De Gouden Vaas

Chapter 8

Chapter 83,485 wordsPublic domain

De archivaris zag hem met een zeer eigenaardigen, ironischen glimlach aan en vroeg: "Nu, hoe smaakte u gisteren de punch, beste Anselmus?" "Ja, de papegaai heeft u zeker," antwoordde de student Anselmus beschaamd, doch hij stokte, want hij moest er aan denken, dat ook de verschijning van den papegaai slechts een begoocheling van zijn bevangen zinnen geweest was. "Kom, ik was immers zelf in het gezelschap," viel de archivaris Lindhorst hem in de rede, "hebt u mij dan niet gezien? Maar door de dwaze onbetamelijkheden, die gij bedreeft, was ik haast leelijk gekwetst, want juist in het oogenblik, dat de griffier ernaar greep, om haar tegen de zoldering te slingeren, zat ik nog in de kom en ik moest mij snel in den pijpenkop van den conrector terugtrekken. En thans, het ga u goed, mijnheer Anselmus! Arbeidt maar vlijtig door; ik zal u ook voor den gisteren verzuimden dag een zilveren Thaler geven, omdat gij totnutoe zoo flink gewerkt hebt." "Hoe kan de archivaris nu toch zulke dwaasheden uitkramen," zeide de student Anselmus tot zichzelf, en hij zette zich aan tafel om met het copieeren van het manuscript te beginnen, dat de archivaris als gewoonlijk voor hem ontrold had. Maar hij ontwaarde op de perkamenten rol zooveel wonderlijke krullerige halen en slingers door elkaar heen, die, zonder het oog een enkel rustpunt te bieden, den blik verwarden, dat het hem bijna onmogelijk scheen, dit alles getrouw na te teekenen. En zelfs, als men het geheel even overzag geleek het perkament slechts een bontgeaderd stuk marmer of een met mos bespikkelden steen. -- Desniettegenstaande zou hij al het mogelijke doen en doopte wakker zijn pen in, doch de inkt wilde in het geheel niet vloeien, ongeduldig schudde hij de pen uit en -- Hemelsche Goedheid -- daar viel een groote inktvlek op het uitgespreide handschrift. Sissend en bruisend schoot een blauwe bliksemstraal uit de vlak op en slingerde zich krakend door het vertrek tot aan de zoldering. Toen brak uit de wanden een dikke damp, de bladeren begonnen te ruischen als door storm bewogen en met vurige flakkering schoten er schitterende hagedissen uit neder die den damp ontstaken, totdat de vlammende massa's zich knetterend om Anselmus wentelden. De gouden stammen der palmboomen werden reuzenslangen, die haar afgrijselijke koppen met doordringend metaalgeluid tegen elkander stieten en Anselmus met de geschubde lichamen omwonden.

"Waanzinnige, onderga thans de straf voor hetgeen gij in onbeschaamden moedwil misdreeft." -- Dit riep de geweldige stem van den gekroonden Salamander, die boven de slangen als een verblindend stralen te midden der vlammen opkwam en nu spoten uit haar opengesperde muilen watervallen van vuur op Anselmus neder tot het was als verdichtten zich deze vuurstroomen om zijn lichaam tot een vaste, ijskoude massa. Doch terwijl de ledematen van Anselmus in al nauwer en nauwer samentrekking verstarden, brak zijn denken. Toen hij weder bijkwam, kon hij zich niet meer bewegen, hij was, als door een glanzige helderheid omgeven, waaraan hij zich als hij slechts de hand heffen of zich anders verroeren wilde, stiet. Helaas! hij zat in een goedgesloten kristallen flacon op een boekenrek in de bibliotheek van archivaris Lindhorst. --

TIENDE NACHTWAAK

Het lijden van den student Anselmus in de glazen flacon. -- Het gelukkige leven van Kruisscholieren en procureursklerken. -- Het gevecht in het bibliotheek-vertrek van archivaris Lindhorst. -- De overwinning van den Salamander en de bevrijding van den student Anselmus.

