Part 11
»Gij doet mij schrikken, mijnheer. Wat is er dan gaande? welk vreeselijk nieuws hebt gij mij mede te deelen?”
»Ik heb u immers reeds gezegd, mijnheer, dat ik een Jobsbode was, en kwade tijding kwam brengen.”
»Laat u dat niet bezwaren; wat het ook zij, door u gesproken zal het mij welkom zijn; wat kan ik op mijn tegenwoordigen post in de woestijn anders verwachten dan nu en dan een ongeluk?”
»Ik hoop dat ik u het gevaar zal kunnen helpen afwenden, dat u thans boven het hoofd zweeft.”
»Ik dank u voorshands voor uw broederlijke belangstelling, mijnheer; spreek nu vrij uit, wat gij mij ook moogt te vertellen hebben, ik zal u rustig aanhooren, ik verlang het te weten en luister met aandacht.”
Zonder van zijne ontmoeting met den Tigrero te reppen, verhaalde don Louis thans den graaf, hoe hij toevallig een gesprek tusschen den gids en verscheidene Apachenhoofden had afgeluisterd, die in den omtrek der hacienda verscholen zaten en welk plan zij hadden gevormd om de kolonie te overrompelen.
»Ziedaar, mijnheer,” zeide hij ten slotte, »oordeel nu zelf over het gewicht der tijding en over de maatregelen die gij zult moeten nemen om het plan uwer vijanden te verijdelen.”
»Ik zeg u dank, mijnheer; reeds eenige minuten voor uwe komst, toen mijn luitenant mij kwam zeggen dat de gids verdwenen was, heb ik begrepen dat ik met een spion te doen had; wat gij mij meldt brengt dit vermoeden tot zekerheid. Zoo als gij wel zegt is er geen oogenblik te verliezen; ik zal mij onmiddellijk beraden om de noodige maatregelen te beramen.”
Hij klopte op de tafel.
Er kwam een peon binnen.
»Roep den eersten luitenant,” zeide hij.
Na een paar minuten verscheen Martin Leroux.
»Luitenant,” zei de graaf, »gij moet met twintig ruiters al de omstreken drie mijlen in ’t rond gaan verkennen, want ik hoor daareven dat er Indianen in de nabijheid zijn die op ons loeren.”
De oude soldaat boog zonder te antwoorden en verwijderde zich om te gehoorzamen.
»Wacht even!” riep don Louis in ’t Fransch, hem met een wenk tegenhoudende; »nog een woord.”
»Hé!” riep Martin Leroux met verwondering terugkeerende, »spreekt gij nu toch Fransch?”
»Zoo als ge hoort,” antwoordde don Louis glimlachend.
»Hadt gij het een of ander op te merken?” vroeg de graaf.
»Ik woon reeds sinds lang in Amerika en in de woestijn, zoodat ik de Indianen heb leeren kennen en met hen in list kan wedijveren. Met uw verlof zal ik u eenigen raad geven dien ik meen dat u in de tegenwoordige omstandigheden niet ondienstig zal zijn.”
»Pardi!” riep de graaf, »spreek op, waarde landsman, uw raad kon ons niet anders dan nuttig zijn, daar ben ik van overtuigd.”
Op dit oogenblik trad don Sylva de kamer binnen.
»Zoo, beste vriend!” vervolgde de graaf, toen hij hem zag, »gij komt juist van pas, wij hebben u zeer noodig; uwe kennis van de zeden der Indianen zal ons zeer te stade komen.”
»Wat is er toch gaande?” vroeg de haciendero met een hoffelijken groet tegen de aanwezigen.
»Er is gaande, dat de Apachen ons met eenen aanval bedreigen.”
»O! dat is erg, vriend; wat denkt gij te doen?”
»Dat weet ik nog niet. Ik had mijn luitenant Martin reeds gelast om de omstreken te gaan opnemen, maar deze heer, in wien ik de eer heb u een mijner landgenooten voor te stellen, schijnt van een ander gevoelen.”
»De caballero heeft gelijk,” antwoordde de Mexicaan met eene buiging voor don Louis;—»maar vooreerst, zijt gij wel zoo zeker van dien aanval?”
