Part 10
De Indiaan schudde bedenkelijk het hoofd.
Nu deze op vasten bodem was, nauwelijks tien passen van onze avonturiers, moest Goedsmoeds bekennen dat de Arendskop zich niet bedrogen had en dat de bedoelde man werkelijk niemand anders was dan de Zwarte-Beer.
De beide mannen stonden een poosje zwijgend tegenover elkander.
Eindelijk vatte de Mexicaan het woord weder op.
»Gij hebt goed gemanoeuvreerd, hoofdman,” zeide hij op vleienden toon; »ik weet niet hoe gij het gedaan hebt gekregen, maar ik veronderstel dat het u gelukt is om binnen de hacienda te komen?”
»Dat is het,” antwoordde de Indiaan.
»Dan hebben wij nu niets meer te doen dan onze laatste maatregelen te beramen; gij zijt een groot opperhoofd, in wien ik het onbepaaldste vertrouwen stel; ziedaar wat ik u beloofd heb; ik behoefde u eerst later te betalen, maar ik wil dat er niet de minste reden van verwijt tusschen ons besta.”
De Indiaan wees de hem aangeboden goudbeurs met weerzin terug.
»De Zwarte-Beer heeft zich bedacht,” zeide hij koel.
»In welk opzicht, als ik u vragen mag?”
»Een krijgsman is geen vrouw dat hij noodeloos woorden zou verspillen; wat mijn broeder den Zwarten-Beer had aangeboden, weigert de Apache stellig.”
»Dat wil zeggen?”
»Dat alles tusschen ons verbroken is.”
De Mexicaan onderdrukte met moeite zijne teleurstelling.
»Derhalve hebt gij uwe krijgslieden niet gewaarschuwd; en zult gij wanneer ik het u beveel de hacienda niet aantasten?”
»De Zwarte-Beer heeft zijne krijgers gewaarschuwd, hij zal de bleekgezichten aantasten.”
»En wat zegt gij mij dan daar even? Ik moet u verklaren dat ik u niet begrijp, hoofdman.”
»Dat komt omdat het bleekgezicht mij niet begrijpen wil: de Zwarte-Beer zal de hacienda wel aantasten, maar voor zijn eigen rekening.”
»Dat was immers tusschen ons afgesproken, zoo ik meen?”
»Ja, maar de Zwarte-Beer heeft de zingende vogel gezien, zijne tent is ledig, hij wil er de jonge bleeke maagd in huisvesten.”
»Ellendeling!” riep de Mexicaan verbolgen, »moet gij mij aldus verraden?”
»Waarin verraad ik het bleekgezicht?” antwoordde de Indiaan altijd onverstoord; »hij heeft mij een koop aangeboden, en ik heb dien geweigerd, daarin zie ik niets dan volkomen trouw en eerlijkheid.”
De Mexicaan verbeet zich de lippen van woede; hij zag zich gevangen, en had niets meer te antwoorden.
»Ik zal mij wreken!” riep hij stampvoetend.
»De Zwarte-Beer is een machtig opperhoofd: hij lacht met het gekras der raven; het bleekgezicht kan niets tegen hem doen.”
Met een sprong sneller dan eene gedachte wierp de Mexicaan zich op den Apache, greep hem bij de keel, trok zijn mes en hief het reeds op om hem te treffen.
Maar de Indiaan had de bewegingen van zijn tegenpartij te goed in ’t oog gehouden; met een niet minder snellen wrong, ontrukte hij zich aan diens vuist en stond met een sprong buiten zijn bereik.
»De bleekmuil heeft een sachem durven aantasten,” zeide hij met eene heesche stem, »hij zal sterven.”
De Mexicaan haalde de schouders op en greep de pistolen in zijn gordel.
Het is moeielijk te gissen hoe dit tooneel zou zijn afgeloopen, zoo er geen nieuw geval tusschen beide gekomen ware, dat de geheele toedracht van gedaante deed veranderen.