Met recht durf ik eraan te twijfelen, goedgunstige lezer! of gij ooit in een glazen flacon opgesloten geweest zijt, tenzij een helle kweldroom u eens met een soortgelijke verwarrende betoovering had omvangen gehouden. Was dit zoo, dan zult gij den jammer van den student Anselmus zeer levendig gevoelen; hebt gij echter nimmer van iets dergelijks gedroomd, dan wil uw beweeglijke fantazie, mij en Anselmus ten gelieve, u wel voor enkele oogenblikken in het kristal opsluiten. -- Gij wordt door verblindenden glans dicht omsloten, alle voorwerpen in het ronde schijnen u door stralende regenboogkleuren verlicht en omgeven -- alles siddert en schokt en trilt in dien luister -- bewegingloos en onmachtig zweeft gij in een bevroren aether, die u tezamen drukt, zoodat tevergeefs de geest over het doode lichaam gebieden wil. Steeds zwaarder en zwaarder drukt die centenaarslast tegen uw borst -- meer en meer verbruikt uw ademtocht de koeltjes, die in de nauwe ruimte nog af- en aanzweefden -- uw polsaderen zwellen op en van gruwelijken angst doorkerfd trekt iedere zenuw in verscheurenden doodsstrijd samen. Heb medelijden, goedgunstige lezer! met den student Anselmus, wien deze foltering in zijn glazen kerker aangreep; helaas, hij gevoelde wel dat de dood hem niet verlossen kon, want ontwaakte hij niet uit de diepe bezwijming, waarin hij door overmanning van pijn verzonken was, toen de morgenzon klaar en vriendelijk in het vertrek kwam binnenschijnen en begon toen de foltering niet van voren af aan? -- Geen lid kon hij verroeren, doch zijn gedachten sloegen tegen het glas, hem verstompend door hun dissoneerend weergalmen en instede van de woorden, die anders de geest van uit zijn gevoelsinnerlijk sprak, vernam hij slechts het doffe geruisch van den waanzin. -- Toen kreet hij in vertwijfeling: "O Serpentina -- Serpentina, red mij uit dezen helschen nood!" En het was als omwaaiden hem zachte zuchten, die zich rondom de flesch legden als groene, doorzichtige vlierbladeren; het galmen hield op, de verblindende verwarrende schijn was verdwenen en hij ademde lichter. "Ik ben toch ook zèlf alleen de schuld van al mijn ellende, -- o, heb ik niet tegen ù, lieve, liefste Serpentina! misdreven? -- heb ik niet een verachtelijken twijfel jegens u gekoesterd? heb ik niet het geloof verloren en daarmede alles, wat mij diep gelukkig maken moest? -- Ach, nu zult gij wel nooit de mijne worden, de gouden vaas is voor mij verloren, nooit zal ik haar wonderen mogen zien. O, kon ik u nog maar éénmaal zien, uwe lieflijke, zoete stemme hooren, liefste Serpentina!" -- Zoo weeklaagde de student Anselmus in felle, snijdende smart, toen er naast hem iemand zeide: "Ik begrijp niet, wat gij toch wilt, mijnheer de student, waarom lamenteert gij zoo bovenmatig?" -- De student Anselmus bemerkte, dat naast hem op hetzelfde boekenrek nog vijf flacons stonden, waarin hij drie kruisscholieren en twee procureursklerken[16] bemerkte. "Maar, mijne Heeren, metgezellen in het ongeluk," riep hij uit, "hoe is het u mogelijk zoo berustend, en zelfs vergenoegd te zijn, gelijk ik aan uw vroolijke gezichten bemerk? Gij zit toch even goed als ik in glazen flacons opgesloten en kunt u nòch bewegen nòch verplaatsen, ja zelfs niet eens iets redelijks uitdenken, zonder dat er een helsch lawaai van klinken en galmen ontstaat en zonder dat het op verschrikkelijke wijze kookt en ruischt in uw hoofd. Maar gij gelooft zeker niet aan den Salamander en de Groene Slang?" "Gij bazelt maar wat, mijnheer de student," antwoordde een kruisscholier, "nimmer bevonden wij ons beter, dan thans, want de klinkende thalers, die