Part 13
»Wat de plaatselijke ligging betreft heeft het niets van den brand te duchten,” merkte Louis aan; »als het groot genoeg is om ons allen te bergen, zou het ons bij uitstek van dienst kunnen zijn als voorpost.”
»Wij hebben geen oogenblik te verliezen, maar moeten er dadelijk heen om het te onderzoeken, en als wij zeker zijn dat het ons de noodige veiligheid aanbiedt, zullen wij er dadelijk gebruik van maken en er de peons heenbrengen.”
»Op weg dus en niet langer geaarzeld,” riep de Tigrero opstaande.
De anderen deden hetzelfde, en de vijf mannen verlieten het boschkamp.
Na hunne paarden te hebben teruggevonden, namen zij hunne richting naar het eiland onder geleide van den Arendskop.
De Sachem had zich niet bedrogen; met den onfeilbaren blik die zijnen landgenooten eigen is, had hij alles gezien en herkend en het welgekozen punt met de meeste juistheid beoordeeld.
Een ander voordeel kwam den avonturiers te stade: een dichte strook van zoogenaamde wortelboomen, die den oever omzoomde, stak ver genoeg in den stroom uit om den afstand tusschen het eiland en het vaste land merkelijk te verminderen en tevens eene natuurlijke bedekking te vormen voor de peons, die in het lange gras verscholen zaten; terwijl de Indianen zich onmogelijk in de wortelboomen zouden kunnen nestelen om van daar hunne vijanden te bestoken, maar integendeel door dezen zonder gevaar zouden worden gedecimeerd.
Het eiland zelf, dat wij zoo zullen blijven noemen, ofschoon het eigenlijk een vlot moest heeten, was met een dichte massa droog, sterk en ongeveer twee ellen hoog rietgras bedekt, waarachter mannen en paarden geheel onzichtbaar waren. Na de volbrachte verkenning vestigden Goedsmoeds en de beide Mexicanen hun kamp in het centrum, terwijl don Louis en de Arendskop weder naar den anderen oever terugkeerden om den capataz en zijne peons te gemoet te gaan.
Don Martial had weinig lust hen te vergezellen, hij vreesde, zoo dicht in de nabijheid der kolonie zijnde, door don Sylva herkend te worden en wenschte liever zoo lang mogelijk zijn incognito te bewaren, dat ter bevordering zijner latere plannen volstrekt noodig was.
Louis, die hem eerst gevraagd had of hij mede wilde gaan, drong niet verder bij hem aan, en scheen zijne weigering stilzwijgend goed te keuren.
Het eigenlijke van de zaak was dat de graaf Prébois, zonder te kunnen zeggen waarom, een heimelijken afkeer gevoelde van den Tigrero, wiens sluwe en gedurig aarzelende houding hem zeer tegen de borst hadden gestuit.
De Arendskop en Louis, overtuigd dat de Zwarte-Beer zich stellig met zijn detachement verwijderd had, zonder spionnen in de prairie achter te laten, achtten het onnoodig om de peons eerst een langen en vermoeienden omweg te laten maken alvorens hunne bestemming te bereiken; bij gevolg verborgen zij zich in een boschje dicht bij de landengte, ten einde hen daar af te wachten en regelrecht naar het afgesproken punt te geleiden.
Intusschen had het bericht van den graaf de Prébois Crancé in de kolonie Guetzalli alles op stelten gezet. Want ofschoon de Indianen sedert de grondvesting der hacienda reeds meermalen getracht hadden de Franschen te verontrusten, waren hunne pogingen van weinig beteekenis geweest, eerst nu zouden de kolonisten voor den eersten keer tot een ernstigen strijd met hunne woeste geburen worden geroepen.
De graaf de Lhorailles had ongeveer over twee honderd Dauph’yeers te beschikken, afkomstig uit Valparaiso, Guyaquil, Callao en andere havens aan de stille Zuidzee, waar het van gelukzoekers van allerlei soort wemelt.
