De Gouden Vaas

Chapter 7

Chapter 73,570 wordsPublic domain

""Thans is zijn vuur gedoofd," sprak de Koning der geesten, "maar in den rampzaligen tijd, wanneer de sprake der natuur voor het ontaarde geslacht der menschen niet meer verstaanbaar zal zijn, wanneer de geesten der elementen binnen hunne regionen gebannen, slechts uit eindelooze verte door doffe herinneringen tot de menschen zullen spreken, wanneer aan den harmonischen kringloop ontrukt, enkel een oneindig verlangen hem de duistere konde brengen zal van het wondervolle rijk, dat hij eens mocht bewonen, toen geloof en liefde zijn gemoed nog vervulden, -- in dezen rampzaligen tijd zal de vuurkracht van den Salamander zich opnieuw ontsteken, doch slechts tot mensch wast hij op en hij moet, geheel opgaand in zijn kommervol bestaan, diens droefenis dragen. Doch niet slechts de herinnering aan zijn oertoestand blijft hem bij, opnieuw zal hij opleven in heilige samenstemming met de geheele natuur, haar wonderen verstaand en met de macht der vermaagschapte geesten te zijnen dienste. In een leliestruik vindt hij dan de Groene Slang weder en de vrucht van zijn echt met haar, zal een drietal dochters zijn, die den menschen in de gestalte der moeder zullen verschijnen. In den lentetijd zullen zij zich door den donkeren vlierstruik slingeren en hare lieflijke kristallen stemmetjes doen klinken. Wanneer dan in dien dorren, rampzaligen tijd van innerlijke versteening een jongeling gevonden wordt, die haar gezang hoort, in wien, wanneer een der kleine slangen hem met haar bezaligende oogen aanziet, die blik het voorvoelen ontsteekt van dat verre, wondervolle land, tot waartoe hij zich stout kan verheffen, als hij slechts den last van het alledaagsche afwerpt en in hem met de liefde voor de slang het geloof wast aan de wonderen der natuur en vol gloed en leven aan zijn eigen bestaan te midden van die wonderen, dan wordt die slang de zijne. Doch niet aleer er drie zulke jongelingen gevonden zijn en zich met de drie dochters verhuwelijkt hebben, mag de Salamander zijn drukkenden last afwerpen en tot zijn broederen gaan." "Veroorloof mij, heer," zeide de aardgeest, "dat ik de drie dochters een geschenk geef, dat heur leven met den gevonden gemaal zal opluisteren. Elke zal van mij een vaas ontvangen van het schoonste metaal dat ik bezit en die ik wil polijsten met stralen, aan den diamant ontleend; in haar glans zal zich ons wonderlijk rijk, zooals het in harmonie met de geheele natuur bestaat, in verblindend-heerlijken weerschijn afspiegelen, uit haar binnenste echter in het oogenblik der verhuwelijking een vuurlelie opbloeien, wier eeuwige bloesem den beproefd gevondenen jongeling met haar zoete roke omgeeft. Dra zal hij dan haar sprake en de wonderen van ons rijk verstaan om zelf met de geliefde in Atlantis te wonen." -- Gij weet nu wel, lieve Anselmus! dat mijn vader juist die Salamander is, waarvan ik u vertelde. Ondanks zijn hoogere afstamming moest hij zich aan de engste benauwingen van het gewoonte-leven onderwerpen en daaruit komt vaak het grillige leedvermaak voort, waarmede hij velen kwelt. Hij heeft mij bij herhaling gezegd, dat men voor de innerlijke geestesgesteldheid, die de geestenvorst Phosphorus eertijds als voorwaarde voor de uithuwelijking aan mij en mijne zusters bepaald heeft, thans eene uitdrukking kent, die echter te vaak op zeer ongepaste wijze misbruikt wordt; men noemt die een kinderlijk, dichterlijk gemoed. -- Dikwijls vindt men dit gemoed bij jongelingen, die om den hoogen eenvoud van zeden en omdat het hun gansch aan zoogenoemde wereldlijke vorming ontbreekt, door het gemeen bespot worden. O, liefste Anselmus -- gíj verstondt onder den vlierstruik mijn gezang -- mijn blik -- gij hebt de Groene Slang lief, gij gelooft aan mij en wilt de mijne zijn voor altijd! De schoone lelie zal uit de gouden vaas opbloeien en wij zullen gelukkig en vereend in Atlantis wonen. Doch ik mag u niet verbergen, dat in een gruwelijken kamp met de Salamanders en aardgeesten de zwarte draak zich losrukte en door de lucht wegsuisde. Wel houdt Phosphorus hem weder geketend, doch uit de zwarte pennen, die in den strijd op de aarde stoven, ontsproten vijandige geesten, die overal de Salamanders en aardgeesten weerstaan. Die vrouw, die u zoo vijandig gezind is, liefste Anselmus en gelijk mijn vader zeer goed weet, het bezit van de gouden vaas nastreeft, heeft haar bestaan aan de liefde van zulk een uit den vlerk van den draak gestoven pen tot een beetwortel te danken. Zij is zich haar oorsprong en macht bewust, want uit het steunen, uit de stuiptrekkingen van den gevangen draak werden haar de geheimenissen van menige wonderlijke constellatie openbaar en zij neemt alle middelen te baat, om van buiten af op het innerlijke te werken, waartegenover mijn vader haar met de bliksems, die uit het binnenste van den Salamander schieten, bestrijdt. Alle vijandige oerkrachten, die in schadelijke planten en giftige diersoorten huizen, gaart zij bijeen en verwekt, door ze bij gunstigen sterrestand te mengen, menige booze verschijning, die het verstand der menschen met huiver en ontzetting slaat en hen aan de macht der demonen, die de in den strijd bezwijkenden draak baarde, onderwerpt. Neem u in acht voor de oude, lieve Anselmus, zij is u vijandig gezind, omdat uw kinderlijk-vroom gemoed reeds verscheidene harer booze tooverijen heeft vernietigd. -- Blijf trouw, trouw aan mij, weldra bereikt gij het doel." "O, mijn eigen, mijn eigen Serpentina," riep de student Anselmus, "hoe zou ik u ooit kunnen laten, wat kan ik anders dan u eeuwig liefhebben."