wij van den dwazen archivaris krijgen voor al die zinnelooze copieën, bekomen ons best; wij behoeven nu geen Italiaansche koorgezangen meer uit het hoofd te leeren, iederen dag gaan wij naar Joseph of een andere kroeg, wij laten ons het donkere bier goed smaken, kijken wel eens een lief meisje in de oogen, zingen als echte studenten: "gaudeamus igitur[17]" en zijn oerfideel." "De heeren hebben groot gelijk," viel een procureursklerk in, "ook ik ben rijkelijk van zilveren thalers voorzien, evenals mijn waarde collega hiernaast en bewandel dapper den "Weinberg" inplaats van bij die verwenschte actenschrijverij tusschen vier muren te zitten." "Maar beste, waarde heeren!" zeide de student Anselmus, "bemerkt gij dan niet, dat gij den een voor den ander in glazen flacons zit en u verplaatsen nòch verroeren kunt, laat staan rondwandelen?" -- Toen lachten de kruisscholieren en procureursklerken luid-op en riepen: "die student is gek, hij verbeeldt zich in een glazen flesch te zitten, terwijl hij op de Elbebrug recht in het water staat te kijken. Laat ons toch verder gaan." "Helaas," zuchtte de student, "die hebben de lieve Serpentina nooit aanschouwd, die weten niet wat leven en vrijheid in geloof en liefde is, daarom bemerken zij den druk van hun kerker niet, waarin de Salamander hen om hun onverstand, hun oppervlakkige gezindheid heeft gebannen, maar ik, rampzalige, zal vergaan in schande en jammer, als zij, die ik zoo onzegbaar liefheb, mij niet redt." -- Toen waaide zachtkens suizelend Serpentina's stemme door het vertrek: "Anselmus, geloof, bemin, hoop!" -- En iedere toon blonk tot binnen Anselmus kerker, zoodat het kristal voor zijn macht moest wijken en zich verwijden, waardoor de borst van den gevangene zich bewegen, zich uitzetten kon. -- Het pijnende van zijn toestand nam voortdurend af en hij begreep, dat Serpentina hem nog liefhad en dat _zij_ het slechts was, die hem het verblijf in het kristal dragelijk maakte. Hij bekommerde zich niet meer om zijn lichtzinnige genooten in het ongeluk, maar richtte al zijn voelen en denken op de beminnelijke Serpentina. Doch plotseling kwam van de andere zijde een dof, weerzinwekkend gemompel op. Spoedig werd hij duidelijk gewaar, dat dit gemompel afkomstig was van een oude koffiekan met halfgebroken deksel, die tegenover hem op een kastje geplaatst was. Zoodra hij scherper toekeek, ontwikkelden zich steeds meer de stuitende trekken van een oud, verschrompeld vrouwengezicht en weldra stond het appelwijf van de Zwarte Poort voor het boekenrek. Zij grijnsde hem tegen en lachte om hem en riep met schelle gilstem: "Zoo, zoo, kindlief! -- moet je hier zoo zitten? -- In 't kristal kwam je ten val! -- heb ik dat niet al lang voorspeld?" -- "Hoon maar en spot maar, vervloekt heksenwijf," zeide de student Anselmus, "gij zijt van alles de schuld, doch de Salamander zal u weten te treffen, leelijke beetwortel." "Wacht even!" antwoordde de oude, "Wees niet zoo hoogmoedig! Mijn zoontjes hebt gij in 't gelaat geschopt, mij hebt gij den neus verbrand, maar toch ben ik u nog genegen, schelm, omdat gij overigens een welgemanierd mensch waart en mijn kleine dochter ziet u ook gaarne. Maar uit het kristal komt gij nu eenmaal niet, als ik u niet help; ik kan niet tot u omhoogreiken, maar mijn meter, de rat, die vlak over u, gelijkvloers woont, zal het plankje doorknagen, waarop gij staat, dan buitelt gij naar beneden en ik vang u op in mijn schort, zoodat ge uw neus niet stukvalt, doch mooi uw gave gezicht behoudt en ik breng u fluks naar het juffertje Veronica, dat gij zult huwen, zoodra gij hofraad zijt."