Zijn troep was een zonderling samenraapsel van alle nationaliteiten uit de twee halfronden des aardbols; meerendeels, echter waren het Franschen, half bandieten, half soldaten, losbollen of vagebonden, die in den chef hunner eigen vrije keus onbepaald vertrouwen stelden.
Het bericht van den voorgenomen aanval der Apachen werd door het garnizoen met een vroolijken juichkreet ontvangen. Schieten en vechten was voor deze avonturiers zoo veel als een pleizierpartij, of, zoo als zij het in hunne schilderachtige taal noemden, een geschikte gelegenheid om zich op te frisschen, en voor schimmelen of roesten te bewaren.
Wat meer is wenschten zij den Apachen een lesje te geven en te laten zien welk onderscheid er bestond tusschen de Kreolen en kolonisten, daar zij van eeuwen her mede te kampen hadden gehad en de Europeanen, die zij nog niet kenden.
De graaf behoefde hun dus niet aan te bevelen zich ferm te houden, integendeel was hij verplicht hun ijver te matigen en tot voorzichtigheid te vermanen, hun belovende dat hij hun spoedig gelegenheid zou verschaffen zich met de Roodhuiden in open kamp te meten.
De lezer herinnert zich zonder twijfel, dat het Mexicaansche gouvernement de kolonie Guetzalli aan den graaf de Lhorailles had afgestaan, onder beding dat hij de Apachen en Comanchen nadrukkelijk zou bestrijden, ten einde hen van de Mexicaansche grenzen te verwijderen, die zij reeds lang gewoon waren op zekeren tijd des jaars te verwoesten.
Op deze voorwaarde van het verdrag maakte hij zijne soldaten inzonderheid opmerkzaam.
Zoodra dus de noodige maatregelen van verdediging genomen waren, namelijk aan ieder zijn post aangewezen en de wapenen en krijgsbehoeften rondgedeeld, verliet de graaf zich op zijne twee luitenants, den Biskayer Diego Leon en Martin Leroux, twee oude krijgsmannen, op welke hij meende te kunnen vertrouwen; vervolgens rekende hij op Blas Vasquez en diens peons.
Daar het wel waarschijnlijk was dat de Indianen spionnen in den omtrek der kolonie gelaten hadden, trachtte hij dezen in den waan te brengen dat de peons werkelijk vertrokken waren; dientengevolge werden er verscheidene muilezels geladen met leeftocht als voor eene verre reis; vervolgens stelde de wel onderrichte capataz zich aan het hoofd van zijn troep en vertrok uit de kolonie met de karabijn op de heup.
De Lhorailles, don Sylva en de andere bewoners oogden met licht verklaarbare belangstelling het kleine detachement na, zich gereed houdende het te ondersteunen zoo het mocht worden aangevallen.
Maar geen muis bewoog zich in de prairie, alles bleef kalm en rustig en weldra waren de Mexicanen in het hooge gras verdwenen.
»Ik begrijp de taktiek der Indianen niet,” mompelde don Sylva in zich zelven. »Er schuilt zeker weder een fijne streek onder, dat zij dien kleinen troep zoo stil laten vertrekken, die hun zulk een schoone kans op voordeel scheen te beloven.”
»Wij zullen spoedig weten wat er van is,” antwoordde de graaf; »overigens zijn wij gereed hen te ontvangen; het spijt mij slechts dat doña Anita zich hier bevindt, niet dat zij eenig persoonlijk gevaar loopt, maar het tumult van den strijd mocht haar verschrikken.”
»Gij vergist u, heer graaf,” zei doña Anita die op dit oogenblik het huis uitkwam; »wees voor mij maar niet bevreesd, ik ben eene echte Mexicaansche en geen van die kleine teere Europeesche poppetjes, die bij het geringste alarm eene flauwte krijgen of in onmacht vallen. Ik heb zoo vaak in veel moeielijker omstandigheden dan de tegenwoordige den oorlogskreet der Apachen in mijn oor hooren weergalmen, zonder iets van dien angst te gevoelen dien gij thans voor mij schijnt te duchten.”