Uit den zelfden boom, daar weinige minuten te voren de Mexicaan in verborgen had gezeten, kwam plotseling een tweede persoon te voorschijn, en viel juist op den Apache, dien hij op den grond wierp en volkomen weerloos maakte, eer hij door dezen onverhoedschen aanval verschrikt er aan denken kon zich te verdedigen.
»Wat is dat?” fluisterde Goedsmoeds met een gesmoorden lach, tegen zijne vrienden, »hoe veel duivels zitten er toch in dien acajou-ceder?”
De Mexicaan en de man die hem zoo in tijds ter hulp kwam, hadden den Apache binnen weinige oogenblikken met eene reata zoo stijf vast gebonden, dat hij geen lid meer verroeren kon.
»Nu zijt gij in mijne macht, hoofdman,” zei de Mexicaan, »en nu zult gij wel moeten toestemmen in hetgeen ik verlang.”
De Apache meesmuilde en maakte een scherp gefluit.
Op dit signaal kwamen eensklaps alsof zij uit den grond oprezen een vijftigtal Indiaansche krijgslieden van alle kanten toeschieten, en wel met zooveel spoed, dat de twee Mexicanen zich oogenblikkelijk binnen een ondoordringbaren kring van vijanden zagen opgesloten.
»Te duivel!” riep Goedsmoeds bij zich zelven, »dat begint ingewikkelder te worden; hoe zullen zij zich daaruit redden?”
»En wij dan?” lispelde don Louis hem in ’t oor.
De Canadees beantwoordde hem met dat veelbeteekenend schouderophalen, dat in alle talen, zoo veel wil zeggen als »in vredesnaam, als het God behaagt!” en begon opnieuw met de meeste belangstelling te turen hoe dit ingewikkelde tooneel zou afloopen.
»Cuchares,” hoorde hij den Mexicaan tegen zijn kameraad zeggen, »houd dien kerel goed vast, en dood hem als een hond bij de minste beweging, die hij maakt.”
»Wees maar gerust, don Martial, antwoordde de lepero terwijl hij uit zijn jachtlaars een mes te voorschijn bracht, welks blauwe lemmer in het maanlicht glinsterde.
»Waartoe besluit de Zwarte-Beer?” hervatte don Martial tegen den sachem, die weerloos aan zijne voeten lag.
»Het leven van een opperhoofd is in uwe macht, hond van een bleekmuil; neem het zoo gij durft!” antwoordde de Apache met een minachtenden grijns.
»Ik zal u niet dooden; niet omdat ik bang ben, want dat gevoel ken ik niet,” riep de Mexicaan, »maar omdat ik het beneden mij acht het bloed te storten van een vijand die weerloos is, al is die vijand een onreine hond en een valsche coyote zoo als gij.”
»Dood mij, zeg ik u, als gij kunt, maar scheld mij niet uit. Haast u, want als mijne krijgslieden hun geduld verliezen zullen zij u aan hunne woede opofferen, en dan sterft gij ongewroken.”
»Gij schertst, uwe krijgslieden zullen zich niet verroeren zoo lang ik u hier vast heb, dat weet gij wel. Ik wil u liever den vrede aanbieden.”
»Vrede!” riep de sachem en er fonkelde een heldere blik uit zijn oog, »op welke voorwaarden?”
»Op twee voorwaarden.”
»Goed.”
»Cuchares, ontdoe dien man van de lasso; maar houd hem altijd in het oog.”
De lepero gehoorzaamde.
»Dank u,” zeide de Zwarte-Beer zich op de knieën oprichtende; »spreek, mijne ooren zijn geopend. Welke zijn uwe voorwaarden?”
»Vooreerst dat het mij en mijn kameraad vrij zal staan ons te verwijderen waarheen wij willen,”
»Goed, ten tweede.”
»Ten tweede dat gij u verbindt om bij uwe krijgslieden te blijven en niet weder onder dezelfde vermomming naar de hacienda te gaan, ten minste niet in de eerste vier en twintig uren.”
»Is dat alles?”
»Dat is alles.”
»Hoor mij op mijne beurt, bleekgezicht. Ik neem uwe voorwaarden aan, maar ik wil u de mijne zeggen.”
»Spreek.”
