De graaf de Lhorailles

Part 12

Chapter 123,849 wordsPublic domain

Nauwelijks hadden zich al de opperhoofden in de toldo (raadshut) verzameld, of een troep Apachen-krijgslieden schaarde er zich omheen, ten einde de nieuwsgierigen te verwijderen en het geheim van de beraadslaging der sachems te verzekeren.

Ondanks zijne zelfbeheersching kon de Zwarte-Beer zijne vreugde niet bedwingen, toen hij zoo vele mannen bijeen zag die hem geheel waren toegedaan en met wier hulp hij zich zeker waande zijne dwaze plannen te kunnen uitvoeren.

»Ik heet mijne broeders welkom!” zeide hij, hen met een wenk uitnoodigend op de bisonsschedels plaats te nemen, die rondom het vuur geschaard stonden, »ik heb hen met ongeduld verbeid.”

De opperhoofden maakten eene buiging en gingen zitten. Het volgende oogenblik kwam de pijpdrager binnen met de groote calumet, die hij aan al de sachems rondpresenteerde, om er elk op zijn beurt een paar trekken uit te laten doen. Toen deze ceremonie was afgeloopen en de pijpdrager zich verwijderd had, werd de beraadslaging geopend.

»Voor alle dingen,” zoo begon de Zwarte-Beer, »moet ik u van mijne zending verslag doen. De Zwarte-Beer heeft haar volkomen vervuld, hij is in de groote hut der blanken geweest, en heeft haar tot in de kleinste bijzonderheden onderzocht, hij kent het aantal bleekgezichten die haar verdedigen en als het uur komt om er mijne krijgslieden binnen te leiden zal de Zwarte-Beer overal den weg weten te vinden.”

De hoofden bogen ten teeken van goedkeuring.

»Die groote hut der blanken,” vervolgde de Zwarte-Beer, »is het eenige ernstige bezwaar dat onze onderneming in den weg staat.”

»De Yoris zijn honden zonder moed, de Apachen zullen hen van vrouwenrokken voorzien en hen ons wildbraad laten gereed maken,” zei de Kleine-Panter met een schamperen grijns.

De Zwarte-Beer schudde het hoofd.

»De bleekgezichten der groote hut van Guetzalli zijn geene Yoris,” riep hij; »een sachem heeft hen gezien, het zijn wel degelijk mannen. Zij hebben meerendeels blauwe oogen en de kleur van hun haar is als die van het rijpe maïs, zij komen mij zeer dapper voor: laten mijne broeders zich niet vergissen!”

»En weet mijn vader ook wie deze zijn?” vroeg een der sachems.

»Dat weet de Zwarte-Beer niet, doch daar ginds bij het groote Zoutmeer, is hem gezegd dat zij een land bewonen zeer ver van hier tegen de opgaande zon: dat is alles.”

»Die mannen hebben dus zeker geen boomen, noch vruchten, noch bisons in hun land, dat zij zoo ver komen om de onze te stelen.”

»De bleekgezichten zijn onverzadelijk,” hernam de Zwarte-Beer; »zij vergeten dat de Groote Geest hun even als andere menschen slechts één mond en twee handen gegeven heeft; alles wat zij zien willen zij bezitten; de Wacondah, die zijne roode kinderen bemint, heeft ons in een rijk land doen geboren worden en ons met zijne gaven overstelpt, daarop zijn de bleekgezichten jaloersch en daarom zoeken zij ons gedurig te bestelen en er ons uit te verdrijven; maar de Apachen zijn dappere krijgslieden, zij zullen de jachtgronden weten te verdedigen en te beschermen, die zij van hunne vaderen geërfd hebben, en beletten dat zij betreden worden door de voeten der vagebonden die van de overzijde van het groote Zoutmeer zijn gekomen, op hunne drijvende hutten van de groote medicijn.” [17]

De opperhoofden juichten deze rede met geestdrift toe, daar zij hunne gevoelens zoo juist wedergaf en den bitteren haat uitdrukte die hen bezielde tegen de blanken, dat alles overwinnend en veroverend ras, dat gedurig voorwaarts dringt en de Roodhuiden steeds verder en verder in de wildernis terugdrijft en hun weldra niet langer de noodige ruimte zal laten om vrij te ademen, veelmin rustig naar hun zin en wijze te leven.

