Chapter 9
"Zoo spraakzaam is de dokter zelden," dacht conrector Paulmann, "hij is zuiver breedsprakig." -- Verscheidene dagen, weken en maanden waren verloopen, sedert Anselmus verdwenen was, doch ook griffier Heerbrand liet zich niet zien, tot op 4 Februari, toen betrad hij in een nieuw costuum van het fijnste laken, in lage schoenen en zijden kousen -- ondanks den strengen vorst -- met een grooten ruiker levende bloemen in de hand, des middags op slag van twaalven het vertrek van conrector Paulmann, die niet weinig verbaasd was over zijn uitgedosten vriend. Plechtiglijk schreed griffier Heerbrand op conrector Paulmann toe, omarmde hem met uitgezochte hoffelijkheid en sprak toen: "Heden, op den geboortedag van uwe lieve, geachte dochter, mejuffer Veronica, zal ik zonder omwegen alles zeggen, wat mij al lang op het hart lag. Destijds, op dien rampzaligen avond, toen ik de ingrediënten voor den noodlottigen punch in de zakken van mijn overjas medebracht, was het mijn voornemen, u een blijde tijding te brengen en den vreugdevollen dag vroolijk te vieren, want toen reeds wist ik, dat ik hofraad was geworden, voor welke rangsverhooging ik thans het brevet cum nomine et sigillo principis heb ontvangen en in den zak draag. Doch gij, geachte conrector," ging de nieuwe hofraad voort, "eerst gij kunt de kroon op mijn geluk zetten. Reeds lang bemin ik in stilte mejuffer Veronica en ik mag mij beroemen op menigen vriendelijken blik, dien zij mij toewierp en die mij duidelijk toonde, dat zij mij zeker niet ongenegen is. Om kort te gaan, geachte conrector! -- ik, hofraad Heerbrand, vraag u om de hand van uwe beminnelijke dochter, mejuffer Veronica, die ik, mits gij u niet daartegen verzet, spoedig in eigen huis hoop binnen te leiden." -- Vol verbazing sloeg conrector Paulmann de handen te zamen en riep: "Zoo, zoo, zoo -- mijnheer de griff -- hofraad, wil ik zeggen, wie had dat kunnen denken! -- Ja, als Veronica u waarlijk bemint, heb ik er niets tegen; wellicht is haar zwaarmoedigheid van den laatsten tijd slechts aan heimelijke genegenheid voor u toe te schrijven, geachte hofraad! zulke kuren komen voor."
In dit oogenblik kwam Veronica binnen, vaal en ontrust, zooals zij in den laatsten tijd altijd was. Toen ging hofraad Heerbrand naar haar toe, bracht in goed gekozen bewoordingen haar geboortedag in herinnering en overhandigde haar den geurigen ruiker alsook een klein pakketje, waaruit haar bij het openen een paar schitterende oorhangers tegenstraalden. Een vluchtig, vliegend rood tintte haar wangen, warmer blonken haar oogen en zij riep uit: "Ach, God, dat zijn dezelfde oorbellen, die ik voor verscheidene weken al droeg en waaraan ik mij zoo verlustigde." -- "Hoe kan dat dan," viel hofraad Heerbrand haar wat ontsteld en gekwetst in de rede, "want ik heb dit sieraad eerst sedert een uur in de Schlossgasse schandeduur gekocht?" -- Doch Veronica luisterde daar niet naar, maar stond al voor den spiegel, om te zien, hoe het kleinood, dat zij reeds in de kleine oortjes had gehangen, haar sierde. Conrector Paulmann deed haar met verdeftigd gelaat op ernstigen toon kond van de rangsverhooging huns vriends Heerbrand en van zijn aanzoek. Veronica zag den hofraad met doordringenden blik aan, zeggende: "Reeds lang wist ik, dat gij mij huwen wildet -- Het zij zoo -- ik geef u mijn hart en hand, maar tegelijk moet ik u -- u beiden namelijk, mijn vader en verloofde, velerlei bekennen, dat mijn geest en gemoed drukt -- juist nu, al zou daarbij de soep koud worden, die Fransje, zooals ik zie, juist ter tafel brengt." Zonder het antwoord van den conrector of den hofraad af te wachten, ofschoon de woorden hun zichtbaar op de lippen lagen, ging Veronica verder: "Dit kunt gij gelooven, beste vader! dat ik Anselmus van ganscher harte liefhad en toen griffier Heerbrand, die thans zelf hofraad geworden is, verzekerde, dat Anselmus het best zoover brengen kon, besloot ik, dat hij en geen ander, mijn man zou worden. Toen scheen het echter, alsof vreemde vijandelijke wezens hem mij ontrukken wilden en ik nam mijn toevlucht tot de oude