»Ik zal de hacienda niet weder binnentrekken dan met de arendsveer in mijn oorlogskuif, en aan het hoofd van mijne krijgslieden, en dat zal zijn eer de zon driemaal achter de hooge bergtoppen van het westen geslapen heeft.”
»Gij pocht, Apache; ’t is onmogelijk dat gij de hacienda binnenkomt anders dan door verraad.”
»Wij zullen zien,” zeide hij, en liet er met een dreigenden glimlach op volgen: »de vogel die zingt zal in de hut van een Apachenhoofd wonen en er het wild voor hem braden.”
De Mexicaan haalde minachtend de schouders op.
»Beproef het om de hacienda te nemen en u van het meisje meester te maken,” zeide hij.
»Ik zal het beproeven. Geef mij uwe hand!”
»Ziedaar.”
De Zwarte-Beer wendde zich naar zijne krijgslieden en met de hand van den Tigrero in de zijne, sprak hij met luider stem en op een toon van de hoogste majesteit:
»Broeders, dit bleekgezicht is de vriend van den Zwarte-Beer, dat niemand hem lastig zij.”
De krijgslieden bogen eerbiedig en verwijderden zich links en rechts, om de twee blanken door te laten.
»Vaarwel,” zeide de Zwarte-Beer zijn vijand groetende, »binnen vier en twintig uren volg ik uw spoor.”
»Gij vergist u, Apachenhond,” antwoordde don Martial trotsch, »ik integendeel zal het uwe volgen.”
»Goed! dan zijn wij in ieder geval zeker dat wij elkander weer ontmoeten,” hernam de Zwarte-Beer.
Hij verwijderde zich langzaam met fieren en vasten tred, gevolgd door zijne krijgslieden, terwijl hunne stappen weldra in de diepte van het bosch verdwenen.
»Bij mijne ziel, don Martial,” sprak de lepero, »ik geloof dat gij verkeerd hebt gedaan met den Indiaanschen rekel zoo gemakkelijk te laten ontsnappen.”
De Tigrero haalde de schouders op.
»Moest ik mij dan niet uit de klem zoeken te redden daar wij in waren,” zeide hij. »Bah! de partij is remise. Zoeken wij onze paarden.”
»Wacht nog even, als gij er niets tegen hebt,” riep nu op eens Goedsmoeds, zijn schuilhoek verlatende en ongedwongen te voorschijn tredende, gevolgd door zijne twee kameraden.
»Wat is dat?” riep Cuchares, onmiddellijk zijn mes grijpende, terwijl don Martial bedaard de hand aan zijne pistolen sloeg.
»Wat het is, caballero?” hernam Goedsmoeds op vredelievenden toon, »dat ziet gij wel, zou ik denken.”
»Ik zie drie mannen.”
»Juist, daar hebt gij gelijk in, drie mannen die ongezien het tooneel hebben aanschouwd, dat gij zoo braaf hebt afgespeeld; drie mannen die zich gereed hielden om u bij te springen in geval van nood en die u thans nog aanbieden gemeene zaak met u te maken, om met u de plundering der hacienda te helpen beletten daar de Apachen stellig het voornemen toe hebben: komt u dat gelegen?”
»Dat hangt er van af,” meesmuilde de Tigrero, »ik moet eerst nog weten wat u beweegt om aldus te handelen.”
»Vooreerst om u een genoegen te doen,” hernam Goedsmoeds beleefd, »ten tweede omdat ik die arme kolonisten voor het scalpeermes dier vervloekte Roodhuiden wil bewaren.”
»In dat geval neem ik uw voorstel van ganscher harte aan.”
»Volg ons dan naar ons kamp, daar kunnen wij samen ons plan van den veldtocht bespreken.”
Zoodra Cuchares begreep dat de lieden die hier op zulk eene zonderlinge wijs verschenen, bepaaldelijk vrienden waren, had hij zich gehaast zijn mes weder in zijne laars te steken en was hij de paarden gaan halen, die zij op korten afstand hadden gelaten. Hij kwam juist terug, de beide paarden aan de hand leidende, en nu gingen de vijf mannen gezamenlijk naar het kampement.