»De groote natie der Comanchen van het Meer, die zich de Koningin der Prairiën noemt, heeft naar ons volk drie beroemde krijgslieden afgevaardigd. Het doel dezer ambassade is mij onbekend, maar mijns bedunkens kan het niet anders dan vredelievend zijn. Behaagt het u, hoofden mijns volks, hen onder u te ontvangen en te vergunnen met ons de vredespijp te rooken rondom het vuur van den raad?”

»Mijn vader is een zeer wijze sachem,” antwoordde de Kleine-Panter; »hij weet, wanneer hij dit wil, de verborgenste gedachten zijner vijanden te raden; wat hij doet zal welgedaan zijn; de hoofden van zijn volk zullen zich gelukkig rekenen zich te gedragen naar den raad dien hij hun zal gelieven te geven.”

De Zwarte-Beer liet zijn blik over de vergadering weiden om zich te verzekeren of de Kleine-Panter wel het algemeene gevoelen had uitgesproken.

Al de leden van den raad bogen zwijgend het hoofd, ten teeken van goedkeuring.

De sachem glimlachte hoogmoedig, toen hij zag dat zijne mede-opperhoofden hem zoo wel begrepen hadden en wendde zich onmiddellijk tot den Kleine-Panter:

»Dat mijne broeders de opperhoofden der Comanchen binnengeleid worden,” zeide hij.

Deze woorden werden uitgesproken op een toon van majesteit, daar een Europeesch vorst die in zijn parlement voorzit zich aan kon spiegelen.

De Kleine-Panter ging de hut uit om het ontvangen bevel ten uitvoer te brengen.

Gedurende zijne afwezigheid, die vrij lang aanhield, werd er geen woord tusschen de sachems gewisseld; daar zaten zij op hunne bisonsschedels, met de ellebogen op de knieën, de kin op de handpalmen, onbewegelijk en zwijgend, strak voor zich te kijken, en naar het scheen in het diepste nadenken verzonken.

De Kleine-Panter kwam eindelijk terug, met de drie Comanchenhoofden in zijn gevolg.

Bij hunne komst stonden de Apachenhoofden op en begroetten hen met eene plechtstatige buiging. De Comanchen gaven hunne begroeting niet minder plechtstatig terug, doch namen een diep stilzwijgen in acht en bleven staan wachten tot men hen het eerst zou toespreken.

Het waren drie kloeke, jonge mannen, rank van gestalte, krijgshaftig van houding, met vrijen blik en nadenkend voorhoofd. Terwijl zij daar zoo stonden in hun nationaal kostuum, met opgeheven hoofd, de hand fier op de rechterheup, hadden zij iets edels en oprechts, dat terstond belangstelling wekte en vertrouwen inboezemde. Inzonderheid een van hen, de jongste der drie—hij kon nauwelijks vijf en twintig jaar geweest zijn—was, naar zijn uiterlijk voorkomen te oordeelen, iemand van hoogeren aanleg en rang; zijne strenge gelaatstrekken, de glans van zijn schitterenden oogopslag, zijne houding vol zwier en majesteit, alles deed hem reeds dadelijk kennen als een man uit duizend.

Hij heette de Spot-Vogel en zooals de bos condorsveeren in zijn oorlogskuif aanduidde, was hij een der voornaamste krijgshoofden van zijn stam.

Zonder zich daarom aan onbescheiden nieuwsgierigheid schuldig te maken, vestigden de Apachen op hunne nieuwe gasten dien doordringenden blik van onderzoek, dien de Indianen in zulk eene hooge mate bezitten.