»Mijnheer is opzettelijk herwaarts gekomen om mij te waarschuwen.”
»Dan valt er niet meer aan te twijfelen, en moeten de noodige voorzorgen onverwijld genomen worden. En hoe denkt de caballero er over?”
»Dat wilde hij mij juist opgeven toen gij binnen kwaamt.”
»Laat ik dan uw onderhoud niet langer storen; ik luister, spreek, mijnheer.”
Don Louis boog en nam het woord.
»Caballero,” sprak hij, zich tot don Sylva wendende; »wat ik zeggen zal, is inzonderheid voor de Fransche señores bestemd, die te veel aan de oorlogen der blanken in Europa gewoon, niets begrijpen van de wijze waarop de Indianen hier te werk gaan.”
»Dat is waar,” merkte de graaf aan.
»Bah!” riep Leroux, terwijl hij met zeker gevoel van eigenwaarde zijn knevelbaard opstreek, »dan zullen wij hooren.”
»Pas maar op dat het niet tot uw nadeel zij!” vervolgde don Louis. »De Indiaansche oorlog is een krijg van listen en hinderlagen. Geen vijand zal u ooit in het open veld aantasten; hij houdt zich altijd schuil en zoo hij slechts overwinnaar blijft is ieder middel hem welkom, bovenal verraad. Vijf honderd Apachen, onder aanvoering van een stoutmoedig opperhoofd, zouden het in de prairie tegen uwe beste soldaten volhouden, hen afmatten en decimeeren, zonder dat deze ooit tot een bepaald treffen konden komen.”
»Zoo?” mompelde de graaf. »Is dit hun eenige manier van strijdvoeren?”
»De eenige,” bevestigde de haciendero.
»Hm!” riep Leroux, »dat heeft dunkt mij veel van den oorlog in Afrika.”
»Niet zoo veel als gij denkt. De Arabieren vertoonen zich nog, terwijl de Apachen, zooals ik u reeds gezegd heb, zich niet dan in de uiterste noodzakelijkheid bloot geven.”
»Dus is mijn plan om eene verkenning naar buiten te bewerkstelligen....”
»Onuitvoerbaar om twee redenen: òf uwe ruiters, hoezeer door tal van vijanden omgeven, zouden er niet een van te zien krijgen; òf zij zouden in een hinderlaag worden gelokt, waar zij ondanks wonderen van dapperheid tot den laatsten man zouden sneuvelen.”
»Al wat deze heer zegt is volkomen juist; het laat zich wel hooren dat hij met den Indiaanschen oorlog grondig bekend is en zich menigmaal met de Indios bravos zal gemeten hebben.”
»Die ondervinding heb ik met mijn aardsch geluk moeten betalen, mijne geliefden zijn door deze woeste vijanden vermoord,” antwoordde don Louis treurig; »bereid u op een gelijk lot zoo gij niet op uwe hoede zijt. Ik weet hoe veel het aan uw ridderlijken volksaard kost om zulk een gedragslijn te volgen; maar als ik u raden mag is het uwe eenige kans op behoud.”
»Wij hebben hier verscheidene vrouwen en kinderen, uwe dochter, don Sylva, bovenal: wij moeten haar niet alleen volstrekt buiten gevaar stellen, maar zelfs voor den minsten schrik behoeden. Ik vereenig mij dus geheel met het gevoelen van mijnheer Louis en ben voornemens om met de meeste omzichtigheid te werk te gaan.”
»Ik zeg u dank, zoo voor mij als voor mijne dochter.”
»Maar nu, mijnheer, daar wij reeds zoo veel goeden raad van u gehoord hebben moet gij het er niet bij laten, maar uw werk de kroon opzetten door mij te zeggen wat gij in mijne plaats doen zoudt?”
»Mijnheer,” antwoordde Louis ernstig, »wat ik zou doen is dit: de Apachen zullen u stellig aanvallen, om zekere reden, die ik wel weet maar te beuzelachtig reken om er ons thans mede op te houden; zij maken het welgelukken van dezen aanval tot een punt van eer; versterk u dus hier zoo veel gij maar kunt. Gij hebt een aanzienlijk garnizoen, uit beproefde mannen samengesteld; bij gevolg zijn alle kansen bijna in uw voordeel.”