Lize, die destijds mijn voedster was, doch nu een vroede vrouw, een machtige toovenares is. _Zij_ beloofde mij hulp te zullen verleenen en mij Anselmus ganschelijk over te leveren. In het middernachtelijk uur bij de dag-en-nachtevening gingen wij naar den Kruisweg, waar zij de helsche geesten bezwoer en met behulp van den zwarten kater wisten wij een kleinen metalen spiegel te vervaardigen, waarin ik -- daarbij mijn gedachten op Anselmus richtend -- slechts behoefde te zien, om hem naar geest en gemoed geheel te beheerschen. -- Doch thans heb ik diep berouw over dit alles en zweer ik alle duivelskunsten af. De Salamander heeft over de oude gezegevierd, ik hoorde haar noodgeschrei, doch er was geen hulp mogelijk; zoodra zij als beetwortel door den papegaai verslonden werd, brak mijn metalen spiegel met een snijdenden toon." Veronica haalde de beide stukken van den gebroken spiegel en een haarlok uit het naaidoosje en terwijl zij beiden aan den hofraad Heerbrand overhandigde, zeide zij verder nog: "Neem gij, geliefde hofraad, de stukken van den spiegel en werp die hedennacht van de Elbebrug en wel van de plaats, waar het kruis staat, in de rivier, die daar niet is toegevroren; de lok moet gij echter op uwe trouwe borst bewaren. Nogmaals zweer ik alle satanskunsten af en van harte gun ik Anselmus zijn geluk, hem, die thans met de Groene Slang is verbonden, welke veel mooier en rijker is, dan ik. Ik zal u, beminde hofraad, eeren en liefhebben als een rechtschapen vrouw." -- "O, God, o God!" -- riep conrector Paulmann smartelijk, "zij is waanzinnig, zij is waanzinnig, nooit kan zij de vrouw van een hofraad worden." -- "Niets daarvan," viel hofraad Heerbrand in, "ik weet heel goed, dat mejuffer Veronica eenige genegenheid voor dien verwenschten Anselmus heeft gekoesterd en het is mogelijk, dat zij zich wellicht in een zekere overspanning tot de wijze vrouw gewend heeft, die, naar ik begrijp, geen andere kan zijn, dan de kaartlegster en koffiekijkster van de Zwarte Poort -- ik meen de oude Rauerin. Nu valt het weliswaar niet te ontkennen, dat er werkelijk geheime kunsten bestaan, die maar al te sterk op de menschen hun invloed oefenen -- in de klassieken leest men er al van -- doch alles wat mejuffer Veronica over de zegepraal van den Salamander en de verbintenis van Anselmus met de Groene Slang gezegd heeft, is toch zeker maar een dichterlijke allegorie -- als het ware een gedicht, waarin zij het afscheid van den student bezong." "Gij moogt het houden, waarvoor gij wilt, beste hofraad!" kwam Veronica ertusschen "desnoods voor een allerdwaasten droom." "Dat zal ik in geen geval doen," gaf hofraad Heerbrand terug, "want ik weet te goed, hoe Anselmus ook door ongekende machten is bevangen, die hem tot allerlei dwaze verrichtingen prikkelen en drijven." Toen kon conrector Paulmann het niet langer verkroppen en hij barstte uit "Houdt op, houdt in Godsnaam op, hebben wij dan soms weer teveel van dien verdoemden punch gedronken of oefent Anselmus' waanzin ook op _ons_ invloed uit? Mijnheer de hofraad, ik zal maar aannemen, dat het de liefde is, die ulieden door het brein spookt en dat gaat in het huwelijk wel over, want anders zou ik moeten vreezen, dat ook gij eenigszins door waanzin bevangen waart en mij dan bezorgd maken vanwege de afstammelingen, die de kwaal der ouders konden erven. -- Kom, thans geef ik mijn vaderlijken zegen op de goede verbintenis en sta toe, dat gij elkander als bruid en bruidegom kust." Dit geschiedde onverwijld en zoo was, voor de opgebrachte soep koud werd, de verloving formeel gesloten. Weinige weken daarna zat de vrouw van hofraad Heerbrand waarlijk, zooals zij zich vroeger reeds in de verbeelding gezien had, in den erker van een prachtig huis op de Nieuwmarkt en keek glimlachend neder op de saletjonkers, die in 't voorbijgaan met lorgnetbeweeg naar boven zagen en zeiden: "Wat een goddelijke vrouw is toch die van hofraad Heerbrand!" --
TWAALFDE NACHTWAAK
Tijding van het riddergoed, dat Anselmus als schoonzoon van Archivaris Lindhorst betrok en hoe hij daar met Serpentina leeft. Besluit.
