, want hij wordt gevoerd in gemeenschap met de vijanden van ons volk.”

»De Apachen zijn Roodhuiden.”

»De Apachen zijn lafhartige en diefachtige honden, dien ik de leugensprekende tong zal uitrukken.”

»Maar de bleekgezichten zijn de vijanden der Indianen!”

»De bleekgezichten die mijn zoon heden nacht heeft aangevallen zijn geen Yoris; het zijn vrienden van den Arendskop.”

»Mijn vader zal het den Spotvogel vergeven; hij heeft het niet geweten.”

»Heeft de Spotvogel het inderdaad niet geweten, zou hij dan werkelijk voornemens zijn om den door hem beganen misslag te herstellen?”

»De Spotvogel heeft drie honderd strijders onder zijn totem; de Arendskop is gekomen; zij zijn tot zijnen dienst.”

»Goed, ik zie dat de Spotvogel nog altijd mijn beminde zoon is. Met welk opperhoofd heeft hij een verbond gemaakt? het kan toch de Zwarte-Beer niet zijn, den onverbiddelijken vijand der Comanchen die nog geen vier manen geleden, twee dorpen van mijn stam heeft verbrand.”

»Een wolk had het verstand van den Spotvogel beneveld; zijn haat tegen de blanken heeft hem verblind, de wijsheid heeft hem ontbroken; hij heeft zich werkelijk aan den Zwarte-Beer verbonden.”

»Ooah! de Arendskop had wel gelijk dat hij naar de dorpen zijner vaderen wenschte terug te keeren. Zal mijn zoon den sachem gehoorzamen?”

»Wat hij ook bevele, ik zal gehoorzamen.”

»Goed! dat mijn zoon mij dan volge.”

De beide opperhoofden stonden op.

De Arendskop begaf zich dadelijk naar de landengte, reeds van verre met de rechterhand zijn bisonsmantel zwaaiende ten teeken van vrede, terwijl de Spotvogel eenige passen achter hem volgde.

De Comanchen zagen met verbazing dat hunne sachems een mondgesprek met de Yoris gingen vragen, maar gewoon om hunne opperhoofden blindelings te gehoorzamen in alles wat deze hun geliefden te bevelen, toonden zij zich over dit bedrijf geenszins gebelgd, al begrepen zij er het doel niet van.

De Mexicaansche schildwachten, achter de batterij verscholen, konden in het heldere maanlicht de vredelievende houding der Indianen gemakkelijk onderscheiden en lieten hen vrijelijk tot aan den rand der gracht naderen.

»Een sachem verlangt een mondgesprek met het opperhoofd der bleekgezichten,” riep de Arendskop.

»Goed,” antwoordde eene stem in het Spaansch, »wacht een oogenblik, men zal het opperhoofd waarschuwen.”

De beide Comanchen maakten eene statige buiging, kruisten de armen op de borst en bleven staan wachten.