De Comanchen, ofschoon zij gevoelden dat aller oog op hen gericht was en zij het mikpunt waren der algemeene belangstelling, hielden zich alsof zij hiervan niets bemerkten en geen spier bewoog zich op hun strak gelaat.

Machiavelli, de schrijver van den Vorst, was, bij de Roodhuiden vergeleken, slechts een kind in zake van politiek en staatslist. Deze arme ongeleerde wildemannen, zooals men ze uit onkunde vaak noemt, zijn de leepste en geslepenste diplomaten die er bestaan kunnen.

Na eenige oogenblikken stilte, deed de Zwarte-Beer een stap voorwaarts en naderde hij de Comanchen, de rechterhand uitstrekkende met de palm naar voren.

»Ik acht mij gelukkig,” zeide hij, »de Comanchen van het Meer te ontvangen onder mijn totem, en hen te begroeten te midden van mijn volk. Dat zij plaats nemen aan het vuur van onzen raad en de vredescalumet rooken met hunne broederen.”

»Zoo zij het,” antwoordde de Spotvogel op strengen toon; »zijn wij niet allen kinderen van den Wacondah?”

En zonder er verder een woord bij te voegen nam hij, gevolgd door de andere opperhoofden, plaats bij het vuur van den raad in gelijken rang met de Apachen.

Het gesprek bleef andermaal steken. Ieder rookte in stilte.

Eindelijk, toen in de calumets niets meer was overgebleven dan de asch, wendde de Zwarte-Beer zich met een glimlach tot den Spotvogel.

»Mijne broeders de Comanchen van het Meer waren zeker niet ver van hier op de bisonsjacht: en toen hebben zij gedacht hunnen broeders de Apachen een bezoek te brengen. Ik zeg hun hiervoor dank.”

De Spotvogel boog en antwoordde:

»De Comanchen van het Meer zijn nog ver weg, op het jachtveld der antilopen aan de Rio del Norte, alleen de Spotvogel en weinige getrouwe krijgslieden van zijn stam liggen hier in den omtrek gekampeerd.”

»De Spotvogel is een beroemd opperhoofd in de prairie,” antwoordde de Apache vleiend; »de Zwarte-Beer acht zich gelukkig hem te zien. Een zoo groot krijgsman als mijn broeder doet zulk een verren tocht niet zonder een bepaald en gewichtig doel.”

»De Zwarte-Beer heeft wel geraden: de Spotvogel is herwaarts gekomen om de banden der vriendschap tusschen hem en zijne broeders de Apachen nader toe te halen. Waarom toch zouden wij elkander een grondgebied betwisten daar wij beiden gelijk recht op hebben? Zouden wij niet wijzer doen met het tusschen ons te verdeelen? Moeten de Roode menschen elkander nog langer onderling verdelgen? Zou het niet beter zijn bij het vuur van den raad, de oorlogsbijl zoo diep te begraven, dat voortaan wanneer een Apache een Comanch ontmoet, deze in hem niets anders ziet dan een welbeminden broeder? De bleekgezichten, die met iedere maan meer en meer onze bezittingen innemen, voeren immers tegen ons een te bitteren oorlog, dan dat wij door onze inwendige geschillen hun overmoed zouden in de hand werken?”

De Zwarte-Beer stond op en strekte den arm gezagvoerend uit.

»Mijn broeder de Spotvogel heeft gelijk,” zeide hij, »slechts één gevoel behoort ons voortaan te leiden, vaderlandsliefde; stellen wij dus onze kleine hatelijkheden ter zijde, om aan niets anders te denken dan aan de vrijheid! De bleekgezichten weten volstrekt niets van onze plannen; gedurende de weinige dagen, door mij te Guaymas doorgebracht, was ik in staat mij hiervan te overtuigen; onze onverhoedsche inval zal dus voor hen een bliksemstraal zijn, die hen van schrik doet verstijven; onze enkele aannadering reeds maakt hen half overwonnen.”

Er volgde eene diepe stilte.