»Neem u in acht,” zei Goedsmoeds tegen don Martial, »gij hebt u dezen nacht een onverzoenlijken vijand gemaakt, zoo gij u niet haast den Zwarte-Beer te dooden zal hij zich bij de een of andere gelegenheid op u wreken; de Apachen vergeven nimmer eene beleediging.”
»Dat weet ik; en ik zal er mijne maatregelen naar nemen, stel u gerust.”
»Dat is uwe zaak. Misschien hadt gij beter gedaan hem uit den weg te ruimen toen hij in uwe macht was, onverschillig wat er het gevolg van zou geweest zijn.”
»Kon ik dan raden dat ik zoo dicht bij mij vrienden had? O! had ik dat maar geweten.”
»Geen nazorgen, wat gedaan is is gedaan, daar kan men niet meer op terugkomen.”
»Zoudt gij denken dat die man zijne voorwaarden stipt zal nakomen?”
»Gij schijnt den Zwarte-Beer niet te kennen; die man is hooghartig, hij heeft zijne vaste begrippen van trouw en riddereer. Hebt gij niet gezien hoe hij bij zijne onderhandeling met u geen list heeft willen gebruiken; wat hij sprak was altijd rond en oprecht.”
»Dat is zoo.”
»Wees daarom verzekerd dat hij zijne belofte zal houden.”
Hier bleef het gesprek steken. Don Martial was op eens nadenkend geworden, de bedreigingen van den Apache gaven hem nu des te meer stof tot bezorgdheid.
Zij bereikten het kamp.
De Arendskop ging dadelijk aan ’t werk om een vuur aan te leggen.
»Wat doet gij?” riep Goedsmoeds terstond, »zoo zult gij immers onze tegenwoordigheid verraden.”
»Neen,” antwoordde de Indiaan hoofdschuddend, »de Zwarte-Beer is met zijn volk vertrokken; zij zijn thans reeds ver van hier; waarom zouden wij onnoodige voorzorgen gebruiken?”
Weldra vlamde het vuur knappend omhoog. De vijf mannen gingen er bij zitten, staken hunne pijpen aan en begonnen deftig te rooken.
»Ik moet bekennen,” hervatte de Canadees een oogenblik later, »zonder de door u betoonde koelbloedigheid, weet ik niet hoe gij u uit den nood zoudt hebben gered.”
»Laten wij thans zien hoe wij het voornemen van die duivelsche kerels het best zullen verijdelen,” riep de Mexicaan.
»O! dat is eenvoudig genoeg,” zei Louis, »een van ons gaat morgen naar de hacienda en verwittigt den eigenaar van hetgeen er dezen nacht gebeurd is, dan kan hij op zijne hoede zijn en alles is in orde.”
»Ja, ik denk wel dat dit het beste middel is en dat wij het moeten gebruiken,” zei Goedsmoeds.
»Vijf mannen zijn niets tegen vijfhonderd,” merkte de Arendskop aan; »wij moeten de bleekgezichten waarschuwen.”
»Dat is juist wat wij voornemens zijn te doen, hoofdman,” zei de Tigrero; »maar wie van ons zal zich nu met die taak belasten en naar de hacienda gaan? Mijn kameraad en ik kunnen er ons niet aanmelden.”
»Waarom niet! ik zou nu haast denken dat er een liefdehistorie onder loopt,” riep de Canadees schalks, »en dan begrijp ik wel dat het u moeielijk valt, om....”
»Laten wij er niet langer over haspelen,” viel Louis hem in de rede; »morgen, met zonsopgang ga ik naar de hacienda, ik neem die taak op mij en hoop den eigenaar in allen deele behoorlijk in te lichten omtrent het gevaar dat hem boven het hoofd hangt.”
»Goed; dat is afgesproken en daarmede is alles gezegd,” riep Goedsmoeds.