Na deze woorden op fieren en minachtenden toon te hebben uitgesproken, daar de vrouwen zich tegen den man dien zij niet beminnen zoo behendig van weten te bedienen, trad doña Anita den graaf voorbij zonder hem aan te zien en nam zij haar vader bij den arm.
De Franschman antwoordde niet; hij verbeet zich de lippen dat er het bloed voorstond, maakte eene beleefde buiging en deed alsof hij van den scherpen zet niets begrepen had, zich voorbehoudende om dit verschil nader te vereffenen; want, ofschoon hij zijne bruid eigenlijk niet beminde, kon hij toch, gelijk meestal onder dergelijke omstandigheden, niet dulden dat zij door een ander bemind wierd, en allerminst dat zij zich jegens hem zoo trotsch en onverschillig toonde.
De snelle gang der jongste gebeurtenissen hadden hem echter tot dusver belet om met doña Anita tot eene beslissende verklaring te komen.
De rijke mijnhoudersdochter, in Mexico geboren en in de nabuurschap der Indianen opgevoed, was een Andalusische van top tot teen, vurig en hartstochtelijk, en alleen handelend op den snellen indruk van haar hart en gevoel. Innig verliefd en door hare liefde voor don Martial gevrijwaard, had zij den graaf de Lhorailles in koelen bloede beoordeeld en onder den oppervlakkigen schijn zijner galante ridderlijkheid aldra den speculant ontdekt, die haar terstond een onverbiddelijken afkeer inboezemde. Zoo werd haar besluit onmiddellijk genomen om zich zonder voorbehoud buiten de mogelijkheid te stellen ooit zijne vrouw te kunnen worden. Maar een openlijken strijd tegen haar vader te beginnen .... daar zag zij tegen op .... om zich daaraan te wagen, kende zij te goed het oude Spaansche bloed dat in zijne aderen bruiste. De kracht der vrouwen, is hare schijnbare zwakheid; haar middel van verdediging is de list. Evenzeer Indiaansch als Spaansch van karakter, koos zij de list als het geduchte wapen der vrouwen dat haar soms zoo gevaarlijk maakt.
Blas Vasquez, de oude hofmeester van don Sylva, had doña Anita zien geboren worden; zijne vrouw had haar gezoogd, met andere woorden hij was zoo innig aan het meisje verknocht dat hij op een wenk van haar, ja zijne ziel aan den duivel zou hebben verpand.
Toen de graaf de Prébois Crancé op de hacienda was gekomen, had zijne verschijning hare belangstelling zeer gaande gemaakt en nauwelijks was hij weder vertrokken of zij sprak er den capataz over en vroeg hem met een onverschillig gezicht opheldering, die haar oude vriend natuurlijk geen bezwaar vond haar te geven, des te minder, daar weldra ieder in de kolonie weten zou, en weten moest, welk nieuws de graaf Louis had aangebracht; wat echter niemand kon weten en wat door doña Anita alleen bij onbedriegelijk instinct geraden werd, was dat don Martial zich onder de jagers bevond die in de nabijheid der kolonie verscholen lagen.
Toen don Martial haar te Guaymas verliet, had hij haar gezegd dat hij over haar zou waken en haar aan het haar dreigende lot zou weten te onttrekken; het lag dus in de reden dat hij haar gevolgd zou zijn, en hieraan twijfelde zij geen oogenblik. Volgens haar begrip, moest hij ontegenzeggelijk deel uitmaken van de heldhaftige vriendenschaar die in dezen stond, terwijl zij de kolonie zochten te redden, tevens voor haar behoud werkzaam waren.
De eenige logika die stellig spreekt en nimmer bedriegt, is die van het hart; wij althans hebben gezien dat doña Anita, door haar gevoel geleid, juist had geredeneerd.