De Spotvogel liet nu zijn blik kalm en fier over de vergadering rondgaan, en riep:

»Binnen twee maal vier en twintig uren begint de Mexicaansche Maan. Roodhuiden en krijgslieden, zouden wij haar laten voorbijgaan zonder een van die stoutmoedige invallen te hebben gewaagd, welke wij in dezen tijd des jaars gewoon zijn te doen? Bovenal is er eene bezitting daar wij als een orkaan op moeten losstormen; die bezitting, nog kort geleden door bleekgezichten gevestigd, die geen Yoris zijn, is voor ons eene voortdurende bedreiging. Ik wil niet met u dingen, hoofden der Apachen, maar ik kom u, zoo gij de kolonie Guetzalli wilt aantasten, ronduit een onderstand van vier honderd uitgelezen Comanchen-krijgslieden aanbieden, aan welks hoofd ik mij stellen zal.”

Dit voorstel deed de aanwezigen van vreugde sidderen.

»Ik neem met vreugde het voorstel mijns broeders aan,” riep de Zwarte-Beer. »Ook ik heb nagenoeg een gelijk aantal krijgslieden onder mijn bevel; onze beide troepen zullen, naar ik hoop, genoeg zijn om de kolonie der bleekgezichten geheel te vernietigen. Morgen, met het opkomen der maan, zetten wij ons in beweging.”

De sachems verwijderden zich.

De Zwarte-Beer en de Spotvogel bleven alleen.

Deze twee opperhoofden genoten bij hun stam eene gelijke vermaardheid, beiden werden door hunne onderhoorigen schier aangebeden.

Zij beschouwden elkander eene poos met zwijgende belangstelling. Tot dusver waren zij altijd vijanden geweest en hadden nimmer gelegenheid gehad elkander te zien dan met de wapenen in de hand.

»Ik zeg mijn broeder dank, voor zijn vriendelijk aanbod,” zei de Zwarte-Beer eindelijk. »In de tegenwoordige omstandigheden zal zijne hulp ons zeer te stade komen, maar als de overwinning eenmaal beslist is, zullen de voordeelen gelijkelijk tusschen de twee natiën verdeeld worden.”

De Spotvogel boog.

»Welk plan heeft mijn broeder zich voorgesteld?” vroeg hij.

»Een zeer eenvoudig plan. De Comanchen zijn geachte ruiters; met mijn broeder als aanvoerder moeten zij onverwinnelijk zijn. Zoodra de maan aan den hemel schijnt, zal de Spotvogel met zijne krijgslieden opbreken naar Guetzalli en al het land voor zich uit afbranden, om een zwart gordijn van rook tusschen hem en den vijand op te halen, dat dezen beletten zal hen te zien aankomen of hunne sterkte te tellen. Indien de bleekgezichten, hetgeen echter niet waarschijnlijk is, vedetten buiten hunne groote hut hebben geplaatst om onze nadering te bespieden, zal mijn broeder trachten deze vedetten op te lichten en hen terstond laten dooden, om te beletten dat zij hunne vrienden waarschuwen. In de tegenwoordige onderneming, even als zulks bij vorige gelegenheden telken jare plaats had, moet alles wat den bleekgezichten behoort, huizen, hutten en jacals, met vuur worden verbrand, alsmede het vee geroofd en naar achteren worden vervoerd. Voor Guetzalli komende, zal mijn broeder zich zoo geschikt mogelijk in hinderlaag stellen en het sein afwachten dat ik hem geven zal om de bleekgezichten aan te vallen.”

»Goed. Mijn broeder is een opperhoofd vol beleid; hij zal zeker slagen; alles wat mijn broeder mij bevolen heeft, zal ik stipt uitvoeren. Maar wat zal mijn broeder zelf intusschen doen, terwijl ik mij met dit gedeelte van ons plan belast?”

De Zwarte-Beer begon te glimlachen op eene wijze die zich niet laat beschrijven.