-- Een kus gloeide op zijn mond, als uit een diepen droom ontwaakte hij. Serpentina was verdwenen en het sloeg zes uur; toen viel het hem als een zwaarte in, dat hij hoegenaamd niets gecopieerd had; bezorgd, wat de archivaris wel zeggen zou, blikte hij neer op het blad en -- wonderlijk! de copie van het geheimzinnige manuscript was gelukkig ten einde gebracht en hij geloofde, toen hij de teekens scherper beschouwde, Serpentina's verhaal over haren vader, den lieveling van den geestenvorst Phosphorus in het wonderland van Atlantis, te hebben overgeschreven. Nu trad de archivaris in zijn lichtgrijzen rokjas, den hoed op het hoofd en den stok in de hand, binnen. Hij keek het door Anselmus beschreven perkament in, nam een flink snuifje en zeide glimlachend: "dat dacht ik wel. Nu, hier is de thaler, mijnheer Anselmus, thans zullen wij nog wat naar het Linkesche Bad gaan -- volgt u mij maar!"

Snel schreed de archivaris door den tuin, waar zulk een tumult van zingen, fluiten en spreken doorelkander was, dat de student Anselmus versufte en den Hemel dankte, toen hij zich op straat bevond. Nauwelijks hadden zij eenige schreden gedaan, of zij ontmoetten den griffier Heerbrand, die zich vriendschappelijk bij hen aansloot. Voor de poort stopten zij de meegenomen pijpen; griffier Heerbrand klaagde erover geen tonder bij zich te hebben, toen riep archivaris Lindhorst nukkig: "Wat, tonder! hier is vuur, zooveel u wilt." En tegelijk knipte hij met de vingers, waaruit groote vonken vlogen, die de pijpen spoedig ontstaken. "Ziet u dat scheikundige kunststukje," zeide de griffier Heerbrand, maar de student Anselmus dacht niet zonder innerlijken huiver aan den Salamander.

In het Linkesche Bad dronk de griffier Heerbrand zooveel van het zware, donkere bier, dat hij, anders een goedmoedig, ingetogen man, met schreeuwerige tenorstem studentenliederen begon te zingen, kittelig aan iedereen vroeg, of hij nu zijn vriend was of niet en ten slotte door den student Anselmus moest worden thuisgebracht, toen archivaris Lindhorst reeds lang en breed was verdwenen.