»Ik heb zeventig dappere Franschen, allen oud-gedienden, die weten wat oorlogvoeren is.”
»Achter goede muren en wel gewapend is dat meer dan gij er noodig hebt.”
»Behalve nog de veertig peons, op de Indianenjacht afgericht, die ik heb medegebracht,” zei don Sylva.
»Zijn die mannen op dit oogenblik hier?” vroeg don Louis met drift.
»Ja, mijnheer.”
»O, dat vereenvoudigt de zaak aanmerkelijk; geloof mij, mijne heeren, nu zijn het de Indianen die het meeste te duchten hebben.”
»Verklaar u nader.”
»Allerwaarschijnlijkst zult gij aan de zijde der rivier worden aangetast; misschien zullen de Indianen om uwe krachten te verdeelen een gewaanden aanval op het fort aan de landengte doen, maar dat punt is te goed versterkt dan dat zij in ernst zouden beproeven het te veroveren; ik herhaal u dus dat de vijand zijne hoofdmacht aan den rivierkant zal samentrekken.”
»Ik moet u doen opmerken, mijnheer,” zei de luitenant, »dat de rivier op dit oogenblik onbevaarbaar is, door de duizende boomstammen die de jongste onweders in de bergen hebben losgerukt en die zij op haar stroom medevoert.”
»Ik weet niet of de rivier al dan niet bevaarbaar is,” antwoordde don Louis beslissend; »maar daarvan ben ik overtuigd, dat de Apachen u van die zijde zullen aantasten.”
»In ieder geval, en om niet onvoorziens overrompeld te worden, zal ik twee stukken van de batterij aan de landengte laten nemen; daar blijven er dan nog vier over, hetgeen meer dan voldoende is; ik zal die twee stukken zoo laten stellen dat zij de rivier bestrijken en ze tevens maskeeren zoodat zij niet kunnen gezien worden. Gij hebt mij verstaan, Leroux? laat vervolgens een der lange veldstukken op het plat der mirador in batterij stellen, dan bestrijken wij den loop der Gila ook van dien kant. Ga nu, en zorg dat mijne orders onmiddellijk worden uitgevoerd.”
De oude soldaat ging heen zonder te antwoorden, om de bevelen van zijn chef uit te voeren.
»Gij ziet, mijne heeren,” vervolgde de graaf zoodra zijn luitenant weg was, »dat ik mij den raad dien gij mij geeft dadelijk ten nutte maak; ik beken dat ik van den Indiaanschen oorlog volstrekt geen ondervinding heb en zeg u nogmaals, dat ik mij gelukkig reken door u zoo goed geholpen te worden.”
»Mijnheer Louis heeft alles vooruit gezien,” zeide de haciendero, »even als hij, denk ik dat de kolonie aan de rivierzijde het meest bloot ligt.”
»Nog een woord,” hervatte de Franschman.
»Spreek, mijnheer.”
»Hebt gij niet gezegd, caballero, dat gij veertig peons hadt medegebracht, allen in den krijg welervaren mannen en dat zij op dit oogenblik hier zijn?”
»Ja, dat heb ik gezegd, en het is de zuivere waarheid.”
»Zeer goed. Laat ik u dan ook daarin raden, mijne heeren; wat ik hier zeggen zal is maar eene eenvoudige opmerking, maar ik geloof dat gij van de peons meesterlijk partij zoudt kunnen trekken en u van de overwinning verzekeren door uwe vijanden tusschen twee vuren te brengen.”
»Dat zou het ook. Maar hoe meent gij het dan? gij hebt zelf daar zoo even nog gezegd, dat het eene onvergeeflijke onvoorzichtigheid zou zijn om een detachement van ons volk op verkenning uit te zenden.”