»Dat zal mijn broeder zien,” zeide hij den Comanch met de hand op den schouder kloppende, »hij late het opperhoofd vrij begaan, ik beloof mijn broeder eene schoone overwinning.”

»Goed,” antwoordde de Comanch; »mijn broeder is de eerste man van zijn stam, hij weet hoe hij zich gedragen moet; de Apachen zijn geene vrouwen. Ik ga terstond naar mijne krijgslieden.”

»Goed, mijn broeder heeft mij begrepen, morgen als de maan opkomt.”

De Spotvogel boog en de twee opperhoofden scheidden, naar het scheen op den meest vriendschappelijken voet.

Eenige minuten later kwam in den kamp der Apachen alles in beweging. De vrouwen braken de tenten af, laadden de muildieren op, de kinderen hielpen de paarden opvangen en zadelen, kortom, men maakte met allen spoed aanstalten voor een onverwijld vertrek.

XII.

VROUWENLIST.

Tegen den avond van den volgenden dag, met het opkomen der maan, volgens afspraak, gaf ook de Spotvogel zijn troep order om op te breken en den tocht te beginnen.

Weldra had een kleine afdeeling ruiters, die als verspieders vooruit waren gezonden om de velden in vlam te zetten, brandende houten in de struiken geworpen, en na verloop van eenige minuten steeg er als een gordijn van vlammen ten hemel, dat den ganschen horizont bedekte.

De Comanchen hadden de bevelen van het Apachenhoofd zoo snel en met zooveel overleg uitgevoerd, dat in minder dan een half uur al het omliggende land in de asch was gelegd.

De Zwarte-Beer, die zich met de zijnen op het eiland verschanst had, was nog niet opgebroken. De sporen door de Comanchen achtergelaten, waren helaas! overal zichtbaar, want dit landschap, den vorigen morgen nog zoo schoon, zoo rijk en zoo bloeiend, geleek thans eene treurige dorre en eenzame woestijn; geen groen was er meer te zien, geen bloemen geurden er meer, geen vogeltjes zongen er meer als om strijd tusschen de takken!

Het plan der Indianen was tot hiertoe volkomen gelukt en de kolonisten te Guetzalli zouden ontwijfelbaar overrompeld zijn geworden, zoo Goedsmoeds en diens vrienden elkander niet op den weg der Indianen hadden aangetroffen.

De Canadees was op zijne hoede.

Bij het gezicht der eerste rookwolk die hij in de verte zag opgaan, had hij het voornemen der Roodhuiden begrepen en zonder een oogenblik te verliezen, den Arendskop naar de kolonie gezonden om don Louis te waarschuwen, dien de Indiaan, gelijk wij reeds gezien hebben, dicht bij de hacienda ontmoette.

Intusschen kwamen achter den brand de Comanchen in vollen galop aanrennen, alles vertrappende en vernielende wat door het vuur mocht gespaard zijn.

De nacht was volkomen gedaald toen de Spotvogel in het gezicht der kolonie kwam. In de veronderstelling dat de snelheid van zijn marsch den blanken geen tijd zou hebben gelaten om zich in staat van tegenweer te stellen, plaatste hij een gedeelte van zijn troep in hinderlaag en trok aan ’t hoofd der overigen, met al de in dergelijke gevallen gebruikelijke voorzorgen, langzaam voortkruipend naar de batterij aan de landengte.

Niemand vertoonde zich daar; de taluds en de verschansingen schenen verlaten; de Spotvogel verhief zijn oorlogskreet, sprong plotseling te voorschijn en klauterde met zijne krijgslieden vlug als tijgerkatten tegen de verschansingen op; doch op het oogenblik dat de Comanchen aan de binnenschans meenden te kunnen afdalen, werd er een volle laag uit grof en klein geschut op de aanvallers gelost, die er bijna de helft van wegmaaide; de overblijvenden trokken ijlings terug en namen de vlucht.