[Voetnoot 16: in dit geval "volontairs."]

[Voetnoot 17: "Daarom laat ons vroolijk zijn" (begin van een studentenlied).]

"Laat af van mij, Satansgebroed," riep de student Anselmus vol verbittering, "uw helsche kunsten alleen hebben mij aangezet tot het misdrijf, waarvoor ik nu boete moet doen. Maar gelaten zal ik alles dragen, want ik kan nergens anders wijlen dan hier, waar de liefste Serpentina mij met liefde troostend omgeeft! -- Versta dit oude en vertwijfel! Uw macht zal ik trotseeren, ik bemin Serpentina tot in eeuwigheid -- nooit zal ik hofraad worden -- nooit Veronica meer zien, die mij door u tot het kwade verleidt! Kan de Groene Slang niet de mijne worden, dan wil ik sterven van smart en verlangen! -- Pak je weg, pak je weg, verachtelijk duivelskind!"

Toen lachte de oude, dat het schrilde door het vertrek en riep: "Blijf dan en sterf, voor mij is het tijd aan het werk te gaan, want mijn taak hier omvat nog meer." -- Zij wierp den zwarten mantel af en stond in afgrijzenwekkende naaktheid, toen zwierde zij in kringen rond en groote folianten stortten neer, waaruit zij perkamenten bladen scheurde; die hechtte zij snel tot een kunstig maaksel aaneen, dat zij zich over het lichaam trok en was weldra als in een vreemd, bont, schubbenharnas gekleed. Vonkspattend sprong de zwarte kater uit den inktkoker, die op de schrijftafel stond en huilde de oude tegen, die luid juichte en met hem door de deur verdween. Anselmus zag, dat zij naar het blauwe vertrek waren gegaan en weldra hoorde hij in de verte gesis en gebruis, de vogels in de tuin kreten, de papegaai relde: "help, help, roof, roof." Op dat oogenblik sprong de oude in de kamer terug, terwijl zij de gouden vaas op den arm droeg en met een afgrijselijk gebaar woest rondkreet: "Ter zege! -- ter zege! -- zonen -- doodt de groene slang! Komt, kinderen. Komt!"