Toen zij van den capataz al de inlichtingen bekomen had die zij verlangde, zeide zij:
»Don Blas, het is wel waarschijnlijk, als gij bij dezen aanval op de kolonie de gevorderde diensten hebt bewezen, dat mijn vader of don Gaëtano u, daar zij uw volk dan niet meer noodig hebben, order zullen geven om naar Guaymas terug te keeren.”
»Ja, waarschijnlijk wel, señorita,” antwoordde de brave capataz.
»Dan zult gij mij ook wel een kleinen dienst willen bewijzen, niet waar?” vroeg zij, hem op het vriendelijkst toelachende.
»Gij weet immers wel, señorita, dat ik voor u door een vuur zou loopen?”
»Nu, zoo zwaar zal ik uwe vriendschap niet op de proef stellen, waarde don Blas; intusschen dank ik u wel voor uwe goede gevoelens jegens mij.”
»Wat kan ik doen om u aangenaam te zijn?”
»O! een heel gemakkelijk ding.”
»Zoo!”
»Och hemel! ja,” riep zij op luchthartigen toon; »gij weet wel dat ik sedert lang de gekheid heb gehad om met alle geweld een voetkleedje van tijgervellen in mijne slaapkamer te verlangen.”
»Neen,” antwoordde hij oprecht, »dat wist ik niet.”
»Hé!.... welnu, dan zeg ik het u thans; dus weet gij het nu.”
»En ik zal het niet meer vergeten, señorita, dat beloof ik u.”
»Dank u, don Blas; maar dat is eigenlijk niet wat ik verlang.”
»Wat dan?”
»Wel, dat gij hier twee tijgervellen bezorgdet, bedoel ik.”
»Zeer goed; welnu, zoodra ik een dag vrij heb, kunt gij er op rekenen dat ik ze u bezorg.”
»O, maar het is niet noodig dat gij u om een gril van mij in gevaar zoudt begeven en misschien met die schrikkelijke beesten een ongeluk krijgen.”
»Kom, señorita!” riep hij een weinig geaffronteerd.
»Neen, dat wil ik volstrekt niet; ik weet een goed middel om ze gemakkelijk te bekomen.”
»Nu, des te beter dan; en wat is dat?”
»Er is sedert eenige dagen te Guaymas een vermaarde tijgerjager gekomen....”
»Don Martial Asuzena?” viel hij haar met drift in de rede.
»Kent gij hem?”
»Wie zou don Martial den Tigrero niet kennen?”
»Dat valt dan goed meê.”
»Hoedat meê.”
»Wel, van zijne laatste jacht in de prairiën van het Westen heeft de Tigrero naar ik hoor een aantal prachtige jaguarsvellen medegebracht, die hij zeker voor een goeden prijs wel zal willen afstaan.”
»Daar twijfel ik niet aan.”
»Nu,” riep zij, een klein verzegeld briefje uit haar boezem voor den dag halende, »hier heb ik een paar woorden die gij den Tigrero moet overhandigen. Ik schrijf hem dat ik de vellen bereid wil hebben en wat ik er hem voor betalen wil. Ziedaar is geld;” vervolgde zij hem eene beurs ter hand stellende, »gij zult dat wel voor mij regelen zoo als gij denkt dat goed is.”
»Gij hadt hem zelfs niet eens behoeven te schrijven, señorita,” merkte de capataz aan.
»Met uw welnemen, vriend, maar gij hebt aan zooveel zaken te denken, dat ik niet weet of zulk eene kleinigheid niet licht uit het hoofd zou kunnen gaan.”
»Alles is mogelijk, señorita, dus dat ook; maar zooals gij het wilt is het altijd beter.”
»Niet waar? dat is dus afgesproken, gij zult mijne boodschap doen?”
»Kunt gij daaraan twijfelen?”