»Zeer goed,” zei don Martial, »dan zeggen mijn kameraad en ik, zoodra onze paarden hebben uitgerust, u hier vaarwel en keeren naar Guaymas terug,”
»Toch niet, met uw welnemen,” zei de Franschman schielijk, »ik geloof dat gij beter zult doen, hier zoo lang te wachten tot ik van de hacienda terugkom, om te weten hoe het met mijn boodschap afloopt, dat gaat u nog meer aan dan ons, zou ik denken.”
De Mexicaan onderdrukte met moeite een opkomend gevoel van tegenzin.
»Gij hebt gelijk,” zeide hij, »daar dacht ik niet aan. Ik zal wachten tot gij terugkomt.”
De jagers wisselden nog eenige woorden samen, toen wikkelden zij zich in hunne dekens, legden zich op den grond neder en waren weldra in slaap.
De diepste stilte heerschte thans in het sombere boschkamp, dat slechts flauw verlicht werd door den rooden gloed van het uitstervende vuur.
Reeds twee uren ongeveer hadden de avonturiers geslapen, toen de struiken zachtjes werden uiteengeschoven, en een man verscheen.
Hij bleef een oogenblik staan, zoo het scheen om te luisteren; daarop kroop hij zonder het minste gedruisch te maken voort naar de plek waar de Tigrero gerust sliep.
Dichter bij gekomen, en in het schijnsel van het vuur, had men hem duidelijk genoeg als den Zwarte-Beer kunnen onderkennen. Het Apachenhoofd haalde zijn scalpeermes uit zijn gordel en legde het zacht op de borst van den Tigrero; toen nog eens rondkijkende om zich te verzekeren dat de vijf mannen gerust sliepen, verwijderde hij zich met dezelfde voorzichtigheid als hij gekomen was en verdween weldra in de struiken, die zich achter hem sloten.
X.
VOOR DEN AANVAL.
Op het eerste gefluit van den maukawis, dat wil zeggen, met het opgaan der zon, werden de avonturiers wakker.
De nacht was rustig voorbijgegaan en hun slaap was door niets gestoord geworden; slechts een weinig verkleumd door den overvloedigen dauw, die hunne dekens geheel doortrokken had, haastten zij zich om op te staan, en eenige keeren het kamp op en neer te stappen, ten einde bij zich den bloedsomloop te herstellen en hunne verdoofde leden te ontgloeien.
Met de eerste beweging die don Martial bij het opstaan maakte, viel er een mes van hem af op den grond. De Mexicaan raapte het op en slaakte een kreet van verbazing, bijna van schrik, terwijl hij het aan zijne kameraden liet zien.
Het zoo onverwacht gevonden wapen was een scalpeermes, op het lemmer vertoonden zich nog sporen van bloed.
Wij weten reeds wie het mes op de borst van den Tigrero gelegd had.
»Wat beteekent dat?” riep hij, terwijl hij het wapen verontwaardigd omhoog hield.
De Arendskop nam het en bekeek het nauwkeurig.
»Ooah!” riep hij verwonderd, »de Zwarte-Beer is hier geweest terwijl wij sliepen.”
De jagers konden hun schrik niet verbergen.
»Dat is onmogelijk,” beweerde Goedsmoeds.
De Indiaan schudde van neen en liet hem het mes zien.
»Ziedaar,” zeide hij, »’t is het scalpeermes van den Apache, het totem van zijn stam staat er op den steel ingesneden.”
»Ja, waarlijk!”
»De Zwarte-Beer is een vermaard krijgshoofd, zijn hart is groot genoeg om eene wereld te bevatten. Daar hij zich gedwongen zag de hem opgelegde voorwaarden te vervullen, heeft hij zijnen vijand willen bewijzen dat diens leven in zijne macht was en dat hij het hem ontnemen kon wanneer het hem goeddacht; dat is eenvoudig de beteekenis van het mes, nedergelegd op de borst van een slapenden Yori—Spanjaard.”
De avonturiers waren alles behalve op hun gemak over dezen trek van stoutmoedigheid; zij beefden bij de gedachte dat hun leven in de macht had gestaan van den Apache, die zich niet verwaardigd had hen te dooden, maar alleen had willen toonen dat hij hen durfde trotseeren; den Mexicaan vooral ging bij dat idee eene rilling over het lijf.