"O, hoe ik in het diepst van mijn gemoedsinnerlijk het hooge geluk medegevoelde van den student Anselmus, die in innigste verbintenis met de beminnelijke Serpentina, thans was heengegaan naar het van geheimenis vervulde, wonderlijke rijk, dat hij als het vaderland herkende, waarnaar zijn van vreemde voorgevoelens overvolle borst zoo lang reeds had gesmacht. Maar alle streven, om u, goedgunstige lezer, de prachten, waardoor Anselmus omgeven was, ook maar flauw in woorden af te beelden, bleef tevergeefs. Met weerzin onderging ik de matheid van elk beeldend woord. Ik gevoelde mij bekneld in de armoede van het kleinzielig gewoonteleven, ik werd krank van kwellende misnoegdheid, als één die droomt sloop ik rond. Kortom, ik geraakte in den toestand van den student Anselmus, dien ik u, genegen lezer, in de vierde nachtwaak beschreef. Ik verkniesde mij, als ik de elf nachtwaken, die ik zonder ongeval ter wereld gebracht had, doorliep en daarbij dacht, dat het mij wel nooit vergund zou zijn, er de twaalfde als sluitsteen aan toe te voegen, want zoo dikwijls ik mij ter nachttijd nederzette, om het werk te voltooien, was het, als hielden bijzonder boosaardige geesten (wellicht waren het verwanten -- misschien wel germain-neven van de gedoode heks) mij een blinkend gepolijst stuk metaal voor, waarin ik mijn Zelf zag, mat, nachtbleek en melancholiek, gelijk de griffier Heerbrand na den punch-roes. -- Dan wierp ik de pen maar neder en ging haastig te bed, om tenminste van den gelukkigen Anselmus en de bekoorlijke Serpentina te droomen. Dit had reeds verscheidene dagen en nachten geduurd, toen ik eindelijk geheel onverwachts een mededeeling van archivaris Lindhorst ontving, waarin hij mij het volgende schreef:
""Gij hebt, weledelgeboren Heer, zooals mij is bekend geworden, de vreemde ervaringen van mijn beminden schoonzoon, den voormaligen student, thans dichter Anselmus, in elf nachtwaken beschreven en kwelt u er thans zeer mede, om in de twaalfde en laatste nachtwaak iets van zijn gelukkige leven in Atlantis te verhalen, waarheen hij met mijn dochter, naar het aardige riddergoed, dat ik daar bezit, is vertrokken. Ofschoon het mij niet zoo aangenaam is, dat gij mijn eigenlijke wezen voor de lezerswereld hebt opengelegd, daar mij dit misschien in mijn betrekking als geheim-archivaris aan duizenderlei onaangenaamheden zal blootstellen en zelfs in de corporatie wel tot de strijdvraag aanleiding zal geven: in hoeverre een Vuurgeest zich in rechten en wettig aansprakelijk als staatsdienaar door den eed verbinden kan en tot op welke hoogte hem in het algemeen gewichtige aangelegenheden kunnen toevertrouwd worden, daar volgens Gabalis en Swedenborg elementairgeesten in geenen deele te vertrouwen zijn -- ofschoon mijn beste vrienden thans mijn omarming mijden zullen, uit vrees, dat ik in plotsen overmoed eens wat bliksemen mocht en hun den haartooi of den Zondagschen jas bederven zou -- niettegenstaande dit alles, herzeg ik, wil ik u, WelEd.Geboren Heer, toch bij de voltooiing van het werk behulpzaam zijn, aangezien daarin veel goeds over mij en mijn lieve, gehuwde dochter (was ik de beide anderen ook maar kwijt) vervat is. Indien u dus de twaalfde nachtwaak wilt schrijven, daal dan voor den drommel uw vijf trappen af, verlaat uw vertrekje en kom tot mij. In het blauwe palmboomenvertrek, dat gij reeds kent, zult gij het noodige schrijfgerei vinden en met weinige woorden zult gij den lezers dan kunnen verhalen, wat gij gezien hebt; dit zal hun welkomer zijn, dan de langwijlige beschrijving van een leven, dat gij toch maar van hooren-zeggen kent.