NEGENDE NACHTWAAK

Hoe de student Anselmus eenigszins bij zijn verstand kwam. -- De punch-genooten. -- Hoe de student Anselmus conrector Paulmann voor een steenuil versleet, waarover deze zich zeer boos maakte. -- De inktvlek en hare gevolgen.

Al het vreemde en wonderlijke, dat den student Anselmus dagelijks was overkomen, had hem volslagen aan het gewone leven ontrukt. Hij ging met geen zijner vrienden meer om en wachtte iederen morgen gespannen en ongeduldig op het middaguur, dat hem zijn paradijs ontsloot. En toch, hoezeer zijn gansche innerlijk leven zich naar de lieflijke Serpentina en de wonderen van het sprookjesrijk bij archivaris Lindhorst gericht had, moest hij bij tijden aan Veronica denken, scheen het hem zelfs meer dan eens toe, dat zij tot hem kwam en hem blozend bekende, hoe innig zij hem beminde en hoe zij ernaar streefde, hem aan de phantomen, waardoor hij slechts geplaagd en bespot werd, te ontrukken. Tusschenbeide was het, als sleepte een vreemde, plotseling op hem aanstortende macht hem onweerstaanbaar naar de vergetene Veronica en het was, als moest hij haar volgen, waarheen zij zou willen, als ware hij aan haar vastgeklonken. Juist in den nacht, nadat hij Serpentina voor de eerste maal in de gestalte eener wonderlijk lieflijke jonkvrouw aanschouwd had, nadat hem hetwondervol -geheim der verhuwelijking van den Salamander met de Groene Slang was geopenbaard, kwam Veronica hem duidelijker voor oogen, dan ooit. Sterker! -- eerst toen hij ontwaakte, werd het hem klaar, hoe hij slechts gedroomd had, want hij was overtuigd geweest, dat Veronica zich waarlijk bij hem bevond en er op diep-smartelijken toon, die tot in zijn gemoedsinnerlijk doorklonk, over klaagde, dat hij haar innige liefde aan de fantastische verschijningen, die slechts zijn innerlijke vernietiging zouden teweegbrengen, opofferen wilde en zoo aan zijn ongeluk en verderf zou geraken. Veronica was bekoorlijker, dan hij haar ooit gezien had; hij kon haar bijna niet uit de gedachten houden en deze toestand veroorzaakte hem een pijn, die hij door een morgenwandeling hoopte te verliezen. Een onbekende, magische macht trok hem tot voor de Pirnasche Poort en juist wilde hij een zijstraat inslaan, toen conrector Paulmann, die achter hem aan kwam, luide riep: "Hé hé -- beste mijnheer Anselmus! -- Amice, amice, waar zit gij in 's Hemelsnaam toch, gij laat u in 't geheel niet meer zien -- weet gij wel, dat Veronica er op gespitst is weer eens samen met u te zingen? -- Ga dan nu mede, gij wildet immers toch naar mij toe?" Noodgedwongen ging de student Anselmus met den conrector mede. Toen zij het huis binnenkwamen, trad Veronica hun bevallig en keurig gekleed tegemoet, zoodat conrector Paulmann vol verbazing vroeg: "Hé, waarom zoo gesmukt, werd er dan bezoek verwacht? -- in elk geval breng ik hier mijnheer Anselmus mede." --

Toen de student Veronica welgemanierd-bescheiden de hand kuste, voelde hij een zachten druk, die als een warmen stroom door zijn zenuwen en diepste roerselen schokte. Veronica was de vroolijkheid, de bekoorlijkheid zelve en toen Paulmann naar zijn studeerkamer was gegaan, wist zij Anselmus door allerlei plagerij en schalkschheid zoo op te voeren, dat hij alle beschaamdheid vergat en ten slotte met het uitgelaten meisje door de kamer ronddraafde. Toen kreeg echter opeens de demon der onhandigheid weer vat op hem, hij stootte tegen de tafel en Veronica's sierlijke naaidoosje viel er af. Anselmus raapte het op, het deksel was opengesprongen en een kleine, ronde metalen spiegel blonk hem tegen, waarin hij bijzonderlijk bekoord, kijken bleef. Veronica sloop zacht achter hem, legde de hand op zijn arm en keek, terwijl zij zich dicht tegen hem aan vlijde; over zijn schouder mede in den spiegel. Toen was het Anselmus als begon in zijn binnenste een strijd -- gedachten -- beelden -- bliksemden op en vergingen weder, -- archivaris Lindhorst -- Serpentina -- de Groene Slang -- tot het eindelijk stiller werd en het al-verwarde zich ordende en zich in klaar bewustzijn effende. Hij begreep nu, dat hij voortdurend slechts aan Veronica gedacht had, zelfs dat de gestalte, die hem gisteren in de blauwe kamer verschenen was, ook slechts Veronica kon geweest zijn en dat de verbeeldingsrijke sage over de verhuwelijking van den Salamander met de Groene Slang enkel door hem geschreven, doch hem geenszins verteld werd. Zelf verbaasde hij zich over zijn gedroom en schreef dit louter aan zijn, door de liefde tot Veronica ziekelijk-opgezweepten zielstoestand toe, alsook aan het werken bij archivaris Lindhorst, in wiens kamers het bovendien nog zoo wonderlijk-bedwelmend rook. Hartelijk lachen moest hij over de dwaze inbeelding, verliefd te zijn op een kleine slang en een goedgebouwden geheim-archivaris voor een Salamander te houden.