De Canadees was de eerste die zijne gewone bedaardheid terugkreeg.
»Canario!” riep hij, »die Apachenhond heeft wel gedaan dat hij ons waarschuwde; nu zullen wij voortaan beter oppassen.”
»Hm,” riep Cuchares met de handen in zijn dik en kroesig haar, »ik zou niet gaarne gescalpeerd worden.”
»Bah!” antwoordde Goedsmoeds, »men komt er niet altijd even kaal af.”
»Dat kan waar zijn, maar ik zou er niet gaarne de proef van nemen.”
»Daar het intusschen geheel dag is geworden,” merkte don Louis aan, »geloof ik dat het voor mij tijd wordt om naar de hacienda te vertrekken, wat dunkt u?”
»Wij hebben geen oogenblik te verliezen om de plannen des vijands te verijdelen,” drong don Martial nader aan.
»Des te minder daar wij nog zekere maatregelen moeten nemen, waarover wij elkander hoe eer hoe beter dienen te verstaan,” zei Goedsmoeds.
De Indiaan en de lepero gaven hunne toestemming alleen met een hoofdknik te kennen.
»Bepalen wij vooraf onze eerste samenkomst,” hervatte Louis.
»Gij kunt mij hier niet blijven wachten, waar de Indianen ons veel te gemakkelijk vinden zouden.”
»Ja,” antwoordde Goedsmoeds zich bedenkend, »maar ik ben met deze streek niet goed bekend en ik zou zeer verlegen staan als ik een geschikt punt moest aanwijzen.”
»Ik weet er wel een,” zei nu de Arendskop, »ik zal er u zelf brengen; onze bleeke broeder kan daar bij ons komen.”
»Zeer goed, maar dan dien ik vooraf te weten welke plaats gij bedoelt.”
»Laat mijn broeder zich daar niet over verontrusten, zoodra hij de groote hut uitkomt ben ik bij hem.”
»Dan is alles in orde. Tot weerziens.”
Louis zadelde zijn paard en reed weg in gestrekten draf in de richting der hacienda, die trouwens niet verder dan drie geweerschoten verwijderd lag van de plaats waar de avonturiers zich thans bevonden.
Laten wij thans de jagers een poos alleen en zien wij wat er inmiddels in de hacienda gebeurd was.
De graaf de Lhorailles stapte met een bezorgd gelaat op en neder in de benedenzaal, die tevens als vestibule voor het hoofdgebouw diende.
Tegen wil en dank hield zijne ontmoeting met den Mexicaan hem levendig bezig; hij wenschte gaarne met doña Anita in het bijzijn van haar vader een ronde verklaring te hooren, die alle onzekerheid zou opheffen, of althans den sleutel van het ten haren opzichte bestaande geheim zou aan de hand geven.
Nog een andere omstandigheid had hem uit zijn humeur gebracht en verdubbelde zijne onrust:
Met het aanbreken van den dag was Diego Leon, een zijner luitenants, bij hem gekomen met bericht, dat de Indiaan, dien hij den vorigen dag als gids had medegenomen, dien nacht spoorloos verdwenen was.
De staat van zaken begon ernstig te worden; de Mexicaansche Maan was ophanden; de gids was blijkbaar een Indiaansche spion die zich van de sterkte der hacienda had willen verzekeren en van de beste middelen om haar te overrompelen.
De Apachen en Comanchen konden niet veraf wezen, misschien zaten zij reeds in het hooge gras te loeren op een gunstig oogenblik om hunne onverzoenlijke vijanden te bestormen.
De graaf ontveinsde zich daarbij niet, dat zoo zijn toestand moeielijk was, hij dit grootendeels aan zich zelven te wijten had.
Van gouvernementswege met een gewichtig kommando belast, inzonderheid ten doel hebbende om de grenzen tegen de invallen der Indianen te beschermen, had hij nog hoegenaamd geen aanstalten gemaakt of maatregelen genomen om het mandaat te vervullen dat hem niet alleen was opgedragen, maar wat meer zegt, daar hij zelf om gevraagd had.