»Dat heb ik ook gezegd en dat zeg ik nog. In de bosschen en struiken namelijk zijn, terwijl wij hier spreken, duizend oogen op de hacienda gevestigd, zoodat er niemand in of uit kan gaan zonder dat zij het zien.”
»Welnu?”
»Maar heb ik u dan ook niet gezegd dat deze oorlog een oorlog van listen en hinderlagen was?”
»Dat hebt gij zeker; en toch moet ik u bekennen dat ik niet begrijp waar gij heen wilt.”
»Dat is toch zoo moeielijk niet om te begrijpen; ik zal het u in twee woorden zeggen.”
»Alles wat ik verlang,” zei don Sylva.
»Señor caballero,” hervatte don Louis zich tot don Sylva wendende, »denkt gij hier te blijven?”
»Ja, om zekere gewichtige redenen zal ik hier vrij lang moeten vertoeven.”
»Ik heb voor het minst geen oogmerk, señor, mij in uwe intieme zaken te mengen, geloof mij, señor, als ik maar weet of gij hier blijft.”
»Ja.”
»Perfect. Hebt gij onder uwe peons een getrouw man, op wien gij kunt rekenen zoo goed als op u zelven?”
»Cascaras! dat zou ik denken: ik heb Blas Vasquez.”
»Zonder onbescheiden te zijn, señor, moet ik u vragen wie is deze Blas Vasquez, zooals gij hem noemt, daar ik de eer niet heb hem te kennen.”
»Blas Vasquez is mijn capataz of majordomo (hofmeester) een flinke vent, daar ik des noods op kan rekenen zoo goed als op mij zelven.”
»Nu, dan is alles in orde, dat maakt de zaak zoo eenvoudig mogelijk.”
»Ik zie nog volstrekt niet hoe,” riep de graaf.
»Gij zult het aanstonds zien,” hernam don Louis.
»Hoe eer hoe liever, vriend.”
»Uw capataz zal zich, onder bepaalde instructiën, eer wij een uur verder zijn aan het hoofd der peons stellen en openlijk uittrekken op weg naar Guaymas; doch twee of drie uren van hier, op eene plaats die wij nader zullen bepalen moet hij post vatten: het overige gaat ons aan en zal door mijne vrienden en mij worden geregeld.”
»Ja, ik begrijp uw plan: de peons door u met overleg verborgen, zullen de Indianen in den rug aantasten zoodra de strijd tusschen hen en ons hier begint.”
»Dat is werkelijk mijn plan.”
»Maar de Apachen?”
»Welnu?”
»Denkt gij, dat zij een troep blanken ongemoeid van hier zullen laten vertrekken?”
»De Indianen zijn te slim om er zich tegen te verzetten. Wat zouden zij er bij winnen, een troep aan te tasten die geen bagage bij zich heeft en daar dus niets van te halen is? Zulk een strijd zou alleen hunne stelling kunnen verraden, en daar zullen zij zich wel voor wachten. Neen, neen, wees gerust, caballero, zij zullen zich niet verroeren; zij hebben er te veel belang bij om onzichtbaar te blijven, of verbeelden het zich althans, daar zij niet weten dat gij voor hen gewaarschuwd zijt.”
»En gij, wat denkt gij te doen?”
»Ik? de Indianen hebben mij ongetwijfeld herwaarts zien komen; zij weten dat ik hier ben; als ik tegelijk met u vertrok zou ik alles verklappen. Ik ga dus alleen weg, zoo als ik gekomen ben, en dat wel oogenblikkelijk.”
»Uw plan is zoo eenvoudig en zoo goed overlegd, dat het wel slagen moet. Ontvang onzen dank, mijnheer, en noem ons uw naam, opdat wij den man mogen kennen aan wien wij zoo veel verplichting hebben.”
»Waartoe zou dat dienen, mijnheer?”
»Ik voeg mijn verzoek bij dat van mijn vriend Gaëtano, caballero, om u te dringen, den naam te openbaren van een man wiens aandenken zoo diep in onze harten staat gegrift.”
Don Louis aarzelde. Zonder recht te weten waarom, voelde hij zich ongenegen om tegenover den graaf de Lhorailles zijn incognito te verbreken.