»Neen, don Blas. Wacht! nog iets: zeg geen woord aan mijn vader; gij weet hoe goed hij is; hij zou ze mij cadeau willen maken en ik wil deze kleinigheid volstrekt uit mijn eigen beurs betalen.”
De capataz lachte met een gezicht alsof hij het wel met haar wist. De goede man gevoelde zich gelukkig dat hij in een geheim mocht deelen, hoe gering dan ook, van zijn troetelkind, zooals hij zijne jonge meesteres gewoonlijk noemde.
»Het blijft onder ons,” zeide hij, »ik ben zoo stom als een visch.”
Doña Anita knipoogde hem vriendelijk toe, en verwijderde zich met een vergenoegd lachje.
Wat beduidde die brief? en waarom had zij dien geschreven?
Dat zullen wij straks zien.
Dien geheelen dag viel er op de hacienda niets bijzonders voor; alleen zocht de graaf de Lhorailles doña Anita verscheidene keeren te zien en tot een ernstig gesprek over te halen, dat deze echter telkens wist te ontwijken.
Blas Vasquez vertrok in de richting van Guaymas en stelde zich aan het hoofd van zijn troep, die het terstond in vollen galop zette uit vrees van overrompeld te worden.
Nauwelijks was hij buiten het gezicht der kolonie en omtrent twintig minuten ver in het hooge prairiegras verdwenen, of plotseling sprongen er twee mannen op zijn pad te voorschijn, die de paarden tegenhielden en vlak voor hem bleven staan.
Van deze twee mannen was de eene, zooals uit alles bleek een Indiaan; in den anderen herkende de capataz dadelijk denzelfden persoon dien hij des morgens op de hacienda gezien had.
Blas Vasquez wenkte zijn troep om halt te maken en reed de beide vreemdelingen alleen te gemoet.
»Door welk toeval ontmoet ik u hier, señor Frances?” zeide hij, »wij zijn hier nog ver van het punt dat gij mij als standplaats hebt aangewezen.”
Hierop boog hij beleefd.
Don Louis boog insgelijks.
»Wij zijn wel is waar ver van ons punt van afspraak,” antwoordde hij, »doch daar wij geen spoor van Apachen in de prairie hebben gevonden, achtten wij het onnoodig u zulk een langen omweg te laten maken; ik ben dus afgezonden om u naar de hinderlaag te geleiden die wij voor u gekozen hebben.”
»Gij hebt welgedaan. Moeten wij nu nog lang marcheeren?”
»Neen, geen kwartier ver meer; wij gaan naar een eilandje dat gij van hier reeds kunt zien, als gij u een weinig in de stijgbeugels opheft,” voegde hij er bij, met de hand in de richting van het bedoelde eiland wijzende.
»Ei zoo!” riep de capataz, »dat punt is goed gekozen; van daar bestrijken wij de heele rivier.”
»Juist daarom hebben wij ons bij dat punt bepaald.”
»Wil dan onze gids maar zijn, señor Frances; wij zullen u volgen.”
Het detachement hervatte den marsch. Gelijk don Louis gezegd had, werden de capataz en zijne veertig peons thans bij de vijf avonturiers op het eiland gekampeerd en zoo goed door het lange gras en de wortelboomen gedekt, dat men van de beide rivieroevers onmogelijk iets van hen kon bemerken.
Zoodra de capataz zijn plicht als hoofdman van het detachement had volbracht, nam hij plaats aan het bivakvuur bij zijne nieuwe vrienden, aan welke don Louis hem voorstelde.
De eerste persoon dien don Blas hier vond was don Martial de Tigrero.
Bij deze ontmoeting kon hij zijne verrassing kwalijk verbergen.
»Caspita!” riep hij met een hartelijken lach, »wat zonderlinge ontmoeting!”
»Hoedat?” vroeg de Mexicaan tamelijk onthutst over deze herkenning, die hij gansch niet verwachtte, daar hij meende bij den capataz niet bekend te zijn.