"Ja, zeker! -- Veronica is het!" zeide hij luide, maar toen hij het hoofd omwendde, keek hij recht in Veronica's blauwe oogen, waarin liefde en verlangen blonk. Een dof "O!" ontvlood haar lippen, die in dat oogenblik op de zijne gloeiden. "O, ik gelukkige," zuchtte de verrukte student, "wat ik gisteren nog maar droomde, wordt mij vandaag nu in alle werkelijkheid deelachtig." "En zul je nu heusch met mij trouwen, wanneer je hofraad bent?" vroeg Veronica. "Beslist," antwoordde de student Anselmus; toen piepte de deur en conrector Paulmann trad binnen, zeggende: "Kom, beste mijnheer Anselmus, vandaag laat ik u niet gaan, u stelt zich wel met een soepje tevreden en dán zal Veronica een goed kopje koffie voor ons zetten, dat wij met den griffier Heerbrand, die beloofd heeft te zullen komen, gaan gebruiken."

"Ja, waarde heer conrector," antwoordde de student Anselmus, "maar u weet toch wel, dat ik naar archivaris Lindhorst moet, vanwege het copieeren?" "Kijk eens, amice!" zeide conrector Paulmann, terwijl hij hem zijn horloge voorhield, dat op half een stond. De student Anselmus zag nu wel in, dat het veel te laat was om nog naar archivaris Lindhorst te gaan en legde zich te liever bij de verlangens van den conrector neder, omdat hij zoodoende Veronica den geheelen dag zou kunnen zien en menigen heimelijken blik, menigen teederen handdruk hoopte te krijgen, o, zelfs wel erop rekende een kus te bemachtigen. Zoo hoog stegen al de wenschen van den student Anselmus en immer behagelijker werd het hem te moede, hoe meer hij er zich van doordrong, dat hij nu spoedig bevrijd zou zijn van alle fantastische inbeeldingen, die hem werkelijk tot een totaal-in-ongerijmdheden-zich-verliezenden dwaas hadden kunnen maken. De griffier Heerbrand verscheen inderdaad na tafel en toen men koffie gedronken had en de schemering reeds was gevallen, gaf hij meesmuilend en zich welgemoed de handen wrijvend te verstaan, dat hij iets bij zich had, hetgeen gemengd door Veronica's mooie handjes en in den passenden vorm gebracht, om zoo te zeggen gefolieerd en gerubriceerd, allen op dezen koelen October-avond welkom zou zijn. "Voor den dag dan maar met het geheimzinnige ding, dat u bij zich hebt, geachte griffier," riep conrector Paulmann; maar griffier Heerbrand greep in den diepen zak van zijn overjas en bracht in drie tempo's een flesch arak, citroenen en suiker te voorschijn. Een half uur was nauwelijks verloopen, of er dampte reeds een keurige punch op Paulmann's tafel. Veronica diende den drank op en onder de vrienden werden allerlei vroolijke gesprekken gevoerd. Doch zoodra de geest van den drank den student naar het hoofd steeg, kwamen ook de beelden van het wonderbaarlijke en vreemde, dat hij kortelings doorleefd had, weder terug. -- Hij zag archivaris Lindhorst, in zijn damasten slaaprok, die fosforisch opglansde -- hij zag het azuurblauwe vertrek, de gouden palmboomen, zelfs werd het hem weer zoo te moede, als moest hij toch aan Serpentina gelooven -- het kookte en gistte in zijn binnenste. Veronica reikte hem een glas punch en terwijl hij het aanvatte, raakte hij even haar hand.