De Comanchen hadden een groot nadeel tegenover de blanken, daar zij van geen vuurwapenen voorzien waren. Het klein geweervuur decimeerde hen, terwijl zij niets anders hadden om het te beantwoorden dan hunne pijlen en werpspiesen, of ook steenen die zij met den slinger wierpen.

Weldra, doch een weinig te laat, inziende dat de Franschen op hunne hoede waren, wilde de Spotvogel het door de geleden verliezen reeds merkelijk geschokte vertrouwen zijner krijgslieden niet verder door nuttelooze pogingen verzwakken. Hij trok dus met zijn detachement terug onder bedekking van het bosch, waar hij besloot het signaal van den Zwarte-Beer af te wachten eer hij zich opnieuw in beweging zette.

Intusschen was don Louis met den Arendskop naar Goedsmoeds teruggekeerd. De Indiaan moest hierbij de geleider zijn en bracht hem, na verscheidene omwegen, bijna tegenover de batterij aan de landengte naar een dicht boschje cactus, aloë’s en floripondio’s.

»Hier kan mijn broeder afstijgen,” zeide hij tot den Franschman, »wij zijn er.”

»Wij zijn er! waarzoo dan?” vroeg don Louis vruchteloos de oogen opslaande.

Zonder te antwoorden nam de Indiaan het paard reeds bij den teugel, en bracht het weg; terwijl Louis naar alle zijden bleef uitkijken, maar al zijne pogingen waren vergeefs.

»Wel,” vroeg hem de Arendskop toen hij zonder paard terugkwam, »heeft mijn broeder zich kunnen thuis vinden?”

»Carai! neen hoofdman, ik geef het op.”

De Indiaan lachte.

»De bleekgezichten hebben mollenoogen,” zeide hij.

»Dat is wel mogelijk; maar hoe dit wezen mag, zal ik u dankbaar zijn als gij mij de uwe wilt leenen.”

»Goed, mijn broeder zal zien.”

De Arendskop ging zoo lang als hij was op den grond liggen. Louis deed het zelfde, en beiden slopen nu op handen en voeten het boschje in. Na dit vermoeiende werk een kwartier te hebben voortgezet hield de Indiaan stil.

»Laat mijn broeder nu eens zien,” zeide hij.

Zij bevonden zich op een klein open grasveld van alle zijden door boomen en struiken ingesloten, die zoo volkomen door lianen en andere slingerplanten waren samengeweven, dat het zonder welervaren en scherp onderzoek onmogelijk was deze wijkplaats te ontdekken of zelfs te vermoeden.

Hier zaten Goedsmoeds en de twee Mexicanen met philosofisch geduld, al rookende, op de terugkomst van hun uitgezonden vriend te wachten.

»Welkom binnen,” riep de Canadees zoodra hij hen gewaar werd; »hoe vindt gij ons schuilhoekje? Charmant, niet waar? dat heeft de Arendskop voor ons uitgevonden, die weêrgasche Indianen hebben een bijzonderen neus om hinderlagen te zoeken, wij zijn hier zoo veilig als in de kathedraal te Quebec.”

Gedurende dezen woordenvloed, dien Louis niet anders beantwoordde dan met een warmen handdruk, had de Franschman zich reeds bij zijne kameraden nedergezet en was hij met goeden eetlust begonnen de noodige eer te bewijzen aan het ontbijt dat deze voor hem bewaard hadden.

»Maar waar zijn onze paarden?” vroeg hij.

»Geen tien passen van hier en door niemand te vinden dan door ons zelf,” was het antwoord.

»Zeer goed; en kunnen wij deze dadelijk krijgen als wij ze noodig hebben?”

»Nu! dat zou ik denken.”

»’t Is maar dat wij ze waarschijnlijk spoedig noodig zullen hebben.”

»Maar laat ik u niet storen,” vervolgde hij zich zelven in de rede vallende, »ik doe niets dan babbelen, en denk er niet om dat gij wel grooten honger moet hebben; eet liever eerst, wij zullen straks wel praten.”

»O! ik kan u zeer goed antwoord geven, al eet ik.”