De zoogenaamde Maan van Mexico zou binnen eene maand intreden; voor dien tijd was het volstrekt noodig om een beslissenden slag te slaan, die den Indianen een heilzamen schrik zou inboezemen en hen beletten zich te vereenigen, en alzoo hunne plannen te verijdelen.
De graaf had hierover reeds een geruimen tijd nagedacht en was er zoo diep mede bezig, dat hij vergat naar zijne gasten te laten vragen, die hij den vorigen avond onder zijn dak had ontvangen.
Op eens stond zijn oude luitenant voor hem.
»Wat wilt gij, Martin?” vroeg hij hem.
»Met uw verlof, kapitein, ik hoop niet dat ik u stoor of ongelegen kom, maar Diego Leon, die met acht man op de batterij aan de landtong de wacht heeft, heeft mij laten zeggen dat een ruiter verzoekt om binnen te komen, daar hij u over ernstige zaken spreken moet.”
»Wie is die man?”
»Een blanke, goed gekleed, en bereden op een uitmuntend paard.”
»Heeft hij niets anders meer gezegd?”
»Verschooning; nog dit: zeg aan uw kommandant dat ik een van de twee personen ben die hij in de Rancho van José heeft gesproken.”
Het gelaat van den graaf helderde op.
»Laat hem binnen komen, het is een vriend.”
De luitenant ging heen.
Zoodra de graaf weder alleen was hervatte hij zijne wandeling.
»Wat kan die man mij te zeggen hebben?” prevelde hij, »toen ik in de Rancho hem en zijn vriend aanbood om met mij mede te gaan, hebben zij beiden geweigerd. Wat kan hen zoo spoedig van besluit hebben doen veranderen? Bah! waartoe langer te gissen,” vervolgde hij, terwijl hij het trappelen van een paard op het patio hoorde; »ik zal het dadelijk weten.”
Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen don Louis, binnengeleid door den luitenant, die op een wenk van den graaf zich terstond verwijderde.
»Aan welk gelukkig toeval,” zei de graaf de Lhorailles beleefd, »dank ik de eer van een bezoek dat ik zoo weinig durfde verwachten?”
Don Louis gaf hem zijne buiging even wellevend terug en antwoordde:
»Het is geen gelukkig toeval dat mij herwaarts voer, integendeel de Hemel geve dat ik geen ongeluksbode moge zijn.”
»Wat bedoelt gij daarmede, señor?” vroeg hij ongerust, »ik begrijp u niet.”
»Ik zal het u dadelijk ophelderen. Maar laten wij Fransch spreken, als gij dat goedvindt; dan verstaan wij elkander beter,” zeide hij, terstond het Spaansch latende varen daar hij zich tot hiertoe van bediend had.
»Wat!” riep de graaf verwonderd, »spreekt gij Fransch, mijnheer.”
»Ja, mijnheer,” hernam Louis, »wat meer is, ik heb de eer uw landgenoot te zijn, en al ben ik,” vervolgde hij, »sinds bijna tien jaren uitlandig geweest, is het mij altijd een onbeschrijfelijk genoegen als ik mijne eigen taal mag spreken.”
Toen de graaf hem dit hoorde zeggen, scheen hij dezelfde man niet meer.
»O!” riep hij in vervoering, »laat ik u de hand drukken, mijnheer; twee Franschen, die elkander in dit verre land ontmoeten, zijn broeders: vergeten wij voor een poos de plaats waar wij zijn en spreken wij over Frankrijk, dat dierbare vaderland, dat ons zoo na aan het hart ligt en daar wij zoo ver af zijn.”
»Helaas! mijnheer,” antwoordde Louis, die zijne ontroering bedwingen moest. »Ik gevoel mij gelukkig dat ik voor eenige oogenblikken mijne omgeving kan vergeten om de herinneringen van ons gemeenschappelijk vaderland te verlevendigen. Jammer slechts is het oogenblik ernstig en zijn de gevaren die u bedreigen zoo groot, dat de tijd dien wij dus met praten zouden verliezen, voor u de vreeselijkste gevolgen zou kunnen hebben.”