»Is u niet don Martial Asuzena, de Tigrero?” vervolgde Blas Vasquez.
»Die ben ik,” antwoordde don Martial meer en meer ongerust.
»Mijn hemel! het zou mij vrij wat moeite gekost hebben u te Guaymas te vinden, en ik dacht waarlijk niet dat ik zoo gelukkig zou zijn u hier reeds aan te treffen.”
»Verklaar u nader als ik u verzoeken mag, ik begrijp niets van hetgeen gij zegt.”
»Ik heb eene boodschap voor u van wege mijne jonge meesteres.”
»Wat zegt gij!” riep de Tigrero, wiens hart klopte van verrassing.
»Niets anders dan hetgeen ik zeg; doña Anita wil naar het schijnt een paar tijgervellen van u koopen.”
»Van mij?”
»Welzeker.”
Don Martial keek hem met zulk een verwezen blik aan, dat de ronde capataz begon te schateren van lachen. Dit gelach bracht den jongman tot bezinning en deed hem bevroeden dat er misschien een geheim achter verscholen lag en dat hij, wanneer hij nog langer vreemd opkeek, bij den eenvoudigen hofmeester licht andere vermoedens zou opwekken die deze thans niet bezat, daar hij niets van het groote geheim wist.
»Inderdaad,” zeide hij alsof hij zich iets herinnerde, »ik geloof dat ik eenigen tijd geleden...”
»Ha!” viel hem de capataz in de rede, »dat dacht ik wel half; welnu, zij heeft mij met een brief belast, dien ik u bij mijne eerste ontmoeting zou overhandigen.”
»Een brief! van wie?”
»Wel, van mijne jonge meesteres zelve, denk ik.”
»Van doña Anita?”
»Ja, van wie anders?”
»Geef hem mij dadelijk!” riep de Tigrero in vervoering.
De capataz haalde den brief uit zijn zak, en don Martial ontrukte hem dien meer dan hij die aannam, brak het zegel met bevende hand open en las den inhoud.
Toen hij hem gelezen had stak hij hem in zijne borst.
»Wel, wat schrijft nu mijne meesteres?”
»Niets anders dan hetgeen gij mij gezegd hebt,” antwoordde de Tigrero min of meer stotterend.
Blas Vasquez schudde het hoofd.
»Hm! die man heeft zeker iets dat hij voor mij niet wil weten,” mompelde hij. »Zou doña Anita mij soms gefopt hebben?”
Intusschen was de Tigrero opgestaan en stapte driftig op en neer, alsof er een belangrijk ontwerp bij hem omging; eindelijk trad hij naar Goedsmoeds, die stil zat te rooken, bukte aan zijn oor en fluisterde hem eenige woorden in, die de Canadees toestemmend beantwoordde. Een lichtstraal van vreugde blonk op het sombere gelaat van den Tigrero en terwijl hij Cuchares een wenk gaf verlieten zij samen het bivak.
Eenige minuten daarna zaten don Martial en de lepero reeds te paard, en staken de rivier over die het eiland van het vaste land afscheidde.
De capataz bemerkte hen eerst toen zij aan de overzijde aan land stapten.
Hij slaakte een kreet van verbazing.
»Caspita,” riep hij, »de Tigrero schijnt ons te verlaten; waar of hij heen gaat?”
Goedsmoeds keek don Blas aan met een schalksch gezicht, half zuur, half zoet, en antwoordde op schertsenden toon:
»Wie weet? misschien gaat hij een antwoord brengen op den brief dien hij van u ontvangen heeft.”
»Dat zou niet onmogelijk zijn,” hernam de capataz nadenkend, daar hij niet recht wist wat hij er op zeggen zou.
Op dit oogenblik ging de zon majestueus onder, in een zee van gouden en purperen dampen, achter de besneeuwde toppen van de hooge bergen der Sierra Madre; de nacht zou weldra zijn zwarten mantel over het sluimerende aardrijk uitspreiden.