Met achting,
Uw WelEd.Geborens dw.
Salamander Lindhorst.
p.t.[20] Koninkl. Arch. in bijzonderen Dienst."
[Voetnoot 20: pleno titulo.... met vollen titel.]
"Dit weliswaar wat ongelikte, maar toch vriendelijk bedoelde schrijven van archivaris Lindhorst was mij hoogst aangenaam. Wel scheen het zeker, dat de wonderlijke oude van de vreemde wijze, waarop mij de lotgevallen van zijn schoonzoon ter kennis waren gekomen -- en die ik, zelf tot geheimhouding verplicht, zelfs u, goedgunstige lezer, verzwijgen moest --, volkomen op de hoogte was, doch hij had dit niet zoo kwalijk opgenomen, als ik had moeten vreezen. Zelfs bood hij mij de behulpzame hand, om mijn werk te voltooien en daaruit durfde ik met recht besluiten, hoe hij het in den grond der zaak gaarne zag, dat zijn wonderbaarlijk bestaan in de geestenwereld door de pers bekend werd. Hetis wel mogelijk, dacht ik, dat hij zelf daaruit de hoop put, zooveel teeerder zijn beide overgebleven dochters aan den man te brengen, want allicht valt er een vonkje in de borst van dezen of genen jongeling, dathet verlangen naar de Groene Slang ontsteekt, welke hij dan in hetvlierboschje op Hemelvaartsdag zoeken gaat en vindt. Uit het leed, datAnselmus getroffen had, toen hij in de glazen flesch werd gebannen, zalhij dan waarschuwing putten, zich voor elken twijfel, voor ieder ongeloof zeer ernstig te hoeden. Met het slaan van elven doofde ik mijn studeerlamp en ging behoedzaam naar archivaris Lindhorst, die mij reeds in het voorhuis wachtte. "Zijt gij daar, zeer geachte Heer, welaan, hetdoet mij genoegen, dat gij mijn goede bedoelingen niet miskent -- wilt umaar binnenkomen." -- En tegelijk leidde hij mij door den van verblindenden glans vervulden tuin naar het azuurblauwe vertrek, waarin ik de violette schrijftafel ontwaarde, waaraan Anselmus had gewerkt. -- Archivaris Lindhorst verdween, doch verscheen dadelijk weer met een prachtigen gouden bokaal in de hand, waaruit een blauwe vlam hoog opknetterde. "Hier," sprak hij, breng ik u den lievelingsdrank van uw vriend, den kapelmeester Johannes Kreisler.[21] -- Dit is brandende arak, waarin ik wat suiker heb gedaan. Drink een weinig daaruit, dadelijk zal ik mij van mijn slaaprok ontdoen, èn tot eigen vermaak èn ook om, terwijl gij daar zit te kijken en te schrijven, van uw geacht gezelschap te genieten, in den bokaal op en neder gaan. "Geheel zooals uwilt, geachte Heer archivaris," gaf ik ten antwoord, maar als ik van dendrank zal gebruiken, zult gij toch niet.... "Wees maar niet bezorgd, mijn beste," riep de archivaris, wierp snel zijn slaaprok af, stapte tot mijn niet geringe verbazing in den bokaal en verdween in de vlammen. -- Zonder blooheid proefde ik, terwijl ik zacht de vlam wegademde van den drank; hij was prachtig! -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- --
[Voetnoot 21: De gedenkschriften van Johannes Kreisler vormen een der merkwaardigste werken van Hoffmann.]