Het was Anselmus als hoorde hij een diep steunen, als hoorde hij Serpentina's stem. Toen greep ontzetting en wanhoop hem aan. -- Hij spande al zijn krachten in, met een geweld of zijn zenuwen en aderen bersten moesten, stiet hij tegen het kristal -- daar voer een snijdende toon door het vertrek en de archivaris stond in de deuropening in zijn schitterenden, damasten slaaprok: "Hei, ho! gespuis, dwaas spooksel -- heksenmaaksel -- hier -- vooruit!" Zoo donderde hij. Toen richtten zich de zwarte haren van de oude als stekels op, haar gloeiend-roode oogen glansden vol hellevuur en terwijl zij de puntige tanden in den wijden muil vast opeen beet siste zij: "flink, flink er op los maar, vooruit, vooruit," en lachte blerrend vol hoon en spot en drukte de gouden vaas vast tegen zich aan en wierp daaruit handenvol glinsteraarde op den archivaris, doch zoodra de aarde den slaaprok raakte, verwerd zij tot neervallende bloemen. Toen flakkerden en vlamden de lelieën van den slaaprok op en de archivaris slingerde de vurig knetter-brandende bloemen naar de heks, die huilde van pijn; doch als zij in de hoogte sprong en het perkamenten harnas schudde, doofden de lelies en vielen tot asch ineen. "Flink aangepakt, jongen," krijschte de oude en de kater schoot door de lucht en stoof voort naar de deur boven den archivaris, doch de grijze papegaai fladderde hem tegen en greep hem met den krommen snavel in den nek, dat vurig-rood bloed eruit sprong, terwijl Serpentina's stem riep: "Gered, gered." De oude wierp zich in opperste woede en wanhoop op den archivaris, de vaas liet zij achter zich en wilde hem in een openspreiding van de lange vingers der dorre handen omklauwen, doch deze rukte haastig den slaaprok af en slingerde die der oude tegen. Toen sisten en spatten en bruisten blauwe knettervlammen uit de perkamenten bladen en de oude wentelde zich in smartgehuil; zij trachtte steeds weer aarde uit de vaas te grijpen, steeds meer perkamenten bladen uit de boeken te bemachtigen, om de flakkerende vlammen te verstikken, want als het haar gelukte zich met aarde of perkamentbladen te bestrooien, doofde het vuur. Doch nu schoten als uit het innerlijk van den archivaris hel-brandende, sissende stralen op de oude neer. "Vooruit, vooruit, dood en verderf, -- den Salamander de zege!" daverde de stem van den archivaris door het vertrek en honderden bliksems slingerden zich in kringen van vuur om de krijschende oude. Grommend en stuivend vlogen de kater en de papegaai in woedenden strijd rond, tot eindelijk de papegaai den kater met zijn krachtige vlerken naar den grond sloeg en terwijl hij hem met de klauwen doorspietste en bedwong, zoodat hij in den angst des doods schrikbaarlijk huilde en steunde, reet hij hem met den scherpen snavel de gloeiende oogen uit, dat brandend schuim er in stralen uitspoot. -- Een dikke walm welde op, daar waar de neergestorte oude onder den slaaprok lag; haar gehuil, haar doordringend, ontzettend smartgekrijt verklonk in wijde verte. De rook, die zich met doordringenden stank verspreidde, vervloog, de archivaris hief den slaaprok op en daaronder lag een smerige beetwortel. "Hooggeachte Heer Archivaris, hier breng ik u den overwonnen vijand," sprak de papegaai, terwijl hij archivaris Lindhorst in zijn snavel een zwarte haar overreikte. "Uitstekend, mijn beste," antwoordde de archivaris, "hier ligt ook mijn overwonnen vijandin, wees zoo goed om nu ook voor het overige te zorgen; vandaag nog schenk ik u als kleine tegemoetkoming zes kokosnoten en een nieuwen bril, want ik zie, dat die schandelijke kater uw glazen gebroken heeft." "Mijn leven lang zal ik u dienen, hooggeëerde vriend en beschermer!" gaf de papegaai hoogst-voldaan terug, nam den beetwortel in den snavel en fladderde daarmede het raam uit, dat door archivaris Lindhorst geopend was. Deze greep de gouden vaas en riep krachtiglijk: "Serpentina, Serpentina!" -- En toen nu de student Anselmus hoogelijk verblijd over den ondergang der verachtelijke vrouw, die hem in het verderf gestort had, den archivaris aanzag, was het wederom de koninklijk-hooge gestalte van den geestenvorst, die hem met onbeschrijflijke goedheid en waardigheid beschouwde. -- "Anselmus," sprak de Koning der geesten, "niet gij, doch slechts een vijandig beginsel, dat vernielend in uw innerlijk trachtte door te dringen en u met uzelf in tweespalt te brengen, was oorzaak van uw ongeloof. -- Gij hebt uw trouw bewezen, wees vrij en leef gelukkig." Een schicht doorschoot Anselmus' gemoed, de heerlijke drieklank der kristallen klokjes weerklonk sterker en machtiger, dan hij ooit had gehoord -- het sidderde door zijn nerven en diepste roerselen -- en steeds zwellender daverde het accoord door het vertrek, het kristal, dat Anselmus omsloten hield, sprong en hij wierp zich in de armen der lieflijke, liefste Serpentina.

ELFDE NACHTWAAK

Conrector Paulmann's misnoegen over de in zijn gezin uitgebroken verdwazing. -- Hoe griffier Heerbrand hofraad werd en bij het vinnigste vriesweder met lage schoenen en zijden kousen rondliep. -- Veronica's bekentenissen. -- Een verloving bij de dampende soepterrine.

"Maar vertel mij toch eens, mijn beste griffier! hoe die vermaledeide punch ons gisteren zoo naar het hoofd kon stijgen en tot allerlei bokkesprongen kon aanzetten?" -- Aldus sprak conrector Paulmann toen hij den anderen morgen het vertrek betrad, dat nog vol gebroken scherven lag en in welks midden de ongelukzalige pruik, ontleed in haar oorspronkelijke bestanddeelen, in de punch ronddreef.