XIII.
EEN WEDLOOP BIJ NACHT.
De gebeurtenissen wisselden elkander in dezen nacht zoo snel af, dat wij, ten einde het front der hoofdzaken op eene lijn te houden, genoodzaakt zijn om gedurig van den eenen persoon tot den anderen over te gaan.
Don Martial was rijk, zelfs buitengewoon rijk. Daarbij eergierig van aard en even krijgshaftig als ongestadig, had hij het vak van Tigrero, of tijgerjager, alleen bij de hand genomen om een gepast voorwendsel of ernstig doel te vinden voor zijne onophoudelijke omzwerving door de wildernissen, daar hij het grootste gedeelte van zijn onrustig leven had doorgebracht.
De tigreros zijn gewoonlijk verdienstelijke woudloopers of jagers, die zich voor een zeker dagloon, en een premie voor elke huid bovendien, bij de hacienderos verhuren om de wilde beesten te schieten, die vaak de weerlooze kudden aanranden.
Wat andere tigreros voor geld doen, deed hij voor zijn eigen genoegen of voor tijdverdrijf; aan de grenzen was hij zeer bemind en gezien, vooral bij de hacienderos, die in hem behalve den afgerichten en onverschrokken jager tevens een goed tafelvriend en volmaakt edelman wisten te waardeeren.
Don Martial had doña Anita voor de eerste maal gezien toen zijn wisselvallig beroep hem bij toeval op een aan don Sylva toebehoorende hacienda bracht, waar hij in minder dan eene maand tijd een tiental jaguars en andere verscheurende dieren had gedood.
Daar de Tigrero de schoone Anita, die hij niet leerde kennen zonder er smoorlijk op te verlieven, gedurig naging en bespiedde, had hij eens het geluk of ongeluk haar te ontmoeten juist op het oogenblik dat haar paard aan het hollen geraakte, en hij in de gelegenheid was haar te redden bijna ten koste van zijn eigen leven.
Het was ten gevolge dezer gebeurtenis dat het meisje hem voor het eerst opmerkte en toesprak, het overige is den lezer bekend.
Na den brief van doña Anita gelezen te hebben had don Martial het eiland verlaten, vergezeld van Cuchares.
Dit besluit had den lepero bitter teleurgesteld; hij verwenschte in zijn binnenste dat hij zoo dwaas was geweest om zich aan den man te verbinden, dien hij thans als met hangende ooren volgde en die hem van oogenblik tot oogenblik blootstelde om met een Indiaansche pijl doorschoten te worden, zonder eenig voordeel of zelfs prijswaardige reden. Intusschen was Cuchares de man niet om den Tigrero zijn kwade luim te toonen.
Hij begreep dat er wel zeer geldige redenen moesten bestaan om tegen het vallen van den nacht een bivak te verlaten, waar men zoo goed tegen den aanval der wilde dieren beveiligd was en den bijstand der jagers op te geven, om zonder blijkbaar doel door de wildernis te gaan zwerven. Hij brandde van verlangen om deze redenen te leeren kennen, maar hij wist dat don Martial weinig sprak en vooral niet kon dulden dat men zijne geheimen zocht uit te vorschen, en daar de lepero ondanks al zijn hollebolligheid den Tigrero inwendig grooten eerbied, ja zelfs een goede dosis vrees toedroeg, stelde hij de talrijke vragen die hij hem te doen had uit tot gelegener oogenblik.
De beide mannen reden dus stil naast elkander en vervolgden hun weg, terwijl zij den teugel achteloos op den hals hunner paarden lieten rusten en ieder voor zich zelven nadacht; Cuchares bemerkte echter weldra dat de Tigrero in plaats van zich dieper in het bosch te begeven, veeleer met opzet den rand van het water verkoos te volgen en zijn paard zoo dicht mogelijk bij de rivier te houden.