»Neen, alles op zijn tijd; ontbijt maar eerst, wij zullen u straks wel hooren.”

Nauwelijks had don Louis met eten gedaan of hij deed een uitvoerig verslag van de wijze waarop hij zijne zending volvoerd had.

»Dat gaat alles naar wensch,” zei Goedsmoeds toen de Franschman zijn verhaal eindigde; »ik geloof dat wij vooreerst over het lot onzer landgenooten niet bezorgd behoeven te zijn, vooral met behulp der veertig peons van den capataz die den vijand tusschen twee vuren zullen brengen.”

»Maar waar willen zij zich versteken?”

»Dat gaat den Arendskop aan. Het opperhoofd is met deze streek door en door bekend, hij heeft hier lang gejaagd, ik ben zeker dat hij een geschikt punt voor de Mexicanen zal vinden; wat zegt gij er van, hoofdman?”

»In de prairie kan men zich gemakkelijk verbergen,” zei de Indiaan lakoniek.

»Ja,” merkte don Martial hierop aan, »maar één ding vergeet gij.”

»Wat dan?”

»Ik heb lang op de grenzen gewoond en ben dus met de taktiek der Indianen zeer goed bekend; als de Apachen eene vesting naderen laten zij zich altijd voorafgaan door een gordijn van rook; daartoe steken zij de vlakte in brand, die weldra niets anders zal zijn dan een zee van vlammen, tegen welke wij ons vruchteloos zullen verweren en die ons ten slotte zullen verslinden, zoo wij niet in tijds de noodige voorzorgen nemen.”

»Dat is waar, het is een ernstig geval. Ongelukkig zie ik maar één middel om ons aan het dreigend gevaar te onttrekken, maar dat middel kunnen wij dan ook gebruiken.”

»Welk middel bedoelt gij?”

»Pardi! dat wij op de vlucht gaan.”

»Dan weet ik wel een beter,” zei de Arendskop.

»Gij, hoofdman? Dan zult gij toch wel zoo goed zijn het ons mede te deelen.”

»Zoo de bleekgezichten slechts gelieven te luisteren. De Rio Gila, gelijk alle andere rivieren, voert op haar stroom doode boomen mede en somwijlen in zulk eene groote menigte, dat zij haar op zekere plaatsen verstoppen en blijven liggen; door den tijd schuiven die boomen zich dichter aaneen en vlechten de takken zich samen; vervolgens groeien er waterplanten tusschen, die ze nog nauwer verbinden; zand en aarde verzamelen er zich op, er groeit gras en riet en weldra andere kruiden op, zoodat deze ontzaglijk groote houtvlotten in de verte er als wezenlijke eilanden uitzien, tot eindelijk een hevige storm of een hooggezwollen vloed het vlottende eiland losrukt, den stroom afvoert en langzamerhand vaneen scheurt of geheel vernietigt.”

»Ja, dat weet ik, hoofdman, daarvan heb ik meer dan eens voorbeelden gezien,” antwoordde Goedsmoeds, »zulke vlottende eilanden gelijken vaak zoo zeer naar vaste, dat iemand, al is hij aan het leven in de wildernis en aan de grootsche tooneelen aldaar gewoon, er toch door bedrogen wordt. Ik begrijp wel waar gij heen wilt en welk voordeel wij van uw idee zouden kunnen trekken, als ik maar eenige kans zag om dat middel te gebruiken, maar dat is ongelukkigerwijs niet het geval.”

»Ooah! dat is gemakkelijk genoeg,” hervatte de Arendskop, »het oog van een Indiaan is goed, hij ziet op drie boogschot afstand alles. Even boven de groote hut der bleekgezichten ligt een van die kleine vloteilanden, geen vijftig passen van den oever; heeft mijn broeder dat niet opgemerkt?”

»Inderdaad!” riep Goedsmoeds »wat gij zegt is volkomen waar. Ik herinner mij thans dat eiland, daar had ik volstrekt niet aan gedacht.”