De beide heeren hielden echter zoo dringend en zoo beleefd bij hem aan, dat hij, bij gebreke van stellingen en redelijken grond om onbekend te blijven, zich liet overhalen zijn naam bekend te maken.
»Caballeros,” zeide hij eindelijk, »ik ben de graaf Louis Edouard Maxime de Prébois Crancé.”
»Wij zijn vrienden, niet waar, mijnheer de graaf?” zeide de Lhorailles hem de hand toestekende.
»Wat ik voor u doe, strekt dunkt mij daarvan tot bewijs,” antwoordde hij met een hoffelijke buiging, maar zonder de hand te drukken die hem werd aangeboden.
»Ik dank u,” zei de graaf zonder naar ’t scheen de teruggetrokken houding van don Louis op te merken. »Denkt gij ons spoedig te verlaten?”
»Ik moet u, met uwe dringende bezigheden alleen laten. Zoo gij er niets tegen hebt, neem ik dadelijk mijn afscheid.”
»Toch niet zonder ten minste vooraf met ons ontbeten te hebben?”
»Gij zult mij verschoonen, de tijd dringt ons. Mijne vrienden, die ik reeds sedert een paar uren verlaten heb, zullen zich over mijn lang uitblijven zeer ongerust maken.”
»Daar zij weten dat gij bij mij zijt, mijnheer, is zoo iets toch onmogelijk,” zei de graaf min of meer geraakt.
»Zij weten niet dat ik hier zonder letsel ben aangekomen.”
»Dat verandert de zaak, dan wil ik u niet langer ophouden, nogmaals dank, mijnheer.”
»Ik heb volgens mijn geweten gehandeld, mijnheer, gij hebt mij voor niets te danken.”
De drie heeren gingen nu de zaal uit en wandelden samen naar de landengte, al pratende over onverschillige zaken. Nauwelijks waren zij half op weg, of zij ontmoetten don Blas, den capataz. Don Sylva wenkte hem te naderen en gaf hem toen in weinige woorden te kennen op welke gebeurtenissen men zich voorbereidde en welke rol hij daarbij zou moeten spelen.
»Voto a Dios!” riep de wakkere hofmeester vroolijk, »ik dank u, don Sylva, voor dat goede nieuws. Wij zullen dus eindelijk met die verwenschte Apachen aan den slag komen. Caraï! zij zullen wat zien, dat zweer ik u.”
»Dat is u wel toevertrouwd, Blas, ik verlaat mij geheel op u.”
»Maar op welke hoogte moet ik dezen caballero afwachten!”
»Inderdaad! wij hebben de plaats nog niet bepaald.”
»Inderdaad!” herhaalde don Louis. »Ongeveer drie mijlen van hier in de richting van Guaymas waar de weg een bocht maakt, ligt een eenzame heuvel, zoo ik meen heet hij el Pan de Azucar; daar kunt gij u gerust verbergen zonder vrees van ontdekt te worden. Ik zal daar met mijne vrienden bij u komen.”
»Dat is afgesproken. Tegen hoe laat zoo wat?”
»Dat kan ik u nog niet bepaald zeggen; het hangt van omstandigheden af.”
Eenige minuten later keerde don Louis naar de prairie terug terwijl de graaf de Lhorailles en de beide Mexicanen zich bezig hielden met de noodige toebereidsels voor eene ernstige verdediging der hacienda.
»’t Is toch zonderling,” mompelde don Louis in zich zelven terwijl hij in snellen galop wegreed, »al is die man mijn landgenoot en al zal ik eerlang misschien mijn leven voor hem wagen, gevoel ik voor hem geen de minste sympathie.”
Op eens maakte zijn paard een zijsprong, en de Franschman, zoo plotseling in zijne beschouwingen gestoord, hield op.
De Arendskop stond voor hem.
XI.
DE MEXICAANSCHE MAAN.
Na zijn nachtelijk bezoek in het jagerskamp was de Zwarte-Beer met zijne ruiterschaar onmiddellijk op marsch gegaan naar zeker niet verafgelegen eiland, Chole-Heckel genaamd, een der uiterste posten van den stam der Apachen op de grenzen van Mexico.