"Roeren zich daar in suizeling teeder en met ruischen de smaragdene blaadren der palmboomen, als gestreeld door den adem des morgenwinds? Opkomend uit den slaap heffen zij zich en bewegen en fluisteren geheimzinnig van de wonderen, die zalige harptonen als uit verre verte verkonden. -- Van de wanden zinkt het azuur en golft als een geurigen damp op en neder, doch verblindende stralen doorschieten den damp, die zich als in kinderlijk-juichende blijheid wentelt en draait en opstijgt tot de onmetelijke hoogte, welke boven de palmboomen zich welft. -- En steeds verblindender hoopt straal op straal zich, tot in hellen zonneglans de onafzienbare wering opdoemt, binnen dewelke ik Anselmus aanschouw. Gloeiende hyacinthen en tulpen en rozen heffen haar schoone hoofden en heur geuren zeggen den Gelukzalige in lieflijke klanken: "Woon, o woon met ons, geliefde, gij, die ons verstaat -- ons geuren is het zachte-smachten der liefde -- wij minnen u en behooren u eeuwiglijk! -- De goudene stralen branden in felle tonen: vuur zijn wij, door de liefde ontstoken. -- De geur is het stille smachten, doch het verlangen is vuur; wonen wij dan niet in uw borst? Wij zijn toch deel van u!" Nu ritselen en ruischen de donkere bosschages -- de hooge boomen: "Kom tot òns! Gelukzalige -- Beminde! -- Het verlangen is vuur, doch hoop onze koele schaduw! liefkoozend suizelen wij om uw hoofd, want gij verstaat ons, omdat de liefde uw boezem bewoont." Bronnen en beekjes borrelen en klateren: "Beminde, ga niet zoo snel voorbij, zie in ons kristal, -- uw beeld leeft in ons, minnend bewaren wij het, want gij hebt ons verstaan!" -- In jubileerende koren zingen en kwetteren kleine bonte vogelen. "Hoor naar ons, hoor naar ons, wij zijn de vreugde, de zaligheid, de verrukking der liefde!" -- Doch smachtend ziet Anselmus uit naar den heerlijken tempel, die zich ver in de verte verheft. Boomen schijnen de kunstige zuilen en de kapiteelen en kroonlijsten, acanthusbladeren, die door wondervolle windingen en figuren een luisterrijke versiering vormen. Anselmus schrijdt op den tempel toe, met innerlijke vervoering beschouwt hij het bonte marmer, de vreemdaardig bemoste treden. "O neen," roept hij als in een overvloeiïng van verrukking, "zij kan niet ver meer zijn!" Daar treedt in hooge schoonheid en rankheid Serpentina uit het binnenste van den tempel; zij draagt de gouden vaas, waaruit een heerlijke lelie is ontsproten. De onzegbare vervoering van het eindeloos verlangen brandt in de bezaligende oogen; zoo ziet zij Anselmus aan, zeggende: "Mijn geliefde! de lelie heeft haar kelk ontsloten -- het hoogste is vervuld, kan er een zaligheid zijn, die de onze nabij komt?" Anselmus omvat haar met de vurigheid van het hevigst verlangen -- met stralende vlammen brandt de lelie boven zijn hoofd. En luider roeren zich boomen en bosschages, klaarder en vreugderijker juichen de bronnen -- vogels -- allerlei bonte insecten dansen in duizellucht -- een jubileerend gewoel in de lucht -- in de wateren -- op aarde viert liefde feest.