Toen de student Anselmus de deur uitgestormd was, laveerden en waggelden conrector Paulmann en griffier Heerbrand door het vertrek, schreeuwend als bezetenen en liepen met de hoofden tegen elkaar, totdat Fransje haar duizeligen vader met veel moeite te bed bracht en de griffier in diepe uitputting op de sofa zakte, die Veronica, in het slaapvertrek gevlucht, had verlaten. Griffier Heerbrand had zijn blauwen zakdoek om het hoofd gewikkeld, hij zag er mat en melancoliek uit en steunde: "Och, beste conrector, niet de punch, die Mejuffer Veronica voortreffelijk heeft toebereid, neen! maar alleen die vervloekte student is de schuld van al die onbetamelijkheid. U begrijpt toch, dat hij al lang mente captus[18] was? En u weet toch ook wel, dat waanzin aanstekelijk is? -- Eén dwaas maakt er vele; dit is -- vergeef mij -- een oud spreekwoord; in 't bijzonder, wanneer men een glaasje gedronken heeft, geraakt men licht tot dwaasheden, men manoeuvreert onwillekeurig mede en komt tot het verrichten van de bewegingen, die de krankzinnige vleugelman voordoet. Wilt gij wel gelooven, conrector, dat ik nog duizel, als ik aan den grijzen papegaai denk?" -- "Kom, kom," viel de conrector hem in de rede, "kunsten! -- dat was immers het oude, kleine factotum van den archivaris, dat een grijzen mantel had omgeslagen en naar den student Anselmus zocht." -- "Dat kan wel," hernam de griffier Heerbrand, "maar ik moet bekennen, dat het mij allerellendigst te moede is; heel den langen nacht heb ik zulk vreemd georgel en gepijp gehoord." -- "Dat ben ik geweest," antwoordde de conrector, "want ik snork erg." -- "Nu, dat kan dan wel," ging de griffier verder, -- "maar conrector, conrector, niet zonder reden was ik er gisteren op uit om ons eenig vermaak te verschaffen -- doch Anselmus heeft alles bedorven -- gij wéét niet -- o conrector, conrector!" Griffier Heerbrand sprong van de sofa af, rukte den doek van het hoofd, omarmde den conrector, drukte hem vurig de hand, riep nog een keer op hartroerenden toon: "o conrector, conrector!" en stormde, terwijl hij hoed en stok greep, heen. "Anselmus komt niet meer over mijn drempel," sprak conrector Paulmann in zichzelf, "want ik begrijp nu, dat hij met zijn hardnekkigen inwendigen waanzin de beste menschen van hun weinigje verstand berooft; de griffier is er nu ook aan koud -- zelf heb ik mij tot dusver nog staande gehouden, maar de duivel, die gisteren in den roes al zoo krachtig aanklopte, zou ten slotte wel kunnen inbreken en dan vrij spel hebben. -- Dus, apage Satanas![19] -- weg met Anselmus!" -- Veronica was diep nadenkend geworden, geen woord sprak zij, slechts glimlachte zij bijwijlen op vreemde wijze en bleef liefst alleen. "Dat heeft Anselmus ook op zijn geweten," zeide de conrector in volheid van toorn, "het is maar goed, dat hij zich in 't geheel niet laat zien, ik weet wel, dat hij bevreesd is voor mij -- Anselmus, en daarom komt hij niet hierheen." Overluid sprak conrector Paulmann dit laatste en Veronica, die er juist bij was, sprongen de tranen uit de oogen, terwijl zij zuchtte: "Ach, hoe zou Anselmus hier ook kunnen komen, die is toch al lang in de glazen flesch opgesloten." "Hein, wat?" riep conrector Paulmann. "O God, o God, die bazelt ook al als de griffier, daar komt ook spoedig een uitbarsting. O, vervloekte, ellendige Anselmus!" -- Hij stoof in éénen door naar Dr. Eckstein, die glimlachte en weer zeide: "Zoo, zoo." Hij schreef echter niets voor, doch voegde onder het weggaan aan het weinige, dat hij geuit had nog toe: "Zenuwtoevallen! -- moet vanzelf overgaan -- in de lucht brengen -- gaan wandelen -- verstrooiïng -- schouwburg -- zondagskind -- zusters van Praag -- zal vanzelf overgaan!"

[Voetnoot 18: waanzinnig, zonder verstand.]

[Voetnoot 19: Achteruit of weg van mij, Satan.]