De Sachem met zijn troep bereikte dit eiland tegen het krieken van den dag. Daar ter plaatse heeft de Rio Gila hare grootste breedte, beslaande elk der beide rivierarmen die het eiland insluiten, meer dan twee mijlen van den eenen oever tot den anderen.
Chole-Heckel, dat zich midden in den stroom verheft en, uit de verte gezien, als een trotsche bloemenmand schijnt te drijven op het spiegelend watervlak, heeft ongeveer drie mijlen lengte bij eene mijl breedte, en is om zoo te zeggen eene reusachtige bouquet van bloeiende boomen en gewassen, die de welriekendste geuren uitwasemt en in wier welige takken eene ontelbare menigte vogels onder lustig gekweel en gesnater zich paart tot een melodisch natuurconcert.
Onder de luisterrijke stralen der opgaande zon bood het eiland op dit oogenblik bovendien een ander, ongewoon en allerzonderlingst schouwspel, dat wel in staat was den blik van iederen reiziger te treffen, en geen Europeaan, zonder het gezien te hebben, zich ooit naar waarde zou kunnen verbeelden.
Zoover het oog reikte, zoowel op het eiland zelf als aan de beide oevers der Rio Gila, zag men honderden tenten van bisonshuid of hutten van groene takken gevlochten, in geregelde orde, dicht aan elkander geplaatst en uitwendig met allerlei opzichtige stoffen versierd of met schreeuwende kleuren beschilderd, zoodat de bonte mengeling, thans door de gloeiende morgenzon beschenen, het oog deed schemeren.
Tallooze kleine prauwen rond van vorm, uit samengenaaide paardenhuiden of meer rank en spits, uit holle boomstammen vervaardigd, doorkliefden de rivier in alle richtingen.
De krijgslieden van den Zwarte-Beer stegen af en gaven hunnen paarden de vrijheid, die weldra begonnen te grazen en zich onder eene menigte anderen verstrooiden.
Het opperhoofd begaf zich onmiddellijk naar de hutten en tenten, voor welke behalve wimpels van doek en vederbossen eene menigte haarschedels van beroemde in den krijg gedoode vijanden op de morgenkoelte wapperden, en ging tusschen de vrouwen door, die reeds druk bezig waren met het ochtendmaal te bereiden.
De Zwarte-Beer werd echter bij zijne komst dadelijk herkend; iedereen haastte zich dus hem te gemoet te gaan en zich op zijn weg te scharen, om hem met een eerbiedige buiging te begroeten. Wat een Europeaan misschien moeielijk zou gelooven, is het diep ontzag dat alle Indianen, zonder uitzondering, hunnen opperhoofden toedragen. Vooral bij die Indianen, welke aan de voorvaderlijke gewoonten getrouw gebleven, de Europeesche beschaving met verachting hebben afgewezen om als vrije mannen in de onbeperkte savanen te kunnen omzwerven, is dit ontzag tot dweepzuchtige en schier tot afgodische vereering overgeslagen.
De gouden met twee bisonshoorns versierde haarband die op het voorhoofd van den Zwarte-Beer prijkte, maakte hem terstond bij allen kenbaar en deed alom op zijn pad een levendig vreugdegejuich opgaan.
Eindelijk bereikte hij den oever der rivier; daar komende wenkte hij een man, die op korten afstand met zijne prauw lag te visschen; deze haastte zich te gehoorzamen, en de sachem stak den stroom over naar het eiland.
Eene hut van takken stond aldaar voor hem gereed. Waarschijnlijk hadden de hier en daar verborgen schildwachts hem reeds uit de verte gadegeslagen, want op het oogenblik dat hij voet aan wal zette, trad een der opperhoofden met name de Kleine-Panter hem te gemoet.
»Het groote opperhoofd is welkom bij zijne kinderen,” zeide hij met eene hoffelijke buiging voor den Zwarte-Beer; »o! heeft mijn vader eene goede reis gehad?”
»Ik heb eene goede reis gehad, ik dank mijn broeder.”