"Alom schichten bliksems lichtend door de bosschages -- diamanten zien als vonkende oogen uit de aarde! -- hooge springbeken stralen uit de bronnen -- vreemde reuken waaien met ruischenden vleugelslag over -- het zijn de geesten der elementen, die de lelie huldigen en Anselmus' geluk verkonden. -- Daar heft Anselmus het hoofd als door de glansstraling eener verheerlijking omstroomd. -- Zijn het blikken? -- Zijn het woorden? -- is het een zingen? -- Duidelijk klinkt het: "Serpentina, het geloof aan u, de liefde heeft mij de ziel der natuur ontsloten! De lelie bracht gij mij, die uit het goud, uit de oerkracht der aarde kiemde, nog aleer Phosphorus de gedachte ontstak, -- zij is het begrip van de heilige harmonie aller wezens en door dit begrip zal ik eeuwiglijk leven in opperst geluk. Ja, ik hoogbegenadigde heb het Allerhoogste verstaan -- eeuwiglijk zal ik u minnen, Serpentina, -- nimmer verbleeken de gouden stralen der lelie, want eeuwig als Geloof en Liefde is het Begrip." --
"Het visioen, waarin ik Anselmus waarachtiglijk op zijn riddergoed in Atlantis aanschouwde, dankte ik louter aan de Kunst van den Vuurgeest en een verrukking was het, toen ik het -- nadat alles als in nevel gevloden was -- op het papier ter violette tafel, keuriglijk en oogenschijnlijk door mij zelf nedergeschreven, wedervond. -- Doch nu werd ik door beten van smart gekweld en vaneengereten. O gij gelukkige Anselmus, die daar den druk des dagelijkschen levens hebt afgeworpen en in liefde tot de bekoorlijke Serpentina krachtig uw vleugels uitslaat en nu in geluk en vreugde woont op uw riddergoed in Atlantis! Dan ik, arme! -- weldra -- in weinige minuten zal ik zelfs uit deze heerlijke zaal, die nog làng geen riddergoed in Atlantis is, verplaatst zijn naar mijn dakkamertje, de armtierigheden van het kommervolle leven bevangen mijn geest en mijn blik wordt door opeenhooping van ellende als door dichten nevel omhuld, zoodat ik wel nooit de lelie aanschouwen zal!"
Toen klopte archivaris Lindhorst mij zacht op den schouder en zeide: "Sst, sst, mijn beste, zóó moogt gij niet klagen! -- Zijt gij dan zooeven niet zelf in Atlantis geweest en ligt daar voor u niet minstens een bekoorlijke meierij als dichterlijke bezitting van uw geestesinnerlijk? Wat is Anselmus' zaligheid in wezen anders dan het leven in de schoonheid, waaraan zich de heilige harmonie van al het bestaande als opperste geheimenis der Natuur openbaart?"
SLOT VAN HET SPROOKJE.
* * * * * * * * * * * * * *
_Errata_
Veronika : Veronica _1.-3. "Nachtwaak" met "k", 5.-einde met "c"_
zeide conrector Paulmann _origineel: "conrektor"_ [Voetnoot 5: dag-en-nachtevening.] eerstkomende dag-en-nachtevening _origineel: "dag- en- nachtevening"_ "Dit," zeide archivaris Lindhorst _komma is afwezig_ den storm, die de lucht doorwoelde en haar zwaren regendroppen in 't gelaat wierp.--Met dof doordreunende _origineel: "zwarn" ... "doordreunendee"_ die in schadelijke planten _origineel: "inschadelijke"_ toen ik de ingrediënten voor den noodlottigen punch _origineel: "ingredienten"_
_Aanhalingsteken_
_Aanhalingstekens zijn toegevoegd bij citaties die meer dan één paragraaf omspannen._
maar gij verstondt mij niet: Gloed is mijn taal... _origineel: "Gloed is_ u helpen." In een wijde op-en-neder-vlucht... _origineel: ... helpen. "In een_ "Dat is toch een wonderlijke oude man," zeide griffier Heerbrand. _origineel: ... oude man," zeide griffier Heerbrand."_ de basis van alles is." Maar griffier Heerbrand antwoordde _origineel: ... alles is. "Maar griffier_ omdat de liefde uw boezem bewoont." Bronnen en beekjes _origineel: ... bewoont. "Bronnen_
"en de bekoorlijke liefste Serpentina." _beide aanhalingteken afwezig_
"Veroorloof mij, heer," zeide de aardgeest, "dat ik de drie dochters en spotte de echo: "Dra je val in 't kristal." "al mijn goede raadgevingen en vermaningen "Weet dan, liefste! dat mijn vader _(alle) aanhalingteken openen afwezig_
die hem nu nog in de gedachten / hangen." waar wij tevoren over spraken." honderd gebronsde appelvrouwen zich ertegen." niets ter wereld aan te vangen," zeide een fikschen kerel / aanbevolen, mijn waarde!" -- uit die groeit de meesters van Bhogovotgita[9] / wachten." -- Scheldt hem de te harde straf / kwijt. --" "O, mijn eigen, mijn eigen Serpentina," riep de student Anselmus archivaris Lindhorst moet, vanwege het / copieeren?" als echte studenten: "gaudeamus igitur[17]" in bijzonderen Dienst." _aanhalingteken sluiten afwezig_
End of Project Gutenberg's De Gouden Vaas, by Ernst Theodor Amadeus Hoffmann