"Serpentina! Veronica!" zuchtte hij als in zichzelf. In diepte van droomen verzonk hij, doch de griffier Heerbrand riep luide: "Het blijft toch een wonderlijke, oude heer, waar niemand uit wijs wordt, die archivaris Lindhorst -- Lang zal hij leven! Klinken, mijnheer Anselmus." Toen steeg de student Anselmus boven zijn droomen uit en zeide, terwijl hij met griffier Heerbrand aanstootte: "dat komt daardoor, hooggeschatte Heer griffier, omdat de archivaris Lindhorst eigenlijk een Salamander is, die den tuin van den geestenvorst Phosphorus in toorn verwoestte, omdat de Groene Slang van hem was weggevlogen?" "Hein, wat?" vroeg Conrector Paulmann. "Ja," ging de student Anselmus voort, "daarom moet hij nu archivaris zijn in koninklijken dienst en hier in Dresden huizen met zijn drie dochters, die echter niets anders zijn dan kleine goudgroene slangen, die zich in vlierboschjes door de zon laten koesteren, verleidelijk zingen en jonge mannen verlokken, als de Sirenen." -- "Mijnheer Anselmus, Mijnheer Anselmus," riep conrector Paulmann, "is u aan het malen? -- Wat voor onbeholpen nonsens gooit u er nu toch uit?" "Hij heeft gelijk," viel de griffier Heerbrand in, "die kerel, die archivaris is vervloekt een salamander, die uit zijn vingers vuursnippers slaat, die iemand gaten in zijn overjas branden als gloeiende zwam. Ja, zeker, gij hebt gelijk, kameraad Anselmus, en wie het niet gelooven wil, beschouw ik als mijn vijand!" Tegelijk sloeg griffier Heerbrand met de vuist op tafel, dat de glazen rinkelden. "Griffier! -- is u dol" riep de vertoornde conrector. "O, ongeluksstudent, ongeluksstudent, wat hebt gij nu weer uitgericht!" "Kom," zeide de student, "U is toch ook maar een vogel -- een steenuil[12], die de pruiken krult, mijnheer de conrector!" "Wat? -- ik een vogel -- een steenuil -- een kapper!" riep de conrector in volsten toorn -- "Mijnheer, u is razend, razend!" -- "Maar de oude[13] zal hem overlast bezorgen," riep griffier Heerbrand. "Ja, de oude is machtig," viel de student Anselmus bij, "ofschoon zij maar van geringe afkomst is, want haar vader was slechts een voddige ganzevleugel en haar moeder een verachtelijke beetwortel, doch haar grootste macht dankt zij aan allerlei vijandige schepselen -- giftig uitvaagsel -- waardoor zij omgeven is." "Dat is gruwelijke lasterpraat," riep Veronica met boosglanzende oogen, "de oude Lize is een verstandige vrouw en de zwarte kater géén vijandig schepsel, doch een beschaafde jonge man met hoofsche manieren en haar germain-neef." "Kan die Salamanders eten, zonder zich den baard te schroeien en jammerlijk om te komen?" zeide griffier Heerbrand. "Neen, neen," riep de student Anselmus, "nooit ofte nimmer zal hij dat kunnen; en de groene slang heeft mij lief, want ik ben een kinderlijk gemoed en heb Serpentina's oogen aanschouwd." "De kater zal die uitkrabben," riep Veronica. "De Salamander, de Salamander, kan ze allen bedwingen, allen," brulde conrector Paulmann in een paroxysme van woede -- "-- maar ben ik dan in een gekkenhuis? ben ik zelf gek? -- wat kraam ik dan toch voor ongerijmde praat uit? -- zeker, ik ben ook gek -- ook gek!" Tegelijk sprong conrector Paulmann op, rukte zich de pruik van het hoofd en slingerde die tegen de zoldering, zoodat de platgeslagen lokken een klaaglijk geluid gaven en in ganschelijke vernieling het poeder wijd in de rondte deden stuiven. Toen grepen de student Anselmus en griffier Heerbrand de kom met punch en de glazen, om die onder gejuich en gejubel tegen de zoldering te werpen, zoodat de scherven klinkend en kletterend rondsprongen. "Vivat Salamander -- pereat -- pereat de oude -- slaat den metalen spiegel stuk, rijt den kater de oogen uit! -- Vogeltje -- vogeltje uit hooge luchten -- eheu[14] -- eheu -- evoe[15] -- Salamander!" -- Zoo schreeuwden en krijschten de drie als bezetenen dooreen. Luid schreiend ijlde Fransje weg, doch Veronica bleef kermend van smartepijn op de sofa liggen. Toen ging de deur open, alles werd plotseling stil en er trad een klein mannetje in een grijs manteltje binnen. Zijn gelaat had iets vreemd gewild-ernstigs en de kromgebogen neus, waarop zich een groote bril bevond, onderscheidde zich bijzonderlijk van alle tot dusver geziene. Ook droeg hij zulk een eigenaardige pruik, dat het meer een muts van veeren scheen te zijn. "Ah, vriendelijk goeden avond," rettelde het potsierlijke mannetje, "mijnheer de student Anselmus is zeker wel hier? Beleefde groeten van Mijnheer den archivaris Lindhorst en hij heeft Mijnheer Anselmus vandaag vergeefs gewacht, doch hij laat vriendelijk vragen, morgen toch niet het gewone uur te willen verzuimen." Daarop stapte hij de deur weer uit en allen zagen nu zeer goed, dat het gewild-deftige mannetje eigenlijk een grijze papegaai was. Conrector Paulmann en griffier Heerbrand stootten een schaterlach uit, die dreunde door het vertrek, en daartusschendoor kermde en steunde Veronica als verscheurd door onuitsprekelijke ellende, maar de student Anselmus voelde zich doorschokt van den waanzin der innerlijke ontzetting en zonder bewustzijn stormde hij de deur uit en de straten door. Werktuigelijk hervond hij zijn woning, zijn klein vertrek. Spoedig daarna trad Veronica vredig en vriendelijk tot hem en vroeg, waarom hij haar in zijn roes zoo'n schrik aangejaagd had en dat hij zich toch voor nieuwe inbeeldingen mocht hoeden, wanneer hij bij den archivaris aan het werk was. "Goeden nacht, goeden nacht, mijn liefste vriend" murmelde Veronica zacht, terwijl zij zijn lippen in vluchtigen kus beroerde. Hij wilde haar met de armen omvangen, doch de droomgestalte was verdwenen en hij ontwaakte monter en verjongd. Nu moest hij zelf smakelijk om de uitwerking van den punch lachen, doch terwijl hij aan Veronica dacht, voelde hij toch hoe een behaaglijke aandoening hem doordrong. Aan haar alleen, zeide hij tot zichzelf, heb ik het te danken, dat ik van mijn zotte kuren ben teruggekomen. -- Waarlijk, het ging mij al niet beter, als zeker iemand, die geloofde, dat hij van glas was, of als hem, die het vertrek niet durfde te verlaten, uit vrees door de hoenders te zullen worden opgegeten, omdat hij zich verbeeldde een gerstekorrel te zijn. Doch zoodra ik hofraad ben, huw ik eenvoudig Mejuffrouw Paulmann en ik word gelukkig. -- Toen hij nu 's middags door den tuin van archivaris Lindhorst ging, kon hij er zich niet genoeg over verbazen, hoe dat alles hem anders zoo vreemd en vol wonderen had kunnen toeschijnen. Hij zag niets dan wat gewone kamerplanten, verschillende soorten geraniums, myrtenstammen en dergelijke. Inplaats van de schitterende, bonte vogels, die hem anders plaagden, fladderden enkel wat musschen heen en weer, die een onverstaanbaar onaangenaam gekwetter begonnen, toen zij Anselmus bemerkten. Het blauwe vertrek kwam hem ook geheel anders voor en hij begreep niet, hoe het schelle blauw en de onnatuurlijk-gouden stammen der palmboomen met de onooglijke blinkende bladeren hem een oogenblik hadden kunnen bekoren.

[Voetnoot 12: toespeling op vader Schuhu uit het achtste hoofdstuk.]

[Voetnoot 13: de oude "vrouw" n.l.]

[Voetnoot 14: uitroep van smart = O, ach (Plautus)]

[Voetnoot 15: juichkreet der Bacchanten = "dat het hem welga."]