»Zoo mijn vader het goed vindt zal ik hem naar de jacal [15] geleiden die wij gebouwd hebben om hem te ontvangen.”
»Laten wij gaan,” zei de sachem.
De Kleine-Panter boog ten tweeden male en geleidde thans het opperhoofd langs een smal pad dat door de struiken gebaand was; weldra kwamen zij aan eene jacal die naar de wijze der Indianen, zoowel door hare grootte als door hare netheid en de schitterende kleuren waarmede zij beschilderd was, uitmuntte en aan hun ideaal van gemak of weelde beantwoordde.
»Hier is mijns vaders huis,” zeide de Kleine-Panter terwijl hij eerbiedig de fressada—wollen deken—ophief, die de jacal als een gordijn sloot, en toen een weinig ter zijde trad om den Zwarte-Beer door te laten.
Deze trad binnen.
»Mijn broeder volge mij,” zeide de Zwarte-Beer.
De Kleine-Panter trad achter hem binnen en liet het gordijn weder vallen.
De jacal, ofschoon buitengewoon groot, verschilde overigens niet van die der andere Indianen; in het midden brandde een vuur; de Zwarte-Beer wenkte den anderen sachem om naast hem op een bisonsschedel te gaan zitten; nam er zelf een en beiden namen plaats bij het vuur.
Na een poosje stilzwijgens, dat de sachems besteedden om deftig hunne pijp te rooken, richtte de Zwarte-Beer het woord tot den Kleine-Panter.
»Zijn al de hoofden onzer volksstammen op het eiland Chole-Heckel vereenigd, zoo als ik bevolen had?”
»Allen zijn er vereenigd.”
»Wanneer zullen zij in mijne jacal komen?”
»Dat hangt van mijn vader af; zij wachten op zijn welbehagen.”
De Zwarte-Beer begon weder stilzwijgend te rooken en op deze wijze verliep er een geruime tijd.
»Is er gedurende den tijd, dat ik afwezig was, niets nieuws voorgevallen?” vroeg de Zwarte-Beer terwijl hij de asch uit zijn calumet op den nagel van den duim zijner linkerhand schudde.
»Drie opperhoofden van de Comanchen der prairiën zijn hier gekomen, om als afgezanten van hun volk met de Apachen te onderhandelen.”
»Ooah!” riep de Zwarte-Beer; »zijn het beroemde opperhoofden?”
»Zij hebben tal van wolvenstaarten aan hunne mocksens [16]. Zij moeten dus wel dapper zijn.”
De Zwarte-Beer boog toestemmend.
»De een,” zegt men, »is de Spotvogel,” vervolgde de Kleine-Panter.
»Is mijn broeder zeker van hetgeen hij mij zegt?” vroeg de sachem met belangstelling.
»De Comanchenhoofden hebben geweigerd hun naam te zeggen, toen zij hoorden dat mijn vader afwezig was. Zij antwoordden dat zij zouden wachten tot hij terugkwam.”
»Goed! Het zijn opperhoofden. Waar houden zij hun verblijf?”
»Zij hebben een vuur ontstoken en er zich bij gelegerd.”
»Zeer goed. De tijd is kostbaar: mijn broeder ga de Apachenhoofden zeggen dat ik hen rondom het raadsvuur wensch te vereenigen.”
De Kleine-Panter stond op zonder te antwoorden en ging de jacal uit.
Een uur lang ongeveer zat het opperhoofd alleen en in diepe gepeinzen verzonken; na verloop van dien tijd hoorde men daarbuiten de voetstappen van verscheidene mannen naderen: het gordijn der jacal werd opgeheven en de Kleine-Panter verscheen.
»Wel?” zei de Zwarte-Beer.
»De hoofden wachten op u.”
»Laat hen binnenkomen.”
De opperhoofden stonden reeds voor de hut.
Zij waren tien in getal, allen in hun beste kostuum, op het schoonst versierd, beschilderd en gewapend als ten oorlog.
Zij stapten zwijgend binnen, en namen plaats bij het vuur, na voor het opperhoofd gebogen en den zoom van zijn mantel gekust te hebben.